Tag: syntaxis

Laaghangende of laag hangende takken?

Door Henk Wolf


Ik maak graag een wandelingetje over het kerkhof bij ons in de buurt. Als ik daar aankom, ben ik altijd even gefascineerd door de twee bordjes aan weerskanten van het pad. Op het ene bordje staat ‘laag hangende takken’ en op het andere ‘laaghangende takken’ – het verschil is een spatie.

Ik vroeg me af wat ik zelf zou schrijven. Als ik de officiële regels volg, dan zou ik geen spatie schrijven als laaghangend één woord was, en wel als laag en hangend allebei aparte woorden waren.

Lees verder >>

Dit is het einde van de zin, offeh

Door Lucas Seuren

Het einde van de zin is in gesproken Nederlandse een ware schatkamer van bijzondere taalfenomenen. Het is de plek waar we inhoudelijk niks meer toevoegen aan de zin, maar waar we signalen geven over hoe de zin “pragmatisch” begrepen moet worden. Vorige week besprak ik hoe of niet gebruikt wordt om urgentie uit te drukken of om kritiek af te zwakken. Deze week ga ik in op een sterk gerelateerd fenomeen: zinnen die eindigen met of.

Lees verder >>

Het gaat bij deze oproep niet om het bedenken van een resultaat maar om het resultaat van het bedenken

Door Peter-Arno Coppen

De Radboud Universiteit heeft onlangs een nieuwe slogan in gebruik genomen. Of slogan, ik weet eigenlijk niet wat de bedoeling is, maar we krijgen hem nu al enige tijd op ons inlogscherm. Hij luidt: ‘Het gaat niet om het overbrengen van kennis, maar om de kennis van het overbrengen’. Het schijnt een bedenksel van een communicatiebureau te zijn, want de belegen opvattingen achter deze zin verraden geen actuele kennis van het onderwijsonderzoek of de vakdidactiek, laat staan van de onderwijspraktijk. Op de universiteit gaat het bijvoorbeeld helemaal niet enkel om kennis, maar conform de in 2004 afgesproken Europese Dublindescriptoren om kennis, toepassing van die kennis, oordeelkundigheid, communicatie en leervermogen. Als ik voor één woord zou moeten kiezen zou dat trouwens eerder ‘inzicht’ zijn en niet ‘kennis’.

Lees verder >>

Dit is het einde van de zin, of niet?

Door Lucas Seuren

Het einde van de zin is in gesproken Nederlandse een ware schatkamer van bijzondere taalfenomenen. Het is de plek waar we inhoudelijk niks meer toevoegen aan de zin, maar waar we signalen geven over hoe de zin “pragmatisch” begrepen moet worden. Je kunt denken aan kleine woordjes zoals toch of die lastig te definiëren zijn, maar die we regelmatig inzetten om duidelijk te maken wat we willen. Omdat het einde van de zin een grote rol speelt in gesproken en minder in geschreven taal, is het uitermate geschikt voor gespreksonderzoekers. We kunnen wat zeggen over de taal, waar traditionele benaderingen wat meer moeite mee hebben, omdat het lastiger is om goede experimenten en tests te ontwerpen. In een korte serie bespreek ik wat mensen in spreektaal doen met het einde van hun zin. En ik begin vandaag met of niet.

Lees verder >>

Wie komt hun of hen te hulp?

Door Ton van der Wouden

Het Nederlands heeft al eeuwen geen derde naamval (datief) meer. Dat heeft de architecten van onze standaardtaal er in de zeventiende eeuw evenwel niet van weerhouden om een onderscheid te construeren tussen hem (4e naamval enkelvoud mannelijk) en hom (3e), en tussen hen (4e meervoud) en hun (3e). Hom heeft het niet gered, maar het opgelegde verschil tussen hun (indirect object) en hen (direct object en na voorzetsels) bestaat tot op de dag van vandaag. Niemand maakt spontaan het onderscheid, maar het heeft zich gaandeweg ontwikkeld tot een sociale markeerder die je kunt gebruiken om te laten merken dat je niet van de straat bent. Onze middelbare scholen zijn de erfgoedinstellingen die deze folklore bewaren en haar doorgeven aan de volgende generaties.

Lees verder >>

Overlappende zinnen

Taalkunde van 1919

In een onregelmatig verschijnende reeks bespreek ik af en toe taalkundige publicaties van 100 jaar geleden.

Door Marc van Oostendorp

Honderd jaar geleden werden er soms zaken geobserveerd in het Nederlands die nog altijd bestaan en nog altijd niet goed beschreven zijn.

Zo publiceerde J. Kooistra in 1919 een artikel over ‘twee Hollands-Engelse parallellen in de syntaxis‘ in De Nieuwe Taalgids. Het ging in beide gevallen om zaken die in het formele Engels wel zijn toegestaan terwijl ze in het Nederlands worden fout gerekend terwijl ze zelfs 100 jaar geleden (toen van invloed van het Engels op het Nederlands, zeker op het niveau van de zinsbouw, nog geen sprake was) al wel voorkwamen.

Op één van die parallellen kwam in hetzelfde nummer nog een kritische reactie; die parallel is ook later nog regelmatig besproken. Het gaat om het vooropplaatsen van een zelfstandignaamwoordgroep zonder het voorzetsel. Hier zijn een paar van Kooistra’s zinnen:

  • een koe krijg je zo maar honderd gulden meer voor
  • dat stuk land begint nu eindelik wat op te groeien
  • die kommissie zat hij zelf ook in
  • de melk is een raar smaakje aan
Lees verder >>

Niet gevangen zijn of hebben, maar zitten: hoe zit dat?

Door Maarten Bogaards

Prinses zit gevangen bij Goejanverwellesluis. Bron: Pricryl

Werk moet lonen voor iedereen die in de bijstand gevangen zit’, betoogt NRC eerder dit jaar in het redactioneel commentaar. Op zich geen baanbrekend standpunt, maar de formulering ervan bevat wel een interessante constructie van het Nederlands: de combinatie van een voltooid deelwoord, gevangen, met het houdingswerkwoord zitten.

Zo’n soort combinatie kennen we vooral van de voltooide tijd. Daarin gaat een voltooid deelwoord vergezeld van een hulpwerkwoord van tijd, zijn of hebben. ‘Zelfs de choreografie van de zangers is gevangen in notenschrift’, schrijft NRC bijvoorbeeld over de recente uitvoering van een experimentele opera van de twintigste-eeuwse componist Stockhausen. En over het werk van fotograaf Christian Voigt, die dinosaurusskeletten vastlegde in ultrahoge resolutie: ‘zoals Voigt ze heeft gevangen zag je ze nog niet’. Is en heeft gevangen zijn voorbeelden van de voltooide tijd. Maar in het voorbeeld waarmee we begonnen, staat geen is of heeft, maar zit. De vraag ligt voor de hand: hoe zit dat?

Lees verder >>

Uit kracht dan van de bevoegdheid

Door Ton van der Wouden

Promotieplechtigheid aan de UvA. Bron: Wikimedia

“Het is de doem van de taalkundige om voortdurend met zijn objekt van studie gekonfronteerd te worden”, aldus de laatste stelling, behorende bij het proefschrift van Jack Hoeksema (Groningen 1984). Dat werd maar weer eens bewezen toen ik nietsvermoedend een Leidse promotie bijwoonde. De kandidaat had zich met succes door het rituele spel van vraag en antwoord geworsteld, de commissie had zich teruggetrokken voor beraad en had haar (commissie is toch vrouwelijk?) plaats weer ingenomen achter de tafel, en de promotor kreeg het woord voor de rite de passage van de doctor-wording. De uitgesproken formule culmineerde in de volgende slotzinnen:

Volgaarne aanvaard ik de taak, mij door de rector magnificus der universiteit opgedragen. [staande] Uit kracht dan van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend, volgens het besluit van de commissie, hier tegenwoordig, verklaar ik bij dezen u, [naam voluit] te bevorderen tot doctor. Ten bewijze hiervan zal u het diploma, door rector, secretaris en promotor ondertekend en met het grootzegel der universiteit bevestigd, ter hand worden gesteld.

Al tientallen malen had ik die formule gehoord, maar voor de eerste keer realiseerde ik me dat er iets bijzonders aan de hand is met die tweede zin. Wat doet dat dan midden in de complexe voorzetselgroep uit kracht van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend? Dit voorbeeld staat niet alleen, andere voorbeelden van dit soort voegwoordelijke bijwoorden of partikels in complexe voorzetselgroepen met een voorzetseluitdrukking als hoofd zijn gemakkelijk te vinden: 

Lees verder >>

Hierdoor werden demonstranten verhinderd een demonstratie in Dokkum bij te wonen

Door Henk Wolf

Het Openbaar Ministerie heeft kortgeleden een filmpje gepubliceerd waarin het naar aanleiding van de zaak rond de ‘Blokkeerfriezen’ uitlegt dat mensen anderen het demonstreren niet mogen beletten. In dat filmpje kwam de volgende zin voor, in zowel gesproken als geschreven vorm:

  • Hierdoor werden demonstranten verhinderd een demonstratie in Dokkum bij te wonen.

Over die zin is van alles te zeggen: is iemand die een demonstratie niet kan bijwonen een demonstrant? – om maar wat te noemen. Het opvallendste eraan vind ik echter de lijdende vorm.

Lees verder >>

Het reflex

Door Henk Wolf

Er zijn Nederlandstaligen voor wie reflex een onzijdig woord is. Laatst sprak ik met iemand die dingen zei als ‘het reflex’ en ‘een sterk reflex’. Ik vroeg of reflex voor haar een de-woord of een het-woord was en ze antwoordde zonder aarzelen: ‘een het-woord’.

Op internet zijn ook voorkomens te vinden van ‘het reflex’. Het zijn er geen duizenden, maar wel te veel om alleen typfouten te zijn. Hieronder staan een paar voorbeelden:

  • Het reflex zorgt voor de productie van endorfines, een neurotransmitter dat pijnstillend werkt en een fijn en verzadigd gevoel geeft.
  • Dat heeft te maken met het reflex dat ontstaat als je zenuwen geprikkeld worden. 
  • Het reflex wordt getriggerd door het kijken naar de hand waardoor een onbewuste knijpbeweging ontstaat.
  • Je kan je voorstellen dat het lastig is naar links te kijken en tegelijk je armen en benen mee te bewegen volgens het reflex (die ga je dan strekken).
  • Het reflex van de musculus stapedius zou normaal gesproken pas in werking treden als er een geluid harder dan 100 decibel wordt …
  • toeschietreflex zelfst.naamw. [biologie] het reflex van het naar buiten laten spuiten van moedermelk uit de melkklieren Bron: Wikiwoordenboek – toeschietreflex.
  • Hierna verdwijnt het reflex langzaam.
Lees verder >>

Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv

Door Marc van Oostendorp

Caroline Tensen nu in 1989.
Bron: Wikmedia

Een intrigerend paradoxale kop boven een artikel in Het Parool: ‘Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv’. Hij staat boven een interview met de 55-jarige presentatrice Caroline Tensen en bevat twee tijdsverwijzingen die elkaar op het eerste gezicht tegenspreken (vroeger en nu) en is onder andere intrigerend doordat je desalniettemin onmiddellijk begrijpt wat Tensen bedoelt. Het wordt in het stuk zelf door Robert ten Brink geparafraseerd op een manier die de paradox opheft: “Tien jaar geleden was het (…) onmogelijk dat iemand van mijn leeftijd bij [tv zou werken]”. (Hoewel dit nog steeds dubbelzinnig is, en de dubbelzinnigheid alleen wordt opgelost als je zegt ‘mijn huidige leeftijd’.)

Er worden dus twee tijdmetingen naast elkaar gebruikt. Vroeger verwijst naar de ‘objectieve’ kalendertijd (‘tien jaar geleden’), en nu naar de persoonlijke tijdsontwikkeling (‘iemand van mijn leeftijd’). Bovendien weet iedereen onmiddellijk welk woord naar welke tijdsontwikkeling verwijst. De zin kan niet betekenen: Het is momenteel onmogelijk dat iemand die net zo oud is als ik tien jaar geleden bij de tv zou werken.

Lees verder >>

Op (het) Parliament Square

Door Henk Wolf

  • […] op het moment dat uit de speakers op Parliament Square de aantallen klinken – 329 voor, 300 tegen – klapt ze halfslachtig met een slap handje.

De zin hierboven stond afgelopen donderdag in een voorpagina-artikel van de Trouw. Met die zin is iets aan de hand: er staat geen lidwoord voor de naam van het plein Parliament Square. Dat is geen foutje: het lidwoord blijft heel vaak weg bij Engelstalige namen van straten, pleinen en parken. Nog een paar voorbeelden van internet:

Lees verder >>

Waarom hangen hun al ruim een eeuw aan de kapstok?

Door Henk Wolf

Misschien herinnert u zich nog de aflevering van De wereld draait door uit 2012 waarin taalkundige Helen de Hoop en toenmalig minister van onderwijs Ronald Plasterk spraken over het voornaamwoord hun. Bij m’n collega’s en mij op NHL Stenden Hogeschool is het een populaire onderwijsvideo. Ik gebruik ‘m zelf om studenten te laten zien hoe mensen gesprekstechnieken toepassen om derden te overtuigen.

De video illustreert hoe twee mensen wel aan dezelfde tafel kunnen zitten en ogenschijnlijk over hetzelfde onderwerp spreken, maar toch finaal aan elkaar voorbij praten. Ik heb bij het zien van de video altijd wat medelijden met Helen de Hoop, die probeert iets inhoudelijk interessants te vertellen, maar daar nauwelijks de ruimte voor krijgt en ook nog erg weinig respect krijgt van zowel Plasterk als de presentator.

Lees verder >>

Een beetje prettig

Door Marc van Oostendorp

Het begon met een enquête over de kwaliteit van de zorg. Linda Duits kreeg hem opgestuurd, en hij bleek de volgende vraag te bevatten:

Maar, dacht Linda terecht, dat ‘een beetje prettig’ klinkt toch heel raar? En toen haalde ze mij erbij op Twitter, en was ik weer een uurtje zoet.

Want ‘de wachtkamer was een beetje prettig’ klinkt inderdaad een beetje raar, maar hoe zou dat nu komen? ‘De wachtkamer was tamelijk prettig’ klinkt bijvoorbeeld in mijn oren helemaal niet zo vreemd, terwijl dat dezelfde betekenis heeft.

Lees verder >>

Ik houd van koffie want koffie

Door Marc van Oostendorp

Er is wereldwijd iets eigenaardigs gaande: woorden zoals want en omdat zijn in zo uiteenlopende talen als het Duits, Fins, Frans, Italiaans, Koreaans Noors, Roemeens, Russisch, Slowaaks, Tsjechisch én het Nederlands aan een nieuw leven begonnen.

Waar je vroeger want bijvoorbeeld alleen kon gebruiken in zinnen als ‘Ik kan niet komen want ik ga naar Lowlands’, vind je nu zinnen als:

  • nee want lowlands

Deze zin is opgediept uit het internet door Martin Konvička, neerlandicus in Berlijn, voor een artikel in Internationale Neerlandistiek. Hij is overigens niet alleen kenmerkend voor internettaal: ook in gesproken Nederlands hoor je zulke zinnen nu wel en in het verleden vermoedelijk niet.

Lees verder >>

Hoeveel voorzetselvoorwerpen kan een zin aan?

Door Marc van Oostendorp

In het nieuwe nummer van Nederlandse Taalkunde (hoera! er is een nieuw nummer van Nederlandse Taalkunde! zingen we bij mij thuis in koor als er een nieuw nummer van Nederlandse Taalkunde verschijnt) staat een interessante discussie tussen Ina Schermer-Vermeer en Hans Broekhuis over een vraag waarvan waarschijnlijk weinig mensen beseffen dat hij nog lang niet is opgelost: hoeveel voorzetselvoorwerpen kunnen er in een zin staan?

Het voorzetselvoorwerp is in de traditionele zinsontleding natuurlijk sowieso een problematische categorie. Wie herinnert zich niet de worstelingen op de basisschool over de vraag of een bepaalde voorzetselgroep nu een bijwoordelijke bepaling was of toch een voorzetselvoorwerp. Schermer-Vermeer en Broekhuis laten zien dat die worsteling tot op de dag van vandaag en tot in de toppen van de taalwetenschap door kan gaan.

Een centrale plaats in de discussie speelt de volgende zin, door Schermer-Vermeer ingebracht:

  • Jan discussieerde met zijn collega over het werk
Lees verder >>