Tag: semantiek

‘Als Amerika zijn kernwapens in de zee had gegooid, was er oorlog uitgebroken‘

Door Marc van Oostendorp

Een van de aardige dingen van taal is dat ze ons mogelijk maakt om zaken te bespreken die helemaal niet waar zijn: “Als morgen de Derde Wereldoorlog uitbreekt, ga ik zeker kijken.” Als andere dieren zoiets al zouden denken, kunnen ze het in ieder geval niet met elkaar over dat soort hypothetische omstandigheden hebben.

Wat betekent zo’n zin eigenlijk? Lange tijd is gedacht dat de betekenis van de zin iets te maken heeft met waarheid of onwaarheid: maar in welk opzicht is zo’n zin waar of onwaar? Er is nu toch niks aan de hand?

Lees verder >>

Boeken zijn als getallen

Door Marc van Oostendorp

De kleine Johannes, Mari Andriessen. Frederickspark, Haarlem.
(Bron: WIkipedia)

Wat zijn boeken voor dingen? Over die vraag gaat een artikel dat de beroemde Amerikaanse taalkundige Paul Postal onlangs op internet plaatste.

Dat boeken vreemde dingen zijn, was al meer mensen opgevallen. Ze zijn abstract en lijken in die zin op bijvoorbeeld getallen. De kleine Johannes bevindt zich net zo min als het getal 26 op een bepaalde plaats in de fysieke werkelijkheid. Er zijn natuurlijk allerlei tastbare objecten waarop de letters De kleine Johannes staan en die binnenin eveneens reeksen letters hebben in telkens dezelfde volgorde – het verhaal van de kleine Johannes. Maar geen van die voorwerpen ís De kleine Johannes.

Tegelijkertijd beschouwen we boeken als dingen die op een zeker moment geschreven zijn door een concreet persoon. Als Frederik van Eeden nooit had geleefd, hadden we ook geen Kleine Johannes gehad. Voor ons gevoel heeft Van Eeden die letters in een bepaalde volgorde gezet. Hij heeft op een goed moment de Kleine Johannes gemaakt, en dat boek bestaat dus wel in een bepaalde tijdsspanne: voor 1884 bestond het nog niet.

Lees verder >>

Ironie is niet het omgekeerde zeggen van wat je denkt

Ilja Leonard Pfeijffer als ironicus

Door Marc van Oostendorp

Het is een geleerd essay, dat Ilja Leonard Pfeijffer schreef over de ironie. Hij lardeert zijn betoog, Ondraaglijke lichtheid, – dat ongeveer tot strekking heeft dat de ironie een mooi stijlmiddel is maar dat het tot nihilisme voert wanneer je je hele leven ironisch gaat leven – met verwijzingen naar tal van geleerden uit binnen- en buitenland, uit vroeger tijd en uit het heden.

Pfeijffer presenteert die opvatting als een inzicht dat hij tot zijn eigen verrassing verworven zou hebben tijdens het schrijven van zijn essay. Oorspronkelijk was zijn bedoeling om voor de ironie te pleiten, maar uiteindelijk herzag hij zijn mening.

Dat kun je alleen maar interpreteren als een teken dat de schrijver zijn eigen oeuvre niet goed kent. Daar zitten weliswaar een paar door en door ironische boeken in – de gedachten gaan onwillekeurig uit naar Het ware leven. Een roman – maar toch ook vrijwel vanaf het begin oproepen om serieus te zijn. Bovendien is inmiddels misschien wel zijn bekendste gedicht Idylle 7. Dat gedicht richt zich weliswaar niet zozeer tegen de ironie, maar wel tegen moedwillige duisterheid – het probleem is in essentie hetzelfde: dichters verschuilen zich achter de ontworteling zoals essayisten achter de ironie. Het gedicht eindigt dan ook met de regels:

Lees verder >>

De grondwet als literatuur

Door F.G. Droste

Koningin Máxima. Bron: Wikipedia

In een interview met de Leidse hoogleraar staatsrecht Wim Voermans komt de essentie van zijn recente boek Het Verhaal van de Grondwet helder naar voren. Maar dat gebeurt ook al in de (dubbele) titel van dit verslag: “Een grondwet is literatuur” en “het is ook een verbeelde wereld”. Even, zij het in het voorbijgaan, roept dit de voordracht op van Koningin Máxima (of was het Mevrouw van Oranje?), die met “De Nederlander bestaat niet” in het jaar 2010 een storm in een glas water veroorzaakte. Bij die storm werd vergeten dat we hier te doen hebben met een paradox, die dicht aanleunt bij de onoplosbare tegenspraak binnen “Alle Kretenzers liegen altijd, zei de Kretenzer”. De spreker komt hier met zichzelf in tegenspraak en dat overkomt Máxima ook. Om de eigenschap “bestaat niet” toe te kennen aan “de Nederlander”, moet die wel bestaan, anders kun je niks zinnigs over hem zeggen. Al heel lang geleden heeft dat probleem een discussie losgemaakt tusen de filosofen Strawson en Russell, waarbij Strawson zeker aan het langste eind trok, door te stellen dat je voor het toekennen van een eigenschap wel een object nodig hebt. 

Lees verder >>

Wat betekent een zachte g?

Door Marc van Oostendorp

Een zin betekent meestal heel veel dingen tegelijk. Hij heeft een letterlijke inhoud, maar door de manier waarop je hem zegt kunnen daar nog allerlei andere betekenislagen aan worden toegevoegd. Wanneer iemand ‘Ik heb geen broers’ zegt met een zachte g, zegt hij niet alleen ‘mijn ouders hebben geen andere mannelijke kinderen gekregen die nog in leven zijn’, maar ook: ‘ik kom uit het zuiden’, en dat betekent op zijn beurt voor sommige hoorders: ‘ik ben een levensgenieter’.

Hoe verhouden die betekenissen zich tot elkaar? Daarover gaat een artikel van de Canadese taalkundige Ai Taniguchi dat sinds kort op internet circuleert. Taniguchi is een semanticus – een taalkundige die betekenis bestudeert. Meestal gaat dat niet om het soort betekenis dat de zachte g uitdrukt (sociale betekenis), maar de semantiek bloeit als weinig andere taalkundige subdisciplines en ieder bloeiend vak heeft de neiging om imperialistisch te zijn en te laten zien hoe de eigen methoden ook elders werken. En zo wil men dus nu ook de sociale betekenis claimen. Eerder besprak ik al een artikel van Heather Burnett in deze richting.

Lees verder >>

Honden hebben drie poten

Door Marc van Oostendorp

Veel van wat we elkaar vertellen over de wereld bestaat uit algemene waarheden die bijvoorbeeld de volgende vorm hebben:

  • Tijgers hebben strepen.

Het ligt voor de hand om te denken dat die zin betekent: alle tijgers hebben strepen. Maar dat kan niet kloppen, zeggen de Amsterdamse taalkundigen Robert van Rooij en Katrin Schulz in een nieuw artikel in Linguistics & Philosophy. Kijk maar naar zinnen als de volgende:

  • Leeuwen hebben manen.
  • Muggen brengen het westnijlvirus over.

Deze zinnen zijn zeker niet waar voor alle leeuwen of alle muggen. Slechts minder dan de helft van alle leeuwen heeft manen (de mannetjes zijn in de minderheid) en een nog veel kleiner deel van de muggen brengt het westnijlvirus over.

Lees verder >>

Het regent nog

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil in betekenis tussenhij slaapt’, en ‘hij slaapt nog’? Nog voegt, zegt de Duitse semanticus Sigrid Beck in een nieuw artikel in Linguistics and Philosophy, twee betekenislagen toe aan het werkwoord: hij sliep in het (eventueel recente) verleden ook; en er is de verwachting dat hij in de toekomst niet meer zal slapen.

Beide lagen laten zich gemakkelijk illustreren. Als twee ouders urenlang ongerust boven een wieg hebben gehangen van een baby die almaar aan het huilen is en ze horen eindelijk een rustige ademhaling, zeggen ze niet tegen elkaar ‘hij slaapt nog’, maar ‘hij slaapt’. Het is voor een nog-zin nodig dat degenoemde handeling of staat van zijn al even aan de gang is.

Lees verder >>

Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv

Door Marc van Oostendorp

Caroline Tensen nu in 1989.
Bron: Wikmedia

Een intrigerend paradoxale kop boven een artikel in Het Parool: ‘Vroeger was ik nu te oud geweest voor tv’. Hij staat boven een interview met de 55-jarige presentatrice Caroline Tensen en bevat twee tijdsverwijzingen die elkaar op het eerste gezicht tegenspreken (vroeger en nu) en is onder andere intrigerend doordat je desalniettemin onmiddellijk begrijpt wat Tensen bedoelt. Het wordt in het stuk zelf door Robert ten Brink geparafraseerd op een manier die de paradox opheft: “Tien jaar geleden was het (…) onmogelijk dat iemand van mijn leeftijd bij [tv zou werken]”. (Hoewel dit nog steeds dubbelzinnig is, en de dubbelzinnigheid alleen wordt opgelost als je zegt ‘mijn huidige leeftijd’.)

Er worden dus twee tijdmetingen naast elkaar gebruikt. Vroeger verwijst naar de ‘objectieve’ kalendertijd (‘tien jaar geleden’), en nu naar de persoonlijke tijdsontwikkeling (‘iemand van mijn leeftijd’). Bovendien weet iedereen onmiddellijk welk woord naar welke tijdsontwikkeling verwijst. De zin kan niet betekenen: Het is momenteel onmogelijk dat iemand die net zo oud is als ik tien jaar geleden bij de tv zou werken.

Lees verder >>

Terug

Door Marc van Oostendorp

De talloze betekenissen die het woord terug in het Nederlands kan hebben, laten zien dat wij in pijlen denken. In een nieuw artikel in het Journal of Semantics maakt de Utrechtse taalkundige Joost Zwarts een lijst met zes betekenissen die terug als bijwoord kan hebben in het Nederlands, en hij laat zien hoe die heel subtiel zijn, maar dat ze ook allemaal aan elkaar verwant zijn.

Zwarts noemt die pijlen paden: lijnen die een ‘canonieke’ richting hebben, normaliter ga je van A naar B, en als je van B naar A gaat, ga je ‘terug’. De tijd is zo’n pad: normaliter bewegen we van het verleden naar de toekomst. Dat noemen we dan de ‘canonieke richting’ van de tijd.

Mochten er ooit tijdreizigers uit de toekomst komen, dan gaan die vanzelfsprekend terug in de tijd, daar is geloof ik geen discussie over mogelijk.

Lees verder >>

Een beetje prettig

Door Marc van Oostendorp

Het begon met een enquête over de kwaliteit van de zorg. Linda Duits kreeg hem opgestuurd, en hij bleek de volgende vraag te bevatten:

Maar, dacht Linda terecht, dat ‘een beetje prettig’ klinkt toch heel raar? En toen haalde ze mij erbij op Twitter, en was ik weer een uurtje zoet.

Want ‘de wachtkamer was een beetje prettig’ klinkt inderdaad een beetje raar, maar hoe zou dat nu komen? ‘De wachtkamer was tamelijk prettig’ klinkt bijvoorbeeld in mijn oren helemaal niet zo vreemd, terwijl dat dezelfde betekenis heeft.

Lees verder >>

Ik houd van koffie want koffie

Door Marc van Oostendorp

Er is wereldwijd iets eigenaardigs gaande: woorden zoals want en omdat zijn in zo uiteenlopende talen als het Duits, Fins, Frans, Italiaans, Koreaans Noors, Roemeens, Russisch, Slowaaks, Tsjechisch én het Nederlands aan een nieuw leven begonnen.

Waar je vroeger want bijvoorbeeld alleen kon gebruiken in zinnen als ‘Ik kan niet komen want ik ga naar Lowlands’, vind je nu zinnen als:

  • nee want lowlands

Deze zin is opgediept uit het internet door Martin Konvička, neerlandicus in Berlijn, voor een artikel in Internationale Neerlandistiek. Hij is overigens niet alleen kenmerkend voor internettaal: ook in gesproken Nederlands hoor je zulke zinnen nu wel en in het verleden vermoedelijk niet.

Lees verder >>

Ricotta is lekker maar ik vind ricotta niet lekker

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen ‘ricotta is lekker’ en ‘ik vind ricotta lekker’? De taalkundigen Inés Crespo en Frank Veltman behandelen het in hun onlangs in Linguistics and Philosophy verschenen artikel Tasting and testing.

In de eerste plaats geef je met het werkwoord vinden natuurlijk aan dat er een subjectief oordeel volgt. Je kunt in die constructie dan ook alleen bijvoeglijk naamwoorden gebruiken die een subjectieve maat aangeven:

  • Ik vind deze auto duur.
  • Ik vind ricotta lekker.
  • Ik vind het getal 20 even. [vreemd]
  • Ik vind dit afval biodegradabel. [vreemd]

Duur en lekker geven subjectieve oordelen weer. Je kunt wanneer iemand zoiets zegt als de eerste twee zinnen eventueel wel volhouden dat hij liegt (hij zit stiekem rare gezichten te trekken terwijl hij van de ricotta eet), maar niet dat jij het beter weet dan de spreker. Even en biodegradabel zijn anders, ze geven objectieve maten aan. Degene die iets beweert over de biodegradabiliteit van afval kan ernaast zitten en een redelijke discussie moet dat kunnen uitwijzen.

Lees verder >>

Nimmer meer ‘vier appels meer’: verdwijnende tijd

Door Henk Wolf

Het Franse woord jamais heeft geen vaste vertaling in het Nederlands. Afhankelijk van de context kun je het als ooit, nooit of altijd vertalen (en er zijn misschien nog wel meer mogelijkheden). Kijk maar naar de onderstaande zinnen:

  • Tu es le pire client que j’ai jamais eu.
    (‘Jij bent de beroerdste klant die ik ooit heb gehad.’)
  • Je n’ai jamais vu autant de colère.
    (‘Ik heb nog nooit zoveel boosheid gezien.’)
  • Il est dans le tombeau pour jamais endormi.
    (‘Hij ligt in het graf, voor altijd ingeslapen.’)

Nederlandstaligen vinden het vaak wat gek dat een woord drie zulke verschillende betekenissen in zich kan verenigen. Toch heeft het Nederlandse ooit naast de betekenis ‘op enig moment’ ook weleens de eigenschap ‘op elk moment’, die we meer met het woord altijd zouden associëren. Kijk maar naar de volgende zinnen:

Lees verder >>

De verdachte moet wel thuis zijn geweest

Door Marc van Oostendorp

Moeten kan van alles betekenen, bijvoorbeeld dat iemand een bepaalde verplichting heeft (‘u moet betalen’) of dat iets noodzakelijk is (‘het balletje moet eerst door dat hekje voor de deur geopend kan worden’). Daarnaast heeft het werkwoord een betekenis die vooral lijkt te gaan over kennis. In dat geval wordt moeten soms vergezeld van wel.

  • De lampen branden. Karel moet wel thuis zijn.

Deze zin wrijft Karel geen verplichting aan en zegt ook niet dat het noodzakelijkerwijs het geval is dat Karel thuis is, maar dat het (zeer) waarschijnlijk is dat Karel zich in het huis bevindt, gegeven een bepaalde stand van kennis, die onder andere wordt verrijkt door de informatie dat de lampen branden. Maar over wiens kennis hebben we het dan?  Lees verder >>

Mijn behoeften lijken op die van Willem Alexander

Door Marc van Oostendorp

Wie had ooit gedacht dat moeten een ding kon zijn? Jullie! Want je kent de uitdrukking “het heilig moeten” waarin moeten als zelfstandig naamwoord functioneert en je hebt er nooit een probleem mee gehad.

In een mooi overzichtsartikel bespreekt de semanticus Frederike Moltmann het curieuze onderwerp van genominaliseerde modale werkwoorden: werkwoorden als verplichten, wensen en behoeven, maar dan gebruikt als zelfstandig naamwoord (verplichting, wens, behoefte).

Moltmann gebruikt het Engels voor haar voorbeelden, maar die taal heeft de eigenaardige eigenschap dat je juist de modale hulpwerkwoorden zoals must en can niet als zelfstandig naamwoord kunt gebruiken: je kunt niet zeggen musting eating potatoes of the canning believe that, terwijl je in bijvoorbeeld het Nederlands best kunt zeggen het moeten eten van aardappelen of het kunnen geloven van sprookjes was Hendrik goed bevallen. Moltmann moet het daarom doen met wat gezochtere nominalisaties als obligation, desire en need. Waarom het Engels zo raar doet over die hulpwerkwoorden wordt niet duidelijk, maar Moltmanns bevindingen lijken me verder ook van toepassing op het Nederlands. (Overigens zijn in het Nederlands het moeten of het kunnen ook niet echt voorbeelden van fraaie stijl, maar dat is iets anders dan totaal onmogelijk, zoals in het Engels.) Lees verder >>

Terwijl het muziekje speelde, tekende het clowntje een ster

Door Marc van Oostendorp

Er klinkt circusmuziek. Een clowntje komt op en doet verwoede pogingen een pot te sluiten. Voor de pot dicht is, houdt het muziekje op.

Is nu de volgende zin een correcte beschrijving van deze situatie:

  • Terwijl het muziekje speelde, sloot het clowntje de pot.

Volwassen moedertaalsprekers van het Nederlands zeggen van niet. ‘Het clowntje sloot de pot’ is alleen juist als de pot na afloop van het optreden van het clowntje gesloten is. Sluiten is, in taalkundig jargon, ‘telisch’, gericht op een doel (telos in het Griek). Als dat doel niet wordt gehaald, is er niet echt gesloten. Lees verder >>

De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden [BOEM!]

. Door Marc van Oostendorp

Je luistert naar een radio-documentaire en je hoort de presentator zeggen: “De soldaat zal zijn doelwit vermoorden”. Terwijl hij het woord vermoorden uitspreekt klinkt het geluid van een explosie. Wat betekent dat?

De natuurlijke interpretatie is natuurlijk: de manier waarop de moord plaats vindt is met een explosie.

Maar nu: de presentator zegt “De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden”, en weer klinkt die explosie. Wat betekent dat? Logischerwijs zijn er twee mogelijkheden:

  • De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden middels een explosie, maar mogelijk wel op een andere manier.
  • De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden, maar als hij het zou doen, dan met een explosie.

De tweede mogelijkheid is de waarschijnlijkere, zo beweert de Berlijnse onderzoeker Robert Pasternak in een extreem kort stukje op de taalkundige website LingBuzz (met hier de geluidsvoorbeelden). Lees verder >>

Woorden zijn geen oorden

Door Flip G. Droste

[Oud Vlaams spreekwoord: Op woorden kun je niet bouwen; Woorden zijn onbetrouwbaar; Taal dekt niet de werkelijkheid]

.I.

Dat taal er niet altijd in slaagt de werkelijkheid vast te leggen, is een vaak terugkerend thema in de filosofie. Zo betoogt ook Verhoeven dat taal een barrière kan vormen als zaken die onze verwondering wekken onder woorden gebracht moeten worden. Hetgeen veelal eerder te wijten is aan een teveel dan aan een tekort aan woorden [1]. Als Wittgenstein zijn vermaarde Tractatus besluit met het wat treurige adagium “Waarvan je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen” [2] lijkt dat ook aan een tekort van de  taal te wijten. En Chomsky meent “hoewel taal machtig en creatief is, hebben de kracht en de creativiteit ervan hun grenzen” [3]. Ook hier blijkbaar een grens waar de woorden niet overheen kunnen.

Waar het hier in essentie om draait is betekenis, de relatie tussen de talige representatie en datgene wat er door wordt aangeduid. Tekortschieten van het betekenisproces dus. Dat is geen kleinigheid: wij blijken immers niet buiten dat proces om te kunnen, op welk geestelijk niveau dan ook. Niet lang geleden vloog een rotsblok uit de ruimte onze dampkring binnen: een groot, sigaarvormig object dat met een snelheid van 40 km/sec fel brandend voortvloog. Onmiddellijk barstten speculaties los over de mogelijke interpretatie van dit verschijnsel. Was het een verkenner uit de ruimte? Een ruimteschip met een kapotte motor? Een spion of, erger nog, de aankondiging van een aanstaande apocalyps? Eén ding: het moest wel een betekenis hebben, immers “we kunnen niet tegen betekenisloosheid” [4]. Lees verder >>

Het meisjemeisje was thuisthuis

Door Henk Wolf

Afgelopen week was ik bij een lezing van Maximilian Frankowsky, die onderzoek doet naar woorden zoals meisjemeisje. Een meisjemeisje is een meisje, maar geen meisje dat in bomen klimt en met raceautootjes speelt. Ze speelt liever prinses en draagt graag jurkjes.

Ik ken woorden zoals meisjemeisje nog maar een paar jaar en ze bestaan ook nog niet zo lang. Wel zijn ze blijkbaar in vrij korte tijd in verschillende talen opgedoken, waaronder naast het Nederlands ook het Engels en het Duits. Ze worden gevormd door het proces van reduplicatie (‘verdubbeling’) en ze geven dat weer wat meestal het prototype van het verdubbelde woord wordt genoemd, het meest typische voorkomen ervan. Lees verder >>

De betekenis van scheldwoorden

Door Marc van Oostendorp

Als ik zeg dat Diederik een mof is, wat zeg ik dan? Daarover gaat een interessant nieuw artikel van Bianca Cepollaro en Tristan Thommen in een van de mooiste taalkundige tijdschriften die er zijn (vind ik), Linguistics and Philosophy.

Het artikel is interessant, hoewel het vooral negatief is. Het gaat over hoe we de betekenis van scheldwoorden niet moeten begrijpen: het is niet het geval dat je de negatieve betekenis van een woord in de definitie kunt opnemen, en dat je dan klaar bent. Je kunt zeggen dat mof betekent: een Duitser en daarom een verwerpelijke persoon, maar de volgende twee zinnen betekenen toch niet precies hetzelfde:

  • Diederik is een mof.
  • Diederik is een Duitser en daardoor een verwerpelijke persoon.

Dat blijkt eigenlijk al, wanneer de de zinnen gaat ontkennen. Ineens kun je ze niet meer in dezelfde omstandigheden gebruiken: Lees verder >>

Wat als betekent

Door Marc van Oostendorp

Het meest onontsluierde raadsel van alle onontsluierde raadselen van de taal is betekenis. ‘Een man loopt op straat’: wat betekent dat? Is het een plaatje van iemand in een straatbeeld? Verwijst het op de een of andere manier naar de werkelijkheid, zo ja, hoe? Wat komt er precies in je koppie als je zo’n zin hoort?

Het meeste succes hebben de taalkundigen die betekenis bestuderen, de semantici, bij de logische aspecten van betekenis: de betekenis van woorden als en en of, van iedereen en niemand: woorden waaraan iets te rekenen valt. En toch valt daar nog van alles aan te pluizen. Dat bewijst een recent artikel over het woord als van de Amsterdamse semantici Robert de Rooy en Katrun Schulz in het Journal of Logic, Language and Information.

Er is iets raars met de volgende zin, zeggen De Rooy en Schulz, en het is lastig om het daar niet eens mee te zijn: Lees verder >>

Ga lekker genieten!

Door Henk Wolf

Recent plaatste iemand in de Facebookgroep ‘Leraar Nederlands’ een foto van een reclamebord met het opschrift ‘geniet van onz Strandbok Bier’. Ik denk dat de plaatser vooral op de gekke spelling van onz of de onconventionele omgang met spaties en hoofdletters wilde wijzen, maar ik vond de gebiedende wijs geniet het opvallendst. Waarom? Omdat die op een bord bij de ingang van een restaurant stond. Ik zou een zin als ‘geniet van ons bier’ alleen gebruiken tegen mensen die al een biertje voor zich hebben.

De zin op het bord is dan ook geen wens zoals ‘slaap lekker’, ‘wees gezegend’, ‘krijg de pip’ of ‘kom veilig thuis’. Hij is eigenlijk een oproep om zelf genot op te roepen door een biertje te gaan kopen. Geniet is dus een aansporing tot actie en voor mijn taalgevoel kan dat niet. Bij mij is genieten namelijk geen werkwoord dat een actie uitdrukt, maar een zogenaamd ervaringswerkwoord – en ervaringen kun je mensen alleen maar toewensen.

Als je in het Nederlands van de negentiende en twintigste eeuw geniet als gebiedende wijs tegenkwam, dan was dat wel een aansporing, maar nog geen heel actieve. De luisteraar werd ertoe aangespoord om acht te slaan op iets wat hem voor de voeten kwam, om zich open te stellen voor een ervaring. Voorbeelden zijn:

Lees verder >>

Wat betekent ook?

Door Marc van Oostendorp

Korte woorden zijn over het algemeen interessanter dan lange woorden. De betekenis van de laatste – hippopotamus. encyclopedie, belastingman – kun je over het algemeen opzoeken in een woordenboek, maar korte woorden hebben vaak allerlei veel moeilijker te vatten betekenisnuances.

Neem ook. Van Dale geeft acht verschillende betekenissen (‘bo­ven­dien, daar­en­bo­ven’, ‘even­zo, even­zeer’, ‘zelfs’, ‘dienovereenkomstig’), maar de lezer van het woordenboek krijgt het idee dat er dan toch allerlei nuances worden gemist. Bijvoorbeeld de zaken die Marlijn Meijer en Sophie Repp beschrijven in een recent artikel over ook.

Ze bespreken daarin dialoogjes als de volgende: Lees verder >>

Ik houd een beetje van jou

Door Marc van Oostendorp

Een belangrijke reden om taal te bestuderen, om de betekenis van taal te bestuderen, is: begrijpen hoe mensen denken. De wereld om ons heen is een permanente chaos, waarin alles door elkaar loopt, maar de taal plaatst alles in keurige categorieën. We ontwaren een vage zwarte en bruine vlekken die corresponderen met ingewikkelde constellaties van atomen in een bepaalde staat, maar we zeggen ‘de kat zit op de mat’.

Zo toont de taal aan dat we niet in vage vlekken of in atoomconstellaties kunnen denken.

De Amerikaanse semanticus Robert Pasternak schrijft zo in een recent artikel over de manier waarop we over gevoelens schrijven: als iets dat je misschien niet kunt meten, maar wel vergelijken:

  • Ik houd heel veel van jou.
  • Ik haat jou een beetje.
  • Hij houdt meer van Anne dan van Onno.

Er bestaat, in onze normale beleving van de wereld kennelijk een maat waarmee we de intensiteit van gevoelens kunnen bepalen. Die maat is niet precies: je kunt niet zeggen ‘ik houd honderdduizend van jou’. Maar kennelijk kunnen we wel bepalen welke liefde groter is dan een ander. Lees verder >>

Wat betekent ‘dat’?

Door Marc van Oostendorp

We zitten samen aan tafel en ik kijk naar mijn bord. Dan hef ik mijn hoofd langzaam op en onheilspellend zeg ik dan: ‘dat is vies’. Wat betekent het woord dat dan? In deze context lijkt het antwoord duidelijk: mijn bord. Om te controleren of ik gelijk heb, moet je het bord dat voor me ligt controleren.

Maar hoe zit dat precies? Volgens veel moderne taalkundigen gaat het vooral om mijn intentie. Met dat bedoel ik ‘dat wat ik bedoel’. Door naar dat bord te kijken zorg ik ervoor dat jullie weten dat ik dat bord bedoel, en daardoor kunnen jullie reconstrueren wat dat betekent.

De Oostenrijkse semanticus Christopher Gauker verzet zich tegen deze gedachte in een nieuw artikel in het tijdschrift Linguistics and Philosophy. Voor hem doet de intentie van de spreker er niet toe bij bepalen wat dat betekent. Hij geeft daarvoor een aardig gedachte-experiment. Stel we zitten weer aan tafel, maar nu zie ik dat jouw bord vies is. Dat wil ik je zeggen, maar onwillekeurig kijk ik daarbij naar mijn eigen bord, en per ongeluk maakt mijn hand een wijzende beweging naar dat bord. Wat betekent ‘dat is vies’ nu? Lees verder >>