Tag: pragmatiek

Ironie is niet het omgekeerde zeggen van wat je denkt

Ilja Leonard Pfeijffer als ironicus

Door Marc van Oostendorp

Het is een geleerd essay, dat Ilja Leonard Pfeijffer schreef over de ironie. Hij lardeert zijn betoog, Ondraaglijke lichtheid, – dat ongeveer tot strekking heeft dat de ironie een mooi stijlmiddel is maar dat het tot nihilisme voert wanneer je je hele leven ironisch gaat leven – met verwijzingen naar tal van geleerden uit binnen- en buitenland, uit vroeger tijd en uit het heden.

Pfeijffer presenteert die opvatting als een inzicht dat hij tot zijn eigen verrassing verworven zou hebben tijdens het schrijven van zijn essay. Oorspronkelijk was zijn bedoeling om voor de ironie te pleiten, maar uiteindelijk herzag hij zijn mening.

Dat kun je alleen maar interpreteren als een teken dat de schrijver zijn eigen oeuvre niet goed kent. Daar zitten weliswaar een paar door en door ironische boeken in – de gedachten gaan onwillekeurig uit naar Het ware leven. Een roman – maar toch ook vrijwel vanaf het begin oproepen om serieus te zijn. Bovendien is inmiddels misschien wel zijn bekendste gedicht Idylle 7. Dat gedicht richt zich weliswaar niet zozeer tegen de ironie, maar wel tegen moedwillige duisterheid – het probleem is in essentie hetzelfde: dichters verschuilen zich achter de ontworteling zoals essayisten achter de ironie. Het gedicht eindigt dan ook met de regels:

Lees verder >>

Ik houd van koffie want koffie

Door Marc van Oostendorp

Er is wereldwijd iets eigenaardigs gaande: woorden zoals want en omdat zijn in zo uiteenlopende talen als het Duits, Fins, Frans, Italiaans, Koreaans Noors, Roemeens, Russisch, Slowaaks, Tsjechisch én het Nederlands aan een nieuw leven begonnen.

Waar je vroeger want bijvoorbeeld alleen kon gebruiken in zinnen als ‘Ik kan niet komen want ik ga naar Lowlands’, vind je nu zinnen als:

  • nee want lowlands

Deze zin is opgediept uit het internet door Martin Konvička, neerlandicus in Berlijn, voor een artikel in Internationale Neerlandistiek. Hij is overigens niet alleen kenmerkend voor internettaal: ook in gesproken Nederlands hoor je zulke zinnen nu wel en in het verleden vermoedelijk niet.

Lees verder >>

Over lijken

Door Henk Wolf

Ik heb jarenlang een abonnement gehad op een Deenstalige krant. Daarin vielen me altijd de berichtjes op van het overlijden van bekende mensen. Die-en-die ‘er død’, stond er dan als kop: die-en-die ‘is dood’. In Nederlandse kranten zie je, dat is althans mijn indruk, doorgaans wat omfloerstere formuleringen.

In z’n taalcolumn in de Trouw schrijft Ton den Boon vandaag over een verwante kwestie, namelijk die van de gevoeligheden rondom het woord lijk. Daarover wordt de afgelopen maanden wel vaker geschreven. De aanleiding is een initiatiefnota van Kamerlid Monica den Boer van D66. In die nota van november vorig jaar staat over het woordgebruik:

3.1 Gebruik niet het woord “lijk” op gemeenteformulieren

Nadat iemand is overleden en de arts een verklaring van overlijden heeft gegeven, moet een nabestaande of de uitvaartverzorger verlof tot cremeren of begraven aanvragen bij de gemeente (artikel 11 en 11a WBL). Pas dan kan iemand worden begraven of gecremeerd. De formulieren voor deze verloven zijn vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken. In deze formulieren wordt voor de overledene het woord “lijk” gebruikt. Uit de ervaring van gemeenten blijkt dat deze term als onnodig confronterend en soms zelfs als kwetsend wordt ervaren door nabestaanden. Deze formulieren voor de verloven moeten daarom gewijzigd worden, zodat deze minder emotioneel belastend zijn.
Vanuit deze gedachte kan ook de naam van de wet gewijzigd worden.

Lees verder >>

Zinnen als contracten

Door Marc van Oostendorp

Het beste taalkundige artikel dat ik dit jaar gelezen heb is Communication as commitment sharing: speech acts, implicatures, common ground van de Nijmeegse taalfilosoof Bart Geurts. Het verscheen onlangs in het tijdschrift Theoretical Linguistics, met commentaar van allerlei vakgenoten.

Geurts’ ambities zijn groots. In zijn artikel wil hij een nieuw antwoord formuleren op de vraag wat de basis is van menselijke communicatie in taal. Uit het onderzoek van de zogeheten pragmatici in de twintigste eeuw weten we dat iedere zin die we uitspreken een taaldaad is. Je verandert de wereld een klein beetje door iets te zeggen: wanneer ik sorry zeg, ben jij bijvoorbeeld niet meer kwaad op mij.

Maar wat zijn precies die taaldaden? Wat verander je nu precies aan de wereld met het uitspreken van een zin? Er zijn, zegt Geurts, twee manieren om die vraag te beantwoorden. De meeste onderzoekers gaan uit van een psychologische interpretatie. Als Koos tegen Kees zegt ‘ik zal vanavond afwassen’, dan spreekt Koos zijn intentie uit; en Kees weet daarna dus iets over wat er zich in Koos’ hoofd afspeelt.

Lees verder >>

Het is even met Henk

Door Henk Wolf

Toen er nog geen nummerherkenning was, moest je jezelf als beller expliciet bekendmaken aan de persoon die de hoorn had opgenomen. Daar zijn allerlei standaardzinnetjes voor:

  • Je spreekt met Flip.
  • Jansen spreekt u.
  • Flip hier!

Een in Friesland gebruikelijk zinnetje is (in de Friese en de Nederlandse versie):

  • It is even mei Henk.
  • Het is even met Henk.

Wie het beter weet, moet het zeggen, maar mijn indruk is dat het gebruik bij de provinciegrens ophoudt. Groningers reageren er over het algemeen wat verbaasd op en thematiseren het ook geregeld als ‘iets wat Friezen doen’. Ik kon op internet ook alleen Friestalige voorbeelden vinden:

Lees verder >>

Wees precies

Door Marc van Oostendorp

Dat we van onze gesprekspartners normaliter een zekere precisie verlangen, valt gemakkelijk aan te tonen. Neem nu de volgende zinnen (die ik vertaal uit dit artikel).

  • Een zon schijnt.
  • Al Jans ouders zijn aanwezig op de ouderavond.
  • Jan gelooft dat Parijs in Frankrijk ligt.

Alle drie deze zinnen zijn vreemd. Ze lijken te veronderstellen dat we in een wereld leven waarin meer dan één zon is, waarin ieder kind desgewenst hordes ouders naar ouderavonden kan afvaardigen en waarin er twijfel mogelijk is over de vraag waar Parijs precies ligt.

Maar waarom?

Lees verder >>

Het Nederlands is ook een beetje een gebarentaal

Door Henk Wolf

Het menselijke brein zit zo in elkaar dat het allerlei regelmatigheden ontdekt in de taal van anderen en die zo onthoudt dat ze ook weer gebruikt kunnen worden, grotendeels onbewust. Al in onze vroegste jeugd gaan de hersenen met dat project aan de slag. Dan verwerven kinderen hun moedertalen. Blijkbaar bestaat er een voorkeur voor om in die moedertalen klanken te gebruiken, want de meeste culturen gebruiken gesproken talen. Een wet van Meden en Perzen is dat niet, want in dovengemeenschappen ontstaan gebarentalen. Die zijn overigens voor horende mensen ook goed te leren en een horend kind kan ook prima met een gebarentaal én een gesproken taal als moedertalen opgroeien. Het brein is flexibel.

We vereenvoudigen de werkelijkheid eigenlijk een beetje als we zo’n strikt onderscheid maken tussen ‘gesproken talen’ en ‘gebarentalen’. Veel gebarentalen hebben naast zichtbare ook hoorbare elementen, de zogenaamde ‘gesproken componenten’.

En andersom? Zitten er in gesproken taal ook gebaren? Ja, tuurlijk communiceren we met gebaren, bijvoorbeeld tegen je voorhoofd tikken of in je handen klappen, maar die horen niet bij ons taalsysteem. Blijven er dan nog gebaren over die wel deel van het Nederlands of een andere gesproken taal vormen? Dat je taal kunt opschrijven en dan per definitie geen gebaren aan je lezer kunt laten zien, lijkt erop te wijzen dat gesproken taal gebarenloos en echt volledig op klank gebaseerd is. Maar dat is niet helemaal waar.

Lees verder >>

Wegens omstandigheden

Door Marc van Oostendorp

Een vrolijk moment, onlangs bij de Amerikaanse collega’s van Language Log: blogger Victor Mair vond de volgende aankondiging ergens in San Francisco:

we close today for some reason

In het Chinees lijkt er te staan dat de winkel dicht is om een specifieke reden; het is daarbij kennelijk niet nodig om te vermelden wat die reden dan eigenlijk is. In het commentaar meldde zich al snel de Amsterdamse taalkundige Lachlan Mackenzie die wees op een interessant artikel dat hij een aantal jaar geleden wijdde aan de Nederlandse constructie wegens omstandigheden.

Lees verder >>

Ironie en samen naar een concert gaan

Door Marc van Oostendorp

Common ground.

Een van de fascinerendste verschijnselen in de communicatie is ongetwijfeld de ironie. Het is typisch menselijk: ik geloof niet dat er diersoorten zijn die elkaar ironisch bejegenen, en  kunstmatige intelligentie is er bij mijn weten ook nog niet aan toe.

Het is alleen de vraag hoe je het gebruik van ironie precies moet begrijpen. De klassieke definitie is dat je bij ironie het ‘omgekeerde zegt van wat je bedoelt’. Je kijkt uit het raam, het regent pijpenstelen, en je zegt ‘lekker weer, hè’.

Dat voorbeeld is alleen minder kenmerkend dan je zou denken. Er zijn allerlei problemen met die definitie, en in een recent (ongepubliceerd) artikel vatten de Amerikaanse taalkundigen Cohn-Gordon en Bergen die aardig samen. Lees verder >>

De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden [BOEM!]

. Door Marc van Oostendorp

Je luistert naar een radio-documentaire en je hoort de presentator zeggen: “De soldaat zal zijn doelwit vermoorden”. Terwijl hij het woord vermoorden uitspreekt klinkt het geluid van een explosie. Wat betekent dat?

De natuurlijke interpretatie is natuurlijk: de manier waarop de moord plaats vindt is met een explosie.

Maar nu: de presentator zegt “De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden”, en weer klinkt die explosie. Wat betekent dat? Logischerwijs zijn er twee mogelijkheden:

  • De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden middels een explosie, maar mogelijk wel op een andere manier.
  • De soldaat zal zijn doelwit niet vermoorden, maar als hij het zou doen, dan met een explosie.

De tweede mogelijkheid is de waarschijnlijkere, zo beweert de Berlijnse onderzoeker Robert Pasternak in een extreem kort stukje op de taalkundige website LingBuzz (met hier de geluidsvoorbeelden). Lees verder >>

Die meneer

Door Henk Wolf

Een collega van mij gebruikt de woorden meneer en mevrouw op een opvallende manier. Zet ze er een naam achter, dan is er niets ongewoons aan. De persoon over wie ze het heeft, wordt dan op een neutrale of positieve manier aangehaald. Meestal zijn die meneren en mevrouwen met een naam mensen uit eerdere levensfasen. Zo zou ‘meneer Hilbertsen’ een leraar kunnen zijn van wie ze ooit les heeft gehad en ‘mevrouw Smit’ een oude buurvrouw.

Wel ongewoon is hoe ze meneer en mevrouw zonder naam erachter gebruikt. Het duurde even voor ik het systeem in de gaten had, maar ze gebruikt die woorden altijd pejoratief. Nooit is ‘een meneer’ een student. Nooit is ‘een mevrouw’ een collega. Nooit is ‘die meneer’ de ambtenaar met wie we hebben overlegd. Als mijn collega op het station ‘een meneer’ zag die iets deed, dan was het altijd een zwerver of iemand die niet helemaal goed bij z’n hoofd was, of een onverzorgd, verlopen persoon. Werd ze aangesproken door ‘een mevrouw’, dan had die nooit iets damesachtigs. Lees verder >>

Je distantiëren van degene die je citeert

Door Henk Wolf

Op Facebook plaatste van de week iemand een link naar een filmpje over de kosten van een omschakeling naar andere vormen van energievoorziening. Het filmpje stond op de website van de partij Forum voor Democratie. De Facebookvriend schreef als begeleidend zinnetje bij de link: ‘Niet dat ik een fan ben van FvD, maar ze hebben wel een behoorlijk punt’.

Ik bedacht dat ik op Facebook heel vaak vergelijkbare zinnetjes bij weblinks tegenkom. Mensen linken naar een artikel of een video, maar distantiëren zich in algemene termen van de bron. Zeker weten doe ik het niet, maar vermoedelijk heb ik dat zelf ook weleens gedaan.

Waarom eigenlijk, vroeg ik me af. Allereerst betekent het linken naar iets toch geen instemming met wat daarin gezegd wordt? En als dat wel zo is, dan is er toch geen reden om in te gaan op je relatie met de schrijver of de maker van het gelinkte? Die doet immers voor de boodschap niet ter zake. Lees verder >>

De twaalf Friese vertalingen van ‘je’, ‘jij’ en ‘u’

Door Henk Wolf

In het Engels is iedereen die je aanspreekt you. Dat is makkelijk. In het Frans moet je kiezen tussen tu en vous. Dat is al wat lastiger. Het Nederlands is nog een stapje complexer: daarin moet je kiezen tussen je, combinaties van je/jij/jou en u. Kies je verkeerd, dan oogst je hilariteit of bega je zelfs een faux pas.

De complexiteit ontstaat doordat er verschillende schalen zijn die mede bepalen welk voornaamwoord als gepast wordt gezien. Dat zijn in elk geval:

  • solidariteit (hoezeer is de ander iemand die ik als mens zie): een hoge mate van solidariteit maakt het gebruik van onwaarschijnlijk
  • respect (hoezeer verdient de ander een eerbetoon): een hoge mate van respect maakt u waarschijnlijk en jij onwaarschijnlijk
  • vertrouwdheid (hoe intiem is de relatie met de ander): een hoge mate van vertrouwdheid maakt u onwaarschijnlijk en jij en je/jij waarschijnlijk
  • formaliteit (hoe formeel is de gesprekssituatie): een hoge mate van formaliteit maakt u waarschijnlijk en jij onwaarschijnlijk

Lees verder >>

Wat betekent het als iemand raar praat?

Door Marc van Oostendorp

Het coöperatieprincipe van de Britse filosoof Paul Grice (1913-1988) behoort zonder enige twijfel tot de grote taalkundige ontdekkingen van de twintigste eeuw. Het principe klinkt op het oog heel simpel: mensen gaan ervan uit dat deelnemers aan een gesprek zich coöperatief opstellen. Je praat met elkaar om een bepaalde reden, en wat iedereen zegt kan alleen in die zin begrepen worden.

Het verbluffende inzicht van Grice was dat het coöperatieprincipe je juist helpt om situaties te gebruiken waarin dat principe op het eerste gezicht geschonden wordt:

  • A: Hoe vind je mijn nieuwe boek?
    B: Het heeft een mooie kaft.

Lees verder >>

Wie weet er of Jo een echte Limburger is?

Door Marc van Oostendorp

Iedere zin is een wonder. Ik ben nu toch al tientallen jaren student taalwetenschap, en nog steeds ontvouwt zich bijna iedere dag wel weer een klein raadsel rondom een doodnormale zin.

Zo las ik deze week een artikel over zinnen zoals:

  • Ben weet niet of Jo een Limburger is.

Op het eerste gezicht lijkt deze zin misschien alleen een mededeling over de actuele stand van Bens kennis. Daarin ontbreekt kennelijk wat informatie. Je zou de zin dan kunnen expliciteren als:

  • Ben weet niet dat Jo een Limburger is en Ben weet niet dat Jo geen Limburger is.

Maar als je er preciezer over nadenkt, betekenen die twee zinnen niet hetzelfde.  Lees verder >>

Amsterdam uitbreiden met mooie woorden

Door Marc van Oostendorp

De drie grote planologische uitbreidingen van Amsterdam in de 20e eeuw

Gisteren verdedigde MaartenJan Hoekstra in Delft zijn proefschrift. Dat was niet zomaar een proefschrift, maar een dubbelpromotie in één persoon – zijn boek Stedebouwkundig(e) ontwerpen in woorden gaat zowel over bouwkunde als over taalkunde. Er waren dan ook twee promotoren: Han Meyer uit Delft, en ik. De bekende etymologe Marlies Philippa was wat je op andere universiteiten copromotor zou noemen, maar daar doen ze in Delft geloof ik niet aan. (In Delft duurt de oppositie ook een heel uur in plaats van 45 minuten en tekenen de promotoren de bul in een apart kamertje, zonder de rest van de commissie, heel eigenaardig.)

Jullie kunnen MaartenJans proefschrift hier downloaden en als ik jullie was en ik zou een leuk weekeinde willen, zou ik dat zeker doen: het is een rijk, dik boek, dat heel goed geschreven is en heel fraai geïllustreerd. Lees verder >>

Betekenis is gebruik

Door Lucas Seuren

Momenteel vermaak (verveel?) ik samen met een paar collega’s een flinke groep studenten Communicatie en Nederlands met Pragmatiek; een vak waarin we ingaan op hoe mensen taal gebruiken om betekenis over te dragen, of anders gezegd, hoe mensen betekenis geven aan taal. Daarbij komen veel, en veelal inmiddels overleden, filosofen aan bod: van Betrand Russell tot (de onlangs in ongenade geraakte) John Searle. Een van de theorieën die we daarbij ter discussie stellen is het idee van Ludwig Wittgenstein dat taal geen inherente betekenis heeft: “meaning is use.” Net zoals de exacte betekenis van God grotendeels afhankelijk is van de context—hebben we het over de God als handelend “persoon”, of een entiteit wiens aanwezigheid we simpelweg kunnen ervaren, of iets anders?—zo kunnen we tegen allerlei aspecten van taal kijken. Lees verder >>

Ollongren zegt (niet) wat ze bedoelt

Door Lucas Seuren

Het zit Kajsa Ollongren niet mee: ze is net drie weken minister en krijgt nu al voor de tweede keer te horen dat ze niet in het kabinet thuishoort. Sterker nog, ze zou volgens PVV-kamerlid Bosma zelfs geen vrij burger mogen zijn, maar in de gevangenis moeten zitten omdat ze plannen zou hebben om Amsterdam af te scheiden van het Koninkrijk der Nederlanden. Tijdens een nieuwjaarsreceptie voor D66 stelde Ollongren dat de oprichting van de Republiek Amsterdam nog nooit zo dichtbij is geweest, en onder artikel 93 staat op dergelijke plannen een gevangenisstraf van ten minste 30 jaar.

Het filmpje met de uitspraak van Ollongren is eenvoudig te vinden op internet, dus dat ze gesproken heeft over de Republiek Amsterdam staat niet ter discussie. De verdediging die door Kees Verhoeven, kamerlid namens D66, werd aangevoerd was dat Ollongren het niet zo bedoelde. Ze had slechts duidelijk willen maken dat D66 niet mee zal werken aan de plannen van de PVV om bevolkingsgroepen uit te sluiten van de samenleving. Lees verder >>

Een redelijke politieagent is geen redelijke gespreksdeelnemer

Door Lucas Seuren

Lawyer dogAls een verdachte tijdens een ondervraging tegen een politieagent zegt “why don’t you just give me a lawyer, dawg” (‘waarom geef je me geen advocaat, gast’), verzoekt de verdachte dan om een advocaat? Het lijkt een simpele kwestie—wat zou de verdachte anders met die uitspraak doen?—maar daar denkt het Hooggerechtshof in de Verenigde Staten anders over. Het hof ging eerder deze week mee in de uitspraak van een lagere rechtbank dat de verdachte in kwestie, die naar de rechter was gestapt omdat hij geen advocaat kreeg en vervolgens een belastende verklaring had afgelegd, niet duidelijk om een advocaat had gevraagd. Immers, de uitspraak van de verdachte was dubbelzinnig en ambigu; hij had op allerlei andere manieren begrepen kunnen worden. Dit had tot gevolg dat de verklaring van de verdachte als bewijsmateriaal mocht dienen.

Het oordeel van de rechter ligt daarmee in het verlengde van een eerdere rechtszaak waar de verdachte zei “maybe I should talk to a laywer” (‘misschien zou ik met een advocaat moeten praten.’). Daarbij oordeelde de rechter eveneens dat de verdachte niet ondubbelzinnig om een advocaat had gevraagd, en dat zijn rechten dus niet geschonden waren. Lees verder >>

2000 twijfelachtige stukjes

Door Marc van Oostendorp

Betekenis van verschillende (Engelse) statistische termen

Omdat ik deze week mijn 2000e stukje op Neerlandistiek heb geplaatst, heb ik eens door wat oudere blogs gebladerd. Sommige was ik vergeten en die zijn natuurlijk altijd het leukst, want mijn posts gaan onveranderlijk over onderwerpen die mij interesseren.

Ik schreef precies vijf jaar geleden bijvoorbeeld over de vraag hoe reëel een kans is die ‘meer dan reëel’ wordt genoemd. Bij wijze van privé-viering kondigde ik dat stukje opnieuw aan op Twitter. Toen bleek dat jullie je het stukje ook niet meer konden herinneren, want jullie kwamen met nieuwe reacties, zoals bijvoorbeeld een wiskundige reactie van K.P. Hart, die probeert na te gaan welk getallenstelsel het best gebruikt kan worden voor de meer dan reële getallen. Lees verder >>

Afreken-(on)genoegen

Door Guusje Jol

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar in sommige winkels zie ik op tegen het gesprekje bij de kassa. Dat gesprekje gaat ongeveer zo:

Caissière m/v:    Heeft u een klantenkaart?
Ik:                          Nee, die heb ik niet.
Caissière m/v:    Heeft u belangstelling voor een klantenkaart?
Ik:                           Nee hoor, dankuwel.
Caissière m/v:    U krijgt dan wel 10 procent korting en u spaart voor gratis producten.
Ik:                           Ik hoef toch niet. Dank u.
Caissière m/v:    Mag ik u vragen waarom?

Zucht.

Wie zit er nou op te wachten dat ergens wordt vastgelegd dat je proefdiervrije pepermuntspray hebt gekocht tegen zweetvoeten? Niet dat ik zweetvoeten heb, uiteraard. En als het zo zou zijn, zou het geen staatsgeheim zijn. Maar toch… Lees verder >>

Waarom de meeste mensen beter dan gemiddeld autorijden

Door Marc van Oostendorp

Altijd weer gezellig, als iemand op Facebook een bericht deelt waaruit blijkt dat de meeste automobilisten vinden dat hun stuurmanskunst groter dan gemiddeld is. Dat kan toch helemaal niet, wat een hoogmoed van de mens!

Het lijkt ook inderdaad een robuust effect, en er zijn al verschillende theorieën over opgesteld, zoals dat mensen zulke gedachten koesteren om een prettig zelfbeeld te creëren. Maar daarbij had nog niemand rekening gehouden met een mogelijkheid die in een nieuw artikel door een aantal onderzoekers wordt gesuggereerd: dat de alledaagse betekenis van het woord gemiddeld.

Typisch

 De onderzoekers lieten een aantal studenten zichzelf vergelijken met ‘de gemiddelde student’ op een aantal punten: Lees verder >>

De wiskunde van erbij horen

Door Marc van Oostendorp

Het gebruik van wiskundige modellen verdeelt de taalwetenschappelijke gemeenschap in drieën. Er is een groep die iedere vorm van wiskunde volkomen wantrouwt en vindt dat het verkeerd is om de vloeibare sociale en psychologische werkelijkheid van de taal op wat voor manier dan ook in formules te vangen; naar mijn indruk zitten in deze groep momenteel vooral antropologisch georiënteerde taalkundigen.

Dan heb je een groep die met wiskunde vooral kansberekening en statistiek bedoelt, zoals de meeste sociale wetenschappen; die groep bevindt zich dan ook vooral onder psycho- en sociolinguïsten, en onder degenen die computertaalkunde bedrijven (samen, zou je kunnen zeggen, de ‘kwantitatieve’ taalkunde).

De derde groep heeft het vooral over logische modellen, waarin het niet gaat om reële getallen, maar om logische formules, verzamelingenleer, topologie, algebra, en dergelijke; in deze groep zitten vooral semantici en Chomskyaanse grammatici. Lees verder >>

Herinnering: Nascholing opleiding Nederlandse Taal en Cultuur Leiden

De sturende kracht van taal – avondlezingen 17 en 31 mei 2017

Taal is nooit neutraal. We gebruiken taal voor onze communicatie, maar de interpretatie van uitingen wordt maar gedeeltelijk bepaald door de betekenis van de woorden die de spreker gebruikt. Een spreker bedoelt meer, en soms zelfs iets anders, dan hij letterlijk zegt en  schrijvers van verhalen en gedichten zetten talige, narratieve technieken doelbewust in om effect op lezers te sorteren.

In twee avonden belichten telkens twee Leidse neerlandici deze interactie tussen semantiek en pragmatiek vanuit hun eigen discipline: de taalkunde, taalbeheersing, moderne of oudere letterkunde. Op 17 mei zijn dat dr. Ronny Boogaart, auteur van Een sprinter is een stoptrein zonder wc. De sturende kracht van taal (AUP) en dr. Bram Ieven die zal vertellen over de online MA-class Mij maak je niks wijs. Een inleiding tot de representatiekritiek. Op 31 mei spreekt dr. Olga van Marion over de rol van taal en emotie in vroegmodern theater en dr. Henrike Jansen over de sturende kracht van taal in de argumentatie in politiek debat. Lees verder >>

Ik merk dat ik boos word

Door Marc van Oostendorp

Iemand had tegen iemand anders gezegd ‘ik merk dat ik boos word’ en die iemand anders dacht dat daarmee een taalfout gemaakt was. In plaats van over die taalfout te kibbelen met de iemand die merkte dat ze boos werd, wendde de iemand anders zich tot mij.

Ik ben immers taalkundige, dus ik weet zulke dingen.

De fout zou erin gelegen kunnen zijn dat je niet boos kan worden zonder dat je het merkt. ‘Ik merk dat ik boos word’ zou dan hetzelfde betekenen als ‘ik word boos’. Nu is overbodigheid natuurlijk nog geen taalfout, want dan zou je net zo goed kunnen zeggen dat ‘ik word boos’, uitgesproken met een rode kop en een gefronst gelaat, ook een ‘taalfout’ is. Lees verder >>