Tag: Syntax of Dutch

Jan heeft Marie vorige week en Els gisteren bezocht.

Door Marc van Oostendorp

Er zijn inmiddels taalgeleerden die gespecialiseerd zijn in samentrekking. Natuurlijk weten ze altijd ook wel wat over andere onderwerpen, maar er zijn mensen die inmiddels bijna alleen publiceren over samentrekking.

Het is makkelijk te begrijpen. Samentrekking is een fascinerend verschijnsel. Wanneer je twee zinnen aan elkaar knoopt met een woord als en kun je zowel het begin als het einde weglaten:

  • Jan heeft Els bezocht en Jan heeft haar het nieuws verteld.
  • Jan heeft Els bezocht en Marie heeft Peter bezocht.

Wanneer je iets uit de eerste zin weglaat moet het aan het eind staan; wanneer je iets uit de tweede zin weglaat moet het aan het begin staan. Je kunt niet zeggen ‘Jan heeft Els bezocht en Marie heeft Peter’, ook al zou dat natuurlijk helemaal niet per se onduidelijk zijn. Ons taalgevoel staat het niet toe. Lees verder >>

Iedere student en iedere docent krijgt korting

Door Marc van Oostendorp

Het achtste, laatste deel van The Syntax of Dutch is er! Ongeveer 4000 pagina’s telt dit monument nu, een uitgebreidere beschrijving van de zinsbouw werd vermoedelijk nooit over enige taal geschreven.

Dit nieuwe deel gaat over nevenschikking en samentrekking. Ik zal er de komende tijd een paar onderwerpen uit behandelen, zoals ik dat ook heb gedaan over oudere delen, want er valt weer veel te snoepen in deze bonbondoos.

Neem bijvoorbeeld deze zinnen:

  1. Els en Marie hebben gedanst.
  2. Els en Marie heeft gedanst. [uitgesloten]
  3. En Els en Marie hebben gedanst. [uitgesloten]
  4. En Els en Marie heeft gedanst.

Els en Marie zijn allebei betrokken bij het dansen in al deze zinnen, maar bij Els en Marie wordt dat ook uitgedrukt door de meervoudsuitgang op het werkwoord, terwijl en Els en Marie juist verplicht een enkelvoudige persoonsvorm vraagt.  En X en Y heeft dus een wat andere werking op het werkwoord dan X en Y.  Lees verder >>

De syntaxis van tja

Wat we nog niet weten over het werkwoord (16)

Door Marc van Oostendorp

Tja, wat zal ik zeggen!

De vier klassieke woordsoorten zijn bijvoeglijk en zelfstandig naamwoorden, werkwoorden en voorzetsels. Dat dit de klassieken zijn wordt ook weerspiegeld in het monumentale Syntax of Dutch, waarvan onlangs het zevende deel verscheen. De delen gaan over die woordsoorten en de woordgroepen die je eromheen kunt bouwen – zij het dat aan het zelfstandig naamwoord twee delen worden gewijd en aan het werkwoord zelfs drie.

Andere woordsoorten komen er maar bekaaid vanaf. Veel worden gezien als onderknuppels van de grote jongens: het lidwoord is een accessoire van het zelfstandig naamwoord, het bijwoord een wat zonderling gebruikt bijvoeglijk naamwoord. En dan zijn er ook nog een paar die nergens bijhoren. De tussenwerpsels bijvoorbeeld.

Lees verder >>

Pas verschenen: Syntax of Dutch. 
Verbs and Verb Phrases, Volume 3

The Syntax of Dutch book series aims at presenting a synthesis of the currently available syntactic knowledge of Dutch. It is primarily concerned with language description and not with linguistic theory, and provides support to all researchers interested in matters relating to the syntax of Dutch, including advanced students of language and linguistics.


Syntax of Dutch: Verbs and Verb Phrases consists of three volumes. Volume 3 has just been published!

Volume 1 opens with a general introduction to verbs, including a review of various verb classifications and discussions on inflection, tense, mood, modality and aspect. This is followed by a comprehensive discussion of complementation (argument structure and verb frame alternations).

Volume 2 continues the discussion of complementation, but is more specifically focused on clausal complements: the reader will find detailed discussions of finite and infinitival argument clauses, complex verb constructions and verb clustering.

Volume 3 concludes with a description of adverbial modification and the overall structure of clauses in relation to, e.g., word order (verb placement, wh-movement. extraposition phenomena, scrambling, etc.)


Wat een veel ingewikkelder probleem!

Wat we nog niet weten over het werkwoord (14)
Door Marc van Oostendorp


Wat is het verschil tussen wat en hoe? Soms lijken ze dicht bij elkaar te liggen. Neem de zin:

Wat ben jij sterk!

Wanneer je daarvan een afhankelijke zin wil maken, zeggen Broekhuis en Corver in het binnenkort te verschijnen laatste deel over werkwoordelijke groepen van de Syntax of Dutch, moet je wat veranderen in hoe:

Ik was vergeten wat sterk jij bent [uitgesloten]
Ik was vergeten hoe sterk jij bent.

Wat is hier aan de hand?
Lees verder >>

De rare taalwereld die ‘des te meer’ oproept

Wat we nog niet weten over het werkwoord (13)

Door Marc van Oostendorp

Er zijn onderwerpen waar de auteurs van de Syntax of Dutch zich duidelijk niet zo goed raad mee weten. Des te is daar een voorbeeld van. Wat kun je bijvoorbeeld beter zeggen:

  • Hoe langer ik ernaar kijk, des te meer ik erin ontdek.
  • Hoe langer ik ernaar kijk, des te meer ontdek ik erin.

De Algemene Nederlandse Spraakkunst en sommige andere auteurs geven de voorkeur aan het tweede patroon, en ook taaladvieswebsites hebben daar een voorkeur voor. Maar wie een beetje in teksten gaat zoeken vindt minstens evenveel instanties van het eerste, en mij lijkt dat ook helemaal geen vreemde woordvolgorde.

Dus wat moet je ermee? Het probleem dat de auteurs van de Syntax of Dutch zich niet baseren op een of andere verzameling afspraken over wat we wel of niet als correct beschouwen, maar op taalgevoel: wat voelt een moedertaalspreker aan als goed Nederlands, los van alle regels? Wie des te gebruikt, bezigt echter stadhuistaal en dan houdt je taalgevoel al snel op. Ik moet toegeven dat ik het ook niet zou weten: het kan allebei.

Lees verder >>

Tevreden altijd naar huis gaan

Wat we nog niet weten over het werkwoord (12)

Door Marc van Oostendorp

Het leukst zijn natuurlijk de subtiele verschillen, zoals die tussen de volgende twee zinnen. Je verwisselt twee woorden van plaats en ineens staat er iets anders:
  • Jan gaat altijd op zaterdag dansen.
  • Jan gaat op zaterdag altijd dansen.
In de eerste zin druk je uit dat als Jan gaat dansen, het altijd zaterdag is: hij danst dus niet op vrijdagavond, of in ieder geval niet voor middernacht.  De tweede zin zegt eerder: als het zaterdag is, trekt Jan altijd zijn dansschoenen aan. Hij zegt dus niets over Jans activiteiten op andere dagen, zoals de eerste zin geen uitspraken doet over de vraag of Jan wel iedere zaterdag danst.
In het binnenkort verschijnende deel 3 over werkwoorden van de Syntax of Dutch bespreken Hans Broekhuis en Norbert Corver nog een aantal van dit soort zinsparen, zoals:

Lees verder >>

Jan was nauwelijks thuis toen Marie belde

Wat we nog niet weten over de werkwoordelijke groep (11)

Door Marc van Oostendorp


En daar zijn we weer! De succesvolle reeks blogposts wat we nog niet weten over het werkwoord werd vorig jaar in juni voorlopig afgesloten. Maar inmiddels zijn we alweer een ruim half jaar verder, en de hoeveelheid dingen die we nog niet weten is almaar toegenomen.

In april verschijnt een nieuw deel van de Syntax of Dutch, het laatste over het werkwoord, en Hans Broekhuis (die dit deel samen met Norbert Corver schreef) stuurde me een pdf zodat ik alvast voor jullie op zoek kan naar de leukste nieuwe puzzels waar de taalkunde nog niet uit is. Eigenlijk gaat dit deel meer over de werkwoordelijke groep en zelfs de zin dan over het werkwoord, dus ik heb de titel van de serie een beetje aangepast.

Broekhuis en Corver leggen bijvoorbeeld een gigantische catalogus – dit derde deel over het werkwoord heeft 734 pagina’s – aan van soorten bijwoorden. Bijna en haast in de volgende zinnen noemen ze bijvoorbeeld  in navolging van de Amerikaanse syntacticus Thomas Ernst clausedegree adverbs, bijwoorden van zinsgraad:

  • Jan ging bijna kwaad weg.
  • Jan werd haast overreden. 

Lees verder >>

Vladimir speelt nieuwe piano

Wat we nog niet weten over het werkwoord (9 en slot)

Door Marc van Oostendorp

De Nederlandse taal wordt al honderden jaren onderzocht, en toch is er van alles wat we nog niet weten. Onze taal behoort zelfs tot de best bestudeerde ter wereld, vooral sinds aan het gigantische naslagwerk Syntax of Dutch wordt gewerkt. In dat boek worden de inzichten uit de taalkundige literatuur zo goed mogelijk samengevat.
De afgelopen maanden heb ik hier op Neder-L een korte serie gepubliceerd naar aanleiding van het verschijnen van twee delen van dit naslagwerk die allebei over het werkwoord gaan: op honderden pagina’s worden allerlei dingen samengevat die iedere spreker van het Nederlands weet, al heeft hij er nooit over nagedacht.
Ik heb dat gedaan door een aantal onderwerpen te bespreken waarvan de auteurs van de Syntax zeggen dat ze onderwerp zijn van ‘future research’: onderwerpen waarover de wetenschappelijke literatuur dus nog te weinig geschreven heeft. 
Het wordt tijd om afscheid te nemen van dit reeksje, met een laatste puzzel. Wat is er raar aan de zin ‘Vladimir speelt nieuwe piano’?

Lees verder >>

Het eten van veel taartjes

Wat we nog niet weten over het werkwoord (10)
Door Marc van Oostendorp

Zoals water kan overslaan in ijs, zo kan een werkwoord ineens overslaan in een zelfstandig naamwoord. Stel, je vindt het fijn om taartjes te eten. Dan kun je dat natuurlijk op verschillende manieren zeggen:

  1. Ik word gelukkig als we veel taartjes eten.
  2. Ik vind het fijn om veel taartjes te eten.
  3. Ik houd van veel taartjes eten.
  4. Veel taartjes eten is fijn.
  5. Het eten van veel taartjes is fijn.
Gaande van zin (1) naar zin (5) wordt eten steeds zelfstandignaamwoordachtiger. In zin (1) is het in alle opzichten een werkwoord: een persoonsvorm met een onderwerp (we) en een lijdend voorwerp (veel taartjes) en een uitgang die meeverandert met het onderwerp (als ik veel taartjes eet). In zin (2) is eten nog steeds duidelijk een werkwoord, al is het nu een onbepaalde wijs. Ook in (3) zullen veel mensen er nog wel een werkwoord in zien, al is het apart dat het gebruikt wordt na een voorzetsel, en al kan er inmiddels al geen onderwerp meer worden gebruikt – je kunt niet zeggen ik houd van wij veel taartjes eten.
Lees verder >>

Zij laten hun vernuft bewonderen aan ons

Wat we nog niet weten over het werkwoord (8)
Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen zingen, zien en lezen? Dat blijkt een van de vele dingen te zijn die we nog niet blijken te weten over het werkwoord wanneer we het onlangs verschenen deel Verbs and verb phrases van The syntax of Dutch lezen.

De auteurs van dit deel, Hans Broekhuis, Riet Vos en Norbert Corver, geven de volgende drie zinnen als voorbeeld:

  • Jan laat Marie een liedje zingen.
  • Jan laat Marie de brief zien.
  • Jan laat Marie de brief lezen.

Die zinnen lijken volkomen parallel. Maar wanneer we de bijzinnen in de lijdende vorm zetten gebeurt er iets wonderlijks:
Lees verder >>

Kilometers onder de grond hamelen

Wat we nog niet weten over het werkwoord (7)
Door Marc van Oostendorp
In het Nederlands zetten we vraagwoorden bij voorkeur aan het begin van de zin. In plaats van je eet wat? (met het lijdend voorwerp achteraan, waar het ook staat in je eet boterhammen), zeg je Wat eet je? Het onderwerp je verandert daar ook van plaats, maar dat laten we nu even buiten beschouwing.
Die vraagwoorden slepen soms wat woorden met zich mee naar voren: je zegt niet welke eet je boterhammen? met alleen het eigenlijke vraagwoord welke vooraan, maar welke boterhammen eet je? Zulk meeslepen heet in de Engelstalige literatuur to pied pipe, wat je het best kunt vertalen met hamelen: zoals de rattenvanger in het sprookje kinderen meelokt, zo hamelt het vraagwoord de andere woorden naar voren.

Lees verder >>

Naar het schijnt

Wat we nog niet weten over het werkwoord (6)

Door Marc van Oostendorp


Als twaalfjarige kwam ik als kind ooit verrukt terug van school. We hadden net de laatste les ontleden gehad. Ik zou, dacht ik, nu in staat moeten zijn om iedere willekeurige zin uit elkaar te trekken en weer op de juiste manier in elkaar te monteren. Ik nam een krant en begon bij het eerste artikel. Hoeveel zinnen ik precies op deze manier te lijf gegaan ben, weet ik niet meer.

Misschien is de eerste me nog toevallig gelukt, maar binnen enkele minuten lag de krant verfrommeld in de hoek. Een normale zin bleek, anders dan de geconstrueerde uit de schoolboeken, niet te ontleden.

Sindsdien ben ik al 35 jaar taalkunde aan het bestuderen, en daardoor wel wat verder gekomen. Maar nog steeds zijn er allerlei doodgewone zinnen die raadselachtig zijn; en niet alleen voor mij, maar ook voor de knapste taalkundige. Zo merken Hans Broekhuis en Norbert Corver in het binnenkort te verschijnen deel over werkwoorden van The Syntax of Dutch op dat er nauwelijks onderzoek is gedaan naar zinnen zoals de volgende:

Lees verder >>

Verschenen: Syntax of Dutch. Verbs and Verb Phrases, Volume 1 &2


In februari 2015 verschijnen twee nieuwe delen van Syntax of Dutch, het zevendelige naslagwerk dat zich richt op één enkel kernaspect van de Nederlandse grammatica: de syntaxis (de leer van de zinsbouw en woordgroepen).
Tot dusver verschenen vier delen. De eerste twee behandelen de zelfstandig naamwoorden en zelfstandignaamwoordgroepen, het derde deel behandelt de bijvoeglijk naamwoorden en bijvoeglijk naamwoordgroepen, en het vierde deel gaat over voorzetsels en voorzetselgroepen. Nu verschijnen de eerste delen twee delen over werkwoorden en werkwoordgroepen, geschreven door Hans Broekhuis, Norbert Corver en Riet Vos. In april 2016 volgt nog een derde deel over dit onderwerp.
Hieronder volgt de (Engelstalige) aankondiging:
Hans Broekhuis, Norbert Corver & Riet Vos. Syntax of Dutch. Verbs and Verb Phrases, Volume 1 & 2. Amsterdam University Press
The Syntax of Dutch presents a synthesis of the currently available syntactic knowledge of Dutch. It is primarily concerned with language description and not with linguistic theory, and provides support to all researchers interested in matters relating to the syntax of Dutch, including advanced students of language and linguistics.
So far four volumes have appeared On Nouns, adjectives and adposition. On February, 17, 2015, the series is supplemented by two volumes: a third volume will follow in April 2016, which will conclude the series (at least for the moment). The new volumes on verbs are organized in a similar way as the previously released volumes. Volume 1 opens with a general introduction to verbs, including a review of various verb classifications and discussions on inflection, tense, mood, modality and aspect. This is followed by a comprehensive discussion of complementation (argument structure and verb frame alternations). Volume 2 continues the discussion of complementation, but is more specifically focused on clausal complements: the reader will find detailed discussions of finite and infinitival argument clauses, complex verb constructions and verb clustering. Volume 3 concludes the discussion with a description of adverbial modification and the overall structure of clauses in relation to word order (e.g., verb placement, wh-movement. extraposition phenomena, scrambling, etc.).

Lees verder >>

Zo voorkwam ik alles te begrijpen

Wat we nog niet weten over het werkwoord (5)

Door Marc van Oostendorp


Als ik beweer dat ik morgen zal komen, beweer ik morgen te komen. Zoveel is zeker: het lijdend voorwerp van de ene zin (‘ik beweer’) kan zelf weer een zin zijn met een persoonsvorm (zal in ‘ik zal morgen komen’) of zonder (‘morgen te komen’). 
Het eigenaardige, zegt Hans Broekhuis in het 1200 pagina’s dikke deel Verbs and verb phrases van zijn Syntax of Dutch is dat het niet bij ieder werkwoord zo werkt. Neem het volgende paar:
  • Diederik ontdekte dat hij loog. [1]
  • Diederik ontdekte te liegen. [2, vreemd]
De tweede zin is een stuk vreemder en ongebruikelijker dan de eerste. Waarom? Het ligt niet alleen aan het werkwoord ontdekken, want soms gaat het juist wel heel goed:
Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (4)

Door Marc van Oostendorp


Sommige werkwoorden zijn promiscu in hun onderwerpskeuze. Neem de volgende voorbeelden:

  • Ik rijd met mijn auto op de weg.
  • Deze auto rijdt snel / lekker.
  • Deze weg rijdt snel / lekker.

Het onderwerp van rijden kan degene zijn die rijdt (eerste zin), maar ook waarmee gereden wordt (tweede zin) en de plaats waarop gereden wordt (derde zin). Die laatste twee voorbeelden werken wel alleen goed als er nog een bepaling bijstaat zoals snel of lekker: ‘Deze auto rijdt’ en ‘Deze weg rijdt’ zijn zo, zonder meer, niet goed – een wonderlijk verschijnsel.

Je kunt de zinnen met de auto en de weg als onderwerp ook ombouwen: in plaats van ‘deze auto rijdt snel’ kun je ook zeggen ‘deze auto is lekker om mee te rijden’, bijvoorbeeld.

In het reusachtige, binnenkort te verschijnen deel over werkwoorden van hun Syntax of Dutch merken Hans Broekhuis en Norbert Corver op dat er wel nog onbegrepen verschillen zijn tussen (bijvoorbeeld) snel en lekker.
Lees verder >>

Het meisje kreeg de sleutels overhandigd

Wat we nog niet weten over het werkwoord (3)
Door Marc van Oostendorp


De lijdende vorm, wie is er niet groot mee geworden? Alleen ging het op school voor zover ik me herinner nooit over de krijgen-passief.

De gebruikelijkste lijdende vorm is die met worden: van Joost slaat Henkie maak je Henkie wordt door Joost geslagen. In het omvangrijke, binnenkort te verschijnen deel over het werkwoord van zijn Syntax of Dutch vestigt Hans Broekhuis de aandacht op een ander soort passief, dat met krijgen:

  • De makelaar overhandigde het meisje de sleutels.
  • De sleutels werden het meisje overhandigd door de makkelaar. [gewoon passief]
  • Het meisje kreeg de sleutels overhandigd door de makelaar. [krijgen-passief]

Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (2)

Krijgen als lijdende vorm

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands is een van de best onderzochte talen ter wereld, en toch is er van alles en nog wat dat we niet begrijpen. Neem het werkwoord krijgen, bijvoorbeeld in de volgende zin:

– Marc krijgt een pdf’je (van Hans)[1]

Marc is in die zin het onderwerp, toch? Ja, volgens de schoolgrammatica wel. Maar volgens het binnenkort te verschijnen 1500 pagina’s deel Verbs and verb phrases van Hans Broekhuis’ Syntax of Dutch zijn er wat vreemde dingen mee aan de hand. (Ik ben een serietje aan het maken over enkele van de open plekken in onze kennis die Broekhuis aanwijst; welkom en goedemorgen.)

Zo kun je van onderwerpen vaak een zelfstandig naamwoord maken door er –er achter te plakken: Ilja schrijft, dus is hij een schrijver; Menno bakt, dus is hij een bakker. Beiden dragen baarden en zijn dus baarddragers. Maar door pdf’jes te krijgen ben ik nog geen krijger.

Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (1)

Door Marc van Oostendorp



2015 wordt het jaar van het Nederlandse werkwoord. Ergens in de komende maanden verschijnt Hans Broekhuis’ indrukwekkende, vijftienhonderd pagina’s dikke Verbs and verb phrases, het nieuwe deel van zijn Syntax of Dutch.

Vijftienhonderd pagina’s over werkwoorden, waarschijnlijk de uitvoerigste beschrijving ooit gemaakt voor enige taal, en nog is lang niet alles uitgezocht. Hans heeft me zijn digitale drukproeven gegeven om mijn mateloze nieuwsgierigheid te dempen, en er voor Neder-L over te schrijven.

Hij gaf me ook een goede tip: zoek in de tekst op ‘future research’, dan vind je de onopgeloste puzzels. Inderdaad komt die zinsnede – meestal in een verband als ‘we will leave this to future research’ – 85 keer voor in Verbs and verb phrases. Daar ga ik de komende tijd een serietje over maken: enkele van de intrigerendste dingen die we ondanks al het onderzoek van zichzelf en anderen dat Broekhuis hier verslaag, nog steeds niet over het werkwoord weten.

Neem bijvoorbeeld te, zoals in ‘ik vind het lollig om te jodelen’. Wat is dat? De spelling schrijft voor om het woordje los van de werkwoord te schrijven, maar heeft de spelling daar gelijk in?
Lees verder >>

Waar bevindt zich precies ‘de grot tegenover de kerk’?

Door Marc van Oostendorp

Toen ik maandag terugkwam op mijn werkkamer, lag de nieuwe  er al! We zijn inmiddels beland bij deel IV van zijn monumentale Syntax of Dutch: 375 pagina’s over voor- en achterzetsels in het Nederlands. (U kunt het hier gratis downloaden; maar als ware liefhebber koopt u die delen natuurlijk en zet ze te pronken in uw kast.)

De wonderlijkste verschijnselen komen aan de orde: dat je wel kunt zeggen De taalprof ging de hoek om, maar niet De taalprof liep de tafel om. Dat je kantoor in De taalprof werkt momenteel op het kantoor wél van de bepaling nieuwe kunt voorzien, maar niet in De taalprof werkt momenteel op kantoor. Dat De taalprof liep drie kilometer het kanaal langs gek klinkt, terwijl die zin volkomen begrijpelijk is, en bovendien parallel aan De taalprof liep drie kilometer het bos in. 
Hoewel het boek natuurlijk gaat over de syntaxis van die voorzetsels, is er veel ruimte voor de betekenis van voorzetsels.
Lees verder >>