Tag: syntaxis

Uit kracht dan van de bevoegdheid

Door Ton van der Wouden

Promotieplechtigheid aan de UvA. Bron: Wikimedia

“Het is de doem van de taalkundige om voortdurend met zijn objekt van studie gekonfronteerd te worden”, aldus de laatste stelling, behorende bij het proefschrift van Jack Hoeksema (Groningen 1984). Dat werd maar weer eens bewezen toen ik nietsvermoedend een Leidse promotie bijwoonde. De kandidaat had zich met succes door het rituele spel van vraag en antwoord geworsteld, de commissie had zich teruggetrokken voor beraad en had haar (commissie is toch vrouwelijk?) plaats weer ingenomen achter de tafel, en de promotor kreeg het woord voor de rite de passage van de doctor-wording. De uitgesproken formule culmineerde in de volgende slotzinnen:

Volgaarne aanvaard ik de taak, mij door de rector magnificus der universiteit opgedragen. [staande] Uit kracht dan van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend, volgens het besluit van de commissie, hier tegenwoordig, verklaar ik bij dezen u, [naam voluit] te bevorderen tot doctor. Ten bewijze hiervan zal u het diploma, door rector, secretaris en promotor ondertekend en met het grootzegel der universiteit bevestigd, ter hand worden gesteld.

Al tientallen malen had ik die formule gehoord, maar voor de eerste keer realiseerde ik me dat er iets bijzonders aan de hand is met die tweede zin. Wat doet dat dan midden in de complexe voorzetselgroep uit kracht van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend? Dit voorbeeld staat niet alleen, andere voorbeelden van dit soort voegwoordelijke bijwoorden of partikels in complexe voorzetselgroepen met een voorzetseluitdrukking als hoofd zijn gemakkelijk te vinden: 

Lees verder >>

Hierdoor werden demonstranten verhinderd een demonstratie in Dokkum bij te wonen

Door Henk Wolf

Het Openbaar Ministerie heeft kortgeleden een filmpje gepubliceerd waarin het naar aanleiding van de zaak rond de ‘Blokkeerfriezen’ uitlegt dat mensen anderen het demonstreren niet mogen beletten. In dat filmpje kwam de volgende zin voor, in zowel gesproken als geschreven vorm:

  • Hierdoor werden demonstranten verhinderd een demonstratie in Dokkum bij te wonen.

Over die zin is van alles te zeggen: is iemand die een demonstratie niet kan bijwonen een demonstrant? – om maar wat te noemen. Het opvallendste eraan vind ik echter de lijdende vorm.

Lees verder >>

Het reflex

Door Henk Wolf

Er zijn Nederlandstaligen voor wie reflex een onzijdig woord is. Laatst sprak ik met iemand die dingen zei als ‘het reflex’ en ‘een sterk reflex’. Ik vroeg of reflex voor haar een de-woord of een het-woord was en ze antwoordde zonder aarzelen: ‘een het-woord’.

Op internet zijn ook voorkomens te vinden van ‘het reflex’. Het zijn er geen duizenden, maar wel te veel om alleen typfouten te zijn. Hieronder staan een paar voorbeelden:

  • Het reflex zorgt voor de productie van endorfines, een neurotransmitter dat pijnstillend werkt en een fijn en verzadigd gevoel geeft.
  • Dat heeft te maken met het reflex dat ontstaat als je zenuwen geprikkeld worden. 
  • Het reflex wordt getriggerd door het kijken naar de hand waardoor een onbewuste knijpbeweging ontstaat.
  • Je kan je voorstellen dat het lastig is naar links te kijken en tegelijk je armen en benen mee te bewegen volgens het reflex (die ga je dan strekken).
  • Het reflex van de musculus stapedius zou normaal gesproken pas in werking treden als er een geluid harder dan 100 decibel wordt …
  • toeschietreflex zelfst.naamw. [biologie] het reflex van het naar buiten laten spuiten van moedermelk uit de melkklieren Bron: Wikiwoordenboek – toeschietreflex.
  • Hierna verdwijnt het reflex langzaam.
Lees verder >>

Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv

Door Marc van Oostendorp

Caroline Tensen nu in 1989.
Bron: Wikmedia

Een intrigerend paradoxale kop boven een artikel in Het Parool: ‘Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv’. Hij staat boven een interview met de 55-jarige presentatrice Caroline Tensen en bevat twee tijdsverwijzingen die elkaar op het eerste gezicht tegenspreken (vroeger en nu) en is onder andere intrigerend doordat je desalniettemin onmiddellijk begrijpt wat Tensen bedoelt. Het wordt in het stuk zelf door Robert ten Brink geparafraseerd op een manier die de paradox opheft: “Tien jaar geleden was het (…) onmogelijk dat iemand van mijn leeftijd bij [tv zou werken]”. (Hoewel dit nog steeds dubbelzinnig is, en de dubbelzinnigheid alleen wordt opgelost als je zegt ‘mijn huidige leeftijd’.)

Er worden dus twee tijdmetingen naast elkaar gebruikt. Vroeger verwijst naar de ‘objectieve’ kalendertijd (‘tien jaar geleden’), en nu naar de persoonlijke tijdsontwikkeling (‘iemand van mijn leeftijd’). Bovendien weet iedereen onmiddellijk welk woord naar welke tijdsontwikkeling verwijst. De zin kan niet betekenen: Het is momenteel onmogelijk dat iemand die net zo oud is als ik tien jaar geleden bij de tv zou werken.

Lees verder >>

Op (het) Parliament Square

Door Henk Wolf

  • […] op het moment dat uit de speakers op Parliament Square de aantallen klinken – 329 voor, 300 tegen – klapt ze halfslachtig met een slap handje.

De zin hierboven stond afgelopen donderdag in een voorpagina-artikel van de Trouw. Met die zin is iets aan de hand: er staat geen lidwoord voor de naam van het plein Parliament Square. Dat is geen foutje: het lidwoord blijft heel vaak weg bij Engelstalige namen van straten, pleinen en parken. Nog een paar voorbeelden van internet:

Lees verder >>

Waarom hangen hun al ruim een eeuw aan de kapstok?

Door Henk Wolf

Misschien herinnert u zich nog de aflevering van De wereld draait door uit 2012 waarin taalkundige Helen de Hoop en toenmalig minister van onderwijs Ronald Plasterk spraken over het voornaamwoord hun. Bij m’n collega’s en mij op NHL Stenden Hogeschool is het een populaire onderwijsvideo. Ik gebruik ‘m zelf om studenten te laten zien hoe mensen gesprekstechnieken toepassen om derden te overtuigen.

De video illustreert hoe twee mensen wel aan dezelfde tafel kunnen zitten en ogenschijnlijk over hetzelfde onderwerp spreken, maar toch finaal aan elkaar voorbij praten. Ik heb bij het zien van de video altijd wat medelijden met Helen de Hoop, die probeert iets inhoudelijk interessants te vertellen, maar daar nauwelijks de ruimte voor krijgt en ook nog erg weinig respect krijgt van zowel Plasterk als de presentator.

Lees verder >>

Een beetje prettig

Door Marc van Oostendorp

Het begon met een enquête over de kwaliteit van de zorg. Linda Duits kreeg hem opgestuurd, en hij bleek de volgende vraag te bevatten:

Maar, dacht Linda terecht, dat ‘een beetje prettig’ klinkt toch heel raar? En toen haalde ze mij erbij op Twitter, en was ik weer een uurtje zoet.

Want ‘de wachtkamer was een beetje prettig’ klinkt inderdaad een beetje raar, maar hoe zou dat nu komen? ‘De wachtkamer was tamelijk prettig’ klinkt bijvoorbeeld in mijn oren helemaal niet zo vreemd, terwijl dat dezelfde betekenis heeft.

Lees verder >>

Ik houd van koffie want koffie

Door Marc van Oostendorp

Er is wereldwijd iets eigenaardigs gaande: woorden zoals want en omdat zijn in zo uiteenlopende talen als het Duits, Fins, Frans, Italiaans, Koreaans Noors, Roemeens, Russisch, Slowaaks, Tsjechisch én het Nederlands aan een nieuw leven begonnen.

Waar je vroeger want bijvoorbeeld alleen kon gebruiken in zinnen als ‘Ik kan niet komen want ik ga naar Lowlands’, vind je nu zinnen als:

  • nee want lowlands

Deze zin is opgediept uit het internet door Martin Konvička, neerlandicus in Berlijn, voor een artikel in Internationale Neerlandistiek. Hij is overigens niet alleen kenmerkend voor internettaal: ook in gesproken Nederlands hoor je zulke zinnen nu wel en in het verleden vermoedelijk niet.

Lees verder >>

Hoeveel voorzetselvoorwerpen kan een zin aan?

Door Marc van Oostendorp

In het nieuwe nummer van Nederlandse Taalkunde (hoera! er is een nieuw nummer van Nederlandse Taalkunde! zingen we bij mij thuis in koor als er een nieuw nummer van Nederlandse Taalkunde verschijnt) staat een interessante discussie tussen Ina Schermer-Vermeer en Hans Broekhuis over een vraag waarvan waarschijnlijk weinig mensen beseffen dat hij nog lang niet is opgelost: hoeveel voorzetselvoorwerpen kunnen er in een zin staan?

Het voorzetselvoorwerp is in de traditionele zinsontleding natuurlijk sowieso een problematische categorie. Wie herinnert zich niet de worstelingen op de basisschool over de vraag of een bepaalde voorzetselgroep nu een bijwoordelijke bepaling was of toch een voorzetselvoorwerp. Schermer-Vermeer en Broekhuis laten zien dat die worsteling tot op de dag van vandaag en tot in de toppen van de taalwetenschap door kan gaan.

Een centrale plaats in de discussie speelt de volgende zin, door Schermer-Vermeer ingebracht:

  • Jan discussieerde met zijn collega over het werk
Lees verder >>

Nimmer meer ‘vier appels meer’: verdwijnende tijd

Door Henk Wolf

Het Franse woord jamais heeft geen vaste vertaling in het Nederlands. Afhankelijk van de context kun je het als ooit, nooit of altijd vertalen (en er zijn misschien nog wel meer mogelijkheden). Kijk maar naar de onderstaande zinnen:

  • Tu es le pire client que j’ai jamais eu.
    (‘Jij bent de beroerdste klant die ik ooit heb gehad.’)
  • Je n’ai jamais vu autant de colère.
    (‘Ik heb nog nooit zoveel boosheid gezien.’)
  • Il est dans le tombeau pour jamais endormi.
    (‘Hij ligt in het graf, voor altijd ingeslapen.’)

Nederlandstaligen vinden het vaak wat gek dat een woord drie zulke verschillende betekenissen in zich kan verenigen. Toch heeft het Nederlandse ooit naast de betekenis ‘op enig moment’ ook weleens de eigenschap ‘op elk moment’, die we meer met het woord altijd zouden associëren. Kijk maar naar de volgende zinnen:

Lees verder >>

Van jouw ras, ras, ras

Door Marc van Oostendorp

Bron: gekshirt.nl

Waarom staan er in zoveel Nederlandse kinderliedjes regels die beginnen met “van je”? Dat is de fascinerende vraag van een artikel dat Norbert Corver bijdroeg aan de feestbundel voor de eminente Gentse taalkundige Liliane Haegeman die deze week online verscheen.

Het zijn er inderdaad heel veel. Corver geeft onder andere de volgende voorbeelden:

Van je ras ras ras
rijdt de koning door de plas
Van je voort voort voort
rijdt de koning door de poort
Van je erk erk erk rijdt de koning naar de kerk
Van je één, twee, drie!

Lees verder >>

Je werkwoorden op een rijtje zetten in de Nederlandse dialecten

Door Marc van Oostendorp

De onderzochte dialecten en hun basiswoordvolgorde

Dialecten zijn de fruitvliegjes van het taalonderzoek: omdat bijna iedere persoon net wat anders spreekt dan zijn buurman, heb je er een gigantische hoeveelheid van. Dat helpt om heel precies in kaart te brengen op wat voor manieren talen van elkaar kunnen verschillen.

Neem de volgorde van werkwoorden aan het eind van een zin. Het is helemaal niet moeilijk om een Nederlandse zin te laten eindigen op drie werkwoorden:

  • Ik vind dat iedereen moet kunnen zwemmen.

Nu kun je groepjes van drie dingen op zes manieren ordenen in een rij:

  1. Ik vind dat iedereen moet kunnen zwemmen. (1-2-3)
  2. Ik vind dat iedereen moet zwemmen kunnen. (1-3-2)
  3. Ik vind dat iedereen kunnen moet zwemmen.(2-1-3)
  4. Ik vind dat iedereen kunnen zwemmen moet. (2-3-1)
  5. Ik vind dat iedereen zwemmen moet kunnen. (3-1-2)
  6. Ik vind dat iedereen zwemmen kunnen moet. (3-2-1)
Lees verder >>

Hoe danst het?

Door Ronny Boogaart

Eerst was er de dag die je wist dat zou komen en nu is er jouw iedere beweging is bij mij vandaan. Die laatste zin komt uit de huidige hit van Marco Borsato met Davina Michelle en Armin van Buuren, maar net als het Koningslied uit 2013 is die geschreven door John Ewbank. Jouw iedere beweging is letterlijk vertaald Engels (your every move), dus daar is verder niet veel zinnigs over te zeggen. Interessanter in dat nieuwe nummer van Borsato is de titel (‘Hoe het danst’) en de regel waar die titel aan ontleend is: Wil je weten hoe het danst zonder mij? Dansen is een activiteit die door mensen wordt uitgevoerd, maar het onderwerp in deze zinnen is het. Waar verwijst dat naar? Wát danst er eigenlijk? 

Om te zien hoe deze zin in elkaar zit, is het handig om van de vraag een mededeling te maken door er antwoord op te geven, dus bijvoorbeeld het (gewenste) antwoord:

Lees verder >>

Het raad?

Door Henk Wolf

  • Zeker, en we weten daar nog altijd geen goed raad mee.

Bovenstaande zin stond op 1 juli in de Volkskrant. Hij is opgetekend uit de mond van historicus Gert Oostindië, die geïnterviewd werd door Sander van Walsum. Het is een aparte zin, althans het stukje geen goed raad is onverwacht.

Waarom? Wel, raad is allereerst geen het-woord, maar een de-woord. En tussen geen en een de-woord krijgen bijvoeglijke naamwoorden de uitgang -e. Kijk maar:

  • geen goed huis (‘het huis’)
  • geen goede schuur (‘de schuur’)

Natuurlijk kan ‘geen goed raad’ een typfoutje zijn, dus ik heb even gegoogeld om te kijken of het vaker is gebruikt. Dat bleek zo te zijn. De woordreeks ‘geen goed raad’ komt honderden keren op internet voor. Er lijkt dus iets aan de hand te zijn.

Lees verder >>

Syntaxis als een strijd tussen fetisjisten en solipsisten

Door Marc van Oostendorp

Het kan controversieel zijn om in geleerde kring iets te beweren wat buiten die geleerde kring de meeste mensen denken. Wij deskundigen hebben jarenlang geduldig aan de buurvrouw uitgelegd dat het zó niet zit, en dan komt er ineens alsnog een collega met zó.

De laatste jaren komt de Britse taalkundige Geoffrey Pullum met een dergelijk standpunt in een discussie over de vraag wat nu eigenlijk het onderwerp is van taalkundig, of in ieder geval: syntactisch, onderzoek. Tot ieders verbazing zegt hij: de syntaxis gaat over normen. (Ik kwam dit excentrieke standpunt op het spoor via dit net verschenen artikel, maar hij legt het nog uitgebreider uit in dit artikel van een paar jaar geleden.)

Wie geen taalkunde heeft gestudeerd, zal dit dus een logisch standpunt vinden: syntaxis gaat over de vraag wat goede en wat foute zinnen zijn, en dat is een kwestie van normativiteit. Pullum wijst er echter op dat er al decennia een methodologische strijd gaande is over wat nu eigenlijk bruikbare gegevens zijn voor syntactisch onderzoek, en dat die strijd gebaseerd is op twee andere definities van ‘goed’ en ‘fout’. De twee partijen in die strijd noemt Pullum, met de hem eigen ironische toon, de corpusfetisjisten en intuïtieve solipsisten.

Lees verder >>

Het is even met Henk

Door Henk Wolf

Toen er nog geen nummerherkenning was, moest je jezelf als beller expliciet bekendmaken aan de persoon die de hoorn had opgenomen. Daar zijn allerlei standaardzinnetjes voor:

  • Je spreekt met Flip.
  • Jansen spreekt u.
  • Flip hier!

Een in Friesland gebruikelijk zinnetje is (in de Friese en de Nederlandse versie):

  • It is even mei Henk.
  • Het is even met Henk.

Wie het beter weet, moet het zeggen, maar mijn indruk is dat het gebruik bij de provinciegrens ophoudt. Groningers reageren er over het algemeen wat verbaasd op en thematiseren het ook geregeld als ‘iets wat Friezen doen’. Ik kon op internet ook alleen Friestalige voorbeelden vinden:

Lees verder >>

Onderwerp en persoonsvorm als ANWB-echtpaar: een pleit voor meer narratieven in het grammaticaonderwijs

Door Henk Wolf

Leerlingen die goed zijn in ontleden, zijn niet altijd goed in ontleden. Zeker, ze kunnen een hoog cijfer verdienen door zorgvuldig geselecteerde woorden en zinsdelen in speciaal geconstrueerde zinnetjes juist te benoemen. Maar vaak snappen ze niet wat er nou eigenlijk in een zin gebeurt.

Het probleem

Een kleine illustratie: ooit vroeg ik een groep eerstejaarsstudenten Nederlands tijdens hun eerste studiedag om me te vertellen wat een lijdend voorwerp was en een meewerkend voorwerp en een voorzetselvoorwerp. Op die vragen kwamen antwoorden die getuigden van een goed geheugen, maar niemand wist me een antwoord te geven op de vraag wat nou eigenlijk een voorwerp was – zonder iets van lijdend of meewerkend ervoor. Of een bepaling. Het is alsof ze een herdershond en een keeshond kunnen onderscheiden, maar geen idee hebben dat er een zoiets als een hond bestaat.

Lees verder >>

De volgende metro is lijn 52 en vertrekt over 2 minuten

Door Marc van Oostendorp

Bron: Twitter (Annechien Braak)

Iedere dag luisteren tienduizenden mensen naar die zin, maar ineens kwam er een vraag over binnen. ” De volgende metro is lijn 52 en vertrekt over 2 minuten.” Kan dat eigenlijk wel? De vragensteller suggereerde dat het er misschien mee te maken had dat een naamwoordelijk en een werkwoordelijk gezegde worden samengetrokken, of een zin die een eeuwigdurende toestand aanduidt (lijn 52 zijn) en iets tijdelijks (over twee minuten vertrekken).

Inderdaad klinkt de zin vreemd. Toch lijkt er weinig mis mee. Je kunt twee zinnen samentrekken als het samengetrokken zinsdeel hetzelfde is. Dat lijkt hier het geval.

  • De volgende metro is lijn 52 en de volgende metro vertrekt over 2 minuten.

In zulke gevallen schakelen we een deskundige in, en niemand in het Nederlandsetaalgebied is deskundiger over samentrekkingen dan Jeroen van Craenenbroeck van de KU Leuven. Jeroen schreef meteen terug:

Lees verder >>

‘Ga jij dan even van terugbrengenstein?’: een Nederlandse antipassief?

Door Henk Wolf

De meeste Nederlandstaligen zijn op school de termen actieve (of bedrijvende) vorm en passieve (of lijdende) vorm wel tegengekomen. Als je een zin omzet van de actieve naar de passieve vorm, dan doe je iets waardoor het oorspronkelijke onderwerp van de zin niet langer het onderwerp is. Als opfrisser een voorbeeld met dezelfde zin in beide vormen:

  • De boer slaat de ezel. (actieve vorm, de boer is onderwerp)
  • De ezel wordt geslagen. (passieve vorm, de boer is weggelaten)
  • De ezel wordt door de boer geslagen (passieve vorm, de boer staat wel in de zin, maar niet als onderwerp)

Nou kwam ik recent het proefschrift van Raina Heaton tegen, A Typology of Antipassives, uit 2017. Zij beschrijft daarin een veel minder bekende vorm die zinnen ook kunnen krijgen, de zogenaamde antipassieve vorm. Daarin doe je eigenlijk precies het omgekeerde van wat je bij de gewone passief doet: je verwijdert niet het onderwerp uit z’n functie, maar het lijdend voorwerp.

Lees verder >>

Het Nederlands is ook een beetje een gebarentaal

Door Henk Wolf

Het menselijke brein zit zo in elkaar dat het allerlei regelmatigheden ontdekt in de taal van anderen en die zo onthoudt dat ze ook weer gebruikt kunnen worden, grotendeels onbewust. Al in onze vroegste jeugd gaan de hersenen met dat project aan de slag. Dan verwerven kinderen hun moedertalen. Blijkbaar bestaat er een voorkeur voor om in die moedertalen klanken te gebruiken, want de meeste culturen gebruiken gesproken talen. Een wet van Meden en Perzen is dat niet, want in dovengemeenschappen ontstaan gebarentalen. Die zijn overigens voor horende mensen ook goed te leren en een horend kind kan ook prima met een gebarentaal én een gesproken taal als moedertalen opgroeien. Het brein is flexibel.

We vereenvoudigen de werkelijkheid eigenlijk een beetje als we zo’n strikt onderscheid maken tussen ‘gesproken talen’ en ‘gebarentalen’. Veel gebarentalen hebben naast zichtbare ook hoorbare elementen, de zogenaamde ‘gesproken componenten’.

En andersom? Zitten er in gesproken taal ook gebaren? Ja, tuurlijk communiceren we met gebaren, bijvoorbeeld tegen je voorhoofd tikken of in je handen klappen, maar die horen niet bij ons taalsysteem. Blijven er dan nog gebaren over die wel deel van het Nederlands of een andere gesproken taal vormen? Dat je taal kunt opschrijven en dan per definitie geen gebaren aan je lezer kunt laten zien, lijkt erop te wijzen dat gesproken taal gebarenloos en echt volledig op klank gebaseerd is. Maar dat is niet helemaal waar.

Lees verder >>

Hoe(zo) ben je zo dik? Miratieve modaliteit in het Nederlands en Fries

Door Henk Wolf

Het vraagwoord hoe komt in zowel het Nederlands als het Fries voor, maar er is een subtiel verschil, dat ik nog nooit beschreven heb gezien.

Eerst de overeenkomsten. In beide talen kom je zinnen tegen als de volgende:

  • Hoe ben je zo dik geworden?
  • Hoe bist sa grou wurden?

Daarin is hoe dubbelzinnig. Het kan vragen naar de oorzaak en is dan ongeveer synoniem aan waardoor. In dat geval is het antwoord op de vraag zoiets als ‘Ik heb te veel bier gedronken’. Hoe kan ook wat betekenen als ‘op welke manier’ en dan is het antwoord op de vraag iets in de trant van ‘Ik kreeg er elk jaar een kilootje bij’. In beide gevallen is hoe een bijwoord bij het hele gezegde ‘dik worden’.

Enigszins moeizaam is het als je hoe gebruikt voor het bevragen van alleen dik. Je vraagt dan:

  • Hoe ben je dik? <beetje raar>

Op zo’n vraag zou een antwoord kunnen komen als ‘Peervormig’, maar dat blijft een beetje raar.

Lees verder >>

Ken ik nog effe van uw tijd roven?

door Henk Wolf

Franstaligen zeggen niet ‘Mon père mange petits pois’, mar ‘Mon père mange des petits pois’, met des als een in Nederlandstalige oren volkomen overbodig extraatje. In het Nederlands hebben zelfstandige naamwoorden in het meervoud helemaal geen lidwoord of ander bepaalwoord nodig, maar in het Frans staat er dan altijd iets voor wat lijkt op een lidwoord en wat in andere contexten ‘van de’ of ‘van het’ zou betekenen. Dat extraatje wordt delend lidwoord genoemd. De betekenis ervan komt een beetje in de buurt van ‘enkele’ of ‘enige’ of ‘een zekere hoeveelheid’. Het komt trouwens niet alleen bij meervoudige zelfstandige naamwoorden voor, maar ook bij ontelbare zelfstandige naamwoorden (stofnamen), zoals in de l’eau en du fromage.

Het delend lidwoord

Rond die delende lidwoorden zijn allerlei theorieën gebouwd. Er zijn taalkundigen die aannemen dat ze in het Nederlands ook bestaan en zelfs verplicht zijn, maar dan in een onhoorbare vorm. En er is zelfs een wel hoorbare Nederlandse variant die je in wat uitgebreidere grammaticaboeken tegenkomt, namelijk van die. Hoe je die precies zou moeten benoemen, weet ik niet. Delend aanwijzend voornaamwoord ligt misschien wel voor de hand. Willy Vandeweghe kiest in zijn prachtige Grammatica van de Nederlandse zin voor het wat bredere begrip partitieve determinator (‘delend bepaalwoord’) en hij geeft als voorbeeldzinnen:

Lees verder >>

Waarom laat ons taalgevoel ons in de steek bij de voltooide tijd van ‘verblijven’?

Door Henk Wolf

Bij verreweg de meeste voltooide deelwoorden kiezen Nederlandstaligen feilloos uit een van de twee hulpwerkwoorden hebben en zijn. Ik denk niet dat iemand zegt dat ie ‘een boek is gelezen’ of dat ie ‘heeft gearriveerd’.

Er zijn wel wat werkwoorden die beide hulpwerkwoorden van de voltooide tijd toestaan, doorgaans met een verschil in focus of betekenis. Zo zeggen Nederlandstaligen doorgaans ‘ik heb door de stad gelopen’ als ze de vraag ‘Wat heb je gedaan?’ beantwoorden, terwijl ze ‘ik ben door de stad gelopen’ antwoorden op de vraag ‘Hoe ben je hiernaartoe gekomen’. In ‘Parijs is aan de Seine gelegen’ en ‘De handdoek heeft aan aan de Seine gelegen’ is de tijdelijkheid van het liggen vermoedelijke de factor die het hulpwerkwoord bepaalt – als is in de eerste zin nog een hulpwerkwoord is, tenminste.

Wat vrije variatie is er ook. In allerlei regio’s komt bij geweest bijvoorbeeld zowel hebben als zijn voor, zonder betekenisverschil. En vrij algemeen is de variatie in ‘het is me goed bevallen’ en ‘het heeft me goed bevallen’.

Lees verder >>

Pablo is enorm een god in het diepst van zijn gedachten

door Henk Wolf

Weet u wat hip is? Het schaalbaar maken van het Nederlands! Van alles wat geen gradaties kende, wordt langzaam op een schaal gezet. Zo schreef ik een poosje terug over woorden als meisjemeisje, die het woordje meisje schaalbaar maken: dankzij het woord meisjemeisje kan iemand meer of minder ‘meisje’ zijn.

Kortgeleden hoorde ik iemand over een nuffige kat zeggen:

  • Pablo is enorm een god in het diepst van zijn gedachten.

Dezelfde spreekster had ik al vaker betrapt op een ongewoon gebruik van enorm. Zo zei ze ook:

  • Ik ga enorm slapen.
  • Ik ben enorm naar de supermarkt geweest.
Lees verder >>

Een nieuwe theorie over hoe zinnen zich ontvouwen in de tijd

Door Marc van Oostendorp

Soms lees je een wetenschappelijk boek, waarvan je meteen denkt: dat wordt niks. Ik ben in mijn carrière overigens een paar keer in de gezegende omstandigheid geweest dat ik een paar jaar later met veel succes precies de in dat boek voorgetelde theorieën ging aanhangen: niets is bevredigender aan het wetenschappelijk bedrijf dan tot een geheel nieuw idee te komen.

Maar ik betwijfel dus of me dat gaat overkomen met Syntax with oscillators and energy levelsvan de Amerikaanse taalkundige Sam Tilsen.

Zolang als ik taalkundige ben, kom ik af en toe bèta-wetenschappers tegen die taal ook heel interessant vinden en die menen dat de reden dat de taalkunde maar niet opschiet is omdat taalkundigen allemaal simpele alfa’s zijn met naïeve ideeën. Laat een stelletje natuurkundigen een paar jaar aan de taal werken en alle problemen werken als sneeuw voor de zon. Wat zij vervolgens voorstellen zijn dingen die al 100 keer geprobeerd zijn.  Lees verder >>