Tag: semantiek

Een puzzel met ouwe en ouderwetse auto’s

Door Henk Wolf

Van de week zag ik op Facebook een foto waarop de voorruit en de motorkap van een auto te zien waren. Op de voorstoelen van de auto zaten een man en een vrouw. Aan de chromen randjes, de vorm van de motorkap en andere stijlkenmerken was te zien dat de auto gebouwd moest zijn in de jaren zeventig of tachtig.

Mijn interne samenvatting van het beeld in woorden was: ‘twee mensen in een ouwe auto’. Toen viel me op dat de kleuren van het plaatje niet die waren van een 21e-eeuwse foto, maar meer die van een polaroid uit diezelfde jaren zeventig of tachtig. En toen ik de tekst bij de foto las, begreep ik dat de foto een filmscene was die speelde in de vorige eeuw.

Lees verder >>

Alles wat je zegt heeft betekenis

Door Marc van Oostendorp

Een mens kan geen woord zeggen dat niets betekent:

  • Aaaaaawaaaaaa!

Nee, dat woord staat niet in het woordenboek, er valt geen definitie van te geven. En toch, als ik het op de markt roep, betekent het van alles, bijvoorbeeld dat ik het me kan permitteren om zomaar wat te roepen, of dat ik krankzinnig ben, en dat mijn stem een beetje schor is.

Lees verder >>

Bepaalt je taal je emotie?

Door Marc van Oostendorp

Waarover hebben we het als we het over emoties hebben? Dat valt nauwelijks te zeggen. Wie als kind leert wat een poes is, kan door een volwassene in de buurt tenminste nog worden gewezen op een aantal geslaagde voorbeelden van poezen. Maar je kent als mens alleen je eigen gevoelens: hoe weet je dan dat het liefde is dat je voelt, of woede, of eenzaamheid?

Lees verder >>

De poëzierecensent en de dichter zelf

Door Marc van Oostendorp

De poëzierecensent is de lantaarnopsteker van de eenentwintigste eeuw: uit nostalgie houdt een enkele publicatie er nog een op na, maar een werkelijke functie hebben ze niet meer. De tijd dat de discussie over ontwikkelingen in de dichtkunst deel uitmaakte van de bredere discussie over ontwikkelingen in de wereld ligt achter ons. 

Wat blijft zijn wat wanhopige pogingen om de wonderlijke wereld van de poëzie te vertalen naar modern idioom: dat van de de voetbalcommentator. Dat van De Wereld Draait Door.

Lees verder >>

‘Dit theekopje is niet mooi, maar ik vind het er goed uitzien’

Door Marc van Oostendorp

Interesse in kunst doet iets met je taal, zo blijkt uit een nieuw artikel van een groep Duitse psychologen en filosofen in het tijdschrift Poetics. Ze lieten in hun onderzoek mensen zinnen beoordelen als de volgende:

  • Deze boom is niet mooi, maar ik vind hem er goed uitzien.
  • Deze boom vind ik er goed uitzien, maar hij is niet mooi.
Lees verder >>

‘Als Amerika zijn kernwapens in de zee had gegooid, was er oorlog uitgebroken‘

Door Marc van Oostendorp

Een van de aardige dingen van taal is dat ze ons mogelijk maakt om zaken te bespreken die helemaal niet waar zijn: “Als morgen de Derde Wereldoorlog uitbreekt, ga ik zeker kijken.” Als andere dieren zoiets al zouden denken, kunnen ze het in ieder geval niet met elkaar over dat soort hypothetische omstandigheden hebben.

Wat betekent zo’n zin eigenlijk? Lange tijd is gedacht dat de betekenis van de zin iets te maken heeft met waarheid of onwaarheid: maar in welk opzicht is zo’n zin waar of onwaar? Er is nu toch niks aan de hand?

Lees verder >>

Boeken zijn als getallen

Door Marc van Oostendorp

De kleine Johannes, Mari Andriessen. Frederickspark, Haarlem.
(Bron: WIkipedia)

Wat zijn boeken voor dingen? Over die vraag gaat een artikel dat de beroemde Amerikaanse taalkundige Paul Postal onlangs op internet plaatste.

Dat boeken vreemde dingen zijn, was al meer mensen opgevallen. Ze zijn abstract en lijken in die zin op bijvoorbeeld getallen. De kleine Johannes bevindt zich net zo min als het getal 26 op een bepaalde plaats in de fysieke werkelijkheid. Er zijn natuurlijk allerlei tastbare objecten waarop de letters De kleine Johannes staan en die binnenin eveneens reeksen letters hebben in telkens dezelfde volgorde – het verhaal van de kleine Johannes. Maar geen van die voorwerpen ís De kleine Johannes.

Tegelijkertijd beschouwen we boeken als dingen die op een zeker moment geschreven zijn door een concreet persoon. Als Frederik van Eeden nooit had geleefd, hadden we ook geen Kleine Johannes gehad. Voor ons gevoel heeft Van Eeden die letters in een bepaalde volgorde gezet. Hij heeft op een goed moment de Kleine Johannes gemaakt, en dat boek bestaat dus wel in een bepaalde tijdsspanne: voor 1884 bestond het nog niet.

Lees verder >>

Ironie is niet het omgekeerde zeggen van wat je denkt

Ilja Leonard Pfeijffer als ironicus

Door Marc van Oostendorp

Het is een geleerd essay, dat Ilja Leonard Pfeijffer schreef over de ironie. Hij lardeert zijn betoog, Ondraaglijke lichtheid, – dat ongeveer tot strekking heeft dat de ironie een mooi stijlmiddel is maar dat het tot nihilisme voert wanneer je je hele leven ironisch gaat leven – met verwijzingen naar tal van geleerden uit binnen- en buitenland, uit vroeger tijd en uit het heden.

Pfeijffer presenteert die opvatting als een inzicht dat hij tot zijn eigen verrassing verworven zou hebben tijdens het schrijven van zijn essay. Oorspronkelijk was zijn bedoeling om voor de ironie te pleiten, maar uiteindelijk herzag hij zijn mening.

Dat kun je alleen maar interpreteren als een teken dat de schrijver zijn eigen oeuvre niet goed kent. Daar zitten weliswaar een paar door en door ironische boeken in – de gedachten gaan onwillekeurig uit naar Het ware leven. Een roman – maar toch ook vrijwel vanaf het begin oproepen om serieus te zijn. Bovendien is inmiddels misschien wel zijn bekendste gedicht Idylle 7. Dat gedicht richt zich weliswaar niet zozeer tegen de ironie, maar wel tegen moedwillige duisterheid – het probleem is in essentie hetzelfde: dichters verschuilen zich achter de ontworteling zoals essayisten achter de ironie. Het gedicht eindigt dan ook met de regels:

Lees verder >>

De grondwet als literatuur

Door F.G. Droste

Koningin Máxima. Bron: Wikipedia

In een interview met de Leidse hoogleraar staatsrecht Wim Voermans komt de essentie van zijn recente boek Het Verhaal van de Grondwet helder naar voren. Maar dat gebeurt ook al in de (dubbele) titel van dit verslag: “Een grondwet is literatuur” en “het is ook een verbeelde wereld”. Even, zij het in het voorbijgaan, roept dit de voordracht op van Koningin Máxima (of was het Mevrouw van Oranje?), die met “De Nederlander bestaat niet” in het jaar 2010 een storm in een glas water veroorzaakte. Bij die storm werd vergeten dat we hier te doen hebben met een paradox, die dicht aanleunt bij de onoplosbare tegenspraak binnen “Alle Kretenzers liegen altijd, zei de Kretenzer”. De spreker komt hier met zichzelf in tegenspraak en dat overkomt Máxima ook. Om de eigenschap “bestaat niet” toe te kennen aan “de Nederlander”, moet die wel bestaan, anders kun je niks zinnigs over hem zeggen. Al heel lang geleden heeft dat probleem een discussie losgemaakt tusen de filosofen Strawson en Russell, waarbij Strawson zeker aan het langste eind trok, door te stellen dat je voor het toekennen van een eigenschap wel een object nodig hebt. 

Lees verder >>

Wat betekent een zachte g?

Door Marc van Oostendorp

Een zin betekent meestal heel veel dingen tegelijk. Hij heeft een letterlijke inhoud, maar door de manier waarop je hem zegt kunnen daar nog allerlei andere betekenislagen aan worden toegevoegd. Wanneer iemand ‘Ik heb geen broers’ zegt met een zachte g, zegt hij niet alleen ‘mijn ouders hebben geen andere mannelijke kinderen gekregen die nog in leven zijn’, maar ook: ‘ik kom uit het zuiden’, en dat betekent op zijn beurt voor sommige hoorders: ‘ik ben een levensgenieter’.

Hoe verhouden die betekenissen zich tot elkaar? Daarover gaat een artikel van de Canadese taalkundige Ai Taniguchi dat sinds kort op internet circuleert. Taniguchi is een semanticus – een taalkundige die betekenis bestudeert. Meestal gaat dat niet om het soort betekenis dat de zachte g uitdrukt (sociale betekenis), maar de semantiek bloeit als weinig andere taalkundige subdisciplines en ieder bloeiend vak heeft de neiging om imperialistisch te zijn en te laten zien hoe de eigen methoden ook elders werken. En zo wil men dus nu ook de sociale betekenis claimen. Eerder besprak ik al een artikel van Heather Burnett in deze richting.

Lees verder >>

Honden hebben drie poten

Door Marc van Oostendorp

Veel van wat we elkaar vertellen over de wereld bestaat uit algemene waarheden die bijvoorbeeld de volgende vorm hebben:

  • Tijgers hebben strepen.

Het ligt voor de hand om te denken dat die zin betekent: alle tijgers hebben strepen. Maar dat kan niet kloppen, zeggen de Amsterdamse taalkundigen Robert van Rooij en Katrin Schulz in een nieuw artikel in Linguistics & Philosophy. Kijk maar naar zinnen als de volgende:

  • Leeuwen hebben manen.
  • Muggen brengen het westnijlvirus over.

Deze zinnen zijn zeker niet waar voor alle leeuwen of alle muggen. Slechts minder dan de helft van alle leeuwen heeft manen (de mannetjes zijn in de minderheid) en een nog veel kleiner deel van de muggen brengt het westnijlvirus over.

Lees verder >>

Het regent nog

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil in betekenis tussenhij slaapt’, en ‘hij slaapt nog’? Nog voegt, zegt de Duitse semanticus Sigrid Beck in een nieuw artikel in Linguistics and Philosophy, twee betekenislagen toe aan het werkwoord: hij sliep in het (eventueel recente) verleden ook; en er is de verwachting dat hij in de toekomst niet meer zal slapen.

Beide lagen laten zich gemakkelijk illustreren. Als twee ouders urenlang ongerust boven een wieg hebben gehangen van een baby die almaar aan het huilen is en ze horen eindelijk een rustige ademhaling, zeggen ze niet tegen elkaar ‘hij slaapt nog’, maar ‘hij slaapt’. Het is voor een nog-zin nodig dat degenoemde handeling of staat van zijn al even aan de gang is.

Lees verder >>

Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv

Door Marc van Oostendorp

Caroline Tensen nu in 1989.
Bron: Wikmedia

Een intrigerend paradoxale kop boven een artikel in Het Parool: ‘Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv’. Hij staat boven een interview met de 55-jarige presentatrice Caroline Tensen en bevat twee tijdsverwijzingen die elkaar op het eerste gezicht tegenspreken (vroeger en nu) en is onder andere intrigerend doordat je desalniettemin onmiddellijk begrijpt wat Tensen bedoelt. Het wordt in het stuk zelf door Robert ten Brink geparafraseerd op een manier die de paradox opheft: “Tien jaar geleden was het (…) onmogelijk dat iemand van mijn leeftijd bij [tv zou werken]”. (Hoewel dit nog steeds dubbelzinnig is, en de dubbelzinnigheid alleen wordt opgelost als je zegt ‘mijn huidige leeftijd’.)

Er worden dus twee tijdmetingen naast elkaar gebruikt. Vroeger verwijst naar de ‘objectieve’ kalendertijd (‘tien jaar geleden’), en nu naar de persoonlijke tijdsontwikkeling (‘iemand van mijn leeftijd’). Bovendien weet iedereen onmiddellijk welk woord naar welke tijdsontwikkeling verwijst. De zin kan niet betekenen: Het is momenteel onmogelijk dat iemand die net zo oud is als ik tien jaar geleden bij de tv zou werken.

Lees verder >>

Terug

Door Marc van Oostendorp

De talloze betekenissen die het woord terug in het Nederlands kan hebben, laten zien dat wij in pijlen denken. In een nieuw artikel in het Journal of Semantics maakt de Utrechtse taalkundige Joost Zwarts een lijst met zes betekenissen die terug als bijwoord kan hebben in het Nederlands, en hij laat zien hoe die heel subtiel zijn, maar dat ze ook allemaal aan elkaar verwant zijn.

Zwarts noemt die pijlen paden: lijnen die een ‘canonieke’ richting hebben, normaliter ga je van A naar B, en als je van B naar A gaat, ga je ‘terug’. De tijd is zo’n pad: normaliter bewegen we van het verleden naar de toekomst. Dat noemen we dan de ‘canonieke richting’ van de tijd.

Mochten er ooit tijdreizigers uit de toekomst komen, dan gaan die vanzelfsprekend terug in de tijd, daar is geloof ik geen discussie over mogelijk.

Lees verder >>

Een beetje prettig

Door Marc van Oostendorp

Het begon met een enquête over de kwaliteit van de zorg. Linda Duits kreeg hem opgestuurd, en hij bleek de volgende vraag te bevatten:

Maar, dacht Linda terecht, dat ‘een beetje prettig’ klinkt toch heel raar? En toen haalde ze mij erbij op Twitter, en was ik weer een uurtje zoet.

Want ‘de wachtkamer was een beetje prettig’ klinkt inderdaad een beetje raar, maar hoe zou dat nu komen? ‘De wachtkamer was tamelijk prettig’ klinkt bijvoorbeeld in mijn oren helemaal niet zo vreemd, terwijl dat dezelfde betekenis heeft.

Lees verder >>

Ik houd van koffie want koffie

Door Marc van Oostendorp

Er is wereldwijd iets eigenaardigs gaande: woorden zoals want en omdat zijn in zo uiteenlopende talen als het Duits, Fins, Frans, Italiaans, Koreaans Noors, Roemeens, Russisch, Slowaaks, Tsjechisch én het Nederlands aan een nieuw leven begonnen.

Waar je vroeger want bijvoorbeeld alleen kon gebruiken in zinnen als ‘Ik kan niet komen want ik ga naar Lowlands’, vind je nu zinnen als:

  • nee want lowlands

Deze zin is opgediept uit het internet door Martin Konvička, neerlandicus in Berlijn, voor een artikel in Internationale Neerlandistiek. Hij is overigens niet alleen kenmerkend voor internettaal: ook in gesproken Nederlands hoor je zulke zinnen nu wel en in het verleden vermoedelijk niet.

Lees verder >>

Ricotta is lekker maar ik vind ricotta niet lekker

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen ‘ricotta is lekker’ en ‘ik vind ricotta lekker’? De taalkundigen Inés Crespo en Frank Veltman behandelen het in hun onlangs in Linguistics and Philosophy verschenen artikel Tasting and testing.

In de eerste plaats geef je met het werkwoord vinden natuurlijk aan dat er een subjectief oordeel volgt. Je kunt in die constructie dan ook alleen bijvoeglijk naamwoorden gebruiken die een subjectieve maat aangeven:

  • Ik vind deze auto duur.
  • Ik vind ricotta lekker.
  • Ik vind het getal 20 even. [vreemd]
  • Ik vind dit afval biodegradabel. [vreemd]

Duur en lekker geven subjectieve oordelen weer. Je kunt wanneer iemand zoiets zegt als de eerste twee zinnen eventueel wel volhouden dat hij liegt (hij zit stiekem rare gezichten te trekken terwijl hij van de ricotta eet), maar niet dat jij het beter weet dan de spreker. Even en biodegradabel zijn anders, ze geven objectieve maten aan. Degene die iets beweert over de biodegradabiliteit van afval kan ernaast zitten en een redelijke discussie moet dat kunnen uitwijzen.

Lees verder >>

Nimmer meer ‘vier appels meer’: verdwijnende tijd

Door Henk Wolf

Het Franse woord jamais heeft geen vaste vertaling in het Nederlands. Afhankelijk van de context kun je het als ooit, nooit of altijd vertalen (en er zijn misschien nog wel meer mogelijkheden). Kijk maar naar de onderstaande zinnen:

  • Tu es le pire client que j’ai jamais eu.
    (‘Jij bent de beroerdste klant die ik ooit heb gehad.’)
  • Je n’ai jamais vu autant de colère.
    (‘Ik heb nog nooit zoveel boosheid gezien.’)
  • Il est dans le tombeau pour jamais endormi.
    (‘Hij ligt in het graf, voor altijd ingeslapen.’)

Nederlandstaligen vinden het vaak wat gek dat een woord drie zulke verschillende betekenissen in zich kan verenigen. Toch heeft het Nederlandse ooit naast de betekenis ‘op enig moment’ ook weleens de eigenschap ‘op elk moment’, die we meer met het woord altijd zouden associëren. Kijk maar naar de volgende zinnen:

Lees verder >>

De verdachte moet wel thuis zijn geweest

Door Marc van Oostendorp

Moeten kan van alles betekenen, bijvoorbeeld dat iemand een bepaalde verplichting heeft (‘u moet betalen’) of dat iets noodzakelijk is (‘het balletje moet eerst door dat hekje voor de deur geopend kan worden’). Daarnaast heeft het werkwoord een betekenis die vooral lijkt te gaan over kennis. In dat geval wordt moeten soms vergezeld van wel.

  • De lampen branden. Karel moet wel thuis zijn.

Deze zin wrijft Karel geen verplichting aan en zegt ook niet dat het noodzakelijkerwijs het geval is dat Karel thuis is, maar dat het (zeer) waarschijnlijk is dat Karel zich in het huis bevindt, gegeven een bepaalde stand van kennis, die onder andere wordt verrijkt door de informatie dat de lampen branden. Maar over wiens kennis hebben we het dan?  Lees verder >>

Mijn behoeften lijken op die van Willem Alexander

Door Marc van Oostendorp

Wie had ooit gedacht dat moeten een ding kon zijn? Jullie! Want je kent de uitdrukking “het heilig moeten” waarin moeten als zelfstandig naamwoord functioneert en je hebt er nooit een probleem mee gehad.

In een mooi overzichtsartikel bespreekt de semanticus Frederike Moltmann het curieuze onderwerp van genominaliseerde modale werkwoorden: werkwoorden als verplichten, wensen en behoeven, maar dan gebruikt als zelfstandig naamwoord (verplichting, wens, behoefte).

Moltmann gebruikt het Engels voor haar voorbeelden, maar die taal heeft de eigenaardige eigenschap dat je juist de modale hulpwerkwoorden zoals must en can niet als zelfstandig naamwoord kunt gebruiken: je kunt niet zeggen musting eating potatoes of the canning believe that, terwijl je in bijvoorbeeld het Nederlands best kunt zeggen het moeten eten van aardappelen of het kunnen geloven van sprookjes was Hendrik goed bevallen. Moltmann moet het daarom doen met wat gezochtere nominalisaties als obligation, desire en need. Waarom het Engels zo raar doet over die hulpwerkwoorden wordt niet duidelijk, maar Moltmanns bevindingen lijken me verder ook van toepassing op het Nederlands. (Overigens zijn in het Nederlands het moeten of het kunnen ook niet echt voorbeelden van fraaie stijl, maar dat is iets anders dan totaal onmogelijk, zoals in het Engels.) Lees verder >>

Terwijl het muziekje speelde, tekende het clowntje een ster

Door Marc van Oostendorp

Er klinkt circusmuziek. Een clowntje komt op en doet verwoede pogingen een pot te sluiten. Voor de pot dicht is, houdt het muziekje op.

Is nu de volgende zin een correcte beschrijving van deze situatie:

  • Terwijl het muziekje speelde, sloot het clowntje de pot.

Volwassen moedertaalsprekers van het Nederlands zeggen van niet. ‘Het clowntje sloot de pot’ is alleen juist als de pot na afloop van het optreden van het clowntje gesloten is. Sluiten is, in taalkundig jargon, ‘telisch’, gericht op een doel (telos in het Griek). Als dat doel niet wordt gehaald, is er niet echt gesloten. Lees verder >>

De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden [BOEM!]

. Door Marc van Oostendorp

Je luistert naar een radio-documentaire en je hoort de presentator zeggen: “De soldaat zal zijn doelwit vermoorden”. Terwijl hij het woord vermoorden uitspreekt klinkt het geluid van een explosie. Wat betekent dat?

De natuurlijke interpretatie is natuurlijk: de manier waarop de moord plaats vindt is met een explosie.

Maar nu: de presentator zegt “De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden”, en weer klinkt die explosie. Wat betekent dat? Logischerwijs zijn er twee mogelijkheden:

  • De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden middels een explosie, maar mogelijk wel op een andere manier.
  • De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden, maar als hij het zou doen, dan met een explosie.

De tweede mogelijkheid is de waarschijnlijkere, zo beweert de Berlijnse onderzoeker Robert Pasternak in een extreem kort stukje op de taalkundige website LingBuzz (met hier de geluidsvoorbeelden). Lees verder >>