Tag: stijl

Dionyzos als porno

Door Marc van Oostendorp

Er bestaat in de literatuur een heel trage discussie over een paar zinnen in de roman Dionyzos van Louis Couperus. Er zijn tot nu drie korte bijdragen geleverd: in 1904in 1952, en in 2017 in Arabesken, het tijdschrift van het Couperus Genootschap We zijn er voorlopig nog niet uit.

Wat is er aan de hand? In Dionyzos komen zinnen voor zoals de volgende, uitgesproken door de titelheld:

In dit genot-oogenblik, o Eurytion, slinger ik mij op je breeden rug, en sla ik mijn arm om je reuzetors, zwellend van bundels spieren!

Iemand voert een handeling uit (hij slingert zich op je brede rug) en zegt tegelijkertijd wat hij doet, terwijl degene die het ziet dat net zo goed ziet en de mededeling als zodanig weinig informatieve waarde heeft. De roman verscheen in 1904. In hetzelfde jaar schreef het echtpaar Margo en Carel Scharten-Antink een bespreking in De Gids. Zij noemen deze stijlfiguur ‘kinderpraat’ en merken op:

Het is ’t begeleiden van handelingetjes met de vermelding dier handelingetjes, op oogenblikken en in situatie’s, waarop of waarin volwassenen zwijgen zouden.

Lees verder >>

Anna Karenina als Nederlandse letterkunde

Door Marc van Oostendorp

Op school zou weer meer vertaald moeten worden, vindt de meestervertaler Hans Boland. Er is geen manier om je taalgevoel zo aan te scherpen. Mensen drukken zich steeds slordiger uit, en het “meest probate middel om dit proces te stoppen en mogelijkerwijs te verkeren, is vertaalonderricht.”

Hij heeft gelijk en hij laat het met verve zien. Naar aanleiding van zijn onlangs verschenen nieuwe vertaling van Anna Karenina heeft hij een boekje uitgebracht, Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje, waarin hij de bewonderde roman bespreekt, en vooral zijn vertaling ervan. De titel is een voorbeeld van een vondst waar hij bijzonder trots op is (de Russische zin zegt ongeveer ‘Ik spuug op hem en zijn vorstendom’), want dat is een van de leuke dingen van dit boekje: dat Boland zo trots is op zijn vak.

Trots op de synoniemen die hij vindt: Lees verder >>

De oorlog in het bos. Over literaire stijl

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-5
‘Vijftig tinten grijs in het bos’. Illustratie: MvO
Kun je uitrekenen of een boek in een literaire stijl geschreven is? En kun je dat rekenen vervolgens door een computer laten doen? Dat is een van de vragen die Andreas van Cranenburgh probeert te beantwoorden in zijn onlangs verdedigde proefschrift Rich statistical parsing and literary language.

Om dat te doen, moet je natuurlijk eerst een maat hebben van hoe literair een boek eigenlijk is. Van Cranenburgh haalt deze uit het project The Riddle of Literary Language, waarin een groot aantal internetgebruikers over een groot aantal relatief recente, vertaalde en oorspronkelijke, boeken een oordeel hebben gegeven. Die oordelen zijn bij elkaar opgeteld, en dat levert de uiteindelijk maat van literariteit op. (Vijftig tinten grijs kwam daar als allerlaagste uit, als je dat wil weten.) Lees verder >>

De troonrede en de glazen bol

Door Robert Chamalaun

Wie op 20 september heeft geluisterd naar de troonrede die koning Willem-Alexander uitsprak, kon niet om de positieve toon heen. Los van de inhoudelijke vraag of die positiviteit terecht is, komt in de formulering en woordkeus overduidelijk het optimisme van het kabinet naar voren. In deze troonrede, die ruim tweeduizend woorden telt, zijn nogal wat woorden verwerkt die het positieve dan wel negatieve oordeel van het kabinet op een stilistische manier extra kracht bijzetten. Dit verschijnsel wordt in de linguïstische literatuur ook wel taalintensivering genoemd.

Taalintensivering kan op verschillende manieren in een tekst tot stand komen. Een schrijver kan (1) gebruikmaken van bijvoeglijke naamwoorden, al dan niet met een positieve (fantastische) of negatieve (verschrikkelijke) connotatie, (2) bijwoorden (zeer, veel), (3) voorvoegsels (supermooi), (4) zelfstandige naamwoorden, (5) werkwoorden, (6) stijlfiguren en zelfs (7) typografische elementen. In de troonrede van dit jaar trof ik behoorlijk wat bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden aan. Uiteraard zal het weinigen verbazen dat de laatste vijf manieren niet of minder gebruikt worden in de troonrede. Lees verder >>

Symposium ‘Neerlandistiek met stijl’: deadline aanmeldingen 21 september

Op 30 september vindt het aan de Universiteit Leiden het symposium ‘Neerlandistiek met stijl’ plaats, dat wordt georganiseerd ter gelegenheid van het afscheid van Arie Verhagen als hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan deze universiteit. Deadline voor aanmelding is 21 september. Zie hieronder voor het programma en meer informatie

Deze zomer bereikte Arie Verhagen de pensioengerechtigde leeftijd. Voor Arie betekent dat geen definitief afscheid van de Universiteit Leiden en daarom zal hij nog geen afscheidscollege geven. Wel komt er een einde aan zijn hoogleraarschap Nederlandse Taalkunde – een leerstoel die hij vanaf 1998 bekleedde. Om dit bijzondere moment niet onopgemerkt voorbij te laten gaan, organiseren wij op vrijdag 30 september een symposium over een onderwerp dat Arie nauw aan het hart ligt: stilistiek in de neerlandistiek.

Het centrale thema van het symposium Neerlandistiek met stijl is de gedachte van Arie dat de studie van stijl de verbindende schakel kan vormen tussen de subdisciplines binnen de neerlandistiek. Op het symposium komen de verschillende perspectieven op stijl en stilistiek vanuit de taalkunde, taalbeheersing en letterkunde aan bod. Lees verder >>

Symposium Neerlandistiek met stijl

30 september 2016, 10:00-17:15 uur
Universiteit Leiden

Symposium ter gelegenheid van het afscheid van Arie Verhagen als hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Universiteit Leiden

Deze zomer bereikt Arie Verhagen de pensioengerechtigde leeftijd. Voor Arie betekent dat geen definitief afscheid van de Universiteit Leiden en daarom zal hij nog geen afscheidscollege geven. Wel komt er een einde aan zijn hoogleraarschap Nederlandse Taalkunde – een leerstoel die hij vanaf 1998 bekleedde. Om dit bijzondere moment niet onopgemerkt voorbij te laten gaan, organiseren wij op vrijdag 30 september een symposium over een onderwerp dat Arie nauw aan het hart ligt: stilistiek in de Neerlandistiek. Lees verder >>

De adem van de ondervraagde

President Tsaar op Obama Beach op de voet gevolgd (2/60)

Door Marc van Oostendorp

Deze zomer publiceren nrc.next en NRC Handelsblad de roman President Tsaar op Obama Beach van A.F.Th. van der Heijden als feuilleton. De afleveringen verschijnen ’s ochtends <op de website van de krant>. In de loop van de dag blog ik een bespreking. Vandaag: aflevering 2.

obama2Een pagina van Van der Heijdens proza kun je herkennen aan de dialogen. Zijn karakters hebben allemaal dezelfde toon. Een enkele keer laat hij iemand een dialectwoord gebruiken, of een ietwat ongebruikelijke constructie om de persoon te karakteriseren.

Maar naar mijn gevoel praat in Van der Heijdens werk iedereen een beetje op dezelfde manier. Zoals in de passage van vandaag de commandant Mazepa:

‘Naar de kelder met hem,’ riep Mazepa. ‘De lamp is daar sterk genoeg om het vuiltje in zijn oog te zien. Geef hem iets te roken… een sigaret brandt het lekkerst op de huid als hij is aangestoken met de adem van de ondervraagde zelf.’

Lees verder >>

Gratuit gezeik over A.F.Th. van der Heijden

President Tsaar op Obama Beach op de voet gevolgd (1/60)

Door Marc van Oostendorp

Memo 2016-06-25 06-47-05 +0000President Tsaar schreef ik gelijk op met de ontwikkelingen in de werkelijkheid,” zegt A.F.Th. van der Heijden vandaag in NRC Handelsblad. “op een aanvankelijk ongemakkelijke, tastende manier: iets geheel nieuws voor me.”

Het is daarom passend dat het feuilleton in de krant verschijnt. Zo kunnen wij van het publiek het verhaal op onze beurt ongemakkelijk, tastend lezen, gelijk op met de werkelijkheid. Om dat te eren wil ik deze zomer net als de schrijver ‘iets geheel nieuws doen’: dag-aan-dag meelezen met President Tsaar op Obama Beach. Vandaag stond de eerste aflevering in de krant <hier>.

Náást dat interview met Van der Heijden. Lees verder >>

Symposium ‘Neerlandistiek met stijl’

30 september 2016, 10:00-17:15 uur
Universiteit Leiden

Symposium ter gelegenheid van het afscheid van
Arie Verhagen als hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Universiteit Leiden

Deze zomer bereikt Arie Verhagen de pensioengerechtigde leeftijd. Voor Arie betekent dat geen definitief afscheid van de Universiteit Leiden en daarom zal hij nog geen afscheidscollege geven. Wel komt er een einde aan zijn hoogleraarschap Nederlandse Taalkunde – een leerstoel die hij vanaf 1998 bekleedde. Om dit bijzondere moment niet onopgemerkt voorbij te laten gaan, organiseren wij op vrijdag 30 september een symposium over een onderwerp dat Arie nauw aan het hart ligt: stilistiek in de Neerlandistiek. Lees verder >>

‘Een spreker met gebonden handen en een zak over het hoofd’

Door Marc Kregting

StijlBehalve op een onwillige echtgenoot stuit Renate Rubinstein in haar scheidingsboek Niets te verliezen en toch bang (1978) op de stoorzender die voornaamwoord heet. Wanneer ze ‘zij/haar’ gebruikt, meent ze, dan denken lezers dat ze over zichzelf schrijft. Maar wanneer ze dat koppel vervangt door ‘hij/zijn’, dan heft ‘de “feministisch” getrainde lezer – dat is iemand die de wereld verdeelt in twee groepen, te weten mannen en vrouwen, naar aloud en nu weer bijdetijds seksistisch gebruik – zijn vinger en wijst mij op “masculinisme”.’ Rubinstein beslist dat het mannelijke voornaamwoord voor haar neutraal genoeg is.

Bijna veertig jaar later komt Tim Parks in Waarom ik lees (2014) met dezelfde oplossing als hij deze verwijskwestie benoemt. Hij heeft ‘hij/zijn’ altijd als ‘onpersoonlijk en geslachtsloos’ ervaren, en de nuance door vermelding van de dubbeloptie (‘hij/zij’, ‘zijn/haar’) als ‘pietluttig en onelegant’. Lezers zouden constant geconfronteerd worden met een probleem ‘dat er niet is’. Parks volhardt dan maar in zijn gewoonte, ‘om de aandacht scherp te houden’.

Lees verder >>

Antimetabolitis

Voorstel voor een ‘AM’-groep

Door Jan Renkema
Ik ga nu eindelijk bekennen dat ik al jaren last heb van een (prettige) infectie, ontstaan door een overgevoeligheid voor de krachtigste stijlfiguur die er bestaat: de antimetabool. Ik lijd aan antimetabolitis. Laat ik het uitleggen.
Wanneer twee deelzinnen of woordgroepen parallel lopen, voel ik al iets opkomen. Ook in heel eenvoudige zinnen. Zie de parallellie in:
Wat staat geschreven, staat geschreven.
Als je de volgorde in het eerste deel, de bijzin, omwisselt, komt er extra spanning in de zin:
Wat geschreven staat, staat geschreven.
De werking van de zo ontstane inkadering of omarming is nog nauwelijks doorgrond. Bij tangconstructies werkt die weer heel anders. Ook in rijmschema’s speelt zo’n volgordewisseling een rol (ABBA, enz) en in klankwerking (‘why a butterfly flutters by’), of in verhaalanalyse van de volgorde waarin subthema’s of personen genoemd worden. Lees bijvoorbeeld het verhaal van Kaïn en Abel, en zie daar aan het begin tweemaal KAAK. Gaat het verhaal daarom meer over Kaïn?

Lees verder >>

Laudatiesmid

Door Marc van Oostendorp


In de praktijk van Wout de Wit de laudatiesmid is altijd wat te doen. “Iedere werkdag (uitgezonderd schoolvakanties) krijg ik een mail,” zegt De Wit in zijn luxe studio met uitzicht over de Lange Mare, “van een wanhopige hoogleraar die dezelfde dag een laudatio moet houden en die geen idee heeft wat hij nu weer tegen deze kandidaat moet zeggen. Wij produceren dan binnen een half uurtje een aantrekkelijke lofrede.”

Wat is er voor nodig?  “Ik zeg altijd: stuur me om te beginnen wat oude mailtjes op van de kandidaat. Het maakt niet uit waar ze over gaan, maar mensen beginnen al te gniffelen als ze horen hoe jong en afhankelijk de kandidaat ooit was.” En als ze die mails niet meer kunnen vinden, zijn er altijd standaardpassages.

De Wit leest voor: “Gisteren grasduinde ik door mijn e-mails en stuitte op een e-mailconversatie tussen ons uit het begin van onze samenwerking. En daar spraken we al het vermoeden uit dat u vandaag hebt bevestigd.”

Online seks blijkt pornografisch

Door Marc van Oostendorp

 

Cyberseks is natuurlijk wel een interessant onderwerp, maar ik vind niet dat Chrystie Myketiak er veel van maakt in haar artikel The co-construction of cybersex narratives, dat onlangs verscheen in het tijdschrift Discourse & Society.

Het uitgangspunt is interessant: wanneer twee mensen elkaar in een online spel of een chatbox ontmoeten, kunnen ze besluiten om cybersex te hebben. Die seks is dan een verhaaltje, maar van een bijzondere soort, namelijk een verhaaltje dat ze samen maken: de een vertelt wat, en daar reageert de ander dan weer op.

Dat levert op zich amusant proza op, met een bizarre mengeling van stijlen, zo van “The only sexual statement that she replies to directly is the first in Line 1 (‘perhaps I should fuck you’), which is not a question requesting her consent or a suggestion of a mutual or reciprocal activity, but a declarative assertion of an act to be done to her.”

Lees verder >>

Hoe herken ik appjes van oude mensen?

Door Marc van Oostendorp


Sinds kort weet ik hoe men op het gymnasium de app-berichten van ons oude mensen herkent. Een vriendin stuurde me een lijstje tips die haar dochter had opgesteld. Ik geef het even door, inclusief het commentaar van de scholieren, omdat jullie natuurlijk ook liever niet als oud mens herkend worden:

  1. lange lappen tekst (het is godvergeme geen e-mail) 
  2. bij alles een passende emoji (dan lijkt het alsof je teveel moeite in dat bericht hebt gestopt, en het ziet er nog knullig uit ook) 
  3. gebruik van punctuatie (zie punt 1 en 4) 
  4. geen afkortingen (maakt het bericht gelijk serieus en daar wordt men nerveus van)
Met punctuatie bedoelt men op het moderne gymnasium: het plaatsen van punten. 

Je kunt Pechtold in één zin herkennen

Door Marc van Oostendorp

Hoeveel tekst heb je nodig om te zien of een tekst afkomstig is van Geert Wilders of van Alexander Pechtold? Niet heel veel, laat Maarten van Leeuwen zien in zijn proefschrift Stijl en politiek, dat hij vandaag in Leiden verdedigt. Eén zin is meestal wel genoeg.

Neem de volgende:

  • De laatste jaren wordt de politiek niet meer beschouwd als de plek waar maatschappelijke problemen worden aangepakt en opgelost. [1]

Die zin kan alleen maar van Pechtold zijn. Dat ligt niet aan de inhoud – ik denk dat Wilders het er nog weleens mee eens zou kunnen zijn. Het ligt alleen aan de vorm. Wilders zou hetzelfde mogelijk op de volgende manier formuleren:
Lees verder >>

Een nieuwe stijlgoeroe

Door Marc van Oostendorp

Het jaar van de stijl is heropend. Begin 2014 was ik er op dit weblog mee begonnen. Ik ging les nemen bij schrijvers, die me lesjes zouden geven zodat ik beter zou schrijven. Ik begon bij Ilja Leonard Pfeijffer, maar na een paar maanden stapte ik over op een andere leraar die van alles beloofde, maar waar nooit iets van kwam. (Ja, ik bedoel u, AS!) En toen heb ik het ook verder weer laten sloffen.
Maar sinds wanneer moet een jaar een aangesloten periode zijn? Ik kan toch gewoon nu weer doorgaan? Wat gaan we nu krijgen?
Ik werd door deze heropening gestimuleerd door het verschijnen van het Groot retorisch woordenboek van Paul Claes en Eric Hulsens. Dat boek is door de uitgever geloof ik ruimhartig over de vaderlandse bloggers heengestrooid, dus u zult het wel vaker tegenkomen wanneer u het internet aandachtig leest.
Maar dat strooien kan ook vast geen kwaad: 

Lees verder >>

Zo lief, zo rustig, zo bloeiend

Door Marc van Oostendorp

Herman Gorter was een meester van het zo. Vooral als hij verliefd was kon hij er wat van: “Zie je ik hou van je, / ik vin je zoo lief en zoo licht — / je oogen zijn zoo vol licht” dichtte hij dan. En ook de liefdesbrieven in de onlangs verschenen bundeling Geheime geliefden staan vol zo‘s. “Daardoor kan ik ook zoo heerlijk bij je zijn,” schreef hij aan Ada Prins, “daardoor is je omgeving en je aanraking zoo veel, zoo iets voor mij wat ik wel voelen maar niet noemen kan, daardoor word ik zoo rustig en zoo bloeiend bij je, en mijn hoofd en mijn lichaam zoo heel anders.”

Wat bedoelde hij daarmee? Hoe rustig en hoe bloeiend werd hij precies?

Meestal betekent zo, volgens het WNT, ‘in een bepaalde mate, of op een bepaalde manier die uit de context blijkt’. Ook in dat zo was Gorter natuurlijk de ongekroonde koning. Als hij in Mei schrijft “zóó wil ik dat dit lied klinkt”, dan is daar een uitgebreide specificatie aan voorafgegaan van hoe dan precies (“als het geluid dat ik eens hoorde op een zomernacht”).

Maar in de liefde ontbreekt die specificatie. Je bent zo lief en zo licht, zonder dat ik erbij zeg hoe dan.
Lees verder >>

Arnon Grunberg in de tegenwoordige tijd

Door Marc van Oostendorp
Jan Arends, Maarten Biesheuvel en Arnon Grunberg schrijven gewoon proza. Dat beweert in ieder geval Suzanne Fagel. De titel van het proefschrift dat ze vandaag in Leiden verdedigt is De stijl van gewoon proza. De genoemde drie auteurs zijn haar belangrijkste voorbeelden van een dergelijke stijl.
Dat is een beetje moeilijk te plaatsen, vooral omdat Fagel in het proefschrift een uitgebreide beschouwing opneemt waarom het beter is niet van ‘normaal’ proza te spreken, en in plaats daarvan de term ‘transparant’ te verkiezen. Het is haar te doen om stijlmiddelen die niet al te nadrukkelijk zijn, die niet zozeer de aandacht op zichzelf vestigen, waarvan de schrijver zich wellicht ook helemaal niet bewust is, maar die toch een belangrijke rol spelen in het effect dat een werk op de lezer heeft.
Dat lijkt me een zinnige keuze om te bereiken wat Fagel wil: laten zien dat een taalkundige analyse iets kan bijdragen aan een beter begrip van literatuur.

Lees verder >>

De innerlijke stem…

Door Marc van Oostendorp

Als ik wat mensen onder de hersenscanner zou mogen leggen, dan zou ik geloof ik proberen uit te vinden hoe het zit met de innerlijke stem. Hoe vaak klinkt hij in een mensenhoofd? En vooral: hoe?

We weten inmiddels iets over de innerlijke stem tijdens het lezen, bijvoorbeeld uit Amerikaans onderzoek van een paar jaar geleden. Bij lezen is het natuurlijk het makkelijkst te onderzoeken: je weet welke zin er iemands hoofd binnenkomt en dus waar je naar moet zoeken. Dan blijkt dat tijdens het lezen inderdaad een specifiek hersengebied actief wordt: het gebied dat bedoeld is voor de verwerking van geluid, en nog specifieker dat van spraakgeluid.

Het is natuurlijk heel fijn dat we dat nu alvast weten, maar ik zou verder willen gaan.
Lees verder >>

Het raadsel van academisch schrijven

Door Marieke Winkler

Gisteren schreef Marc van Oostendorp op Neder-Lover Steven Pinkers nieuwe boek Sense of Style. Het herinnerde mij aan een essayvan Pinker dat ik onlangs las in The Chronicle of Higher Education. Het essay, overigens bedoeld als teaser bij het boek, fascineerde mij omdat het opende met eenzelfde vraag die Karel van ‘t Reve alweer 36 jaar geleden stelde in zijn beruchte Huizingalezing Het raadsel der onleesbaarheid. In ‘Why Academics Stink at Writing’ vraagt Pinker zich namelijk af:

Why should a profession that trades in words and dedicates itself to the transmission of knowledge so often turn out prose that is turgid, soggy, wooden, bloated, clumsy, obscure, unpleasant to read, and impossible to understand?

Van ’t Reve meende dat het een bewuste keuze was van de literatuurwetenschapper om onleesbaar te schrijven. Academici zouden een obscuur jargon hebben ontwikkeld om te verhullen dat ze eigenlijk niets te zeggen hebben. Ze kleden het triviale stilistisch op zo’n manier aan dat het complex en wetenschappelijke klinkt.

Precies dit argument haalt Pinker aan in de opening van zijn artikel, maar anders dan Van ’t Reve schuift hij het ook meteen weer van tafel.

Lees verder >>

De lezer herkent de waarheid als ze hem ziet

Over Steven Pinkers The Sense of Style
Door Marc van Oostendorp


Waarom schrijven academici zo belabberd? Volgens Steven Pinker is dat niet omdat ze slechte mensen zijn, die ideeënarmoe op kosten van de belastingbetaler proberen te verbergen achter een haag van idiote vaktermen. Hij houdt vast aan de gouden regel “Veronderstel nimmer kwade wil voor wat al afdoende kan worden verklaard door domheid.” Het is geen onwil, het is daadwerkelijke onmacht.

Nooit heb ik zo’n duidelijke en overtuigende uitleg gelezen over waar die onmacht precies uit bestaat als in Pinkers boek. The Sense of Style is toch al verreweg mijn favoriete stijlboek – eindelijk iemand die weet waar hij het over heeft, die niet blijft hangen in allerlei rondzingende tips maar zelf goed heeft nagedacht, en ook laat zien dat hij zijn eigen ideaal aardig weet te benaderen.

De onmacht van academici komt volgens Pinker voort uit ‘de vloek van kennis’, een term die hij ontleent aan de economische wetenschap.
Lees verder >>

Scheer je weg van de volwassenmensentafel

Het taalgebruik van Pepijn Lanen

Door Marc van Oostendorp


“Sociaal engagement,” zingt de rapper Pepijn Lanen op zijn nieuwe, afgelopen vrijdag verschenen, ‘mixtape Angst & Walging, “vinkgor”. Er zijn op diezelfde track nog meer zaken die dezelfde kwalificatie krijgen toebedeeld: “stappen zonder flappen” bijvoorbeeld, “gek worden”, “telefoon op vijf procent” en “mensen die zomaar praten”: allemaal even vinkgor.

Lanen – die hier optreedt onder zijn pseudoniem Faberyayo en die vooral bekend is van De Jeugd van Tegenwoordig – vind ik een van de interessantere Nederlandse taalkunstenaars van het moment. Waar de dichters over het algemeen braaf, bedaagd en meisjesachtig schrijven over hoe vreemd de wereld eigenlijk is als je er even bij stilstaat, heeft Lanen inmiddels een oeuvre op zijn naam staan dat de uithoeken van de taal verkent. Hier is de hele mixtape:



Er zit als ik het goed zie ook  een duidelijke ontwikkeling in dat werk.
Lees verder >>

Worden mensen taalmoe?

Literatuur en taalwetenschap in discussie

Door Marc van Oostendorp


Kunnen wetenschappers en kunstenaars met elkaar praten? Begrijpen schrijvers en taalkundigen elkaar bijvoorbeeld wel wanneer ze het over taal hebben? Presentator Wim Brands maakt nogal wat misbaar aan het begin van de bovenstaande, onlangs opgenomen, video, waarin de romancier A.F.Th. van der Heijden en de Nijmeegse hoogleraar Pieter Muysken met elkaar in gesprek zijn. Het half uur durend gesprek was een “experiment”,waarschuwde hij nadrukkelijk, met alle kans van mislukken.
De vorm van het experiment is eenvoudig: de deelnemers stellen ieder één vraag over taal aan de ander. Van der Heijden en Muysken horen bovendien duidelijk tot de top van hun vak, zijn allebei alom gelauwerd en geroemd, zijn welbespraakt, en hebben een brede blik op de taal en op de samenleving. Toch breekt er binnen enkele minuten spraakverwarring uit, en hebben de twee elkaar uiteindelijk geloof ik weinig te bieden.

Lees verder >>

Is slecht schrijven hetzelfde als verward denken?

Door Marc van Oostendorp


Ik ben onschuldig, het zijn altijd anderen die het hebben gedaan. Aan het begin van dit jaar had ik zo’n goed voornemen: ik ging mijn stijl verbeteren en in het openbaar les nemen. Ik nam inderdaad hier op dit weblog les bij een obscure dichter, maar die won ineens de AKO-prijs en had geen tijd meer voor mij. Daarna meldde ik me bij een ander, maar die werd er ineens uitgegooid bij het radioprogramma waarvoor hij boeken besprak, en raakte aan lager wal. Nooit werd er meer van hem vernomen.

De les: alle schrijvers tot wie ik me wend, breken door bij het grote publiek en/of belanden in de goot. Maar ik schiet zo niet op met mijn schrijfvaardigheid.

Om toch nog iets van dit ‘jaar van de stijl’ te maken, heb ik besloten het over een andere boeg te gooien. Ik wend mij nu tot dode schrijvers voor stijladvies.
Lees verder >>

Je kunt ons alles wijs maken over Diederik Stapel

Wéér een bak met statistieken

Door Marc van Oostendorp


De mensheid is wanhopig op zoek naar een leugendetector. Mensen gebruiken taal om elkaar diepe inzichten in de werkelijkheid toe te werpen én om elkaar maar wat op de mouw te spelden. Wat zou het fijn zijn als er apparaten waren die de ene situatie van de andere konden onderscheiden.

Bij mijn weten hebben we nog steeds geen betrouwbare leugendetectors: je kunt iemands hartslag, zweetafscheiding en ademhaling tot in de fijnste nauwkeurigheid meten, maar het lukt je daarbij nauwelijks om fabeltje van hard feit te onderscheiden. Zou het dan wel lukken door alleen woorden te tellen?

Dat is wel wat de Amerikaanse communicatieonderzoekers David Markowitz en Jeffrey Hancock denken. In een artikel dat gisteren verscheen in het wetenschappelijk tijdschrift PLOS One beschrijven ze een onderzoek dat ze hebben uitgevoerd op 49 artikelen van Diederik Stapel: van 24 is komen vast te staan dat er fraude in is gepleegd; 25 anderen zijn vermoedelijk wel gebaseerd op reële data. Volgens Markowitz en Hancock toont zich dat verschil al in de taal. Door woorden te tellen komt de waarheid aan de oppervlakte.

Ik heb Markowitz en Hancocks eigen woorden niet nageteld, maar ik geloof er maar weinig van.
Lees verder >>