Tag: Queeste vanden Grale

Voer voor filologen : na dien (Queeste vanden Grale, r. 1047)

Door Willem Kuiper

In het eerste hoofdstuk van Die queeste vanden Grale wordt de nieuwe held Galaat, een zoon van Lanceloet, die hij onbedoeld, onbewust, ongewild en onwetend verwekte bij de dochter van koning Pelles, op de vooravond van Pinksteren aan de lezers voorgesteld. Galaat is opgegroeid in een klooster van witte (Cisterziënser) nonnen, een reservaat van rust, reinheid en regelmaat, alwaar hij wacht op het moment dat zijn missie zal beginnen: het vinden van de Graal en het doorgronden van het geheim daarvan. Eerst wordt hij door Lanceloet – die niet weet dat Galaat zijn zoon is, evenmin als dat Galaat er weet van heeft dat Lanceloet zijn vader is – tot ridder geslagen. Vervolgens wordt Galaat door een geestelijke aan het hof van koning Artur geïntroduceerd, waar hij plaats mag nemen in de enige zetel aan de Ronde Tafel die nog niet bezet is: het ‘Vreselijk Sitten’, zo geheten omdat alleen de daartoe uitverkoren ridder erin plaats kan nemen. Wannabees zakken kansloos door de zetel heen en vallen gillend dood in de Hel. Lees verder >>

“Daert glat es moet men gliden ende sometijt met pinen staen, na dien dat d’aventuren gaen.” (Die queeste vanden Grale, r. 1194-1196)

Door Willem Kuiper

Het komt niet vaak voor dat ik in het publieke domein instemmend geciteerd wordt, maar onlangs overkwam het mij. In ‘Het handschrift als tijdmachine. Een interview met Jos Biemans, deel 1’ door Viorica van der Roest, laat Jos Biemans mij zeggen: “ja, het lijkt alsof het er staat, maar het staat er niet.” Een dag later trof diezelfde uitspraak mij als een boemerang toen bleek dat ik, weliswaar in zeer goed gezelschap, door het behang gegaan was, zoals wij dat hier in de Zaan zeggen. Maar eigenlijk begon de tragedie al een dag eerder.
Het gaat om het niet bestaande woord ‘miraclere(n)’. Dat kwam ik tegen in hoofdstuk 6 van Die queeste vanden Grale. Ik heb dat spontaan geëditeerd als ‘miracle’ en in een voetnoot de lezing van het handschrift vermeld: miraclere.

Maar toen ik hetzelfde miracl’e in hoofdstuk 7 nog eens tegenkwam, voelde ik nattigheid. “Kopiist B,” vertelde ik in mijn ‘Minicollege over Die queese vanden Grale’, “schrijft een rothand, maar fouten maakt hij nauwelijks.”

Lees verder >>

Minicollege over Die queeste vanden Grale

Door Willem Kuiper

[Tekst uitgesproken tijdens het symposium, gehouden ter gelegenheid van het afscheid van Jos A.A.M. Biemans als bijzonder hoogleraar Boekwetenschap UvA op donderdag 23 november 2017.]

Geachte aanwezigen,

Het komend half uur wil ik het met u hebben over Die queeste vanden Grale. Voor de niet-ingewijden onder u: Die queeste vanden Grale, oftewel de zoektocht naar de Graal, is een 13e-eeuwse Middelnederlandse Arturroman, geschreven in gepaard rijmende versregels, die vertaald werd naar een Oudfranse prozaroman: La queste del saint Graal. De Franse brontekst werd geschreven omstreeks 1220 door één of meer auteurs, waarvan wij niets meer weten dan dat hij of zij sterk beïnvloed waren door het mystieke gedachtegoed van de Orde der Cisterciënzers.
La queste del saint Graal presenteert zich niet als een zelfstandige roman, bevat ook geen proloog of epiloog, maar als een naadloos vervolg op bestaande romans: enerzijds L’Estoire del saint Graal, de geschiedenis van de Graal, die begint ten tijde van het Laatste Avondmaal, en anderzijds de Lancelot en prose, het meest gelezen, beluisterde en besproken boek van die dagen. In de Lancelot en prose wordt verteld hoe de koningszoon Lancelot, in ballingschap geboren, in afzondering opgegroeid en opgevoed door een fee – dat is een vrouw met magische krachten en machten – op achttienjarige leeftijd geïntroduceerd wordt aan het prestigieuze hof van koning Artur. Daar ontstaat een hartstochtelijke liefdesverhouding tussen Lancelot en de vrouw van koning Artur. Hoewel hun liefde buitenechtelijk is, wordt zij beschreven als een veredelende kracht en een nobel streven, en inspireert zij Lancelot tot het verrichten grootse daden van zinvol geweld, zodat hij uitgroeit tot de beste ridder van zijn tijd. Lees verder >>

Die Queeste vanden Grale, hoofdstuk 7

Die Queeste vanden Grale

zoals bewaard gebleven in het handschrift KB Den Haag 129 A 10
(Lanceloet-compilatie)
Hoofdstuk 7:
Hoe Lanceloet quam t’enen hermite dine castide, ende hoe hi die hare ontfinc

Hoe Lanceloet bij een kluizenaar kwam die hem vermaande, en hoe hij een onderhemd van (dieren)haar ontving (om daarmee boete te doen)

Proefleesversie
Voor de hoofdstukken 1-6 zie de BML

Proeflezers gezocht voor editie Queeste vanden Grale

Proeflezer(s) gezocht voor (een digitale) editie van die Queeste vanden Grale

door Willem Kuiper

Dit bericht is vooral gericht tot bezitters en lezers van delen van de reeks Middelnederlandse Lancelotromans, die in 1981 van start ging met de handelseditie van het proefschrift van F.P. van Oostrom: Lantsloot vander Haghedochte. Onderzoekingen over een Middelnederlandse bewerking van de Lancelot en prose. De hoofdmoot van deze reeks is een integrale editie van het zogeheten Haagse Lancelot handschrift KB 129 A 10, beter bekend onder de naam Lancelotcompilatie.
     Na mijn vrije transfer in 2004 van het Meertens Instituut KNAW naar het toenmalige Constantijn Huygens Instituut KNAW raakte ik betrokken bij dit project, en nam ik op mij de tweede helft van de Graalqueeste in deze reeks te editeren.
     Aanvankelijk heb ik mij voor die editie moeten baseren op zwart-wit foto’s van het handschrift en mij braaf gehouden aan de conventies van de reeks. Gaandeweg kwam ik tot het besef dat die regels in geval van de Queeste een typografisch gedrocht zouden opleveren. Dat gevoel van onbehagen werd er een stuk minder op toen mij werd meegedeeld dat ik er niet op moest rekenen dat mijn deel van de Queeste in boekvorm zou verschijnen. Vanaf die tijd had ik een digitale editie voor ogen. Vervolgens kreeg ik op een goede dag digitale kleuren foto’s van het handschrift, in een zo hoge resolutie dat je ‘alles’ kon zien. Hierna kon ik weer helemaal van voren af aan beginnen.
Lees verder >>