Tag: syntaxis

Taalbeschouwing: hoe het dus niet moet

door Peter-Arno Coppen

Welkom, jongens en meisjes, bij alweer de eerste aflevering van onze rubriek Taalbeschouwing voor beginners. Vandaag: Hoe het dus niet moet. Om te beginnen: neem de Volkskrantbijlage van donderdag 14 januari 2021, en sla de pagina ‘Taal’ op, pagina V11. Misschien ken je die pagina, en heb je al eens eerder de grappige foto’s rechtsboven bekeken, of de Alfabeter van Ronald Snijders. Maar er staan ook gewone rubrieken op die pagina, meestal gevuld met zurige stukjes over ‘jeukende woorden’, verderfelijke invloed van het Engels, of kritiek op ‘slordige taalfouten’.

Vandaag gaat het ons om de rubriek ‘Engels en/of Nederlands’, linksonder. Knip deze rubriek uit en plak hem alvast in je schrift (of maak een screenshot en sla die op in een map). We gaan zo meteen samen de tekst doornemen, maar eerst even wat achtergrond.

Lees verder >>

Een sterke persoonlijkheid zal zich niet afvragen wat ze kan doen om sterker te staan

Door Henk Wolf

“Onderzoek toont aan dat genderneutraal (bedoeld) woordgebruik zijn doel voorbijschiet als er alleen mannelijke voornaamwoorden zoals hij en zijn in voorkomen” – dat stond in nieuwsbrief 2259 van Onze Taal. Er stond een link bij naar een artikel in de Volkskrant en daarin stond: “Vooral mannen haperen bij het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord ‘zijn’ voor vrouwen, constateert Redl: ‘We zien bij het eye-tracking experiment bij mannen pauzes wanneer de tekst vervolgens over vrouwen blijkt te gaan.’”

Het artikel gaat over het promotieonderzoek van Theresa Redl. De uitkomsten daarvan zijn grotendeels al in artikelvorm beschikbaar, dus ik heb de artikelen even opgezocht en daarin staat toch net iets anders.

Lees verder >>

“Gaan jullie allemaal weg!” en andere gebiedende wijzen die wat extra aandacht verdienen

Door Henk Wolf

De Nederlandse gebiedende wijs is, net als de aantonende wijs, een categorie van werkwoordvormen met een eigen vorm en functie. Net als regelmatige vormen van de aantonende wijs, worden ze op basis van een eigen gebiedendewijsstam gevormd. Anders dan vormen van de aantonende wijs staan ze altijd helemaal vooraan in de zin. De meest typerende gebruikswijze ervan is in zinnen die worden gebruikt om de hoorder(s) of lezer(s) ergens toe te bewegen.

Lees verder >>

Zo snel (als) mogelijk

Door Henk Wolf

Een poosje terug schreef Siemon Reker al over de slag om de arm die ingebakken zit in het woordje als in ‘zo snel als mogelijk’, dat minister van volksgezondheid Hugo de Jonge geregeld gebruikt.

Deze week kwam het woordje als in die woordgroep ook ter sprake op de Facebookgroep Leraar Nederlands. Het werd als een vernieuwing gezien en, zoals een beetje te verwachten was, daarom veroordeeld (“overdreven gebruik” en “een aanstellerige uitbreiding”). Ook in de lijn der verwachting werd die vernieuwing aan het Engels toegeschreven.

Lees verder >>

De jeugd

Door Henk Wolf

“Thuis dansen, digitaal voetballen, of de burgemeester iets raars op verzoek zien doen. Bij gebrek aan echt vuurwerk moet dat de jeugd van rottigheid weerhouden.”

Dat schrijft de Trouw deze week. Ik vond het een vreemde formulering. Dat komt door het bepaalde lidwoord de in de woordgroep de jeugd. Voor mij betekent de bovenstaande formulering door die woordkeuze dat zoniet alle, dan toch de meeste of de typerendste leden van die groep ervan moeten worden weerhouden rottigheid uit te halen.

Lees verder >>

Vereenvoudiging van het Friese lidwoordsysteem in Duitsland?

Door Henk Wolf

Het Frans heeft een behoorlijk simpel systeem van bepaalde lidwoorden: er zijn er maar vijf: l‘, le, la, ‘leh’ en ‘lez’ (die laatste twee allebei als les geschreven) en de keuze ervan wordt vrij eenduidig bepaald door de factoren woordgeslacht, getal en beginklank van het volgende woord. De enige echte afwijkingen daarvan zijn van die gekke combinaties als in ‘du vin’ en ‘aux armes’.

Het Nederlands is ietsje ingewikkelder. Dat heeft allereerst natuurlijk de en ut (dat laatste in de standaardspelling als het geschreven). Voor de kun je ook weleens d’ gebruiken, voor klinkers en hoofdzakelijk in dichterlijk gebruik (‘In d’oude poort’). Voor ut kun je soms ‘t gebruiken, bijvoorbeeld in dichterlijk gebruik (‘in ’t groene dal’) en in vaste combinaties (‘van ’t zomer’). En dan heb je nog de gesproken vorm het (rijmend op ‘pet’), die uit de schrijftaal komt en zich bij verschillende sprekers op verschillende manieren een plaatsje in de spreektaal probeert te veroveren. Vrij algemeen is het in elk geval als focusvorm (‘niet zomaar een tijdschrift, maar HET tijdschrift’).

Lees verder >>

Hebben we al veertig miljoen jaar syntaxis?

Door Marc van Oostendorp

In menselijke taal kunnen woorden zich op afstand aan elkaar aanpassen. In de bijzin “dat de mensen nu al dagenlang geen water gedronken hebben” is hebben in het meervoud omdat mensen dat is. De woorden passen zich aan elkaar aan, en dat op afstand, omdat er allerlei woorden tussen staan, zelfs – zoals in dit geval – woorden in het enkelvoud zoals geen water.

Lees verder >>

Dat bevestigen bronnen aan de NOS

Door Henk Wolf

“Ik vind dit zo raar geformuleerd. Alsof er sprake is van onjuist voorzetselgebruik: we spijkeren/nieten/tapen iets vast aan de NOS.”

Dat schreef kortgeleden iemand op de Facebookgroep Leraar Nederlands over het hierboven omcirkelde zinnetje uit een nieuwsartikel van de NOS.

De talige intuïties van de reagerende collega’s liepen uiteen: er waren er die de formulering prima vonden, er waren er die de zin ook raar vonden klinken.

Lees verder >>

Mensen vertrouwen op ons dat het schoon is

Door Henk Wolf

Dit weekend stond in de Trouw de volgende zin:

Mensen vertrouwen op ons dat het schoon is

De zin was gebruikt als kop boven een artikel en hij vormde een bewerking van een net iets andere zin, ze vertrouwen op ons dat schoon is. Die was uitgesproken door een schoonmaker van De PersGroep, waar de Trouw bij hoort. De schoonmaker vertelde in het artikel dat zijn werk gewaardeerd werd en dat andere mensen zeker tijdens de huidige coronapandemie blij waren met een schone werkplek.

Ik keek meteen wat vreemd tegen de zin aan: voor mijn taalgevoel is ie niet mogelijk. Dat is er evenwel niet het interessantste aan. Vooral als ondersteuning van de langlopende discussie over hoeveel voorzetselsvoorwerpen er in een zin kunnen staan, is dit een boeiende zin. De schoonmaker gebruikt namelijk een dubbel voorzetselvoorwerp in z’n zin, iets wat ongebruikelijk en volgens een deel van de taalkundigen zelfs onmogelijk is.

Lees verder >>

We zoeken versterking van/voor ons schoonmaakteam

Door Henk Wolf

Wat is beter? We zoeken versterking van ons schoonmaakteam of We zoeken versterking voor ons schoonmaakteam? Die vraag kreeg ik een tijdje terug. Op grond van mijn taalgevoel zei ik: kan allebei. Ik heb ook nog even gegoogeld om te kijken of de taalgemeenschap het met me eens is. Dat blijkt zo te zijn: “zoeken versterking van” komt ruim tienduizend keer voor, “zoeken versterking voor” krapaan tienduizend keer.

Dat zijn redenaties op basis van mijn eigen oordeel en dat van anderen. Ik had ook nog in de taaladviesliteratuur kunnen duiken om te kijken of die een van beide vormen de voorkeur geeft. En ik had kunnen berederen waarom beide zinnen normaal Nederlands zijn. Dat laatste wil ik hier nu doen.

Lees verder >>

‘Vioolspelen’ en/of ‘viool spelen’?

Door Henk Wolf

In een interessant stuk hier op Neerlandistiek.nl stelde Gillan Wyngaards laatst de volgende vraag:

  • “Hoe moet een vijftienjarige leerling nou weten waarom gitaar spelen een woordgroep is en vioolspelen een samenstelling?”

Dat is een vraag waarin drie heel verschillende problemen bij elkaar komen. Ik zet ze even op een rijtje:

1. Het eerste probleem lijkt het ingewikkeldst, maar het is het eenvoudigst: kan een vijftienjarige leerling beredeneren of iets een groepje woorden dan wel één enkel werkwoord is. Het antwoord op die vraag is ja: ons taalgevoel behandelt woordgroepen en losse werkwoorden verschillend. Die onbewuste kennis is vrij eenvoudig bewust te maken. Een illustratie:

Lees verder >>

Zou je graag op willen letten?

Door Henk Wolf

Op de Facebookgroep Leraar Nederlands schreef een paar dagen geleden iemand:

Ik hoor steeds vaker zinnen als: ‘Zou je graag op willen letten?’ en ‘Zou je graag een persoonlijk berichtje willen sturen?’ Het woordje graag lijkt me daar niet op z’n plek. Of is dit een normale zinsconstructie die ik niet ken? Waar komt het vandaan? Een bepaald dialect/bepaalde streektaal?

Lees verder >>

Welke uitgang geven we Duitse bijvoeglijke naamwoorden in het Nederlands?

Door Henk Wolf

  • “Nieuws: Cees Noteboom ontvangt Österreichische Ehrenkreuz für Wissenschaft und Kunst.”

Dat is de titel boven een stuk van Coen Peppelenbos gisteren op Tzum. Dat stuk had natuurlijk een heugelijke inhoud, maar de titel was ook aanleiding voor een taalkundige overdenking. Het woord Österreichische botste in elk geval eventjes met m’n taalgevoel. Was het eind-s‘je niet vergeten? Maar toen ik iets langer nadacht, begon ik te twijfelen: gebruikte ik niet te veel Duitse grammatica in een Nederlandse zin? Paste ik nu niet m’n Duitse taalgevoel toe op het Nederlands? Maar als het niet de Duitse grammatica was die de vorm van het Duitse bijvoeglijk naamwoord bepaalde, wat dan wel? Afijn, het duurde niet lang of ik was verdwaald in m’n eigen intuïties.

We weten dat mensen niet onsystematisch van de ene taal naar de andere wisselen en we weten dat we meer van de grammatica van een taal behouden naarmate die taal meer lijkt op de taal waarin we het geleende stukje opnemen. Maar heel veel details weten we nog niet.

Lees verder >>

Vormt ‘vormen’ in deze zin een koppelwerkwoord?

Door Henk Wolf

Het Nederlands heeft twee soorten gezegden, althans dat is al heel lang de aanname in de schoolgrammatica (maar zie hier voor wat kritiek op dat idee): werkwoordelijke en naamwoordelijke.

Bij een werkwoordelijk gezegde zit de centrale mededeling over het onderwerp in het hoofdwerkwoord: het onderwerp ‘doet’ iets. Bij een naamwoordelijk gezegde zit de centrale mededeling in iets anders dan een werkwoord: het onderwerp ‘doet’ niet iets, maar ‘is’ iets.

In allerlei zinstypen is er bij Nederlandse naamwoordelijke gezegden wel nog een extra werkwoord nodig om de zin af te maken. Zo’n koppelwerkwoord kan ook nog informatie toevoegen, bijvoorbeeld over tijd of aspect.

Lees verder >>

Joun fiets

Door Henk Wolf

Een van de aardigste eigenschappen van het Nederlands zoals dat in Groningen wordt gesproken, is volgens mij het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord joun (zoals in ‘joun fiets’). In het Friese Nederlands ben ik het nooit tegengekomen. Dat het in Groningen in het Nederlands wordt gebruikt, zal vast te maken hebben met het bestaan van het bezittelijk voornaamwoord joen in het Gronings (dat overigens wat gebruik betreft dichter bij uw ligt dan bij jouw). Als dat al niet de directe leverancier ervan is, zal het het voortbestaan ervan in elk geval steunen.

Joun komt overigens lang niet alleen in Groningen voor. Waar precies allemaal wél, weet ik niet, maar als ik even googel, kom ik in elk geval meldingen ervan tegen in een brede oostelijk in het taalgebied gelegen strook, van Groningen tot in Nederlands en Belgisch Limburg. Of het daar overal steun vindt in een vergelijkbare vorm in het dialect, weet ik natuurlijk niet.

Lees verder >>

Helemaal terug naar de basis van het ontleden

Door Henk Wolf

Mijn stukje van vorige week over de ontleding van ‘De paus is in Nederland’ heeft heel wat oude discussies opgerakeld en nieuwe doen ontbranden, met de nodige emoties hier en daar. Zoals dat gaat op internet.

Omdat ik vermoed dat niet iedereen alles precies zo heeft begrepen als ik het bedoeld had, wil ik hier nog eens de basaalste basis van het ontleden bespreken en dan mijn overwegingen daaronder zetten. Hopelijk doe ik dat nu zo helder dat iedereen het kan volgen.

Lees verder >>

Kijkende naar de toost van de koning

Constructies met houden/krijgen en een tegenwoordig deelwoord

Door Maarten Bogaards

Ter afsluiting van de eerste (en hopelijk gelijk laatste) Koningsdag die via computerschermen moest worden gevierd, bracht koning Willem Alexander een toost uit op ‘iedereen die Nederland op dit bijzondere, bizarre moment draaiende houdt’. Een gepast sentiment dat ook nog eens op een interessante manier is geformuleerd, namelijk met een tegenwoordig deelwoord: draaiende. Een tegenwoordig deelwoord krijg je door aan een infinitief (draaien) de uitgang –d (draaiend) of -de (draaiende) toe te voegen. In de toost van de koning heeft het deelwoord de langere uitgang en is het niet-attributief gebruikt (daarover zo direct meer). Normaal gesproken doet dat wat ouderwets en plechtig aan: ‘Kijkende naar de toost van de koning at ik een oranjetompoes’, om dat niet-ironisch te kunnen zeggen moet je minstens honderd jaar oud zijn. Toch voelt de formulering van de koning niet alsof die onder drie lagen stof vandaan is gehaald. Hoe kan dat?

Lees verder >>

Een beetje anders zitten te doen

Door Marc van Oostendorp

Aan de constructie Wij lopen te lopen moet ieder zichzelf respecterend online tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde op gezette tijden aandacht besteden. Neerlandistiek deed dat bijvoorbeeld hier, hier en hier. Nu het respectabele Journal of Linguistics ook online is, konden zij natuurlijk niet achterblijven. Onlangs publiceerde het dit artikel waarin een groep Antwerpse onderzoekers zich over de constructie buigt.

Lees verder >>

Wanneer we onze zinnen niet meer afmaken

Door Lauren Fonteyn

Als u denkt dat u weet hoe de dingen in elkaar zitten, en als u dat graag zo wil houden, dan gaat u beter niet het internet op.

Zelf dacht ik dat ik echt heel goed begreep hoe zinnen in elkaar zitten, en dat ik heel goed kon uitleggen wanneer een zin niet af is. Als talendocent moet ik het daar overigens vaak over hebben met mijn studenten. “Een zin,” zeg ik dan, “maak je niet door er een hoofdletter en een punt aan te plakken. Je kan dan wel iets geschreven hebben dat lijkt op een zin, omdat het de typische decoratie van een zin heeft, maar het is niet per se een zin.” Ik wil maar zeggen: u kan bijvoorbeeld ook alle meubels in huis een broek aandoen, maar daarom zijn het nog geen mensen.

Lees verder >>

Vijf personeelsleden hebben positief getest op het Covid-19-virus

Door Henk Wolf

Een paar weken geleden kwam ik in de media voor het eerst zinnen tegen waarin stond dat iemand ‘positief was getest (op corona)’. Ik begreep de zinnen natuurlijk wel, maar ik vond het een gekke constructie.

Positief lijkt in zulke zinnen ‘met positief resultaat’ te betekenen (natuurlijk niet in morele zin, maar in de zin dat het gezochte is gevonden). Voor mijn taalgevoel wil dat niet. Een kort zoektochtje in woordenboeken gaf ook geen meldingen van deze constructie.

Lees verder >>

Waar zijn de kleinkinderen van Natasja Froger (54) logeren?

Door Ronny Boogaart

Euh, ja, ik heb de app van RTL Boulevard op mijn telefoon. Als je die opent, kleurt je hele scherm fel oranje, dus je moet daar in gezelschap een beetje mee oppassen. Ik zou er ook niet over begonnen zijn als ze daar niet regelmatig zo onhandig formuleerden. Neem nou dit bericht van 9 februari jl.

Natasja Froger (54) kan haar geluk niet op. Dit weekend waren al haar kleinkinderen logeren bij opa en oma Froger. 

Iedereen begrijpt wat hier staat, maar toch wringt er iets. Of eigenlijk twee dingen. 

Lees verder >>

Linguïstisch miniatuurtje CLXVIII: Wat staat er op een ontmoeting met Ad Foolen?

Door Peter-Arno Coppen

Ik schrijf bijna nooit meer een Linguïstisch Miniatuurtje, en ook op mijn weblog waaien de tumbleweeds door een lege tijdlijn. Niet dat de inspiratie op is, maar tegenwoordig probeer ik mijn taalobservaties te vangen in mijn taalrubriek in het dagblad Trouw. Als je drie van die afleveringen per week schrijft blijft er weinig tijd over voor andere media. Zo’n rubriek in de krant kan dan wel niet veel langer zijn dan 200 woorden, maar dat is meestal genoeg om de essentie van een kwestie te raken. Totdat ik gisteren in de supermarkt Ad Foolen tegenkwam. Ad is dan wel met pensioen, maar dat weerhoudt hem er niet van om in Utrecht in te vallen voor een collega bij Duits. Daar geeft hij een grammaticacollege, en van de week had hij een interessante kwestie met zijn studenten besproken, die hij me graag voorlegde. Daar heb ik meer dan 200 woorden voor nodig.

Het ging om de (traditionele) ontleding van de zin ‘Op die misdaad staat drie jaar gevangenisstraf’. En dan niet zozeer het getal van het werkwoord, maar om de benoeming van ‘op die misdaad’. Wat is dat voor een zinsdeel?

Lees verder >>