Tag: postmodernisme

Ilja Leonard Pfeijffer als constructeur van het Centre Pompidou

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (43)

Door Marc van Oostendorp

Weinig recensenten konden nalaten om bij verschijnen van Brieven uit Genua deze passage te citeren:

En het belangrijkst is misschien nog dat Brieven uit Genua een nieuwe stap is, die is ingeleid met Het ware leven, een roman en voortgezet in La Superba, om al schrijvend de daad van het schrijven te thematiseren en de infrastructuur van het boek niet aan het zicht te onttrekken, maar op een schaamteloze manier opzichtig buitenom aan te leggen, zoals bij het Centre Pompidou in Parijs.’

Grappig is daarbij natuurlijk dat hier in het boek zelf staat hoe de infrastructuur van het boek moet zijn. (Op internet is een interviewtje te vinden waar de schrijver nog een stap verder gaat en zegt: “In La Superba heb ik de hele infrastructuur van het gebouw opzichtig aan de buitenkant aangebracht, zoals bij het Centre Pompidou in Parijs. In Brieven uit Genua laat ik de werkelijke bouwput zien met alle steigers en onafgewerkte constructies.”) Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als verkoper van onzin

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (pauzenummer)

Door Marc van Oostendorp

Ik dacht nog: laat ik die biografie van Jan Wolkers die Onno Blom heeft geschreven nu eens met de mantel der liefde bedekken. Het is zo’n proefschrift dat een zesje verdient, een moloch waarin een enorme hoeveelheid wetenswaardigheden wordt opgesomd – wie waar wanneer woonde, wie wat wanneer zei – zonder dat er veel lijn in wordt aangebracht, en alles in de stijl van een boek voor de opgroeiende jeugd. Een stijl die mij in ieder geval enigszins op de zenuwen werkt:

Jan vond in Leiden een nieuw baantje. Elke morgen moest hij zich melden in een atelier waar lampenkappen werden beschilderd met historische voorstellingen. Zorgvuldig moest hij oude prenten van zeeslagen overtrekken en inkleuren met waterverf. Dat atelier lag aan de Boerhaavelaan 24 en werd geleid door jonkheer mr. P.A.G. de Milly, graaf van Heiden Reinestein, tevens advocaat en procureur.

Het leek me zo’n proefschrift waarop men iemand uiteindelijk maar laat promoveren omdat het vast allemaal wel zo’n beetje klopt – al is het ook niet zo spannend opgeschreven,  al doet de auteur weinig moeite om écht nieuw licht op zijn onderwerp te laten schijnen en al klopt een en ander vaak ook niet veel meer dan ‘een beetje’. Op de wetenschappelijke zangberg mogen nu eenmaal ook een paar muizen wonen. Wat moet je daar verder over zeggen?

Lees verder >>

Hoe niet-bestaande boeken ook gestolen kunnen worden

Door Bas Jongenelen

Als het niet waar is, is het goed gevonden. Een twaalfde-eeuwse student wil indruk maken op zijn ver weg wonende mentor en noemt in een brief een aantal titels van fictieve werken die hij in de kloosterbibliotheek van Saint Victor is tegengekomen. De mentor, een aanzienlijke geestelijke, vraagt de boeken op bij de kanunniken van de Parijse abdij. Als zij de gevraagde werken niet kunnen vinden, schrijven ze die uit angst voor gezichtsverlies maar zelf. Aldus ontstaan manuscripten als De patria diabolorum (‘Waar komen de duivels vandaan’) en De modo cacandi (‘Hoe te kakken’). De middeleeuwse student die met zijn fantasie de wereldliteratuur verrijkt, heet Baudolino en is de titelheld van de vierde roman van Umberto Eco.  Lees verder >>

Louis Ferron als mens

Door Marc van Oostendorp


Het boek Alles waan van de Berlijnse hoogleraar Nederlandse letterkunde Jan Konst gaat volgens de ondertitel over Louis Ferron (1942-2005) en het Derde Rijk, maar je kunt het ook lezen als een betoog tegen het postmodernisme en voor de persoonlijkheid.

Ferrons werk is volgens Konst teveel met een postmoderne bril bezien in de Nederlandse literatuurbeschouwing, als boeken over de onbegrijpelijkheid van de wereld en de gefragmenteerdheid van de persoonlijkheid en het individu. Maar waarom, vraagt Konst, zou een schrijver die dat soort onderwerpen wil beschrijven, daarvoor vijf keer teruggrijpen op de onnoemelijke verschrikkingen in het Derde Rijk?

Lees verder >>

Parasitaire mimesis

door Gert de Jager
Over Fallicornia van Dirk van Bastelaere (5 en slot)
Het meest fundamentele kenmerk van Van Bastelaeres poëzie berust op wat het meest een misvatting is – een misvatting die al tot uitdrukking komt in een geforceerde titel als Fallicornia en waaruit een groot verlangen naar referentie of mimesis spreekt. Van Bastelaere is taalscepticus genoeg om te weten dat zijn taal, elke taal, en de werkelijkheid van de eenendertigste staat der Verenigde Staten door een afgrond gescheiden werelden zijn. Taal is in essentie retorisch, proclameert hij in het voetspoor van Nietzsche en Paul de Man tegenover Hugo Brems en andere kleinburgers die denken dat taal op de een of andere manier een afgeleide is van de ervaring. Van Bastelaeres misvatting blijkt uit wat hij vervolgens niet doet: zijn retorische middelen gretig inzetten.
Een ervaring van sublimiteit wil hij bereiken bij zijn lezers: een ge-nieting, een tijdelijk verlies van het ik. De niet te vatten meerzinnigheid van de wereld moet niet worden weerspiegeld, maar worden opgevoerd – ‘geen platte mimesis, maar performantie’ in de formulering van Van Bastelaere. Wat de lezer onder ogen krijgt, is het resultaat van de performantie en vervolgens kan de lezer zelf ook zo’n performantie voltrekken – door de lectuur van Fallicornia bijvoorbeeld. Letters en woorden heropvoeren: het lijkt een normale omschrijving van het leesproces, maar kenmerkend voor Van Bastelaere is wel degelijk de rechtstreekse koppeling van eigenschappen van de wereld aan eigenschappen van poëzie. In de meerzinnigheid van de poëzie vindt de lezer zijn meerzinnige wereld terug. Lees verder >>

Een lichte kruik

door Gert de Jager
 
Over Fallicornia van Dirk van Bastelaere (4) 
 
Een gedicht met de kracht van het Egidiuslied:
 
Pappies kleine meid
 
Omdat er afwezigheid
is is
 
er poëzie. Zoals het meisje in wie ik mag kunnen
wegrollen als een zich onder de kast wegspoedende knoop,
schreeuwend met haar zwarte kleine haar
in de onheldere zon die de mijne is
het licht opslorpt als een lichte kruik,
zo ben ik verondersteld, neergezet
bij haar bed onder het schuine raam waar de vrijdag vanaf stroomt
als regen, als een zichzelf voor haar opheffende, maar niet daar.
 
Of dan buiten
op een tafel weggezakt in de tuin een rubberen handschoen de weg
wijst
naar tijden zonder hand, of er ligt naast
een zandstenen kubus een bal van graniet,
in de omgeving waarvan zelfs de plantengroei trager verloopt,
 
door sommigen wordt deze situatie herkend
als een klassiek geval van melancholie,
door anderen als een flits van wanorde die de wereld bepaalt.
 
 
 
Het gedicht is afkomstig uit Van Bastelaeres derde bundel, Diep in Amerika uit 1994 – de opvolger van Pornschlegel en andere gedichtenuit 1988 en daarmee de tweede buiten de bibliofiele circuits. De moeizame totstandkoming van de bundel vormt een inmiddels vaak vertelde casus: Theo Sontrop van de Arbeiderspers vond de bundel ‘volstrekt onbegrijpelijk’ en wilde hem ondanks het succes van Pornschlegelniet uitgeven. Lees verder >>

Fallotopia

door Gert de Jager
Over Fallicornia van Dirk van Bastelaere (3)
“De patroon van het Vlaamse postmodernisme” noemde ik Van Bastelaere eerder – het Vlaamse postmodernisme dat zich met de programmatische bloemlezing Twist met ons uit 1987, felle polemieken, een internationaal referentiekader en bundels waar niemand om heen kon, razendsnel een positie in het centrum wist te verwerven. Het kan een Noord-Nederlandse blinde vlek zijn, maar in retrospectie lijkt het centrum van zo’n jaar of twintig geleden steeds leger te worden. Claus, D’haen, De Coninck en Nolens – dat was het wel wat oudere generaties betreft, geloof ik. Daar kwamen in korte tijd Van Bastelaere, Spinoy, Hertmans en Verhelst bij.   
Van Bastelaere was de man met de spraakmakendste bundel: Pornschlegel en andere gedichten uit 1988. Al op de flaptekst laat de dichter weten dat hij streeft naar ‘ontordening’. In gedichten met een kraakheldere, klassieke vorm die aan Nijhoff doet denken, blijkt zelfs zoiets basaals als referentie twijfelachtig te zijn. Een cyclus van elf gedichten wordt gewijd aan Georg Trakl, de Oostenrijkse dichter die aan zijn ervaringen in de Eerste Wereldoorlog een cocaïneverslaving overhield. We lezen over zijn kledinggewoontes, zijn reis naar Venetië, zijn metaforen, zijn pathologie. Toch: de conclusie in het laatste gedicht luidt Het centrum Trakl houdt geen stand. Het centrum van referentie, met de auteur als autoriteit in wisselwerking met dat centrum, blijkt een illusie te zijn. Bij Van Bastelaere komt daar de metafoor van het rif voor in de plaats: Het dagboek dat groeit.// Het rif dat zich voortschrijft.  
Meer dan wie ook van zijn generatie was Van Bastelaere degene die zijn positie bevocht volgens een avantgardistisch stramien. Lees verder >>

Fallicornia

door Gert de Jager

Van Dirk van Bastelaere, de patroon van het Vlaamse postmodernisme, verscheen een nieuwe bundel met de titel die hierboven staat en onder meer de naam van een Amerikaanse staat verhaspelt. Het is, bibliofiele varianten niet meegerekend, Van Bastelaeres zesde bundel. Ook Fallicornia gaat een bibliofiele toekomst tegemoet: de bundel verscheen in 126 genummerde en gesigneerde exemplaren bij uitgeverij Druksel en zal, zoals dat altijd gaat bij Van Bastelaere, ongetwijfeld deel gaan uitmaken van een echte, volwaardige zesde bundel. Met deze veertien lange, meestal meerdere pagina’s beslaande gedichten zou zo’n bundel overigens al voor de helft gevuld zijn.  

Allemaal delen, van een geheel dat ontbreekt – om Van Bastelaeres bekendste poëticale uitspraak, uit het slotgedicht van Pornschlegel en andere gedichten uit 1988, nog maar eens aan te halen. De bundel werd bekroond met de Pernathprijs en in zijn dankwoord gaf Van Bastelaere een gebruiksaanwijzing voor zijn lyriek: 

Concreet wil dat zeggen dat ik gedichten probeer te schrijven die de illusie wekken leesbaar te zijn. Ik ga ervan uit dat elke zin afzonderlijk leesbaar moet zijn, maar dat het geheel van het gedicht zich niet mag laten vatten.

Dat laatste kan niet anders omdat de wereld nu eenmaal voorzien is van een ‘duizelingwekkende meerzinnigheid’. Lees verder >>

Een bekrompen leesstrategie

Ik heb een bekrompen smaak op het gebied van de dichtkunst. Zo lees ik eigenlijk nooit buitenlandse dichters. Ik hou er niet van om gedichten in vertaling te lezen, en ik houd er ook niet van om gedichten te lezen in een taal die niet mijn moedertaal is. Maar mijn bekrompenheid gaat eigenlijk nog verder, merkte ik toen ik het onlangs verschenen Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen van Thomas Vaessens en Jos Joosten las. Zij bespreken daarin zeven ‘eigentijdse’ dichters. Van die zeven houd ik wel van Robert Anker, Arjan Duinker en Tonnus Oosterhoff, maar niet van Peter Holvoet-Hanssen, Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Peter Verhelst. De eerste drie zijn Nederlanders, de laatste vier zijn Vlamingen. Houdt mijn poëtische nieuwsgierigheid op bij Wuustwezel?

Postmoderne poëzie heeft aan mijn voorkeur voor moderne Nederlanders boven moderne Vlamingen in ieder geval weinig kunnen veranderen. Het is een duidelijk en zakelijk geschreven boek waaruit ik veel geleerd heb over de verschillen tussen modernisme en postmodernisme, en vooral het werk van de dichters waar ik toch al van hield beter kan begrijpen en plaatsen.

Die zakelijkheid is groter dan in de vorige boeken die ik van Vaessens en Joosten gelezen heb. Dat blijkt al uit een vergelijking van de titel van dit boek met die van de eerdere boeken — ‘Circus Dubio & Schroom’ en ‘De verstoorde lezer’ van Vaessens, en ‘Onttachtiging’ van Joosten. Ik vind dat wel een prettige ontwikkeling in het werk van beide schrijvers, die verzakelijking.

De auteurs leggen helder uit hoe de postmodernisten modernistische ideeën zoals dat een tekst coherent moet zijn, ‘achter zich hebben gelaten’, dat zij ‘niet langer geloven dat’ een tekst de indruk moet geven van voltooidheid, of dat er de stem van een auteur in te horen moet zijn. Door die helderheid krijg je af en toe de indruk dat Vaessens en Joosten menen dat die postmodernisten het gelijk aan hun kant hebben met hun opvattingen. Het is in dat licht opvallend dat de tekst waarin dit alles wordt uitgelegd zo coherent is, zo voltooid, en af en toe ook de stem van de auteurs laat horen. Als Vaessens en Joosten al waarde zien in het postmodernistische procédé voor de dichtkunst, dan in ieder geval niet voor het letterkundige essay.

Dat laatste lijkt me maar goed ook, want mij lijken al die uitgangspunten hopeloos. Ik wil best geloven dat de eenheid van het individu of de eenheid van de tekst of de eenheid van de werkelijkheid allemaal ‘illusies’ zijn en dat de werkelijkheid een grote chaos is. Maar als dat allemaal zo is, dan kan het hele idee van ‘literatuur’ ook alleen maar een illusie zijn, en zie ik niet dat er een speciale reden is om een dichtbundel van, pakweg, Peter Holvoet-Hanssen ter hand te nemen. Het internet staat vol met incoherente, onoorspronkelijke, vrijwel auteurloze teksten, die bovendien allerlei aannames die je in het dagelijks leven maakt ‘ter discussie stellen’ (een term die Vaessens en Joosten geregeld gebruiken), daar hoef je de boekwinkel niet voor binnen te stappen.

Waarom dus een postmoderne dichter lezen? Vaessens en Joosten beantwoorden deze vraag niet voldoende, in ieder geval niet voor mij. Ze gebruiken het begrip ‘leesstrategie’, en ze betogen uitgebreid dat een ‘modernistische’ leesstrategie niet volstaat om een postmodernistisch gedicht te lezen. Maar welke leesstrategie ik als eenvoudige lezer dan wel zou moeten volgen om een dichtbundel van Holvoet-Hanssen te kunnen waarderen, is mij na het lezen van Postmoderne poëzie niet duidelijk.

In hun epiloog schrijven de auteurs bijvoorbeeld: “We hebben het in dit boek steeds over leeswijzen gehad. Als afzetpunt schetsten we de moderne invalshoek, die teruggaat op de gedeelde beginselen van modernisme en New Criticism. De postmoderne lezer aanvaardt dat er open plekken (blijven) bestaan, en gaat ervan uit dat de dichter niet tevoren bewust betekenis in het gedicht legt.” Deze passage is (net als veel vergelijkbare passages) negatief geformuleerd: een postmodernistische ‘leesstrategie’ gaat niet uit van de modernistische veronderstellingen. Maar wat je dan moet doen om voldoende genoegen te beleven aan een tekst om hem ook helemaal te lezen, weet ik nog altijd niet.

Er zit in ieder geval iets heel paradoxaals in om een boekje te moeten kopen van een bepaalde dichter om je door die dichter te laten vertellen dat het dichterschap een illusie is, of dat de wereld incoherent is. Een mens heeft geen dichters nodig om tot die conclusie te komen, zou je denken. Het lijkt wel alsof je vooral postmodernistische poëzie moet lezen om te kunnen laten zien dat je niet meer in achterhaalde modernistische conventies gelooft. Alsof de postmoderne leesstrategie een ‘etiquetteregel’ is, waarmee je kunt laten zien dat je weet hoe het hoort, zoals Verdaasdonk (2002) zegt.

Daar zit wat mij betreft ook het verschil tussen de Vlaamse schrijvers die Vaessens en Joosten behandelen, en de Nederlanders. Bij de Nederlandse schrijvers is er, bij alle postmodernisme, nog wel wat over dat ik, verstokte modernist die ik kennelijk ben, kan begrijpen: bij Oosterhoff is er een interessant spel met vormen (zoals blijkt uit de bewegende gedichten op zijn website http://www.tonnusoosterhoff.nl/), bij Duinker is er een duidelijk navoelbare zinnelijkheid (‘Ik omhels je, dichtgeslibde haven./ Ik omhels je, kalme steen./ Voel mijn naaktheid.’), en in de bundel die Vaessens en Joosten van Anker bespreken (‘Goede manieren’) is wel degelijk sprake van een determineerbare inhoud, zonder al te veel ‘open plekken’. Om het werk van de Vlaamse dichters te verklaren, moeten Vaessens en Joosten veel meer verwijzen naar het filosofische werk van postmodernistische denkers als Barthes en Derrida. Ik zie weinig in die denkers, en dus weet ik niet wat ik met de dichters aanmoet. En omdat ik nu eenmaal geen ‘professionele lezer’ ben, maar alleen maar voor mijn plezier lees, laat ik uiteindelijk teksten waarmee ik me geen raad weet, maar terzijde. Als ik graag fragmentarische teksten wil lezen, tik ik wel ‘oehoeboeroe’ in bij Google.

Met die laatste gedachte troost ik me maar. Ik houd heus veel van Vlaamse schrijvers en dichters, als het maar degelijke modernisten zijn zoals Boon of Claus of Lanoye. Vlaamse dichters als Holvoet-Hanssen zijn de verkeerde weg ingeslagen, door teksten te gaan schrijven waarvan niemand tot nu toe heeft weten uit te leggen waarom je ze zou moeten lezen. Het wachten is alleen maar op de postpostmoderne poëzie, zodat ik ook weer mijn horizon kan verruimen tot in ieder geval él;én buurland.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl
Met dank aan Thomas Vaessens.

Literatuur
Vaessens, Thomas, en Jos Joosten. 2003. Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen. Vantilt, Nijmegen.
Verdaasdonk, Hugo. 2002. Etiquette-regels voor de analyse van literatuur. Neerlandistiek.nl 02.04, naschrift 2. (http://www.neerlandistiek.nl/02/04/naschrift2.html)