Tag: semantiek

Achtergrondinformatie als dimensie van taal

Door Marc van Oostendorp

Processed with Snapseed.
Tivi rent graag achter haar staart aan.

Het belangrijkste dat de taalkunde de afgelopen decennia heeft geleerd is, denk ik, hoeveel dimensies er zitten aan zelfs het simpelste zinnetje. Er is natuurlijk in ieder geval een dimensie van klank (of van beeld, in gebarentaal), een dimensie van grammaticale structuur en een dimensie van betekenis, maar steeds duidelijker wordt dat ieder van die drie dimensies zélf ook weer ingewikkelder in elkaar zit.

Neem de betekenis. Honderd jaar geleden hielden semantici zich vrijwel uitsluitend bezig met de vraag wat de relatie was tussen woorden en zinnen, en ‘de werkelijkheid’ buiten onze bolletjes. Willem Alexander verwijst naar een reële persoon, koning verwijst naar een bepaalde maatschappelijke rol, en hoe kunnen we nu uit deze betekenissen berekenen dat de zin ‘Willem Alexander is koning’ waar is – dat wil zeggen, dat hij verwijst naar een reële stand van zaken in de werkelijkheid?

De betekenis heeft minstens één andere dimensie: we maken er een eigen werkelijkheid mee.  Lees verder >>

Ik kom onder middernacht naar huis

Door Marc van Oostendorp

Processed with Snapseed.
Ik kom voor middernacht naar huis.

Tijd en ruimte: in taal lopen ze in elkaar over, maar hoe precies? Je gebruikt soms dezelfde voorzetsels:

  • De kat ligt voor het huis.
  • Ik kom voor middernacht naar huis.

Om precies te zijn, zegt de Utrechtse semanticus Rick Nouwen in een nieuw artikel, gebruiken we in dit geval een horizontale dimensie van de ruimte (voor-achter) om de tijd weer te geven. De andere horizontale dimensie gebruiken we nooit: in geen enkele taal zeg je voor zo ver bekend ‘hij kwam links van middernacht thuis’.

Met de verticale dimensie zit het wat anders: je kunt ook niet zeggen ‘ik kom onder middernacht naar huis’, maar soms kun je wel degelijk tijd aanduiden met zo’n verticale schaal: Lees verder >>

De troonrede en de glazen bol

Door Robert Chamalaun

Wie op 20 september heeft geluisterd naar de troonrede die koning Willem-Alexander uitsprak, kon niet om de positieve toon heen. Los van de inhoudelijke vraag of die positiviteit terecht is, komt in de formulering en woordkeus overduidelijk het optimisme van het kabinet naar voren. In deze troonrede, die ruim tweeduizend woorden telt, zijn nogal wat woorden verwerkt die het positieve dan wel negatieve oordeel van het kabinet op een stilistische manier extra kracht bijzetten. Dit verschijnsel wordt in de linguïstische literatuur ook wel taalintensivering genoemd.

Taalintensivering kan op verschillende manieren in een tekst tot stand komen. Een schrijver kan (1) gebruikmaken van bijvoeglijke naamwoorden, al dan niet met een positieve (fantastische) of negatieve (verschrikkelijke) connotatie, (2) bijwoorden (zeer, veel), (3) voorvoegsels (supermooi), (4) zelfstandige naamwoorden, (5) werkwoorden, (6) stijlfiguren en zelfs (7) typografische elementen. In de troonrede van dit jaar trof ik behoorlijk wat bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden aan. Uiteraard zal het weinigen verbazen dat de laatste vijf manieren niet of minder gebruikt worden in de troonrede. Lees verder >>

Het zogenaamde ‘hotel’

Door Marc van Oostendorp

hotelWat betekent zogenaamd? Er worden, zegt de Kasselse taalgeleerde Holden Härtl in een nieuw artikel, meestal twee mogelijke betekenissen onderscheiden (eigenlijk heeft hij het over sogenannt, maar ik doe maar even net alsof dat hetzelfde woord is; volgens mij kan dat wel):

  • Een zogenaamde sepsis ontstaat door het verspreiden van bacteriën in het bloed.
  • Het zogenaamde hotel bleek een afgetrapte bende.

Lees verder >>

Mansplaining

Door Marc van Oostendorp

Wie wil begrijpen hoe woordbetekenis werkt, doet er goed aan de komende tijd het woord mansplaining in de gaten te houden. Het woord komt ineens opduiken – volgens Wikipedia sinds 2010 ongeveer –, ook in allerlei Nederlandse teksten.

De term verwijst oorspronkelijk naar een bepaalde manier van dingen uitleggen aan iemand terwijl de uitleggee het misschien net zo goed of zelfs beter weet dan de uitlegger. Er zit blijkens de naam bovendien meteen een associatie aan vast, namelijk dat het iets is dat mannen vaak doen, en wel wanneer ze met vrouwen praten.

De eerste vraag die zich nu voordoet, is: bestond mansplaining nog niet voor 2010?  Lees verder >>

Het omgekeerde van sarcasme bestaat niet

Door Marc van Oostendorp

omgekeerd sarcasmeWe hebben hier de afgelopen weken aan ons weblog getimmerd, en we zijn nog niet helemaal klaar, maar het moment is weldra aangebroken dat we jullie gaan vragen wat je ervan vindt. Dan zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen:

  • Ik vind het leuk. (1)

Maar dat zouden we al snel negatief kunnen interpreteren: misschien bedoel je met zin 1 wel dat je het helemaal niet zo leuk vindt. In plaats daarvan kun je daarom zeggen:

  • Ik vind het geweldig. (2)

Dat zou dan op zijn beurt juist weer kunnen betekenen dat je het alleen maar leuk vindt. De Duits-Canadese taalkundige Michael Wagner noemt dat in een recent artikel overstatement-conclusies:

Lees verder >>

Een boze Daan Roosegaarde

Door Marc van Oostendorp


Wat Het Parool onlangs leuk vond op de tv: dat er ‘een boze Daan Roosegaarde’ op te zien was. Een intrigerende vraag is: wat doet dat lidwoord een daar? Bij eigennamen gebruik je meestal geen lidwoord, of omgekeerd gezegd, in een normale constructie neemt een een individu uit een groep: een boze ontwerper is een voorbeeld uit een enorme groep ontwerpers, en wel een die boos is. Maar er is in dit geval maar één Daan Roosegaarde.

 In de onlangs verschenen bundel Linguistics in the Netherlands 2015 gaan de Nijmeegse onderzoekers Helen de Hoop en Erica Kemperman in op enkele kwesties rondom dat vreemde lidwoord. Met name bespreken zij de keuze tussen de en een:

  • Een boze Daan Roosegaarde nam een plaspauze.
  • De boze Daan Roosegaarde nam een plaspauze.
Je vindt allebei die constructies wel, maar de eerste komt vaker voor dan de tweede.
Lees verder >>

Wie heeft er meer tandpasta?

Taal en getal (1)

Door Marc van Oostendorp

Om een taal goed te spreken, moet je een beetje kunnen tellen. Vaak lijkt dat tellen nogal simpel: voor het Nederlands volstaat het op het eerste gezicht vaak om het verschil te begrijpen tussen één en meer dan één, tussen enkel- en meervoud. Wie wil beweren dat hij Nederlands spreekt, zal het verschil moeten begrijpen tussen ‘een hond wandelt’ en ‘honden wandelen’.

In sommige talen zit het al ingewikkelder in elkaar. Die talen hebben behalve een enkelvoud en een meervoud ook bijvoorbeeld een dualis – die je alleen gebruikt voor groepjes van twee – en/of een paucalis – die je alleen gebruikt voor kleine groepjes tot een stuk of vier individuen. 
Maar ook in een taal als het Nederlands is als nader beschouwd toch al snel ingewikkelder. Ik ben dezer dagen bij een workshop in Leiden waar taalkundigen, psychologen, neurologen en wiskundigen elkaar ontmoeten om over dit soort onderwerpen te praten. Het idee is dat je door talen nauwkeuriger te bestuderen meer kunt leren over het natuurlijke gevoel voor getallen dat wij mensen hebben.

Ik heb al tijdens de eerste dag de interessantste dingen gehoord. Neem de drie plaatjes hieronder. Wanneer je mensen vraagt ‘wie heeft er meer schoenen’ bij het eerste plaatje, zegt iedereen: B. 

‘schoenen A en B’
illustratie: M. van Oostendorp

Lees verder >>

Grenzen binnen de taalkunde

Door Lucas Seuren
Als promovendus heb je het toch maar mooi voor elkaar. Je kunt vier (soms drie) jaar los gaan op een onderwerp dat je na aan het hart ligt, je bepaalt je eigen uren, en regelmatig mag je jouw onderzoek in leuke buitenlandse steden presenteren. Bovendien staat alles in het teken van leren, en wat is er nou leuker dan dat? Met het oog op dat laatste organiseert de Landelijke Onderzoeksschool Taalwetenschap elk jaar een zomer-  en een winterschool. Daar krijg je als jonge onderzoeker twee weken de kans om te leren van vooraanstaande wetenschappers. Het is vooral een mooie gelegenheid voor verbreding, om kennis te nemen van vakgebieden waar je je normaal niet mee bezighoudt.
Mijn geheime liefde (al heb ik geen Valentijnskaart gestuurd) op dit soort bijeenkomsten is altijd semantiek. Dat heeft twee redenen. Als voormalig bèta vind ik de logisch-wiskundige benadering erg aantrekkelijk. En bovendien houden semantici zich vaak bezig met dezelfde problemen als ik. In januari was de winterschool in Tilburg, waar Valentine Hacquard (University of Maryland) ons confronteerde met het probleem van zogenaamde attitude verbs: dit zijn werkwoorden die een mentale staat of communicatieve handeling uitdrukken zoals willen, denken, en zeggen. Een van de vragen die haar bezighield, en waar ze ons mee confronteerde, was hoe het kan dat bepaalde werkwoorden presupposities meekrijgen, terwijl andere deze presupposities niet hebben.

Lees verder >>

Lachen als taal

Door Marc van Oostendorp


“Nu is het toch al bijna 2016,” constateerde NRC Handelsblad twee dagen geleden, “en het is nog steeds niet bekend wat iets nou precies grappig maakt.” De krant schreef over de moeilijkheden die psychologen hebben bij het onderzoek naar humor. “Zo is er geen algemeen geaccepteerde definitie van het begrip humor.”

Maar de redding is nabij en komt uit de taalkundige hoek. Vorige maand werd in Amsterdam het twintigste zogenoemde Amsterdam Colloquium gehouden, waarin taalkundigen, filosofen en anderen die geïnteresseerd zijn in de betekenis van taal. Een van de lezingen laat zien (‘Understanding Laughter’ van Jonathan Ginsberg e.a. <hier>) wat er schort aan de psychologische benadering. Je moet niet proberen te begrijpen wat humor is, maar wat het betekent als mensen lachen.

Bananenschil

De (slimme) truc die Ginsberg en zijn collega’s daarbij toepassen is: doen alsof lachen eigenlijk een taaluiting is, iets dat een vorm heeft (hahahaha) en een betekenis.
Lees verder >>

De biefstukken zijn voor de helft voor driekwart gaar

Door Marc van Oostendorp


Stel dat iemand je vertelt dat ‘de biefstukken voor de helft gaar’ zijn, dan weet je nog steeds niet veel. Althans, de zin kan minstens twee dingen betekenen: we hebben laten we zeggen 10 biefstukken, en daarvan is de helft gaar. Of alle tien biefstukken hebben de helft van de tijd in de pan gezeten die nodig zou zijn om echt gaar te zijn.

Toegegeven, het is het soort problemen waar je meestal best mee kunt leven; maar in een nieuw verschenen manuscript laten de taalkundigen Laura Aldridge en Ad Neeleman zien dat er ook een aardige puzzel mee is. Neem bijvoorbeeld de zinsnede (A&N; geven hun voorbeelden in het Engels, maar je kunt ze makkelijk vertalen):

  • De biefstukken zijn voor de helft voor driekwart gaar.
Je zou kunnen denken dat die zin twee dingen betekent: drie kwart van de biefstukken zijn allemaal halfgaar. Of de helft van de biefstukken is allemaal voor drie kwart gebakken. Ik denk dat voor iedereen die dit leest hetzelfde geldt: de zin betekent alleen maar het tweede. 
Hoe kan je dat weten? Wie leest of hoort er ooit zo’n rare zin? Jullie zullen er toch denk ik nu pas voor het eerst van je leven mee geconfronteerd worden. En toch heb je dat idee. 
Aldridge en Neeleman gaan nog verder.
Lees verder >>

Wat betekent vriendschap?

Door Lucas Seuren

Onlangs had ik een discussie met mijn kamergenoot over wat vriendschap betekent. Waar we namelijk vaak aannemen dat elk woord voor iedereen ongeveer dezelfde betekenis heeft, lijkt vriendschap zich daar volledig aan te onttrekken. Wanneer vertel je dat de sociale relatie die bestaat tussen jou en een ander er een is van vriendschap? Met andere woorden, wanneer noem je iemand een vriend? Je zou verwachten dat het antwoord simpel moet zijn, maar we kwamen er achter dat dit een verdraaid complex probleem is.
Ten eerste verschilt het zoals gezegd per persoon. Bijvoorbeeld: ik kan iemand met wie ik een bepaalde sociale relatie heb een vriend noemen, terwijl mijn kamergenoot onder die relationele omstandigheden zou praten van een kennis. Als ik dan praat over die vriend met mijn kamergenoot heeft ze bepaalde verwachtingen over hoe die relatie eruit ziet, maar die verwachtingen hoeven helemaal niet te kloppen. Er is dus een (veelal onproblematische) mismatch tussen wat ik bedoel en hoe ik word begrepen. Bovendien wordt de term niet consequent toegepast. In een gesprek kan ik een derde partij als vriend benoemen, terwijl in een ander gesprek ik over een kennis zou spreken.

Lees verder >>

Uitrekenen wat ‘elke student lacht’ betekent

Door Marc van Oostendorp


Ik weet wel dat sommige lezers er anders over denken, maar wat mij betreft kan geen poezenplaatje op internet op tegen tekeningen als de volgende:

Hier wordt voorgerekend hoe je de betekenis van de zin ‘Laura ziet Karel niet’ kunt bepalen uit de samenstellende delen. Boven ieder woord staat de logische formule voor dat woord (eigennamen zijn simpel: Karel=k en Laura=l), maar de formules voor niet en ziet zijn wat ingewikkelder. Boven iedere combinatie van woorden staat een gecombineerde formule, de hoogste formule is die voor de hele zin: ~Z(l,k) (de S die erboven staat betekent sentence).

Lees verder >>

Hoe gevaarlijk zijn ‘persoonlijke bezittingen’?

Door Marc van Oostendorp


De politie van Rotterdam twitterde het vorige week al, maar gisterenavond kwam NRC Handelsblad met de definitieve bevestiging: de jongen die zich opsloot in de wc van de Thalys naar Parijs was niet verdacht. In zijn rugzak had hij alleen ‘persoonlijke bezittingen’ bij zich.

Dat doet de vraag rijzen: waarom is die mededeling ontlastend? Wat zijn persoonlijke bezittingen? Hoe kunnen we uit die mededeling concluderen dat die jongen dus geen pistool bij zich had? Is een pistool geen persoonlijk bezit? En hoe zit het met een telefoonhoesje in de vorm van een pistool? De uitdrukking wordt in deze context kennelijk door allerlei bronnen doodgemoedereerd gebruikt met een geruststellende betekenis.

Ik kan dat ook wel navoelen.
Lees verder >>

Met zijn vijfjes

Door Marc van Oostendorp


Zoals je mensen hebt die op een doorregende grijze dag tegen het grijze beton van de grijze gebouwen gegarandeerd een zeldzaam grijs vogeltje zien, zo zijn er mensen die aan de Nederlandse taal steeds weer nieuwe dingen weten te ontlokken.

Mijn college Gertjan Postma is zo iemand – hij weet je gegarandeerd te wijzen op dingen die je als moedertaalspreker al je hele leven wist, maar waar je altijd overheen gekeken hebt. Gisteren gaf hij een lezing op het congres van de Societas Linguistica Europaea, waarin hij liet zien dat de taal soms anders omgaat met kleine getallen dan met grote.

Een klein voorbeeld – zo’n voorbeeld dat hij dan even tussen neus en lippen noemt – is dat je wel kunt zeggen met z’n tweetjes, met z’n drietjes en met z’n viertjes, maar dat het daarna snel is afgelopen. Met Google vind je nog wel een handjevol met z’n vijfjes, zesjes en zeventjes, maar die vormen klinken raar, en staan ook niet in verhouding tot de hoeveelheden met z’n vijven, zessen en zevenen die je vindt.

Lees verder >>

Zó niet cool

Af en toe hoor ik het iemand zeggen, soms ben ik dat zelf: Dat is echt zó niet aardig, zó niet cool, zó niet leuk. Altijd met nadruk op ‘zo’. Volgens mij is dit een redelijk nieuw verschijnsel. Als je dit zegt, wil je benadrukken dat iets in sterke mate alles behalve aardig, cool of leuk is. Toch? Hoe zit het met dit verschijnsel? Hoe ver kun je gaan en is het dan nog wel grammaticaal?

Lees verder >>

Sinds iemand 18 is

Door Marc van Oostendorp


Laat mensen een invuloefening doen en de vreemdste resultaten komen naar boven. De lerares Odile Verberkmoes liet haar cursisten, die het Nederlands als vreemde taal leerden, een woord invullen op de volgende puntjes:

  • … iemand in Nederland 18 is, heeft hij stemrecht.
Sommige mensen kozen voor als en anderen voor zodra: dat is allebei goed. Maar er waren ook mensen die sinds kozen. Daat ontstond een kwestie. Er wringt iets met Sinds iemand 18 is, heeft hij stemrecht’, maar het is niet meteen duidelijk wat.

Je verbindt ons

Door Marc van Oostendorp


Wie herinnert zich Jan Peter Balkenende nog? Ooit was hij premier van Nederland en daarom was het nodig dat we af en toe luisterden naar wat hij te berde bracht. Dat was bijvoorbeeld op zeker moment (in 2008, in een interview):

  • Zonder geloof kun je niet functioneren.
Over dat je werd vervolgens in de Tweede Kamer vergaderd. Wie was dat je? De interviewer? J.P. Balkenende? Of was het een voetballers-je dat eigenlijk op iedereen kon slaan?
Over dat voetballers-je is al vaker geschreven, maar in een artikel in het Journal of Linguistics maakt de Göttingse hoogleraar Hedde Zeijlstra er nu een diepgravende analyse van. 
Wat betekent je precies? Zeijlstra merkt op dat we de voornaamwoorden op de volgende manier kunnen indelen (voorbeelden alleen voor het enkelvoud):
Lees verder >>

Ja, hij spreekt geen Engels

Door Marc van Oostendorp


Er is de laatste jaren veel te doen over de betekenis van de woorden ja en nee. Nu staat er alweer een artikel in het prestigieuze tijdschrift Language, van de Amsterdammer Floris Roelofsen en zijn Amerikaanse collega Donka Farkas. Wanneer zegt iemand ja? En wanneer nee?

Het is een uitgebreid artikel en Roelofsen en Farkas deinzen niet terug voor wat wiskundige logica om de betekenis in formules te vatten. Maar het stuk staat vol interessante observaties. Neem de volgende vraag:

  • Spreekt Igor nou Engels, of doet hij dat niet?

Lees verder >>

Wat betekent ‘nee’?

Door Marc van Oostendorp

Als een rechercheur nee zegt, wat bedoelt ze dan? Neem het geval van Dikke Tony, een maffiabaas die het handig leek om te doen alsof hij vermoord was. Her en der heeft hij rond de scheepswerven ‘aanwijzingen’ voor die moord verstopt. Die aanwijzingen worden gevonden en onderzocht door forensische wetenschapper Smit, die een voorzichtige conclusie trekt:

  • Misschien is Dikke Tony omgebracht.

Nu trekt rechercheur Betsie erop uit en ontdekt dat Dikke Tony levend en wel ondergedoken zit in een rustiek boerderijtje. Ze zegt dan tegen Smit:

  • Nee, Dikke Tony leeft nog!

Dat dialoogje blijkt allerlei filosofen en taalwetenschappers in de problemen te brengen. Want wat bedoelt Betsie met dat nee? Wat betekent nee eigenlijk?
Lees verder >>

Zwermwoorden

Door Marc van Oostendorp


Sommige woorden zijn tegelijkertijd een beetje enkel- en een beetje meervoudig. Team is zo’n woord, en familie is er nog zo één: ze wijzen op een groepje individuen (en daarmee een meervoud), maar zien die als een eenheid. Groepje is natuurlijk zelf ook zo’n woord.

In een recent artikel laat de Amerikaanse semanticus Robert Henderson zien dat er twee soorten van dat soort woorden zijn: groep-woorden en zwerm-woorden. En dat talen de neiging hebben een systematisch verschil tussen de twee te maken, al lijken ze ook op elkaar (groep-woorden en zwerm-woorden samen noemt Henderson collectieve woorden).

De woorden die ik zojuist noemde (team, familie, groepje) zijn allemaal groep-woorden. Voorbeelden van zwerm-woorden zijn boeket, bosje, horde en natuurlijk zwerm. Een verschil is dat het bij zwerm-woorden altijd van belang is dat de samenstellende delen op een bepaalde manier geordend zijn in de ruimte. Het komt er meestal op neer dat ze dicht bij elkaar in de buurt moeten staan.
Lees verder >>

Stageplaats op Meertens Instituut: Taal en getal

Taal en Getal is een deelproject van het NWO Horizon project Knowledge and Culture. In dit deelproject wordt onderzocht hoe het cognitieve getalssysteem wordt uitgedrukt in de verschillende talen van de wereld. Eén van de doelen van het project is het maken van een typologische database van de morfosyntaxis van telwoordsystemen.

Recent onderzoek laat zien dat het aangeboren niet-talige cognitieve getalssysteem uit twee deelsystemen bestaat, een exact systeem voor aantallen van 1-4 (het zogenaamde Object Tracking System) en een niet-exact systeem voor aantallen vanaf 4 (het zogenaamde Approximative Number System). Volgens sommige studies speelt taal een cruciale rol in de integratie van deze twee deelsystemen (Spelke 2011). Er bestaat tot op heden echter nog geen systematisch onderzoek naar de linguistische eigenschappen van numerieke expressies. Een typologische database van de morfosyntactische eigenschappen van telwoorden is nodig om de variatie en grenzen aan variatie in numerieke expressies te kunnen onderzoeken.
Lees verder >>

De logica van de kater

Door Marc van Oostendorp


Als Sam geen kater is, wat dan wel? Dat lijkt een makkelijke vraag: een poes, natuurlijk. Maar dat voor de hand liggende antwoord roept wel meteen allerlei vragen op. In de eerste plaats, zou je kunnen zeggen: als Sam geen kater is, kan hij of zij of het natuurlijk nog wel al het andere zijn (een danspas, een lichtmatroos, een potje pindakaas). En in de tweede plaats: een kater is toch ook een soort poes?

Het komt niet vaak voor dat ik tot in de nacht in een taalkundig artikel zit te lezen, maar gisterenavond is me dat wel gebeurd, met Logico-cognitive structure in the lexicon van de Nederlander Pieter Seuren en de Vlaming Danny Jaspers. Het is het soort artikel waarom iemand in de taalwetenschap gaat: tijdens het lezen worden ineens je ogen geopend voor iets wat altijd je onbewust altijd al geweten hebt.

Lees verder >>

Wetenschappelijke prijs KANTL 2015


Deadline nadert

In 2015 wordt de wetenschappelijke prijs van de KANTL uitgereikt voor een taalkundige studie met als thema “Semantisch-syntactische studie van voorzetsel- en achterzetselgroepen in de Nederlandse zin (historisch of synchronisch)”. De prijs bedraagt 1240 euro, deadline voor inzenden is 10 december 2014.
Meer informatie is te vinden op de KANTL-website:
http://www.kantl.be/index.php?pag=80voor de thema’s van de wetenschappelijke prijzen tot en met 2018
http://www.kantl.be/index.php?pag=139#hsVIIvoor het reglement.