Tag: Pronomina in de lyriek

‘hij verbaast zich er niet over dat ze hem dwarszitten’

Pronomina in de lyriek (10)

Door Marc van Oostendorp

‘Documentairepoëzie’ noemt Tsead Bruinja de gedichten in zijn nieuwe bundel Springtij. De flaptekst meldt dat ‘de mensen die we ter beschikking stellen aan de staat zelf aan het woord komen, in hun eigen taal’. Dat procédé kennen we onder andere uit een bundel die de vórige Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin schreef, Lange armen over de politie.

Lees verder >>

‘en zo blijf je een stille vriend’

Pronomina in de lyriek (9)

Door Marc van Oostendorp

Pennenvriend

Dag liftkooibewoner in het station
die ik nooit aanspreek omdat ik bang ben
voor je gedachten als ik je geld geef
je lijkt op mijn pennenvriend van toen ik veertien was
die ik een foto van mijn tepel stuurde in ruil
voor een Kiplingaapje en een zak ribbelchips die ik niet kreeg
mijn tepel kon ik niet terugnemen
en zo blijf je een stille vriend
aan wie ik brieven schrijf
in de landschappen die ik voorbijrijd

De bierdrinkers met lege blikjes
in de stiltecoupé vloekend op vertraging
weten beter dan ik
wat ze wensen
als ze in de wolken een olielamp zien
een slok bier binnen handbereik

Als iemand nog bewijs nodig heeft dat jij geen aangesproken persoon is in lyrische gedichten, dan zou hij Pennenvriend kunnen nemen uit Carmien Michels’ veelgeprezen bundel We komen van ver (2017). De zin ‘die ik nooit aanspreek’ is onmogelijk uit te spreken in alledaagse conversatie, tenzij de spreker met nooit zoiets bedoeld: nooit behalve nu. (‘Ik doe dat anders nooit, maar vandaag maakte ik een dansje in de regen.’)

Lees verder >>

De aanhalingstekens bij Marsman

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (6: H. Marsman, Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen)

Door Marc van Oostendorp

In de bundel Tempel en kruis (1940) van H. Marsman bestaat, net als in veel van zijn andere werk, een correlatie tusen het voorkomen van persoonlijk voornaamwoorden in de eerste of tweede persoon en aanhalingstekens om de hele tekst van het gedicht. De meeste gedichten gaan helemaal niet over ik of gij. Vaak is er alleen sprake van een beschrijving van de natuur, en personen komen alleen in de derde persoon voor:

Lees verder >>

Je ligt ver weg met je vriendinnetje te rollebollen

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (7: Erik Bindervoet, De droom van Eb inkt diervoer)

Door Marc van Oostendorp

Erik Bindervoet is, samen met Robbert-Jan Henkes, misschien wel de taalvaardigste spreker van het Nederlands van dit moment. De twee toonden dat met vertalingen van onder andere James Joyce, Shakespeare, Bob Dylan en de Beatles, Bindervoet laat het ook zien met zijn dichtbundels, zoals zijn laatste: De droom van Eb inkt diervoer (waarin ook nog een andere titel wordt aangekondigd: De droom van erotiek verbindt).

Lees verder >>

‘ben jij ook, heeft hij jou ook’

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (6: K. Michel, & rol door)

Als ik de lezerspost mag geloven, raak ik met deze reeks iets aan dat reëel is, terwijl het nauwelijks besproken wordt. De keuze van persoonlijk voornaamwoorden in gedichten – voor geen van de bundels die ik tot nu toe besprak heb ik recensies gevonden die er iets over zeiden –, maar ik heb van de auteurs van de meeste tot nu toe besproken bundels een mailtje gekregen waarin ze vertelden dat dit inderdaad iets was waar ze goed over hadden nagedacht.

Lees verder >>

Iemand zegt dat ze haar kind niet bij het vuilnis mocht smijten

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (3: Esther Jansma, rennen naar het einde van honger)

Door Marc van Oostendorp

Rennen naar het einde van honger is een voornaamwoordelijk feest. Bijna alle persoonlijk voornaamwoorden komen er in voor, en omgekeerd worden personen bijna allemaal aangeduid met voornaamwoorden en niet als Marietje of de dame met de gele hoed.

Lees verder >>

Als ik nu met jou spreek, wanneer moet ik dan met een ander spreken?

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (1: Nachoem Wijnberg, Joodse gedichten)

Door Marc van Oostendorp

Van de drie klassieke hoofdgenres – lyriek, epiek, dramatiek – spelen persoonlijk voornaamwoorden de intrigerendste rol in het eerste genre. In toneel is vrijwel altijd volkomen duidelijk wie er met ik of jij bedoeld wordt: degene die nu aan het woord is, degene tot wie de spreker zich richt. In verhalen kan het soms wat ingewikkelder worden – romans met vertellers in de ik-vorm, boeken waarin ineens de lezer wordt aangesproken – maar ook hier geldt doorgaans dat de personages weliswaar verzonnen zijn, maar zich toch meestal houden aan de conventies van wie er de eerste, de tweede of de derde persoon is.

Lees verder >>