Tag: stijl

Stijl en werkelijkheid

Door Marc van Oostendorp

De stilistiek is het hart van de neerlandistiek. Ze combineert de drie traditionele subdisciplines taalkunde, letterkunde en taalbeheersing, ze beziet hoe vorm betekenis kan geven, ze gaat over de vraag hoe de stijl een mens kan maken en de wereld kan vormgeven.

Het is daarom opmerkelijk dat de stilistiek zo lang veronachtzaamd is, dat er decennia zijn voorbijgegaan waarin het in de opleidingen niet of nauwelijks op het programma stond, dat de recente literatuur erover nog steeds zo gering in omvang is. Pas de laatste jaren is daar weer verandering in gekomen en nu is er een modern boek met een nieuwe visie op het fenomeen: Stijl, taal en tekst. Stilistiek op taalkundige basis van Ninke Stukker en Arie Verhagen.

In een lucide inleiding maken Stukker en Verhagen duidelijk dat er twee mogelijke visies zijn op de relatie tussen vorm en inhoud in het geval van taal en stijl. Je zegt dat ze volmaakt gescheiden zijn (dualisme) of je zegt dat ze één en hetzelfde zijn (monisme). Voor beide is iets te zeggen, maar beide zijn ook onhoudbaar.

Lees verder >>

Verkansie

Door Henk Wolf

Vrijdag schreef columniste Nadia Ezzeroili in de Volkskrant een stukje over het woord verkansie, een variant van vakantie.

De columniste observeert een groeiende populariteit van de geschreven vorm verkansie op de sociale media. Dat kan heel goed een juiste observatie zijn, daar wil ik af blijven, maar de suggestie dat de variant verkansie nieuw zou zijn of een “lelijke verbastering” van vakantie is niet correct. Nadia Ezzeroili neemt aan dat het nu als Standaardnederlands geldende vakantie als model wordt gebruikt om een onvolmaakte kopie (‘een verbastering’) als verkansie te vormen. Die denkfout wordt heel veel gemaakt, maar beide vormen komen al eeuwenlang in het Nederlands voor, naast talloze andere varianten. Op schrift is vakantie de norm geworden, maar in de spreektaal bestaat die vormvariatie nog steeds.

Vakantie en verkansie zijn allebei ‘verbasteringen’

Vakantie en verkansie zijn allebei gevormd naar het voorbeeld van een woord uit een Romaanse taal. Dat is vermoedelijk niet, zoals de columniste schrijft, het Latijnse vacatio. Het is onwaarschijnlijk dat de mensen in Nederland en Vlaanderen het [n]’etje in het woord zelf hebben verzonnen. Volgens de meeste etymologische woordenboeken is het Latijnse vacantia of het Franse vacances de waarschijnlijke inspiratiebron geweest (of allebei). Vernederlandste vormen kwamen in de vijftiende eeuw al in het Nederlands voor, toen nog alleen in de betekenis ‘periode waarin geen recht werd gesproken’.

Lees verder >>

Driedimensionale tekeningetjes

Door Marc van Oostendorp

Interessante uitdrukking, in Ilja Leonard Pfeijffers zomercolumn in NRC van gisteren:

Toen ik een tijdje geleden in Florence was, kreeg ik van de receptionist aan de balie van mijn hotel op de Piazza del Duomo bij het inchecken een plattegrondje van het stadscentrum uitgereikt, waarop de voornaamste toeristische attracties van de stad – het museum van de Uffizi, de Academia met de David van Michelangelo en de Duomo – met makkelijk herkenbare, driedimensionale tekeningetjes waren aangegeven. 

Wat is in hemelsnaam een ‘driedimensionaal tekeningetje’? Is het geen onderdeel van de tekenkunst dat je de meerdimensionale werkelijkheid tot twee dimensies weet plat te slaan? Deelt men in Florentijnse hotels pop-up-plattegrondjes uit aan de toeristen?

Lees verder >>

Oefenen in stijl

Door Roland de Bonth

Frans Hals en de Modernen. Zo heette de tentoonstelling die van 13 oktober 2018 tot en met 24 februari 2019 te zien was in het Frans Halsmuseum in Haarlem. Honderden kunstenaars, onder wie beroemde schilders als Gustave Courbet, Claude Monet en Eduard Manet, brachten aan het eind van de negentiende eeuw een bezoek aan het in 1862 geopende museum, toen nog gevestigd in het stadhuis. Op de daar opgestelde schildersezels waren de Modernen bezig om de bewonderde Hollandse Meester te kopiëren. Max Liebermann kon met recht de grootste Hals-fan uit die tijd worden genoemd. De Duitse impressionist bezocht ten minste vijf keer het museum en vervaardigde meer dan dertig kopieën van Hals’ werken. Zo hoopte Liebermann zich de losse schilderstijl van zijn zeventiende-eeuwse voorganger eigen te maken. 

Niet alleen schilders oefenen zich in het kopiëren van voorbeelden, ook van schrijvers is bekend dat zij teksten van beroemde voorgangers overschreven om zich zo de stijl van een literator eigen te maken. Anderen deden dat door teksten uit het hoofd te leren, zoals de beroemdste ex-leraar Duits van Nederland: O. den Beste. Zelfs meer dan 33 jaar nadat hij die van buiten had geleerd, wist hij de volledige tekst van Simon Carmiggelts Kronkel ‘De Voordrachtskunstenaar’ in rap tempo voor te dragen. En dat was zeker niet de enige Kronkel die hij in het geheugen geprent had. Naar eigen zeggen had hij er in 1951 zo’n vijftig gememoriseerd.

Lees verder >>

Ter grootte van Utrecht: over geografische vergelijkingen

Door Marten van der Meulen

Het is een universeel erkende waarheid dat mensen moeite hebben zich omvang voor te stellen. Als je zegt dat een meteoor 155.459 km3 is, of als je zegt dat er een olievlek ter grootte van 46.000 m2 in de Golf van Mexico is, dan is dat misschien wel waar, maar kan de gemiddelde mens daar niks mee. Wat doe je dan: je knalt er een lekkere vergelijking tegenaan. Gebeurt eindeloos, als stijlfiguur net zo bekend als de Taj Mahal en zo afgezaagd als een mop over Belgen. Toch vind ik een specifieke subset van deze vergelijkingen ontzettend fascinerend: de geografische vergelijking. Daar gaat namelijk (volgens mij) best vaak iets mee mis.

Lees verder >>

Worden kranten echt steeds eenvoudiger en romans niet?

Door Marc van Oostendorp

Het is altijd leuk om mensen terecht te wijzen die denken dat vroeger alles beter was: dat het bruinbrood een vollere smaak had, dat iedere gymnasiast nog moeiteloos de eerste honderd regels van de Ilias kon citeren, dat de ramen in een Nederlandse straat nog iedere week blinkten van het zeepsop.

Er ging dan ook een kreet van vreugde door de lokalen van Neerlandistiek toen het nieuwste nummer van ons veel oudere zusje, TNTL, op de mat lag, want daarin stond een artikel met de titel Zijn romans en kranten sinds 1950 eenvoudiger geworden? En iedereen weet wat zo’n vraag betekent: nee, natuurlijk zijn ze niet eenvoudiger geworden. “Hun conclusie”, vatte Ewoud Sanders onlangs samen in zijn taalrubriek in NRC: “het taalgebruik is niet versimpeld”. Ook het Engelstalige abstract van het artikel doet die bewering: “the language of the novels did not change substantially”.

Maar er lijken mij redenen om wat voorzichtiger te zijn. Lees verder >>

Pleonasme en tautologie

Nultaal (16)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Wat is het toch jammer dat iedereen op de middelbare school leert dat pleonasmen en tautologieën fout zijn. Je zou geen ronde cirkel (pleonasme ) mogen schrijven of dat iemand eenzaam en verlaten oud wordt (tautologie). Waarom niet? Antwoord: dit zijn gevallen van dubbelzegging waarin niets wordt toegevoegd. – Maar juist dat niets is zo intrigerend. Dat niets is altijd iets! Daarom heten pleonasmen en tautologieën ook stijlfiguren, figuren waarin door schijnbare nietszegging toch iets bijzonders kan worden gezegd. Lees verder >>

30 november 2018, Leiden: VIOT-themagroep en mini-symposium Stijl

In Nederland en Vlaanderen houden flink wat onderzoekers zich bezig met onderzoek naar formuleringskeuzes; anderen doen dat niet zelf, maar zijn wel dit onderzoeksthema geïnteresseerd. Dit bleek recent nog tijdens het VIOT-congres in januari.

De grote diversiteit van onderzoek op dit terrein wordt vaak aangeduid als onderzoek naar ‘stijlverschijnselen’. Sinds enige tijd lopen wij rond met de gedachte om een laagdrempelig platform te creëren om de grote diversiteit aan kennis over en ervaringen met stijlonderzoek in Nederland en Vlaanderen uit te wisselen. We willen dat doen in de vorm van een Werkgroep Stijl die ressorteert onder de paraplu van VIOT. De voordelen daarvan zijn wat ons betreft dat we gebruik kunnen maken van de infrastructuur van de vereniging (website, mailinglijsten) en dat we meteen een groot netwerk hebben. Lees verder >>

Het is moeilijk om eenvoudig te schrijven

Door Henk Wolf

Lang niet iedereen in Nederland leest boeken en kranten. Voor veel mensen is dat te moeilijk. Dat is natuurlijk vervelend voor die mensen. Sommige schrijvers proberen daarom om zo eenvoudig te schrijven dat ook die mensen hun teksten kunnen lezen. Dat lukt ze niet altijd, want het is moeilijk om eenvoudig te schrijven.

Korte zinnen zijn niet altijd makkelijk

Sommige schrijvers denken dat ze eenvoudig schrijven als ze alleen maar korte zinnen gebruiken, maar dat is niet waar. De taalwetenschappers Ted Sanders en Jentine Land hebben dat ontdekt. Zij hebben vmbo-leerlingen uit twee verschillende geschiedenisboeken een lesje laten leren. In het ene boek stonden alleen maar korte zinnen. In het andere boek stonden lange en korte zinnen door elkaar. De leerlingen begrepen veel meer van het boek waarin ook lange zinnen stonden. Dat komt doordat ze in die teksten makkelijker konden zien wat twee zinnen met elkaar te maken hadden. Er stonden namelijk veel woorden in die dat duidelijk maken. Voorbeelden van zulke woorden zijn dat, zulke en daarom. Zulke woorden staan vaak in lange zinnen.

Dat zulke woorden heel belangrijk zijn, merkte ik gisterenochtend. Toen las ik in de Volkskrant een column van Henkmichel Bosman. In die column vertelde hij een moeilijk geschreven column van Sheila Sitalsing na, maar dan op een eenvoudige manier. Dat deed hij best goed, maar toch vond ik zijn column nog best moeilijk. Dat kwam doordat hij veel korte zinnetjes gebruikte. Hij kon niet in elk van die korte zinnetjes duidelijk maken wat het met een vorige zin te maken had. Lezers moesten dat zelf raden en dat is moeilijk. Ik moest soms de column van Sitalsing erbij pakken om te begrijpen wat Bosman bedoelde. Lees verder >>

De kleuter en de peuter – nog meer afstandelijkheid in relaties

Door Sterre Leufkens

Hartverwarmend en veelvuldig, dat waren de reacties op dit stukje over een taaltrend: het spreken over je partner als ‘de vriend(in) ‘ en ‘de vrouw/man’. Jullie doen en zien dit ook voortdurend. En het verschijnsel staat niet op zichzelf, want er is nog een andere geliefde, die regelmatig met de benoemd wordt: de peuter dan wel kleuter.

Eerst een paar cases in point.

Lees verder >>

Afwezige verschillen v/m in literaire schrijfstijl? Een snufje nuance

Door Corina Koolen

Toen ik de afgelopen week promoveerde, stond mijn onderzoek beschreven in de grote kranten. De Volkskrant, NRC, nrc.next en Het Parool  besteedden er aandacht aan. Dat waren mooie stukken; ik vind het uiteraard belangrijk dat mijn onderzoek benaderbaar is en dat het iets toevoegt aan het publieke debat.

Aan de andere kant is er nu één ding dat blijft wringen. Waarvan ik vrees dat het een indruk wekt die ik niet wil achterlaten. Dus vandaar dat ik dat even wil rechtzetten. Het lijkt misschien alsof ik met mijn computationele methodes bewijs dat er geen verschillen zijn tussen de werken van vrouwelijke en mannelijke literaire auteurs. Dat ligt in de werkelijkheid wat genuanceerder. Omdat ik niet verwacht dat iedereen nu daadwerkelijk mijn proefschrift gaat lezen – het is nogal een dik boek – zal ik hier even samenvatten wat heb gevonden. Lees verder >>

Wij houden niet van zelfstandig naamwoorden (we feel no love for nouns)

Door Marc van Oostendorp

Paul Claes, de man die meer interessante boeken schrijft dan ik kan bloggen, komt nu met een tussendoortje: in Gouden vertaalregels geeft hij tips uit zijn eigen vertaalpraktijk, een praktijk die volgens het omslag vijftig jaar beslaat.

Interessant aan die tips is dat ze iets doen wat in de taalwetenschap zelden of nooit gebeurt: ze gaan over een soort vergelijkende stilistiek. In de ene taal zeg je iets liever op deze manier, maar in een andere taal doe je dat net een beetje anders. Niet omdat deze manier onmogelijk is, maar omdat hij een beetje gek klinkt.

De drie grootste hoofdstukken vergelijken het Nederlands met het Frans, Engels en Italiaans. Bij alle drie die talen wordt opgemerkt dat ze een voorkeur hebben voor abstracte zelfstandignaamwoorden die wij niet delen en die een vertaler dus enigszins vrij moet vertalen. De Fransman zegt après mon retour maar wij ‘als ik terug ben’, de Engelsman Dancing is a great love of him, maar wij ‘Hij is dol op dansen’, Italianen Ecco il motivo della mia assenza, maar wij ‘Daarom was ik er niet’. Een letterlijke vertaling is in geen van dergelijke gevallen ‘fout’, maar wel on-Nederlands. Het is net een beetje raar. Lees verder >>

Kranten en romans: makkelijk of moeilijk?

Door Sterre Leufkens

Hebben jullie weleens een krant uit de jaren 50 gezien? Zo niet, gauw naar Delpher, want het is hartstikke leuk. Het valt meteen op dat kranten sindsdien behoorlijk veranderd zijn – in formaat, opmaak, maar ook in taalgebruik. Dat laatste is natuurlijk interessant: in welk opzicht is de journalistieke stijl van het Nederlands veranderd, in pakweg 60 jaar? Is het taalgebruik makkelijker geworden, of juist moeilijker? En hoe zit het eigenlijk met de taal van romans, is die ook veranderd? Jullie hebben geluk: megacollega’s van de Uni van Utrecht deden er onderzoek naar!   Lees verder >>

We zitten met een onthullende zinsconstructie

Door Marijke De Belder

In een groots feministisch gebaar zei Gatz deze week op het laatste nippertje zijn deelname aan een studentendebat met een all male panel af. Toen hij daarover in het actualiteitenprogramma De Afspraak geïnterviewd werd, zei hij terloops de volgende zin: “In Brussel en Vlaanderen is het nu zo dat we met geritste lijsten zitten.” (13’58’’)

Zelf zit ik soms ook wel met iets; soms zit ik met een vraag of een probleem, met de vodden of de gebakken peren. Soms zit ik met de handen in het haar. Soms zit ik met iets dat op het eerste gezicht nog leuk lijkt, zoals een kind waarvoor ik zorgen moet, maar goed, ik zit er toch maar mee. Als ik de string “we zitten met” google, is de eerste hit: “We zitten met een bospoeper in de familie.” Het punt is daarmee wel gemaakt, denk ik: als we met iets zitten, is dat hinderlijk. En Sven Gatz zit dus met geritste lijsten. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als winnaar van de Tzumprijs

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (45)

Door Marc van Oostendorp

De Tzum-prijs is de beste literaire prijs van Nederland. Niet alleen voor lezers: het is de enige prijs waarvan je altijd meteen de waarde van de inzending kunt overzien omdat geen oeuvre of boek wordt beloond, maar slechts een boek, maar ook voor schrijvers, omdat het anders dan al die oeuvre- en boekenprijzen de aandacht niet richt op de eeuwige thematiek, maar op de stijl zelf.

Ilja Leonard Pfeijffer is in de afgelopen 15 jaar de enige schrijver geweest die de prijs tweemaal won. In 2005 gebeurde dat met een zin uit het Grote Baggerboek:

Trekt ie daaropvervolgends z’n broek naar omlaag, gaat met die harige aars van hem boven de chili hangen en zet ie me daar toch z’n dikke darm open dat Noach kon fluiten naar berg Ararat.

In 2014 mocht hij de prijs opnieuw in ontvangst nemen met een zin uit La Superba:

Het was het witte uur na het middagmaal, de blanke pagina waarop hooguit iets met potlood wordt gekriebeld in geheimschrift, iets om onmiddellijk weer uit te gummen zodra de rolluiken omhoog worden getrokken en het leven opnieuw zwart op wit een aanvang neemt met bonnetjes, bestellingen en bezwaarschriften.

Grappig is dat deze twee zinnen stilistisch sterk van elkaar verschillen, terwijl ze thematisch overeenkomst vertonen. Lees verder >>

‘Ik zit bhel shi zombi achter de laptop’

Door Marc van Oostendorp

Dat Marokkaanse jongeren in Nederland graag hun taal kruiden met woorden uit het Berber en het Arabisch, dat weet vermoedelijk iedereen. Maar waarom doen ze dat eigenlijk?

De reden is aantoonbaar niet dat ze niet beter weten. Wanneer een Marokkaanse jongere een officiële brief moet schrijven, komt hij heus niet ineens met wollah aanzetten. Maar waarom doen ze het dan wel? In het meeste onderzoek tot nu toe wordt ervan uitgegaan dat de jongeren het doen om hun identiteit uit te drukken of vorm te geven: door dat soort woorden te gebruiken laat je zien wie je bent, wie je wilt zijn, tot welke groep je hoort. Je creëert een onderlinge band door te laten merken dat je Marokkaanse woorden kent.

Maar in een interessant nieuw artikel in Nederlandse Taalkunde laat de hoogleraar Berber-talen Maarten Kossmann zien dat ook nog een andere factor een rol kan spelen: Marokkaanse jongeren gebruiken dat soort woorden ook om een wat lichtere toets aan te slaan – om te laten merken dat ze wat ze zeggen licht ironisch is. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als variationist

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (42)

Door Marc van Oostendorp

Als hij wil uitleggen waarom Plato behalve een bekend Grieks wijsgeer ook een briljante schrijver was, schrijft Ilja Leonard Pfeijffer in zijn boek De Antieken: “Het heeft veel te maken met diversiteit.  Plato beheerst alle registers. (…) Alle gesprekspartners in Feest vertellen hun verhaal over de liefde op een andere toon, in een andere stijl, die perfect is toegesneden op het personage.” Hij vertelt ook dat het lezen van Plato hem voor het eerst duidelijk maakte dat het Klassieke Grieks een échte taal was, die in het dagelijks leven gesproken werd en die de Atheners niet alleen maar elkaar als een puzzeltje opgaven.

Oog voor diversiteit lijkt het hoogste compliment dat Pfeijffer aan schrijvers te bieden heeft. Ook over de toneelschrijver Aristofanes zegt hij: “Zijn stijl is wendbaar en afwisselend. De vunzigste banaliteiten gaan samen met parodieën op de verheven stijl van het epos en de tragedie of op het jargon van juristen, priesters of redenaars.” Over Horatius: “In zijn Satiren, Epoden en Brieven weet hij pretentieloze spreektaal schijnbaar achteloos en volledig natuurlijk te draperen over de kunstmatige versvormen van de hexameter en de jambe. In Oden krijgt zijn taal een gepolijste perfectie. ”

Lees verder >>

Taalkundige leest stijlgids

Door Marc van Oostendorp

Waarom is het belangrijk om duidelijk te schrijven? Ja,  dat is een enorm raadsel, en over dat onderwerp wil iedereen natuurlijk wel een boek lezen, vooral als dat geschreven is door een vooraanstaand eindredacteur van The Times en Do I Make Myself Clear? Why WritingWell Matters heet. Want waarom zou je de dingen eigenlijk duidelijk zeggen als het ook onduidelijk kan?

Groot is dan ook de teleurstelling als blijkt dat die vraag helemaal niet beantwoord wordt. Hoe kan iemand beweren dat duidelijk schrijven belangrijk is en dan een vraag in de ondertitel opnemen die vervolgens niet beantwoord wordt? Over de vraag in de titel hebben we het dan niet eens.

Nu is Evans zelf een goed schrijver, en hij geeft ook wel tips die ik in ieder geval niet kende – maar ik ben dan ook geen groot kenner van het Britse taaladvies. Een daarvan is het verschil tussen een periodic en een loose sentence. In het loose type  schrijf je eerst de hoofdmededeling van de zin op en daarna allerlei eventuele toevoegingen:

Je valt voorover wanneer je skilatten elkaar kruisen.

De periodic type doet het andersom, en plaatst het belangrijkste woord achteraan, als een climax: Lees verder >>

Merknamen in de stijlcanon

Door Wouter van der Land

Stijl wordt al ruim tweeduizend jaar onderwezen met voorbeelden uit de literatuur. Daar zijn goede redenen voor, maar het heeft ook nadelen. Schrijvers en dichters halen meestal lang niet alles uit de kast en wat ze schrijven is vaak te moeilijk om als schoolvoorbeeld te dienen. Stijlhandboeken als het ‘Groot retorisch woordenboek’ van Claes & Hulsens en ‘Stijlfiguren – kort en goed’ van Ton den Boon geven daarom aanvullende voorbeelden uit o.a. de reclame, zoals het beroemde ‘Kopen bij de Spar is sparen bij de koop.’

Ik zou ervoor willen pleiten om hiernaast ook merknamen en bedrijfsnamen een plaats te geven in het stijlonderricht. De voordelen: ze zijn kort, ze zijn overal te vinden en alles wat je op de vierkante centimeter met woorden kunt doen, is weleens met een merk- of bedrijfsnaam gedaan. Door de stad rijdend kom je bijvoorbeeld ‘Easyfiets’ tegen, een mooi voorbeeld van klankherhaling én van een talenmix. In het gootsteenkastje vind je ‘Omo’, een ultrakort geval van assonantie, maar ook een palindroom en een ambigram. Merknamen laten goed zien dat stijl zich beweegt over verschillende dimensies, met name betekenis, taalkundige structuur, klank en grafische vorm. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als baas van de taal

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (28)

Door Marc van Oostendorp

Ooit, lang geleden, voordat zelfs de oudste onder ons jong was, behelsde de grammatica de taal van de beste schrijvers. Wie op school, pakweg, Latijn wilde leren schrijven, wilde dat leren volgens het model van de grote stilisten. Goed schrijven leerde je vooral door heel veel goede teksten te lezen; maar om de lessen van al dat gelees voor de jeugd handzaam samen te vatten, was er de grammatica.

In die tijd was er geen verschil tussen taalvoorschrift en taalbeschrijving: een grammaticus beschreef de sierlijkste taal en het sprak vanzelf dat je je daar naar wilde richten. Gaandeweg veranderde dat. De grote schrijvers en redenaars waren niet langer het model van de taalbeschrijving: dat werd de taal van ons allemaal – wetenschappelijk een minstens even interessant onderwerp. De taalkunde emancipeerde zich er door en werd een van de aantrekkelijkste wetenschappen die er zijn.

Af te schaffen

Maar de voorschriften bleven achter. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als schipper tussen nooit en nimmer

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (15)

Door Marc van Oostendorp

“Wie elke vorm van geloof miskent,” stelt Eugenie van Zanten in Ilja Leonard Pfeijffers roman Het ware leven, “kan nimmer in zichzelf geloven.” Van Zanten is een van de vertellers van het boek, een vrouw van middelbare leeftijd die vanwege een enigszins geëxalteerd streven zichzelf te ontdekken afreist naar Napels en in hoofdstuk 18 (waaruit deze zin komt) in gesprek raakt met een hoogleraar die haar tot dit soort apodictische uitspraken verleidt.

Iedere verteller in Het ware leven wordt gekarakteriseerd door zijn of haar taalgebruik. Het is daarom veelzeggend dat Eugenie af en toe nimmer gebruikt. Ze schrijft in het zelfde hoofdstuk ook nog “Zo iemand zal nimmer in staat zijn een mooi verhaal te maken van zijn leven” en heeft het later bijvoorbeeld over “il Capitano, de bluffende Spaanse huurling met zijn lange fallische neus en het zwaard aan zijn zijde waarmee hij nimmer zal vechten” en over iemand “die nimmer uit zijn rol zal vallen”. Een ander personage, Berelick, gebruikt het woord een enkele keer ook, als hij brieven schrijft aan Eugenie:  “Op zijn sterfbed heb ik gezworen nimmer te sterven als hij” schrijft hij bijvoorbeeld, die zin staat zelfs op twee verschillende plaatsen in het boek.

Je zou kunnen zeggen dat Eugenie zo’n beetje geheel in het woord nimmer besloten zit. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als dichter zonder naam

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (11)
(Deze week een miniserie binnen onze serie waarin we nummer 18 in verschillende reeksen in Pfeijffers werk bespreken.)

Door Marc van Oostendorp

Ik ken weinig gedichten die zo overweldigend beginnen en zo onbeholpen eindigen als Idylle 18, uit de bundel Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer. Dat gedicht gaat over de reis van een Malinese asielzoeker die begint met fraaie fantasieën over hoe de wereld waarheen hij vertrekt eruit zal zien, en eindigt met een onnodige, doffe verdrinkingsdood in de Middellandse Zee.

Het slot heeft de kwaliteiten van een smartlap:

Want voor een neger is het illegaal te dromen.
En als je al halfdood bent, zal een visser komen
die als de dood is voor de wet. Wie negers redt,
wordt als een mensensmokkelaar zo vastgezet.
Gelukszoeker word ik genoemd in de annalen.
Ik wou dat ik het tot zover had mogen halen.
Ik wou bestaan. Ik had zo graag iets mogen mogen.
Maar nu zie ik voor altijd zee met dode ogen.

Het is alsof Mary Servaes nog leeft: Hij was maar een neger. (Ook in ander werk over dit thema, zoals het bijna gelijkluidende verhaal van Djiby P. Souley in La Superba, gebruikt Pfeijffer overigens neger op een manier die in Italië geloof ik inmiddels gebruikelijker is dan inmiddels in Nederland.) Het is alsof er inderdaad annalen bestaan waarin dit soort zaken worden bijgelegd. Het is alsof de beschreven ellende iedere wens om het nog literair op te schrijven heeft lamgeslagen. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als criticus van het onvoltooid deelwoord

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (2)

Door Marc van Oostendorp

Een tijdlang maakte Ilja Leonard Pfeijffer een gimmick van zijn afkeer van het onvoltooid deelwoord. In een bespreking van werk van Adriaan Roland Holst:

Deze verzen herbergen de twee grootste poëtische doodzonden: het tegenwoordig deelwoord en het gedachtestreepje.

Een bespreking van Een nieuw Paaslied van Gerard Reve:

Verder heeft het gedicht iets wat in poëzie ten strengste is verboden: tegenwoordige deelwoorden. Niet alleen ‘denkend’, ‘opbotsend’, ‘schreiend’, ‘neuriënd’, ‘profeterend’ en ‘pogend’, maar ook ‘voortwandelend’ en om het nog erger te maken zelfs ‘al voortwandelend’.

Hans Faverey dan: Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Alexandrijn

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (1)

Door Marc van Oostendorp

Inmiddels is ze weggëbd, de agressie die  Ilja Leonard Pfeijffer ooit opriep. Je las d’r in de kranten, je kwam d’r tegen in gesprek met geletterde mensen: die Pfeijffer was een braller, een krullendraaier die met veel bravoure zichzelf in de kijker werkte, maar eigenlijk maar weinig te melden had, iemand die met zijn dichterlijk lange haren maar een beetje in de provinciestad waar hij was neergestreken Chouffes zat te drinken en de romantische poëet uit te hangen zonder daadwerkelijk iets poëtisch tot stand te brengen.

Nee, dan de grote schrijver Arie Storm!

Ik geloof dat de critici minstens één ding over het hoofd zagen: dat ze zelf een te romantisch beeld hadden van het dichterschap, een beeld waarin iemand gaat dichten doordat een innerlijke demon hem ertoe drijft. Op zijn minst verwachten we van een dichter dat hij dicht omdat hij iets bijzonders te vertellen heeft en dan eventueel een mooie, of goede, of interessante vorm voor het vertelde probeert te vinden.

Iemand die vooral schrijver werd uit liefde voor de taal, om met taal bezig te kunnen zijn, om zich in verschillende genres te kunnen oefenen; omdat het fijn is om woorden op een beeldscherm te toveren – zo iemand past nog altijd niet in ons beeld. Met woorden toveren, dat kan mijn zus ook.

Lees verder >>

Dionyzos als porno

Door Marc van Oostendorp

Er bestaat in de literatuur een heel trage discussie over een paar zinnen in de roman Dionyzos van Louis Couperus. Er zijn tot nu drie korte bijdragen geleverd: in 1904in 1952, en in 2017 in Arabesken, het tijdschrift van het Couperus Genootschap We zijn er voorlopig nog niet uit.

Wat is er aan de hand? In Dionyzos komen zinnen voor zoals de volgende, uitgesproken door de titelheld:

In dit genot-oogenblik, o Eurytion, slinger ik mij op je breeden rug, en sla ik mijn arm om je reuzetors, zwellend van bundels spieren!

Iemand voert een handeling uit (hij slingert zich op je brede rug) en zegt tegelijkertijd wat hij doet, terwijl degene die het ziet dat net zo goed ziet en de mededeling als zodanig weinig informatieve waarde heeft. De roman verscheen in 1904. In hetzelfde jaar schreef het echtpaar Margo en Carel Scharten-Antink een bespreking in De Gids. Zij noemen deze stijlfiguur ‘kinderpraat’ en merken op:

Het is ’t begeleiden van handelingetjes met de vermelding dier handelingetjes, op oogenblikken en in situatie’s, waarop of waarin volwassenen zwijgen zouden.

Lees verder >>