Tag: sonnet

Suffixsonnet: –esk

Door Marc van Oostendorp

Het suffix –esk is soms object van spot en hoon.
De ANS vindt het meer iets voor intellectuelen.
Toch zijn er ook wel mensen die er graag mee spelen
een heus genootschap zet de vorm zelfs op een troon.
De woorden met dit suffix klinken licht frivool:
terwijl clownesk, burlesk, carnavalesk wel gaan,
spreekt niemand van zijn pauperesk bestaan,
een zombieëske an, een choleresk riool.
Het suffix hecht zich ’t liefst aan namen.
Zo schrijft men soms in Grunbergeske stijl
of zoeken in Februariësk peinzen hun heil,
terwijl ze zich in mutsaerseske lol bekwamen.
De vorm heeft met die s en k iets buitenlands.
We kennen hem uit ’t Engels en vooral ’t Frans.

Meer informatie: Taalportaal

Suffixsonnet: –air

Door Marc van Oostendorp

Celibatairs doen iets met celibaat.
Een miljonair doet iets met een miljoen,
een legionair iets met een legioen.
Men ‘doet iets met’ als –air aan ’t einde staat.

De oorsprong is Latijn. Ja, weliswaar
is het tot ons via ’t Frans gekomen
maar dat heeft –arius overgenomen
dat ook het –aar werd in ons molenaar.

Die èè in –air laat de oorsprong nog horen:
die klinker komt misschien niet van héél ver,
maar militair rijmt toch echt niet op ster,
hoe Nederlands dat woord ook klinkt van voren.

Vaak vind je in onze taal de stam ook niet:
Een militair bestaat, maar geen miliet.

Meer informatie, in proza: Taalportaal.

Die driftige en toch trage voetstap

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (155)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Sonnet voor mijn moeder

Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen,
Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant.
Wij horen in dit stormbevochten land
van kavels, tussen dijk en stroom geslagen.

Ik heb uw gang: die driftige en toch trage
voetstap, die onverzettelijke trant.
Uw harde hand herken ik in mijn hand,
onwrikbaar om de schrijfstift heengeslagen.

Machtig zijn wij, in liefde en in haat.
Gij hebt u doodgehaat, hatend het meest
uzelve, om de liefde die gij schond.

Ik ben genezen van het bitter kwaad.
En eer in stugheid, wie gij zijt geweest:
van mijn talent de donkere moedergrond.

(Ida Gerhardt, Het levend monogram, 1955)

Van alle stijlregels die gebroken kunnen worden is de stijlregel die zegt dat je geen woorden mag herhalen het duidelijkst een stijlregel die goede schrijvers regelmatig breken. Dit beroemde gedicht van Ida Gerhardt drijft er bijvoorbeeld op: de parallellie tussen het zwaar dragen de ik en het zwaar dragen van gij, van de hand van gij en de hand van ik, alsmede van beider liefde en haat. Lees verder >>

De onweerstaanbare schoonheid van het sonnet

Door Ton Harmsen

Nu de lezers van Neerlandsitiek.nl zich op instigatie van Marc van Oostendorp met succes hebben ingespannen om veertien nieuwe sonnetten te financieren is het misschien aardig nog een paar bijzondere sonnetten uit de vroege zeventiende eeuw te vermelden. De vorm van een sonnet is van meet af aan voor dichters aanleiding geweest er graag en veel gebruik van te maken: het strakke schema, de opbouw van viermaal twee strofen eerst van vier en dan van drie versregels (een versnelling die een pointe uitlokt, en hogere eisen stelt dan het epigram)  is blijkbaar een houvast en een uitdaging tegelijk.

Op de internetsite van de Opleiding Nederlands in Leiden staat een bundel lyriek die een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de Nederlandse dichtkunst: Apollo of ghesangh der Musen, wiens lieflijcke stemmen merendeels in vrolijcke en eerlijcke gheselschappen werden ghesonghen. Deze bundel, 120 pagina’s poëzie van uiteenlopende kwaliteit, verscheen in 1615 bij Dirck Pietersz Pers, een Amsterdamse uitgever met een literair fonds waar hij zelf flink aan bijdroeg met oorspronkelijk werk. Lees verder >>

Wanneer het lichaam ginds hoog in een boom zal hangen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (154)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Toen ik mijn eenge zoon op Gods gebod ging slachten
liet hij het blinkend mes plots uit mijn handen slaan;
wat zal hij doen, mijn vriend, als zij U villen gaan
en krijgt gij wel den tijd die engel af te wachten?

Wanneer het lichaam ginds hoog in een boom zal hangen,
dan valt Uw veege ziel, ellendig tot den dood,
de diepte in, voorgoed, maar niet in mijnen schoot,
en barst de wereld los in psalm- en vreugdezangen.

Nu laat gij nog vandaag uw rijke tafels dekken,
en niemand van mijn volk wordt aan den disch genood;
er valt geen kruimel af voor Christen of voor Jood.

Maar eenmaal komt de tijd dat u de honden lekken,
dan zult gij, als de vrek, in vuur en dorst bezwijken,
en zal geen vinger u een druppel water reiken.

(Anoniem)

In de illegale pers circuleerde dit gedicht als een van Drie sonnetten op den 50en verjaardag van den Heer A. Mussert. Het is, voor zover ik heb kunnen nagaan, altijd anoniem gebleven. De doorgaans goed geïnformeerde website Het geheugen van Nederland classificeert het bijvoorbeeld als zodanig.  Lees verder >>

Laat dus niet af maar vecht en vecht en vecht

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (153)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

In de decembermaand houdt Neerlandistiek een crowdfunding-actie. Lees je graag Neerlandistiek? Help ons een hartewens van onze hoofdredacteur te verwerkelijken.

Illustratie: Susanne van der Kleij

Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht,
die aan de tralies van den al-dag rukt;
weest om uw tijdlijk lot geenszins bedrukt,
al zijn de kluisters hard, de muren hecht.

Want in den aanvang werd het u voor-zegd,
dat het aan enkelen steeds is gelukt
het juk te breken, dat hun schouders drukt,
laat dus niet af maar vecht en vecht en vecht.

Breekt uit en blaast de doove sintels aan,
die zijn verdoken onder ’t rookend puin;
vaart stormgelijk over den lagen tuin,

die Holland heet; slaat doodlijk toe en snel,
opdat het kwaad schrikk’lijk zal ondergaan,
o hart, mijn hart, o bloedroode rebel.

(Jan Campert)

Wat is het nut van literaire tradities? Er is geen sterker pleidooi denkbaar dan dit beroemde sonnet van Jan Campert. Lees verder >>

Help ons aan nieuwe sonnetten in het Nederlands!

Door Marc van Oostendorp

Ongeveer 450 jaar geleden verscheen het eerste Nederlandstalige sonnet. Ik ben dat al een paar jaar aan het vieren met een overzicht van die geschiedenis in 14×14=196 sonnetten.

Die reeks zal in het najaar van 2018 voltooid worden. Wat zou een mooiere manier zijn om om deze reeks af te sluiten dan door 14 hedendaagse dichters uit Nederland en Vlaanderen te vragen om een nieuw sonnet te schrijven.

Die dichters heb ik gevonden! Van Ester Naomi Perquin tot en met Elly de Waard – allen hebben toegezegd dat ze een nieuw sonnet willen schrijven. Maar daarvoor moeten ze natuurlijk wel in de gelegenheid worden gesteld – door ze te betalen.

De donkere dagen komen er aan! Wat een tijd om de geschiedenis van het Nederlandstalige sonnet te vieren! Vooral als je af en toe of regelmatig Neerlandistiek, leest, of de Coster-lijst (waarmee we in dit geval samenwerken). Je doet dat altijd gratis. We willen dat graag zo houden, maar ik zou jullie nu deze keer – voor het eerst en we hebben geen andere plannen – willen vragen om een keer een bijdrage te storten om ervoor te zorgen dat we zo de geschiedenis van het Nederlandse sonnet volgend jaar op een mooie manier kunnen afsluiten. Iets om naar uit te kijken voor mij en voor Neerlandistiek en daarmee hopelijk ook voor jullie!

Dat kan op de website van Voor de kunst. Ieder bedrag is er welkom, je kunt anoniem geven of een boodschap achterlaten. Wanneer we ons doel niet halen, krijg je gegarandeerd je geld terug. Je vindt op de site ook meer informatie over dit project!

De eerste paar honderd euro zijn al binnen!

Ach, toen brak mijn hart natuurlijk niet

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (152)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Een lentemorgen trad je uit ons huis,
In een dun bloesje, zonnig en tevreden
En geen van beiden hoorde ’t zacht geruisch
Of zag de vale schaduw neergegleden
Van ’t noodlot wiekend boven ’t jonge hoofd,
Dat glimlachend zich nog eens naar me wendde……

Ik heb een ganschen nacht en dag geloofd,
Dat ik die vlotte, lichte tred herkende
En toen niet meer. Toen kwam het formulier
Met naam en stempel, nummer van barak,
Verzoek om warme kleeren. Ach, toen brak
Mijn hart natuurlijk niet. Mijn oogen zagen
Jou ergens ver, heel ver, aan een rivier
Van Babylon de slavenketen dragen

(J. Presser)

Over sommige onderwerpen kun je misschien alleen schrijven door je slecht uit te drukken. Een van de bekendste sonnetten dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd geschreven is dit, van de bekende historicus Jacques Presser. Na de oorlog zou hij het indrukwekkende Ondergang schrijven, een historisch werk waarin hij zakelijk de verschrikkingen uiteenzette. Lees verder >>

Zij is ’t venster waar de zon in brandt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (151)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De Zangeres

De kleine gitten speld in haar coiffure,
Die zeer eenvoudig is en zeer correct,
Maakt dat haar witte hoofd sensatie wekt,
Veel meer dan kostbaar vonkende parures.

Haar spinragdunne shawl van zwarte kant
Schaduwt chineesche bloemen langs de muren
Als ze in de pauze wandelt om het gluren
t’ Ontgaan der heeren naar haar rechterhand.

Een simple ring, een gladde gouden band
Maakt haar onschendbaar en moederlijk machtig:
Ze is een vorstin verpoozend in haar tuin.

Hoor, de muziek begint gedempt maar krachtig.
’t Publiek vervaagt tot schaduw stil en bruin,
Maar zij is ’t venster waar de zon in brandt.

(Willem de Mérode, uit: Kaleidoscoop)

Een gedicht beginnen met een kleine zwarte speld in iemands haar en eindigen met de brandende zon: Willem de Mérode kon dat. De zangeres begint met een octaaf dat helemaal in zwartwit is: een zwarte speld, op een wit hoofd, een zwarte sjaal die schaduwen werpt op de waarschijnlijk witte muren.  Het sextet begint daarentegen met een gouden ring en eindigt met de waarschijnlijk even gouden zon. In het midden is zelfs de schaduw niet meer zwart-wit, maar (bruin)gekleurd. Lees verder >>

De ovens waar men schelpen brandt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (150)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Zelfkant

Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:
Van vage weidewinden die met lijnen
Vol waschgoed spelen; van fabrieksterreinen
Waar tusschen arm’lijk gras de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid
Te vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van bleekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van droomen,

En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan den rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen.

(S. Vestdijk)

Tijm wordt kennelijk nog steeds gebruikt om dromen op te wekken: je vindt in ieder geval nog pagina’s op het internet met het advies om het onder je kussen te leggen, want de dromen die je krijgt schijnen gezond te zijn. In het gedicht Zelfkant van S. Vestdijk wordt die tijmgeur wel genoemd, maar ruikt het verder vooral naar gras: in regel 2 zijn het weidewinden, in regel 4 armelijk gras, en dan in regel 12 een ‘weitje aan de rand’ van een gebied dat zelf ook weer tot de rand behoort. Lees verder >>

Dit heb ik bij mijzelven overdacht

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (149)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

(J.C. Bloem)

De eerste discussie over poëzie die ik ooit op de universiteit heb gevolgd, werd geleid door de toenmalige hoogleraar Ton Anbeek. Lees verder >>

Herfstweide met koeiedrek

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (148)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Vaak loop ik met een knik van moeheid in de nek
en vind den bijl moderner dan de guillotine
dat cynisch hoofd op de romantische ruïne
van lijfsverdriet – cultuurverraad in kort bestek

Het meisje van mijn hart lijdt al te groot gebrek
mijn tederheid is een verholen pantomime
mijn wellust de door ’t speelmoment vereiste grime
de requisieten: herfstweide met koeiedrek

Straks ben ik thuis en droom van vrouwen zonder lijf
en zonder stem vooral, in zijden crinoline
goedkoop als attribuut maar thuis in de ruïne

waar zij mij, aanzwevend, in boeiend spookbedrijf,
geboren uit een hostie bittere morphine
het heilig Sacrament der stervenden toedienen.

(Anna Blaman, uit: De gedichten)

Het geheimzinnigste woord van dit gedicht is misschien wel vaak. Het wordt gevolgd door een beschrijving van een nachtmerrie. Het tweede gedeelte van het sonnet wordt, op regel 9, begint dan juist met het woord straks. Dat suggereert een soort parallel, maar creëert eigenlijk verwarring. Hoezo straks? Beschrijft dit nog hoe ik me vaak voel? Of was dat vaak iets van het verleden? Lees verder >>

Kom me dan maar naaien, lachte zij rustig

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (147)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Toen, met haar nachtmuts, droogde zij hem af.
Zoo was Agaath nu: de meest onverschrokken
maar tevens braafste ziel in vrouwenrokken
die ooit haar kittelaar te knabblen gaf.
Ik zal het nooit vergeeten: ééns, voor straf,
wijl zij steeds weer mijn klooten wilde slokken,
wat pijn deed, deed ik in haar bed twee brokken,
halfzachte stront en schold haar dan voor laf
wanneer ze ook dat niet in haar slokdarm stopte.
‘Nee, daar niet!, zei ze, maar wel hier!’ en propte
haar scheede voller dan een beurs met geld.
‘Nog wat?’ – ‘Nee’, zeide ik. ‘Kom me dan maar naaien’,
lachte zij rustig. En ik? stond te draaien:
‘k was van ons beiden vast de kleinste held.

(W.C. Kloot van Neukema [ps. van E. du Perron], In memoriam Agatha)

Met de erotische woordenschat zijn verschillende eigenaardige dingen aan de hand. Er is al vaak op gewezen dat het moeilijk is om geschikte woorden te gebruiken voor des mensen edele delen in een poëtische context: er zijn platte woorden zoals kut en lul en er zijn medische termen zoals vagina en penis, maar neutrale woorden zijn er eigenlijk niet.

Lees verder >>

De burgemeester heeft ons iets misdaan

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (146)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Burgemeester

De burgemeester heeft ons iets misdaan,
Wij leerden, door zijn schuld, het leven haten.
Wij zullen allemaal zijn stad verlaten,
Die dood zal liggen in het licht der maan.

En hij alleen, hij kan hier niet vandaan,
Hij heeft geen wezen meer om mee te praten,
En moet, in zijn huis aan de groote laan,
Voor immer uitzien op zijn leege straten.

Het gras zal groeien in de magazijnen,
De waar bederven bij de winkelieren,
En huis na huis, en steen na steen verdwijnen…

Alles zal dood zijn als in Babylon,
Geen lied van vogels en geen kreet van dieren,
Niets dan de kou, de wind en soms wat zon.

(Jan van Nijlen, uit: Gedichten)

We zijn nu zo’n beetje in de jaren twintig van de twintigste eeuw beland met onze geschiedenis van het Nederlands aan de hand van sonnetten. Een periode dat de dichters hun idioom veranderen en in meer alledaagse taal gaan schrijven – zelfs in veertienregelige gedichten. Nu schreven dichters als Jan van Nijlen (1884-1965) niet meer in een speciaal poëtisch idioom, maar in een taal die heel dicht bij het proza lag, en misschien zelfs bij de spreektaal. Lees verder >>

In ligstoelen luiert het schuim van de naties

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (145)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Kust van Guinee

Zacht ruischt langs den scheepswand het schuim,
Langs de kim vloeit aanhoudend geflikker.
De kopra broeit in het ruim,
De kaptein wordt hoe langer hoe dikker.

De sterren beklimmen het ruim,
Hoog boven den mast – o, was ik er!
In ligstoelen luiert het schuim
Van de naties op dek, meest half sikker.

De zee is zoo goed en zoo groot,
Maar het schip zoo benauwd en zoo klein,
En het leven eentonig en schriel.

Men kan beter in Noordwijk, Deauville
In een strandstoel ’t zeeleven genieten,
Dan door werkelijk zeeman te zijn.

J.J. Slauerhoff (uit: Een eerlijk zeemansgraf)

Dat de Nederlandse woordenschat gevormd is door de zee, daarvan getuigt het werk van J.J. Slauerhoff. De zee zorgde voor contact met ander volk – omdat je nog eens ergens kwam, en omdat je nog eens iemand anders meenam in je bootje. Lees verder >>

Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (144)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Verlangen

Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht,
naar het naakte bijzijn van de minnaar smartelik getracht,
zij heeft in de grote leegte van haar wit bed, de peluw gekust,
als wilde ze zijn matte hoofd in rust gesust.

Haar hoofd was ongerust te midden van de wilde haregeur,
haar armen grepen, bang begeren, om’t onzekere genot
dat zich niet bieden wou, als een wrang gebod
aan haar verlangen, door de nacht, – ’n weerstandloze deur. –

Haar vingren koesterden de naaktheid van het eigen lijf en rilden;
het eigen lijf dat onvoldaan bleef en vermoeid, onder het geheim
van deze koestering; de nacht, als één levende adem, trilde.

Haar adem ging opgelost in de nachtelike adem,
haar verlangen tot de eindelike slaap gesmacht.
Meenge mooie meid door de zware, zwoele nacht.

(Paul van Ostaijen)

Er is een bepaalde manier van verleden tijden gebruiken bij het vertellen van verhalen die langzaam maar zeker ten onder dreigt te gaan. In dit gedicht van Paul van Ostaijen wordt hij nog in volle glorie gepresenteerd.

Ik kreeg er onlangs een e-mail over: Lees verder >>

O, dat daar mijn moeder voer

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (143)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap, wijd en zijd –
laat mij daar midden uit oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

(Martinus Nijhoff)

Niet alleen ieder woord telt, in dit gedicht, maar zelfs de plaatsing van ieder woord. Hoewel Martinus Nijhoff bekend staat als iemand die zijn gedichten maakte van alledaagse taal, staan er in dit gedicht een paar constructies die aan de aandacht van de grammatici lijken te zijn ontsnapt. Bijzonder is bijvoorbeeld het ‘wat zij zong dacht ik dat psalmen waren’ dat langs de randen van de grammatica scheert. Maar het opvallendst is misschien wel de een na laatste regel.

Lees verder >>

Dreigement der driest-gedragen borsten

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (142)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Vervarelijk festijn voor onverzaedlijk dorsten:
zoo hebben ze u gekend, bij smaad- of smeek-gebaar,
die, donker van begeerte of heller liefde klaar,
van u besmaald misschien, misschien u tarten dorsten.

o Bralle broeiïng van het schroeiïg-heete haar
dat ge als de kromme vlam van eene toortse torschte’;
uitdagend dreigement der driest-gedragen borsten;
o buik die glooit en glanst gelijk een beukelaar:

– zóo kenden ze u. En ik, waar ‘k uwe schoonheid schenne,
ik, die me-zelven miek de’ in vrees begeerden Man
die u bevrijden kon en sloeg in slaven-ban;

zelfs ik, uw graauwe Heer, wien géen vrouw ooit zal kennen:
hoe bibbert op mijn lip de bede – o wrang bekennen -,
de bede, uw doem te ontvliên, en die ‘k niet bidden kàn…

(Karel van de Woestijne)

In mijn ideale wereld zouden de kranten vol staan met artikelen zoals Een partitieve genitief bij Van de Woestijne, maar ik probeer me erbij neer te leggen dat het hoogst haalbare is dat er 56 jaar geleden een keer zo’n artikel verscheen in De Nieuwe Taalgids. Lees verder >>

Druppelend water op de koffie

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (141)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Martinus Nijhoff

Dit sonnet is waarschijnlijk de bekendste verbetering van de twintigste eeuw. De dichter had al eerder een gedicht gepubliceerd dat er sterk op lijkt: Lees verder >>

De machten die de liefde nog omkluistren


Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (140)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind – dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de groote zaligheid beginnen
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren
als in kleine schelpen de groote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten:
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

(Henriëtte Roland Holst - Van der Schalk)

Een van de succesvolste aspecten van de twintigste eeuwse syntactische theorie zal denk ik achteraf het werk zijn dat gaat over het gebruik van voornaamwoorden (ik schreef er eerder deze week al over): hoe komt het dat in de zin 'Jan dreigt Piet om hem te slaan' hem over Piet gaat (als je het over Jan wil hebben moet je zichzelf gebruiken) terwijl 'Jan denkt dat Piet hem wil slaan' hem juist over Jan gaat (als je het pver Piet wil hebben moet je zichzelf gebruiken.)  Het verschil heeft te maken met slaanhem gaat over iemand die niet het onderwerp is van slaan, en anders gebruik je zichzelf. Lees verder >>

Het geloof dat vlammend splijt den harden rots

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (138)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De maning stijgt uit diepe wezens-gronden:
‘Ga uit, zeg het geloof dat vlammend splijt
den harden rots van waanzin en van zonde
die ons van de blauwende verten scheidt.

Ja, zeg wat gij in uw hart hebt gevonden
aan zoete, lang-gepuurde zekerheid;
doe zoo mijn wil, van mij die door de monden
der menschen spreekt in die trompet ‘de tijd’.

Ik ga, o Stem. Als een kind aan de hand
van moeder gaat: in gewillig vertrouwen
en zonder omzien, vast in uw gena.

Ach levens-plannen, die van ’t klein verstand
maar maaksels zijt…… d’ oneindigheden bouwen
en wij zijn de steenen…… ik ga, ik ga.

(Henriëtte Roland Holst – van der Schalk)

Er zijn mensen die denken dat iedere taalverandering alleen maar tot enorme verwarring voert. Omdat ik bekend sta als een pleitbezorger van verandering – ik ben dat niet, ik denk dat het net zo weinig zin heeft om ervoor als om ertegen te pleiten, het gebeurt toch wel – komen mensen dan af en toe wijsneuzig dingen tegen me zeggen als dat lijden en leiden nu eenmaal heel verschillende dingen zijn. Of: ‘taal is leuker als je denkt’. Lees verder >>

Dat wrijten, al die kloven, al die scheuren

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (137)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Ge weet toch hart, die tegenstrijdigheden
dat wrijten, al die kloven, al die scheuren
zijn enkel door het onvolmaakt gebeuren
der liefde in ons hart en onze leden.

Ge weet toch dat zij d’eenheid is volstreden
van droom en daad? Het wonderlijk opbeuren
van ’t hart in beide? ’t menglen hunner kleuren
tot een puur licht van ongebroken vrede?

In ons hart vloeit de liefde traag en klein;
daarom, spinnen w’ een droom, blijft geen kracht over
voor daad; drinken we zijn schuimenden wijn

dan duistert van ons weg het droomgetoover.
Was liefde algroot in ons, om ons zou zijn
droomschoone daad, als zon-doorvloten loover.

(Henriëtte Roland Holst – Van der Schalk)

Dit gedicht hoort in iedere bloemlezing, vind ik. In de eerste plaats vanwege de krachtige tweede regel, met dat geheimzinnige en tegelijkertijd zo sprekende wrijten – waarom lees je dat woord nou nooit eens op Twitter of in De Telegraaf? Als je het in Google intikt, krijg je alleen ‘bedoelt u soms written?’ Lees verder >>

Zachte hoop die langs mijn wangen strijkt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (136)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Ook ik ben omstreeks ’t midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen
omhoog, en geen hemelsche oogen zagen
neer op mij, vanwaar hoog’re klaarte blauwt
m’in teed’re zorg omwakend, en met stage
stralen heffend naar waar men waarheid schouwt.

Mij leidt geen gids, als het eigen gemoed,
mij schoort geen steun, dan d’enk’le trouwe handen
die mij opbeuren als de kracht bezwijkt;
mij sterkt geen afgezant uit beet’re landen
dan soms het ruischen, als een vleugel doet,
van zachte hoop die langs mijn wangen strijkt.

Henriëtte Roland Holst (1869-1952)

De beste manier van lezen is, zoals bekend, jezelf dwingen hetzelfde nog een keer te zeggen in een ander taal en dan proberen alle stijlmiddelen na te volgen. Voor wie het talent daartoe ontbreekt is er ook een op één na beste manier: een vertaling naast het origineel leggen.  Lees verder >>