Tag: sonnet

Ze is na zessen vrij

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (178)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Lopende band

Ze zegt: ‘Ik laat mijn haar knippen vanavond.’
(Ze is na zessen vrij.) In de cadans
van mijn verslaafde handen, in de dans
van bitterkoek en band, knik ik beamend.

Ik vraag: ‘Door iemand die je kent?’ Ze ademt
ja aan mijn oor en pakt gelijk haar kans:
‘Mijn zus heeft een vriendin die kappen kan.’
Ze pakt zes koekjes in en lacht, verradend,

‘Mijn zusje is niet goed.’ (Ik denk: je zusje?
Je vage ogen die op staren staan!)
‘Van de verkeerde kant. Dus lesbisch. Dus je

houdt meer van vrouwen dan.’ Ik kijk haar aan.
En voor mijn ogen wordt haar mond een kusje,
terwijl de koekjes spoorloos verder gaan.

Petra Kottman

De lopende band is geloof ik zolang hij bestaat al symbool voor de onmenselijkheid. De arbeider aan die band heeft geen lichaam meer en geen geest, is zelf eigenlijk een soort machine geworden. Lees verder >>

Hoe zij een steentje uit haar schoenen haalt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (177)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Mei

Een avond waarop oude mensen wandelen gaan,
een heimwee achterna: hoe alles nu jong lijkt-
terwijl hij naar zijn grote voeten kijkt,
ziet zij een wolk boven de bomen staan

en overweegt dat zij gelukkig was
toch wel, maar voelt ook een gemis
als zij de berken ruikt, manlijk en fris –
hij loopt behoedzaam rond een regenplas.

Zij zijn zo eenzaam in hun vreemd geluk,
zij breken elk systeem van vrede stuk.

hoe zij een steentje uit haar schoen haalt,
hoe hij doorloopt, zij hem weer inhaalt;

en in de bocht tesaam een grijze pop,
God berg hen in de hemel op.

C.O. Jellema

Ergens in de Platonische hemel hangt het ideale gedicht en het is eenvoudig van taal en toon. Het zegt met volkomen alledaagse woorden in een onuitzonderlijke zinsbouw iets dat je nog nooit hebt gehoord en waardoor je alles anders ziet. Lees verder >>

Dat ‘k tot op heden door blijf otteren.

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (176)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Zo zwalkt

Nog steeds ben ‘k er op ’t kantje af doorgerold.
Oorlog. Tb. Darmabces. Longontsteking.
Als ‘k maar tien jaar eerder geboren was
lag ik al lang onder de groene zoden.

Maar nee: penicilline, sulfa, PAS,
werden voor mij net op tijd uitgevonden.
Soms denk ik zelfs, dat er Iets moet bestaan,
dat wil dat ‘k tot op heden door blijf otteren.

Maar als ik mij afvragen ga waarom
ben ik onmiddellijk weer één brok scepsis:
nee, het moet allemaal louter toeval zijn.

Zo zwalkt de ene schildpad meer dan ’n eeuw
door de oceanen rond, terwijl zijn broertje
al opgeslokt wordt tussen ei en zee.

(C.Buddingh’, De eerste zestig)

Het woordenboek in ons hoofd, dat grote archief van woorden dat je kent, bevat niet alleen maar zakelijke informatie: dit betekent dat woord ongeveer, zo spreek je het uit. Er lijkt ook informatie in te zetten over wie je het wanneer ongeveer hebt horen zeggen, en wat de omstandigheden waren. Het woordenboek zit niet voor niets in je hoofd, het is verknoopt met de rest van je geheugen. Lees verder >>

God zou de ziel vergodlijken door smart?

Door Marc van Oostendorp

In het nawoord van zijn onlangs verschenen bloemlezing ‘Mijn taalorkest’ uit het werk van Johan Andreas Dèr Mouw wijst Jan Kuijper terecht op het vaak veronachtzaamde muzikale aspect van het werk van deze dichter, die juist vaak om zijn inhoud wordt geprezen. Kuijper wijst erop dat met Dèr Mouw eindelijk de saaie regelmaat uit de Nederlandse jambe verdween, en juist de muzikaliteit van het Nederlands ten gehore werd gebracht. Zoals, zou ik zeggen, dit gedicht, mijn favoriet uit dit werk.

Met taal gaat hij naar bed

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (175)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De taalsmid

De klinker en de medeklinker zijn
De weke onderbuik en het korset.
Dichter is hij die, schijnbaar zonder pijn,
Het vormeloze in de steigers zet.

Zijn woorden, corpulent of slank van lijn,
Verenigen zich vloeiend tot couplet.
De moeiteloosheid, niet het rookgordijn,
Is zijn geheim. Met taal gaat hij naar bed.

De taal, van A tot Z, is zijn fles wijn.
Halfdronken wordt er, zomaar voor de pret,
Een kind verwekt, een epos of kwatrijn,

Of iets daartussenin, zeg een sonnet,
Terwijl de lezer onbekend blijft met
Zijn worsteling met spekvet en balein.

(Gerrit Komrij)

In dit gedicht is iemand aan het opscheppen over hoe moeiteloos hij orde weet te scheppen – en dat terwijl het gedicht altijd vrij chaotisch is geweest.

Het gedicht gaat in reuzenstappen door de taal, van klein naar groot. Het begint met de fonologie, de betrekkelijk vormeloze klinkers die worden ingekaderd door de hardere medeklinkers. Lees verder >>

We krijgen dus een pop rondom een gat.

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (174)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

de tombe van jan van der noot

Armpjes massief, en welgemaakte schenen
zijn opgestapeld in ons arsenaal.
Albasten borsten, lippen van koraal,
citroenen haren van de zon doorschenen
waar ebben wenkbrauwen zich mee verenen
in wezen en in schijn-dat allemaal
staat schietklaar in het bushuis van de taal.
De kruisen zijn in nare nacht verdwenen,

we krijgen dus een pop rondom een gat.
Ik heb geen leven en geen elastiek.
Wat ook ontbreekt: het voorbeeld uit het Frans.
Mijn handwerpen bereikt een dode stad,
panopticum voor levend dood publiek.
Hier is mijn hand. Pak zelf de laatste kans.

Jan Kuijper, Tomben

In de jaren zeventig van de twintigste eeuw, ruim vierhonderd jaar oud was het genre inmiddels in zijn Laaglandse vorm, kwam het sonnet weer als een feniks uit zijn as herrijzen. Logischerwijs kregen de veertien regels nu ineens bij sommigen een ironische ondertoon. Het waren ironische tijden, het waren decadente tijden, misschien waren het wel gelukkige tijden, het waren in ieder geval geen tijden voor liefdesklachten of wijsgerige bespiegelingen. Men schreef geen sonnetten meer, men schreef ‘sonnetten’. Lees verder >>

Marc Verreckt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (173)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Over Vlaamse reuzen (twintigste eeuw)

Fortissimi sunt Belgae

Car Flanders, Frans C. Ridwit, Hendrik Prijs,
Dirk Desmadryl, Irina van Goeree,
Bert Verm, Karel Vertommen, Georges Adé,
Maria Vlamijnck, Luc Deleu, Raf Seys.

Daisy Ver Boven, Hector J. Loreis,
Geert Grub, Marc Bruynseraede, Paul De Vree,
Ludwig Allene, Marc Verreckt, Roobjee,
Rik Lanckrock, Lode Conte, Ignaas Veys.

Eriek Verpale, René Swartenbroeckx,
Fernand Handtpoorter, Omar Robinon,
John Bultinck, Jozef Smet, Pierre Dyserinck.

Yves Slabbinck, Jozef Droogmans, Paula Loeckx,
Adriaan Magerman, Renaat Ramon,
Emiel Van Hemeldonck, Jaak Stervelynck.

(Jan Kal, Amsterdam, 12 november 1979)

Je kunt Vlaamse reuzen, een opsomming van 36 namen van Vlaamse letterkundigen die allemaal in 1979 actief waren, op verschillende manieren lezen.  Lees verder >>

Ik ben der dingen liefhebbend berover

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (172)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Ik ben der dingen liefhebbend berover
En steel van hen de smet van hun vergaan,
En zet hen als een kroonluchter in tover
En steek de eeuwge lampen in hen aan.

En zie, zij worden blinkend in mijn handen,
Die hen ontdoen van het bederf der tijd,
En zij beginnen uit zichzelf te branden
En stralen uit het licht der eeuwigheid.

Ik doe met ieder zo: met vogels, beken,
Met rozen en de dingen van de ziel.
Ik zoek een licht in alles te ontsteken.

Zelf houd ik in het donker mijn profiel.
Want het is niet om mij, om mij begonnen;
Het gaat om aller dingen eigen zonnen.

(Bertus Aafjes)

Als er één dichter een overweldigende invloed heeft gehad op de Nederlandse poëzie in de eerste helft van de twintigste eeuw, dan was het waarschijnlijk Rainer Maria Rilke. In aflevering 169 besprak ik het sonnet van Lucebert dat duidelijk naar Rilke verwees; dit gedicht van Bertus Aafjes uit 1951 bewijst hetzelfde: de wens om de dingen te laten spreken, de woordkeus, het “aller dingen eigen zonnen” aan het eind, het klinkt allemaal als een vertaling van de Duitse dichter.

Wat misschien nog fascinerender is: de relatie tussen dit gedicht, of in ieder geval de eerste regel van dit gedicht, en het gedicht school der poëzie van Lucebert:

ik ben geen lieflijke dichter
ik ben de schielijke oplichter
der liefde (…)

Ook verder zijn er wel een paar thematische overeenkomsten: beide stemmen beweren zich in het donker te bevinden (althans, Lucebert snakt naar het riool), maar verder lijkt vooral de bedoeling van Lucebert geweest om zich af te zetten tegen het soort gedichten als dat van Aafjes. Let wel: Luceberts gedicht werd gepubliceerd in 1952, dus een jaar nadat Aafjes sonnet verscheen in De roeping. Ik weet niet hoe waarschijnlijk het is dat Lucebert dat tijdschrift kende. Wel weten we dat Aafjes in 1953 zijn beroemde aanval op Lucebert plaatste in Elsevier.

Rilkeanen onder mekaar.

Met bevende transgressie naar zijn trans

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (171)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Son-net

Klimmend naar ’t zenit zoekt zij die haar licht
in ’t lichaam stort, blind van gestolde glans,
met bevende transgressie naar zijn trans,
doch voelt door bijstere nacht zijn blik gericht

op zijn in zich verzengd eigen gezicht
weerkaatsend hun oorspronkelijk dubbelnaakt,
of ’t oog gesperd de waterspiegel raakt
waar de beminde knaap verdronken ligt,

dan duikt hij naar haar schimmige tweeling-vacht,
of splijt hij met zijn vlijm gesloten schacht,
met gouden tong likkend een duister gras

ondersteboven in een woudmoeras,
of daar in zilveren ketenen gekneld
met goud bespat verzonken vrouwenspeld.

(Christine D’Haen, Merencolie)

Misschien was Christine D’Haen de eerste die het natuurlijk al eeuwen in de plooien van de taal verborgen woordgrapje Son-net maakte. Het had een titel kunnen zijn van een van de vele sonnetten die na de Tweede Wereldoorlog werden geschreven en die van het oude eerbiedwaardige genre ineens een vorm van ‘light verse’ maakten. Of van een gedicht uit het al wat langer bestaande genre van het schuine sonnet. Lees verder >>

oh grote adem laat de stenen nog niet opstaan

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (170)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

nazomer

ik heb in het gras mijn wapens gelegd
en mijn wapens gaan geuren als gras
ik heb in het gras mijn lichaam gelegd
mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet

dit liggen dit nietige luchtige liggen
als een gele foto liggend in het water
glimmend gekruld op de golven
of bij het bos stoffig van lichaam en schaduw

oh grote adem laat de stenen nog niet opstaan
maak nog niet zwaar hun wangen hun ogen
kleiner gebrilder en grijzer

laat ook de minnaars nog liggen en stilte
zwart tussen hun zilveren oren en ach
laat de meisjes hun veertjes nog schikken en glimlachen

(Lucebert, 9000 jakhalzen zwemmen naar Boston)

Lucebert had een gecompliceerde relatie met het sonnet. Hij was de dichter van het kortste sonnet uit de geschiedenis van de Nederlandse literatuur: ‘Ik/ Mij/ Ik/ Mij// Mij/ Ik/ Mij/ Ik// Ik/ Ik/ Mijn// Mijn/ Mijn/ Ik’.  Dat wordt doorgaans beschouwd als een parodie, als een afrekening met het sonnet. Lees verder >>

Bloemen leven licht-zinnig in hun bladen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (169)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Bloemen leven licht-zinnig in hun bladen.
Dieren lopen vanzelfsprekend; ze zwijgen
van wat ze zouden kunnen zijn; hun daden
gebeuren altijd nu; dieren zijn eigen.

Mensen doen alsof. Bestaan in ijskoude,
denken, denken, denken dat zij bestaan.
Geen mens kent een mens. Men wil zich vasthouden.
Angst laat niet los. Men kijkt zijn spiegel aan.

En hangt zich op aan winterse systemen
of takken van geloof. Maar dood is dood.
Men neemt zich mee en is niet mee te nemen.

En ik ben eenzelfde. Maar leg mij bloot,
omdat ik zien wil wie ik toch nog ben.
Ik moet toch een mens zijn die ik herken.

(Hans Andreus, Sonnetten van de kleine waanzin)

De laatste regel van dit sonnet is bekender geworden, maar de eerste regel vind ik mooier. Dit sonnet bestaat uit twee delen: in de eerste elf regels worden algemene biologische uitspraken gedaan over steeds ingewikkelder wordend leven. Dat deel begint dan ook met een regel waarin leven staat; en in de tiende regel staat dood. Lees verder >>

Het is mijn prachtige, mijn hondse baan

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (168)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Tussenuur

Midwinterdag. – De geur van oude jassen,
de gang met kalken licht om in te dwalen;
een schateren – grindstorting– uit een klasse;
en dan hoort men de school weer ademhalen.

Dit is mijn land. Ik zal niet meer verkassen:
Dr. I.G.M. Gerhardt, oude talen.
Vergeef mij, God, mijn duizendvoudig falen.
Ik kon dit nimmer in mijn schema passen.

En rebelleerde.– Maar ik ben gezwicht:
Te sterk zag mij mijn werk in het gezicht.
Het is mijn prachtige, mijn hondse baan.

Waar staat van ‘wandelen voor Uw aangezicht?’
Een tussenuur. In deze geur, dit licht.
Het is mijn arbeid, en Gij ziet mij aan.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Behalve het zogeheten prozagedicht bestaat ieder gedicht uit een aanatal regels. Die regels organiseren de woorden in het gedicht in een structuur die parallel is aan die van de ‘gewone’ zinsbouw. Zeker in de twintigste eeuw begonnen dichters te spelen met spanning tussen de twee lagen: zinnen of zelfs zinsdelen liep over twee regels heen – het zogeheten enjambement.

Ida Gerhardt is daar nooit een groot liefhebber van geweest. Zij heeft juist effectief gebruik gemaakt van de kunst om de zin en de regel zoveel mogelijk te laten samenvallen. Lees verder >>

Godlof dat onkruid niet vergaat

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (167)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Lof van het onkruid

Godlof dat onkruid niet vergaat.
Het nestelt zich in spleet en steen,
breekt door beton en asfalt heen,
bevolkt de voegen van de straat.

Achter de stoomwals valt weer zaad:
de bereklauw grijpt om zich heen.
En waar een bom zijn trechter slaat
is straks de distel algemeen.

Als hebzucht alles heeft geslecht
straalt het klein hoefblad op de vaalt
en wordt door brandnetels vertaald:

‘gij die miljoenen hebt ontrecht:
zij kòmen – uw berekening faalt.’
Het onkruid wint het laatst gevecht.

(Ida Gerhardt, Vijf vuurstenen)

De regels van dit sonnet zijn korter dan in het genre gebruikelijk is: iedere regel heeft maar acht lettergrepen, in plaats van de gebruikelijke tien (sinds 1880) of twaalf (daarvoor). Dat is een vorm die om de een of andere reden – de geleerden zijn het niet eens over wat die reden mag zijn – meer hoort bij volkspoëzie. Lees verder >>

Wij gaan thans over tot de derde klas

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (166)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Eindvergadering

Terrarium. Verwaarloosd en geronnen
een gruwzaam leven in de dorre spleten;
het kruipen van de tijd geeft niets gewonnen
voor wie van moeheid niet te sterven weten.

De groene wanden zijn met slijm besponnen.
Er is geen water. Geen weet hoe zij heten.
Vertraagd zit een zijn eigen poot te vreten.
Twee zijn voorzichtig aan elkaar begonnen.

Genade, God, – o, laat mij toch ontwaken!
Verschrikkelijk is het rond dit groene laken.
‘Wij gaan thans over tot de derde klas.’

Sigaren staan in scharen en in kaken.
Aanzie toch, wat wij van elkander maken!
Suf hokt de ziel in een verdord karkas.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Wat mij weleens, hoe noem je dat, verfrissend zou lijken: wanneer iemand de vergadering oprecht enthousiast zou bezingen: een boek zou schrijven over de talloze mooie kanten die er ook zijn wanneer mensen bij elkaar komen en serieus praten over hun werk – als ze proberen hun werkzaamheden enigszins op elkaar af te stemmen, naar elkaar luisteren en gesterkt weer naar buiten gaan. Lees verder >>

Wie, zelfverblind, niet leest richt diep het letsel aan dat niet geneest

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (165)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Facultas medica

Hij die het mes en het lancet hanteert
kan onverschrokken zijn wanneer hij vreest
met heilige vrees. Het edelste, de geest,
wordt in dit uur beveiligd of gedeerd.

Zie het gelaat van wie zich niet verweert,
een open boek. Wie, zelfverblind, niet leest
richt diep het letsel aan dat niet geneest.
Hij heeft de adel van het ambt onteerd.

Gezegend die het weten van zijn grens
belijdt: zijn hand vertoont die vaste trek,
zijn ziel de schroom die adeldom verraadt.

Met instrumenten werkend aan een mens
opent hij nog de sluitklink van het hek
waardoor een ander naar de vrijheid gaat.

(Ida Gerhardt, De slechtvalk)

Dankzij internet weten we dat dit gedicht soms geïnterpreteerd wordt als een hulde aan de medische stand, of in ieder geval aan goede dokters. Dat het bijvoorbeeld geheel of gedeeltelijk wordt geciteerd als een medicus met pensioen gaat. Omdat het gedicht kennelijk een beetje ingewikkeld is, publiceerde een huisblaadje voor een geriatrische instelling in 2009 zelfs een ‘vertaling’: Lees verder >>

Tweede sonnettenkransenkrans

Door Bas Jongenelen

In 2016 heb ik samen met 49 anderen een sonnettenkrans van sonnettenkransen geschreven, een sonnettenkransenkrans dus. Een sonnettenkransenkrans maak je door 196 sonnetten aan elkaar te koppelen om op mathematische wijze tot 211 sonnetten te komen. Het was een literair experiment, vooral om te onderzoek of het mogelijk was om 14 sonnettenkransen ineen te vlechten. Het bleek inderdaad mogelijk.

Twee jaar is de sonnettenkransenkrans een curiosum gebleven. Tot gisteren. Gisteren presenteerde Olax zijn sonnettenkransenkrans, getiteld Dichter bij het eind. De sonnettenkransenkrans is daarmee curiosum af en genre geworden. Dichter bij het eind is de tweede sonnettenkransenkrans ter wereld, maar de eerste die door één persoon geschreven is. Eenieder die het sonnet een warm hart toedraagt plaatst een bestelling bij de dichter zelf: olax@olax.nl.

De geur van graan dat bloeit en stuift

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (164)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Het vers van Gorter

Het vers van Gorter heeft de geur van graan
dat bloeit en stuift: die reuk van hemels zoet
met erdoorheen het aardse evengoed:
dat zegt de tarwe en het brood al aan.

En koren geurt weer uit het brood vandaan.
Hij schreef vanuit die kringloop overvloed
– het waait ons uit de woorden tegemoet –
het vers dat in het zonlicht kan bestaan,

de volle dag trotseert. Het voedt als brood
en bloeit als koren, stuifmeelovertrild.
Het vers van Gorter: franke gulheid noodt

dat wie hier nadert toch de honger stilt
die hij verborg of nummer uit kon spreken.
Brood met de geur van graan. Gij moogt het breken.

(Ida Gerhardt, De ravenveer)

Uit oude psycholinguïstische experimenten weten we zo’n beetje hoe woorden in ons hoofd zijn opgeslagen: in netwerken. Ieder woord is verbonden aan ieder ander woord dat er in vorm of betekenis een beetje op lijkt. Wanneer je tegen iemand het woord vork zegt, kan hij daarna het woord lepel sneller herkennen dan het woord pekel; het is een kwestie van millieseconden, maar wel meetbaar. Dat geldt ook voor de vorm: wie net vork heeft gehoord, herkent vol sneller dan rijk.  Lees verder >>

Kon ik ze thuis ontslaan van mijn bestaan!

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (163)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Werkloosheid

Drie jaar nu al. Ik kom nog in ‘t gesticht.
Kon ik ze thuis ontslaan van mijn bestaan!
Mijn kleine zusje ziet me nauwelijks aan.
‘t Is of de meid het woord niet tot mij richt.

Ieder leeft op, als ik mijn hielen licht.
Het beste kon ik bij Van Nelle gaan.
Alleen: dan is het met m’n vak gedaan.
Voor leraar krijg ik een te oud gezicht.

Vanmorgen ben ik naar de kerk geweest.
‘God zal u, als op adelaarsvleugelen dragen.’
Maar ik heb zitten zweten als een beest.

Want steeds zag ik, toen de gemeente zong,
die werkeloze, die het raam uitsprong
en, van vier hoog, te pletter is geslagen.

Rotterdam, 1933, 1934, 1935

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Er zijn weinig gedichten in de Nederlandse poëzie die de martelende ellende van de werkeloosheid zo indringend beschrijven als dit sonnet van een leraar. Het wordt zelfs nog indringender door wat achtergrondkennis. Uit Mieke Koenens biografie weten we dat Ida Gerhardt de Sonnetten van een leraar schreef toen een collega van haar aan het gymnasium van Kampen zich van het leven had beroofd.  Lees verder >>

Bezie de kinderen niet te klein

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (162)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

 

Bezie de kinderen niet te klein:
Zij moeten veel verdragen –
eenzaamheid, angsten, groeiens pijn
en, onverhoeds, de slagen.

Bezie de kinderen niet te klein:
Hun eerlijkheid blijft vragen,
of gij niet haast uzelf durft zijn.
Dàn kunt ge ’t met hen wagen.

Laat uw comedie op de gang
– zij weten ’t immers tòch al lang! –
Ken in uzelf het kwade.

Heb eerbied voor wat leeft en groeit,
zorg dat ge het niet smet of knoeit. –
Dan schenk’ u God genade.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Toen ik nog jong was en onbezonnen, liep ik bijna iedere dag langs dit gedicht, net als tal van andere geleerden. Het was door een voormalig rector van de Leidse universiteit uitgekozen toen hij een gedicht op de muur van de Leidse letterenfaculteit mocht laten schilderen. Lees verder >>

Op de zuiv’re wel der eigen taal

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (161)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Vreugde in Holland

Vreugd is het in de grote wei te staan,
– water en bloei en lucht zo ver men ziet –
het oog speurt hoe de vogels over gaan
en wet zijn scherpte aan een vrij gebied.

Vreugd is het, om waar levend water vliet
te zwemmen, wijd de armen uit te slaan:
dan tint’len de gedachten – men geniet
hun sterke stroom zo vrij te voelen gaan.

En vreugd is in de liefde, gaaf en frank,
voor wie het hart zich koos tot zijn gezel,
de bloei der verten in elkanders ogen –

Maar schoonste vreugd, als dàn des harten dank
zó diep is, dat het op de zuiv’re wel
der eigen taal vanzelve wordt gebogen.

(Ida Gerhardt, Het veerhuis)

Ida Gerhardt was bijzonder gesteld op het woord wel, in ieder geval in de tijd waarin ze Het veerhuis schreef (dat in 1945 verscheen), want daar komt het woord regelmatig in voor. Het betekent volgens het WNT “plaats waar water onder druk vanuit diepere grondlagen naar de oppervlakte opstijgt en uit den bodem opborrelt”. In het Nederlands wordt dat woord om de een of andere reden nauwelijks nog gebruikt; het Engelse well voelt veel vertrouwder. Lees verder >>

Het mooiste werk: Grieks in het eerste jaar

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (160)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

A EN Ω

Lucas II 49

Het mooiste werk: Grieks in het eerste jaar.
Het Griekse alfabet staat op het bord.
‘Kijk, kinderen, Ψ: dat is een kandelaar.
Maak dat de Omega gaaf getrokken wordt.’

Behoed dit eerst beginnen voor gevaar;
dat niet het werk, nauwelijks ontkiemd, verdort.
-Zie, als het buiten vroege lente wordt,
liggen de kleine Griekse bijbels klaar.

Pasen: een jongen leest met heldere stem
van Jezus, twaalf jaar, in Jeruzalem;
en hoe hij voor de schriftgeleerden las.

En elk kind in de luisterende klas
Begrijpt het vragend: ‘Wist gij niet?’ van Hem,
die in de dingen van zijn Vader was.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Een van de aardigheden van dit gedicht is dat het begint met een uitleg van de letters Ψ en Ω, terwijl dat letters zijn die je helemaal niet nodig om de passage uit de bijbel te lezen die de jongen verderop voorleest, Lucas 2:49:

Καὶ εἴπεν πρὸς αὐτούς, Tί ὅτι ἐζητεῖτέ με; Οὐκ ᾒδειτε ὅτι ἐν τοῖς τοῦ πατρός μου δεῖ εἴναί με;
Maar hij zei tegen hen: waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?

Lees verder >>

Ik hard u, Holland, niet

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (159)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Afscheid van Holland

Twintig jaar vrijheid, twintig jaar verraad
aan het edelste. Ik hard u, Holland, niet
met dit gelaat, waarop geschreven staat:
ziehier die zich voor geld aan ieder biedt.

Het valt mij zwaar dat ik mijn land verlaat.
’t Ware tè zwaar als ik het nìet verliet:
gelijk een mens die van een mens weg gaat,
niet hardend dat hij hem ontluisterd ziet.

Ik had u lief en leerde u verachten,
Holland. Ik groeide op onder uw stem:
het water dat als kind mij wakker riep

wanneer het stormde onder Woudrichem.
Nòg gaan de wolken over het Hollands Diep.
Gij zijt mijn land, gij blijft in mijn gedachten.

(Ida Gerhardt, De ravenveer)

De dichter kan soms ten prooi vallen aan haar eigen stijlfiguren. Dat gebeurde Ida Gerhardt, geloof ik, in dit gedicht, dat ze in 1965 schreef – na twintig jaar vrijheid sind de Tweede Wereldoorlog dus, en kennelijk twintig jaar verraad, voor een herdenkingsnummer van MaatstafLees verder >>

Zij wonen samen in dit veilig land

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (158)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Portret Theodora van B.

De vrouw, die ordent in het ochtendlicht
bloemen, instrumentarium en boek,
tipt nog een droppel met een witte doek
en stelt de stoel, die stijgt zonder gewicht.

De morgenruiker houdt nog knoppen dicht.
De kamer wacht, gereed, het vroeg bezoek.
Het nadert, kaatseballend, om de hoek:
het kind komt binnen met een fris gezicht.

Er is bedrijvigheid. Het vult het glas
en zet zich ernstig in de goede stand.
Het wacht de handelingen die het kent.

Tussen zacht babbelen tikt het instrument.
Zij wonen samen in dit veilig land.
Het blonde kind. De vrouw in witte jas.

(Ida Gerhardt, uit De slechtvalk)

Een gedicht uitleggen is altijd ook het gedicht een beetje verpesten. In dit ‘portret’ van Theodora B, komt Theodora ogenschijnlijk alleen voor in de eerste paar regels en de laatste paar – althans, het is logisch om te veronderstellen dat zij ‘de vrouw’ is waar het daar om gaat. (In haar informatieve en mooie biografie legt Mieke Koenen uit dat Gerhardt haar tandarts zeer dankbaar was; en dat deze net overleden was.) Verder gaat het over de kamer, de bloemen en het kind, en dat alles op een onpersoonlijke manier (‘er is bedrijvigheid’). Die vrouw heet ‘de vrouw’ en omdat ze ook nog eens een witte jas aanheeft is ze een instantie. Lees verder >>

Tot eerlijkheid genezen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (157)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Woestijn

Geen enkel raam dat werkt. De tocht der buitendeur
tot in de laatste hoek der schilferige gangen.
En zwijg van de wc’s. – Een nameloze geur
blijft veertig weken aan de klamme muren hangen.

Lokalen, vaalgeworden platen: vochtvlek, scheur.
Flarden gordijnen schuiven langs verroeste stangen.
Orpheus – met inktmop-ogen – slaakt zijn laatste zangen.
De Gratiën, kromgetrokken, oefenen horreur.

Zet u niet op die stoel; ge valt, als Eli, dood:
tussen de zitting en de leuning geen synthese –
Steun op de tafel niet: hij heeft een manke poot.

Wat op de banken staat, moet ge vooral niet lezen.
– Trek recht uw rug en arbeid voor uw dagelijks brood.
Gij kunt, aan dèze tucht, tot eerlijkheid genezen.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Waarom zijn dichters, zijn mensen, zo geïnteresseerd aan de gelijkschakeling van het hoge en het lage? Lees verder >>

Waarom ψυχή ‘ziel’ én ‘vlinder’ was

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (156)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Psyche

Ik las de Phaedo met mijn vijfde klas
en in de tekst kwam het woord ψυχή voor:
ik legde, aan ’t nog kinderlijk gehoor,
uit waarom ψυχή ‘ziel’ én ‘vlinder’ was.

Terwijl ik nóg eens de passage las
was er ineens een ritseling, en een spoor
van glanzen kwam, van ’t raam, de ruimte door.
Er zat een grote vlinder voor ’t glas.

Het was een dagpauwoog. En ieder zag
de purperen gloed, die op zijn vleugels lag;
de ogen, waar het aetherblauw in brandt.

Ten laatste – hij zat rustig op de hand –
bracht hem een jongen weg. Onaangerand,
zei hij, was hij ontweken naar het blauw

(Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten)

Het woord ψυχή schrijf je in het Nederlands meestal als psyche.  Ida Gerhardt kiest er in dit gedicht (behalve in de titel) voor om het met Griekse letters te schrijven, maar het blijft aantoonbaar wel een Nederlands woord. In het Grieks staat er een accent op de tweede klinker, en belangrijker nog: die tweede klinker is lang. Het is daarom, even technisch, een jambisch woord, maar in de twee regels waarin het voorkomt staat het steeds op een plaats waardoor klemtoon op de eerste lettergreep hoort. Er staat ψυχή, maar om het te laten lopen moet je psyche lezen.

Er is met die psyche nog wel meer aan de hand. Volgens de Gerhardt-kenner Mieke Koenen gebruikte Plato de vlinder in zijn hele werk nooit als symbool voor de ziel: dat werd bij de Grieken pas later (na Aristoteles) een gebruikelijke metafoor. Het is dus op het eerste gezicht een overbodige uitleg die de dichteres aan haar ‘kinderlijk gehoor’ geeft.

Vandaar misschien de wonderlijke vorm van de vierde regel. Je zou eigenlijk uitleggen dat een lerares aan haar klas uitlegt dat ψυχή ‘vlinder’ en ‘ziel’ kan betekenen, maar in plaats daarvan verkondigt ze waarom dat zo is. Dat ene woord maakt de les ineens meer dan een eenvoudige taalles, het wijdt de leerlingen in een diepere waarheid in. Voor vlinder en ziel heeft het Grieks niet toevallig hetzelfde woord, er zit een waarom achter.

Aanvulling. Mieke Koenen meldt (via Facebook): Ook mooi om te weten: Gerhardt wilde de laatste regel niet afsluiten met een punt: om de oneindigheid van het blauw te tonen. Maar de zetters zetten er steeds weer een punt achter en op zeker moment gaf Gerhardt zich gewonnen