Tag: psycholinguïstiek

Hoe kun je iemand verstaan in een drukke kroeg?

Stel je staat in een drukke kroeg en je wilt iemand aan de andere kant van de bar vragen of hij een drankje wil. Door de muziek en het rumoer ben je natuurlijk totaal niet te verstaan. En tóch begrijpt die persoon wat jij bedoelt. Linda Drijvers (Radboud Universiteit) vertelt in dit college hoe onze hersenen in dit soort situaties al hun krachten bundelen om zo verschillende waarnemingen aan elkaar te kunnen koppelen.

(Bekijk deze video op YouTube)

In geval van twijfel: vraag een frisist!

Door Henk Wolf

Een bekende vertelde me deze week dat ze had meegedaan aan een psycholinguïstisch onderzoek. De onderzoeker had elektroden op haar hoofd geplakt en daarna moest ze Friese woorden naar het Nederlands vertalen en andersom. Ze wist niet precies wat het doel van het onderzoek was, maar het viel haar wel op dat de onderzoeker niet Friestalig was en misschien niet in de gaten had dat sommige Friese testwoorden in haar dialect niet werden gebruikt of heel erg schrijftalig waren, waardoor ze minder vlot tweetalig zou kunnen lijken dan ze in werkelijkheid was.

Ik ken het onderzoek niet en het is best mogelijk dat de onderzoeker die woorden met opzet had gekozen. In z’n algemeenheid echter is er wel een risico dat onderzoekers die onderzoek doen met behulp van een taal die ze zelf niet beheersen, te makkelijk vertrouwen op het woordenboek. Dat geldt met name voor een taal als het Fries, die veel minder gestandaardiseerd is dan grote staatstalen zoals het Nederlands.

Er zijn wel vaker onderzoekers in die valkuil gestapt. Recent viel het me nog op toen ik een artikel van de Groningse onderzoekers Wencke Veenstra, Mark Huisman en Nick Miller uit 2014 las. Zij hebben onderzoek gedaan naar woordvindingsproblemen bij Friese Alzheimerpatiënten. Ze lieten 26 van zulke patiënten plaatjes beschrijven – in het Fries en in het Nederlands. Volgens de onderzoekers waren de woordvindingsproblemen in het Fries groter dan in het Nederlands. Dat verschil probeerden ze vervolgens te verklaren door aan te nemen dat de patiënten in hun latere leven meer Nederlands hadden gesproken dan Fries waardoor ze sneller op de Nederlandse woorden konden komen.

Lees verder >>

Ben je slimmer als je dt-fouten maakt?

Word, wordt, aangeleerd, aangeleert of aangeleerdt? Iedereen kent de dt-regel. En toch maakt iedereen er fouten tegen. Ja, iederéén, ook jij! Hoe komt het toch dat iedereen zoveel moeite heeft met zo’n simpele regel? Misschien ben je gewoon te slim voor zo’n banale regel? Want de grootste genieën, dat zijn vaak de meest verstrooide mensen, niet? Professor Dominiek Sandra is psycholinguïst aan de UAntwerpen en deed er onderzoek naar.

(Bekijk deze video op YouTube.)

Aan de muur en een boek aan Jan geven na een hersenbloeding

Door Marc van Oostendorp

Dat we met allerlei vernuftige technieken in ons brein kunnen kijken, betekent vooralsnog niet dat we een heel duidelijk beeld hebben van hoe we de miljarden dingen die we weten (dat in de herfst de blaadjes van de bomen vallen, dat je een banaan niet bij het steeltje moet beginnen schillen, dat de supermarkt over vijf minuten open gaat en op drie minuten loopafstand ligt – allemaal dingen die ook best anders hadden kunnen zijn) allemaal in ons geheugen hebben opgeslagen, dat verbluffende archief van trivia en diepzinnigheden.

De taal is een goed geval om zulke dingen aan te toetsen. Na letterlijk duizenden jaren van onderzoek weten we wel een paar dingen – dat zelfstandig naamwoorden andere dingen zijn dan werkwoorden, dat zinnen in de lijdende vorm kunnen staan of niet, dat persoonlijk voornaamwoorden een afgekorte versie kunnen hebben of niet. De taal is een enorm ingewikkeld systeem, maar in vergelijking met allerlei andere kennis die mensen hebben redelijk goed te isoleren en redelijk goed te beschrijven. Lees verder >>

Ik zeg dat omdat ik kan dat

Door Marc van Oostendorp

Van taalfouten en versprekingen kun je veel leren – bijvoorbeeld over hoe taal in ons hoofd werkt. Dat weten we al heel lang, en zeker voor de tijd van heel precies geplande experimenten waarbij mensen teksten op computers voorbij zagen flitsen of van hersenscans terwijl mensen naar het woord potgrond zoeken, waren foutjes en versprekingen een goede bron van kennis over taalpsychologie.

In een nieuw artikel in het tijdschrift Language Sciences laten Gerard Kempen en Karin Harbusch zien dat versprekingen nog steeds een bron zijn. Deze keer is het hen te doen om mensen die zoiets zeggen als:

  • Ik kan niet komen omdat ik heb tot half één tentamen. [zin 1]

Lees verder >>

Zelfstandig naamwoorden vertragen

Door Marc van Oostendorp

Slecht nieuws voor de liefhebber van het zelfstandig naamwoord: werkwoorden zijn gemakkelijker uit te spreken. Dat blijkt uit een nieuw artikel in het tijdschrift PNAS door de Amsterdamse onderzoeker Frank Seifart en een groep  collega’s.

Seifart deed iets wat op het eerste gezicht heel eenvoudig was: hij analyseerde geluidsopnamen van sprekers van zes heel verschillende talen: niet alleen Nederlands en Engels, maar ook twee indianentalen uit Latijns Amerika (Bora en Baure), en twee uit Noord-Amerika (Hoocąk), een Eskimotaal (Even) en een taal uit de Himalaya (Chintang). Lees verder >>

Deze en die zijn niet egocentrisch

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen die vogel en deze? De betekenis van aanwijzende voornaamwoorden is een voortdurende zoektocht, maar er zijn nu nieuwe, experimentele gegevens. Maandag promoveert David Peeters in Nijmegen op een proefschrift over aanwijzende voornaamwoorden én over de betekenis van wijzen met je vinger.
Een belangrijk punt voor Peeters is dat wijzen niet ‘egocentrisch’ is. Veel analytici veronderstellen dat deze en dit betekenen: dicht bij mij, de spreker, terwijl die en dat betekenen: ver van mij af. De wereld wordt dus georganiseerd om de spreker heen.
Tegenover dat egocentrische beeld plaatst Peeters een ‘sociocentrisch’ perspectief.

Lees verder >>

Kan je taal je dommer of seksistischer maken?

Een genuanceerd ‘manifest’ over taal en denken

Door Marc van Oostendorp

Je aandacht is meteen getrokken wanneer je de eerste zinnen leest van het nieuwe boek van de Amerikaanse taalkundige John McWhorter: “Dit boek is een manifest,” schrijft hij. “Ik ga hier een idee tegenspreken dat sinds de jaren dertig bepaalde academici in hun greep heeft en dat de laatste tijd ook een sterke invloed heeft gekregen op het publieke debat. Het is het idee dat talen de manier beïnvloeden waarop mensen denken en de wereld waarnemen.”

Dat idee staat bekend als (neo-)Whorfiansme, omdat de Amerikaanse verzekeringsadviseur en amateurtaalkundige Benjamin Lee Whorf (1897-1941) het beroemd gemaakt heeft. Het is volgens Whorter de afgelopen jaren vooral populair geworden door boeken van Guy Deutscher en Dan Everett, die ik toevallig vorig jaar allebei op Neder-L besproken heb (Deutscher; Everett). In kranten en op allerlei websites lees je ineens dat mensen erop wijzen dat de taal die je spreekt bepaalt hoe je de wereld en het leven beschouwt.

In een zeer levendig en toegankelijk geschreven betoog belicht McWhorter alle kanten van het debat. Tock kun je zijn boek geen manifest noemen. Daarvoor is het veel te genuanceerd.

Lees verder >>

Vondel en psycholinguïstiek: conclusie en nawoord

Door Viorica Van der Roest
Voorwoord           Deel 1    Deel 3    Deel 5    Deel 7    Deel 9
Inleiding                Deel 2    Deel 4    Deel 6    Deel 8    Deel 10
Het was mijn bedoeling om te onderzoeken of er een verband bestaat tussen de lengte van de perceptieve continua en het aantal enjambementen enerzijds en de inhoud van Vondels Inwydinge van ’t Stadthuis t’ Amsterdam anderzijds. Mijn conclusie is dat er inderdaad een dergelijk verband bestaat. Lange perceptieve continua lijken te corresponderen met rationele geestesgesteldheden; korte perceptieve continua met emotionele geestesgesteldheden. Een groot aantal enjambementen correspondeert met enthousiasme, levendigheid, trots, verontwaardiging, de intentie om te overtuigen, of een dynamische beschrijving. Wanneer er in een passage juist weinig enjambementen voorkomen, correspondeert dit met feitelijkheid, zakelijkheid, droge beschrijvingen en opsommingen, of stelligheid.
Mijn bevindingen komen in grote lijnen overeen met die van Van Leuvensteijn en Noldus* en Van Leuvensteijn en Wattel (2002). Nieuw is mijn constatering dat lange perceptieve continua lijken te corresponderen met een soort vogelvluchtperspectief, terwijl korte perceptieve continua de indruk wekken dat verteller en publiek midden in de beschreven gebeurtenissen staan. Misschien is dit juist uit mijn onderzoek naar voren gekomen omdat een epische tekst, meer dan een toneeltekst, zich bij uitstek leent om taferelen en gebeurtenissen uitgebreid te beschrijven.
Lees verder >>

Vondel en psycholinguïstiek deel 10: combinaties (2)

Door Viorica Van der Roest
Voorwoord           Deel 1    Deel 3    Deel 5    Deel 7    Deel 9
Inleiding                Deel 2    Deel 4    Deel 6    Deel 8
Vorige week besprak ik de combinatie van lange perceptieve continua met veel of juist weinig enjambementen; deze week zijn de korte perceptieve continua aan de beurt. Wanneer er in Vondels Inwydinge van ’t Stadthuis t’ Amsterdam een combinatie optreedt van korte perceptieve continua en weinig enjambementen, is er sprake van meeslepende, spannende of gehaaste passages, waarin een snelle opeenvolging van gebeurtenissen wordt beschreven. Een voorbeeld is de passage over de brand in het oude stadhuis, die ook het in aanbouw zijnde nieuwe stadhuis bedreigde:
            Vulkaen,/ toen ’t nachtglas net ten halve was verloopen,/
            De wachters,/ van den slaep beschooten, stom en stil,/
280      Vergaten hunne wacht,/ voltreckt Saturnus wil,/
            Ontsteeckt het zolderveen van boven, met zijn voncken./
            Het veen geraeckt in brant,/ dat eertijts lagh verdroncken:/
            Dus brant het vier den balck, den zolder, en het dack.
De gansche stadt waect op,/ de vlam ging op,/ en stack =>
285      Het torenbuskruit aen./ Nu rusten geene bedden./
            De trousten schieten toe,/ en reppen zich,/ en redden =>
            De brieven, boucken, gelt, trezoor, en banck en schat;/*
 / = de grens tussen twee perceptieve continua
=> = enjambement

Lees verder >>

Vondel en psycholinguïstiek deel 9: combinaties (1)

Door Viorica Van der Roest
Voorwoord           Deel 1    Deel 3    Deel 5    Deel 7
Inleiding                Deel 2    Deel 4    Deel 6    Deel 8
In aflevering 5 vertelde ik dat in Vondels Inwydinge van ’t Stadthuis t’ Amsterdamlange perceptieve continua lijken te corresponderen met kalmte, omstandigheid, zakelijkheid, droogheid en een serieuze instelling. Daarnaast lijkt er bij lange perceptieve continua, wanneer er een bepaald tafereel beschreven wordt, sprake te zijn van een soort vogelvluchtperspectief, waarbij dichter en publiek van enige afstand naar het tafereel kijken.
Het voorkomen van uitzonderlijk veel enjambementen lijkt in deze tekst te corresponderen met enthousiasme, levendigheid, spanning, trots, verontwaardiging, een dynamische beschrijving en de intentie om het publiek ergens van te overtuigen. Je krijgt de indruk dat de dichter meer betrokken is bij wat hij vertelt dan in de passages met weinig enjambementen, waarin feitelijkheid, zakelijkheid, droge opsommingen en beschrijvingen, en stelligheid overheersen.
In sommige passages treedt er een combinatie op van lange perceptieve continua en een uitzonderlijk aantal enjambementen. Een combinatie van lange perceptieve continua en extreem veel enjambementen zien we bijvoorbeeld in het begin van het gedicht (vers 1 tot en met 50). Hier is sprake van een kalme, tevreden introductie van het onderwerp.
Lees verder >>

Een hardnekkige taalfout die nooit de norm zal worden

(Ik meen het.)

Door Marc van Oostendorp


Sommige taalfouten blijven altijd bestaan. Ze zullen ook nooit goed gerekend worden, zelfs niet door de zachtmoedigste taalkundige; al is het maar omdat ze altijd randverschijnselen zullen blijven tot het einde der taal, dingen die alleen maar incidenteel en per ongeluk gezegd worden en nooit door grote massa’s worden overgenomen.

Een voorbeeld daarvan kwam dit weekeinde voorbij op het Meldpunt Taal:

De laatste tijd lees ik regelmatig zinnen waarin de persoonsvorm in enkelvoud staat in plaats van in meervoud, of omgekeerd. Twee recente voorbeelden: 1. “Medewerkers van een Brits beveiligingsbedrijf mishandelt gedetineerden in Zuid-Afrika.” 2. “Hij meent dat beloningen verdere vergroting aanmoedigt.” Het lijkt erop dat de persoonsvorm zich aanpast aan hetgeen er het dichtstbij staat in de zin, in plaats van aan het onderwerp van de zin.

De genoemde voorbeelden komen uit NRC Handelsblad, en hoewel ik betwijfel dat dit iets is van ‘de laatste tijd’, heeft die anonieme melder het goed gezien.
Lees verder >>

Vondel en psycholinguïstiek deel 8: passages met weinig enjambementen

Door Viorica Van der Roest
Voorwoord           Deel 1    Deel 3    Deel 5    Deel 7
Inleiding                Deel 2    Deel 4    Deel 6
Wanneer er in de Inwydinge van ’t Stadthuis t’ Amsterdam in een passage uitzonderlijk weinig enjambementen voorkomen, lijkt dit te corresponderen met feitelijkheid, zakelijkheid, droge opsommingen en beschrijvingen, en stelligheid. Een voorbeeld van zo’n droge, zakelijke beschrijving is de passage waar de verteller de gebeurtenissen op de onderste verdieping van het nieuwe stadhuis beschrijft. Hier waren onder andere verschillende afdelingen van de Wisselbank gevestigd. De bedrijvigheid op deze verdieping wordt wel duidelijk, maar de verteller lijkt er niet erg door aangedaan.
            Hier slaept een zilvermijn, in Kresus zilverkelder./
            Men toetst hier zilver, gout,/ gemunt en ongemunt./
960      De Wisselheer vooraen den koopman toegang gunt;/
            d’ Ontfanger,/ achter hem,/ ontfangt de ronde schyven,/
            Of keertze weder uit,/ om ieder te geryven./
            De wisselschryver houdt de boecken,/ dicht hier by,/
            Bekleet den Wisselheer,/ en hangt aen ’s meesters zy./*
/ = de grens tussen twee perceptieve continua
=> = enjambement

Lees verder >>