Tag: syntaxis

Zou je graag op willen letten?

Door Henk Wolf

Op de Facebookgroep Leraar Nederlands schreef een paar dagen geleden iemand:

Ik hoor steeds vaker zinnen als: ‘Zou je graag op willen letten?’ en ‘Zou je graag een persoonlijk berichtje willen sturen?’ Het woordje graag lijkt me daar niet op z’n plek. Of is dit een normale zinsconstructie die ik niet ken? Waar komt het vandaan? Een bepaald dialect/bepaalde streektaal?

Lees verder >>

Welke uitgang geven we Duitse bijvoeglijke naamwoorden in het Nederlands?

Door Henk Wolf

  • “Nieuws: Cees Noteboom ontvangt Österreichische Ehrenkreuz für Wissenschaft und Kunst.”

Dat is de titel boven een stuk van Coen Peppelenbos gisteren op Tzum. Dat stuk had natuurlijk een heugelijke inhoud, maar de titel was ook aanleiding voor een taalkundige overdenking. Het woord Österreichische botste in elk geval eventjes met m’n taalgevoel. Was het eind-s‘je niet vergeten? Maar toen ik iets langer nadacht, begon ik te twijfelen: gebruikte ik niet te veel Duitse grammatica in een Nederlandse zin? Paste ik nu niet m’n Duitse taalgevoel toe op het Nederlands? Maar als het niet de Duitse grammatica was die de vorm van het Duitse bijvoeglijk naamwoord bepaalde, wat dan wel? Afijn, het duurde niet lang of ik was verdwaald in m’n eigen intuïties.

We weten dat mensen niet onsystematisch van de ene taal naar de andere wisselen en we weten dat we meer van de grammatica van een taal behouden naarmate die taal meer lijkt op de taal waarin we het geleende stukje opnemen. Maar heel veel details weten we nog niet.

Lees verder >>

Vormt ‘vormen’ in deze zin een koppelwerkwoord?

Door Henk Wolf

Het Nederlands heeft twee soorten gezegden, althans dat is al heel lang de aanname in de schoolgrammatica (maar zie hier voor wat kritiek op dat idee): werkwoordelijke en naamwoordelijke.

Bij een werkwoordelijk gezegde zit de centrale mededeling over het onderwerp in het hoofdwerkwoord: het onderwerp ‘doet’ iets. Bij een naamwoordelijk gezegde zit de centrale mededeling in iets anders dan een werkwoord: het onderwerp ‘doet’ niet iets, maar ‘is’ iets.

In allerlei zinstypen is er bij Nederlandse naamwoordelijke gezegden wel nog een extra werkwoord nodig om de zin af te maken. Zo’n koppelwerkwoord kan ook nog informatie toevoegen, bijvoorbeeld over tijd of aspect.

Lees verder >>

Joun fiets

Door Henk Wolf

Een van de aardigste eigenschappen van het Nederlands zoals dat in Groningen wordt gesproken, is volgens mij het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord joun (zoals in ‘joun fiets’). In het Friese Nederlands ben ik het nooit tegengekomen. Dat het in Groningen in het Nederlands wordt gebruikt, zal vast te maken hebben met het bestaan van het bezittelijk voornaamwoord joen in het Gronings (dat overigens wat gebruik betreft dichter bij uw ligt dan bij jouw). Als dat al niet de directe leverancier ervan is, zal het het voortbestaan ervan in elk geval steunen.

Joun komt overigens lang niet alleen in Groningen voor. Waar precies allemaal wél, weet ik niet, maar als ik even googel, kom ik in elk geval meldingen ervan tegen in een brede oostelijk in het taalgebied gelegen strook, van Groningen tot in Nederlands en Belgisch Limburg. Of het daar overal steun vindt in een vergelijkbare vorm in het dialect, weet ik natuurlijk niet.

Lees verder >>

Helemaal terug naar de basis van het ontleden

Door Henk Wolf

Mijn stukje van vorige week over de ontleding van ‘De paus is in Nederland’ heeft heel wat oude discussies opgerakeld en nieuwe doen ontbranden, met de nodige emoties hier en daar. Zoals dat gaat op internet.

Omdat ik vermoed dat niet iedereen alles precies zo heeft begrepen als ik het bedoeld had, wil ik hier nog eens de basaalste basis van het ontleden bespreken en dan mijn overwegingen daaronder zetten. Hopelijk doe ik dat nu zo helder dat iedereen het kan volgen.

Lees verder >>

Kijkende naar de toost van de koning

Constructies met houden/krijgen en een tegenwoordig deelwoord

Door Maarten Bogaards

Ter afsluiting van de eerste (en hopelijk gelijk laatste) Koningsdag die via computerschermen moest worden gevierd, bracht koning Willem Alexander een toost uit op ‘iedereen die Nederland op dit bijzondere, bizarre moment draaiende houdt’. Een gepast sentiment dat ook nog eens op een interessante manier is geformuleerd, namelijk met een tegenwoordig deelwoord: draaiende. Een tegenwoordig deelwoord krijg je door aan een infinitief (draaien) de uitgang –d (draaiend) of -de (draaiende) toe te voegen. In de toost van de koning heeft het deelwoord de langere uitgang en is het niet-attributief gebruikt (daarover zo direct meer). Normaal gesproken doet dat wat ouderwets en plechtig aan: ‘Kijkende naar de toost van de koning at ik een oranjetompoes’, om dat niet-ironisch te kunnen zeggen moet je minstens honderd jaar oud zijn. Toch voelt de formulering van de koning niet alsof die onder drie lagen stof vandaan is gehaald. Hoe kan dat?

Lees verder >>

Een beetje anders zitten te doen

Door Marc van Oostendorp

Aan de constructie Wij lopen te lopen moet ieder zichzelf respecterend online tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde op gezette tijden aandacht besteden. Neerlandistiek deed dat bijvoorbeeld hier, hier en hier. Nu het respectabele Journal of Linguistics ook online is, konden zij natuurlijk niet achterblijven. Onlangs publiceerde het dit artikel waarin een groep Antwerpse onderzoekers zich over de constructie buigt.

Lees verder >>

Wanneer we onze zinnen niet meer afmaken

Door Lauren Fonteyn

Als u denkt dat u weet hoe de dingen in elkaar zitten, en als u dat graag zo wil houden, dan gaat u beter niet het internet op.

Zelf dacht ik dat ik echt heel goed begreep hoe zinnen in elkaar zitten, en dat ik heel goed kon uitleggen wanneer een zin niet af is. Als talendocent moet ik het daar overigens vaak over hebben met mijn studenten. “Een zin,” zeg ik dan, “maak je niet door er een hoofdletter en een punt aan te plakken. Je kan dan wel iets geschreven hebben dat lijkt op een zin, omdat het de typische decoratie van een zin heeft, maar het is niet per se een zin.” Ik wil maar zeggen: u kan bijvoorbeeld ook alle meubels in huis een broek aandoen, maar daarom zijn het nog geen mensen.

Lees verder >>

Vijf personeelsleden hebben positief getest op het Covid-19-virus

Door Henk Wolf

Een paar weken geleden kwam ik in de media voor het eerst zinnen tegen waarin stond dat iemand ‘positief was getest (op corona)’. Ik begreep de zinnen natuurlijk wel, maar ik vond het een gekke constructie.

Positief lijkt in zulke zinnen ‘met positief resultaat’ te betekenen (natuurlijk niet in morele zin, maar in de zin dat het gezochte is gevonden). Voor mijn taalgevoel wil dat niet. Een kort zoektochtje in woordenboeken gaf ook geen meldingen van deze constructie.

Lees verder >>

Waar zijn de kleinkinderen van Natasja Froger (54) logeren?

Door Ronny Boogaart

Euh, ja, ik heb de app van RTL Boulevard op mijn telefoon. Als je die opent, kleurt je hele scherm fel oranje, dus je moet daar in gezelschap een beetje mee oppassen. Ik zou er ook niet over begonnen zijn als ze daar niet regelmatig zo onhandig formuleerden. Neem nou dit bericht van 9 februari jl.

Natasja Froger (54) kan haar geluk niet op. Dit weekend waren al haar kleinkinderen logeren bij opa en oma Froger. 

Iedereen begrijpt wat hier staat, maar toch wringt er iets. Of eigenlijk twee dingen. 

Lees verder >>

Linguïstisch miniatuurtje CLXVIII: Wat staat er op een ontmoeting met Ad Foolen?

Door Peter-Arno Coppen

Ik schrijf bijna nooit meer een Linguïstisch Miniatuurtje, en ook op mijn weblog waaien de tumbleweeds door een lege tijdlijn. Niet dat de inspiratie op is, maar tegenwoordig probeer ik mijn taalobservaties te vangen in mijn taalrubriek in het dagblad Trouw. Als je drie van die afleveringen per week schrijft blijft er weinig tijd over voor andere media. Zo’n rubriek in de krant kan dan wel niet veel langer zijn dan 200 woorden, maar dat is meestal genoeg om de essentie van een kwestie te raken. Totdat ik gisteren in de supermarkt Ad Foolen tegenkwam. Ad is dan wel met pensioen, maar dat weerhoudt hem er niet van om in Utrecht in te vallen voor een collega bij Duits. Daar geeft hij een grammaticacollege, en van de week had hij een interessante kwestie met zijn studenten besproken, die hij me graag voorlegde. Daar heb ik meer dan 200 woorden voor nodig.

Het ging om de (traditionele) ontleding van de zin ‘Op die misdaad staat drie jaar gevangenisstraf’. En dan niet zozeer het getal van het werkwoord, maar om de benoeming van ‘op die misdaad’. Wat is dat voor een zinsdeel?

Lees verder >>

ProRail vernieuwt

Door Marc van Oostendorp

Volgens de meeste naslagwerken is vernieuwen een overgankelijk werkwoord: iemand vernieuwt iets. De laatste jaren komt er een nieuw gebruik bij, constateert Gea Dreschler van de Vrije Universiteit in een artikel in Linguistics in the Netherlands. De laatste decennia tref je ineens koppen aan als de volgende, waarin het werkwoord onovergankelijk wordt gebruikt:

  • Centrum Zeist vernieuwt.
  • Tumuli vernieuwt.
  • ProRail vernieuwt.
Lees verder >>

Laaghangende of laag hangende takken?

Door Henk Wolf


Ik maak graag een wandelingetje over het kerkhof bij ons in de buurt. Als ik daar aankom, ben ik altijd even gefascineerd door de twee bordjes aan weerskanten van het pad. Op het ene bordje staat ‘laag hangende takken’ en op het andere ‘laaghangende takken’ – het verschil is een spatie.

Ik vroeg me af wat ik zelf zou schrijven. Als ik de officiële regels volg, dan zou ik geen spatie schrijven als laaghangend één woord was, en wel als laag en hangend allebei aparte woorden waren.

Lees verder >>

Dit is het einde van de zin, offeh

Door Lucas Seuren

Het einde van de zin is in gesproken Nederlandse een ware schatkamer van bijzondere taalfenomenen. Het is de plek waar we inhoudelijk niks meer toevoegen aan de zin, maar waar we signalen geven over hoe de zin “pragmatisch” begrepen moet worden. Vorige week besprak ik hoe of niet gebruikt wordt om urgentie uit te drukken of om kritiek af te zwakken. Deze week ga ik in op een sterk gerelateerd fenomeen: zinnen die eindigen met of.

Lees verder >>

Het gaat bij deze oproep niet om het bedenken van een resultaat maar om het resultaat van het bedenken

Door Peter-Arno Coppen

De Radboud Universiteit heeft onlangs een nieuwe slogan in gebruik genomen. Of slogan, ik weet eigenlijk niet wat de bedoeling is, maar we krijgen hem nu al enige tijd op ons inlogscherm. Hij luidt: ‘Het gaat niet om het overbrengen van kennis, maar om de kennis van het overbrengen’. Het schijnt een bedenksel van een communicatiebureau te zijn, want de belegen opvattingen achter deze zin verraden geen actuele kennis van het onderwijsonderzoek of de vakdidactiek, laat staan van de onderwijspraktijk. Op de universiteit gaat het bijvoorbeeld helemaal niet enkel om kennis, maar conform de in 2004 afgesproken Europese Dublindescriptoren om kennis, toepassing van die kennis, oordeelkundigheid, communicatie en leervermogen. Als ik voor één woord zou moeten kiezen zou dat trouwens eerder ‘inzicht’ zijn en niet ‘kennis’.

Lees verder >>

Dit is het einde van de zin, of niet?

Door Lucas Seuren

Het einde van de zin is in gesproken Nederlandse een ware schatkamer van bijzondere taalfenomenen. Het is de plek waar we inhoudelijk niks meer toevoegen aan de zin, maar waar we signalen geven over hoe de zin “pragmatisch” begrepen moet worden. Je kunt denken aan kleine woordjes zoals toch of die lastig te definiëren zijn, maar die we regelmatig inzetten om duidelijk te maken wat we willen. Omdat het einde van de zin een grote rol speelt in gesproken en minder in geschreven taal, is het uitermate geschikt voor gespreksonderzoekers. We kunnen wat zeggen over de taal, waar traditionele benaderingen wat meer moeite mee hebben, omdat het lastiger is om goede experimenten en tests te ontwerpen. In een korte serie bespreek ik wat mensen in spreektaal doen met het einde van hun zin. En ik begin vandaag met of niet.

Lees verder >>

Wie komt hun of hen te hulp?

Door Ton van der Wouden

Het Nederlands heeft al eeuwen geen derde naamval (datief) meer. Dat heeft de architecten van onze standaardtaal er in de zeventiende eeuw evenwel niet van weerhouden om een onderscheid te construeren tussen hem (4e naamval enkelvoud mannelijk) en hom (3e), en tussen hen (4e meervoud) en hun (3e). Hom heeft het niet gered, maar het opgelegde verschil tussen hun (indirect object) en hen (direct object en na voorzetsels) bestaat tot op de dag van vandaag. Niemand maakt spontaan het onderscheid, maar het heeft zich gaandeweg ontwikkeld tot een sociale markeerder die je kunt gebruiken om te laten merken dat je niet van de straat bent. Onze middelbare scholen zijn de erfgoedinstellingen die deze folklore bewaren en haar doorgeven aan de volgende generaties.

Lees verder >>