Tag: poëzie

Achter de ruit

Door Wiel Kusters

Laatste weerzien met Gerrit Achterberg

Toen ik, zo vlakbij onder glas,
zijn onbereikbaar hoofd zag, was
het mij of ik dit al een keer
gezien had, maar ik wist niet meer
waar of wanneer.
Maar later, in de trein alleen,
viel het mij in: een jaar geleên
schoof ik, in alle vroegte, zacht
het gordijn open, en ik zag
dat het gesneeuwd had in de nacht.

A. Roland Holst

A. Roland Holst en G. Achterberg

Na een gedicht van Achterberg, nu dit gedicht óver hem, met als kern een onthutsend beeld: hoe het gezicht van de bekende dode, onder het ruitje van zijn kist, de suggestie vormt van een sneeuwlandschap. De bekende trekken zijn uitgewist. Er ligt een witte wade. ‘Vlakbij’ en ‘onbereikbaar’ vallen samen.

Er is de mogelijkheid van een associatie met Sneeuwwitje in haar glazen kist. Naar haar heeft de gestorven dichter een gedicht en een bundel vernoemd. Lees verder >>

Paard en wagen

Door Wiel Kusters

Vertelsel

In het houten huis
woont het witte paard,
en de houten wagen slaapt er
naast het brandhout,
doof en zwaar.

Als de maan smelt op de bloemen,
rond het houten huis,
glanst het water op de heide,
vóór het huis.

Met de wind voorbij
floot de trein reeds jaren,
en het huis blijft eeuwig
met het witte paard
en de houten wagen.

Maurice Gilliams

Er wonen zo te zien geen mensen meer in het houten huis waarover Maurice Gilliams (1900-1982) vertelt: daar woont ‘het witte paard’. Te werken hoeft het niet, want ‘de houten wagen’, die het zou kunnen trekken, slaapt bij het brandhout. Misschien is het paard voor arbeid ook te smetteloos. Een droompaard. Lees verder >>

Stokske

Door Wiel Kusters

Vermoedelijke stok van Johan van Oldenbarnevelt, Collectie RIjksmuseum

Veel aandacht van historici dit jaar voor Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de Staten van Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Na een politiek proces door onthoofding ter dood gebracht op het Haagse Binnenhof, 13 mei 1619.

Vondel eerde hem met een gedicht, dat in latere tijd door generaties middelbare scholieren verplicht gelezen werd.

Er is in dit ‘Stokske van Joan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlands’ (1657) sprake van een wonderlijk verbond: ‘Mijn wens behoede u onverrot,’ zegt de dichter tegen de stok van de ter dood gebrachte staatsman, aan het begin van zijn gedicht. En de laatste regel luidt: ‘Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.’ Het gedicht behoedt de stok en die stok houdt het gedicht overeind.

Mijn wens behoede u onverrot,
O Stok en stut, die, geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt, op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneka,
Door Nero’s haat en ongenâ,
Tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog, jaren achter-een,
Den uitgangk van dien held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij, onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten, stadig aan,
Hem voor een derden voet, in ’t gaan
En klimmen, op de hoge trappen;
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij rustte van uw trouwe plichten
Na ’t rusten van dien ouden stok,
Geknot door ’s bloedraads bittren wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

Vondel was zeventig toen hij deze regels schreef, bijna net zo oud als Oldenbarnevelt in 1619, het jaar van zijn dood. Het kan haast niet anders of Vondel heeft zich bij het schrijven van zijn ‘Stokske’ tot op zekere hoogte met Oldenbarnevelt geïdentificeerd. Nog sterker dan toen hij zijn ‘Geuze-vesper’ schreef, rond 1631, zal hij zich bewust zijn geweest van de grimmigheid van Oldenbarnevelts executie, de onthoofding van een oude man, wiens bloed toch al ‘in d’aders schier verstorven’ was. Lees verder >>

Een psalm is een pisbak van taal

Door Marc van Oostendorp

Wat is een gedicht? Dat is een vraag waar de mensheid na zeker drieduizend jaar puzzelen nog steeds geen bevredigend antwoord op heeft gevonden.

Misschien komt het doordat de vraag te vaak gesteld wordt als een vraag naar de structuur van de tekst (een gedicht rijmt, een gedicht wordt omgeven door wit op de pagina) of eventueel van de maker (een gedicht is gemaakt door een genie), en te weinig op de lezer of luisteraar: waarom zijn er mensen die gedichten lezen of luisteren? Wat heb je daaraan?

Nu ben ik zelf ook eerder een lezer dan een dichter of een gedicht, dus je zou kunnen zeggen dat ik ervaring uit de eerste hand heb, maar het blijft mysterieus. Ja, gedichten lezen is prettig en mooi, maar wat betekent dat? Waarom daaraan je tijd besteden en niet aan een pianosonate, een roman of een notentaart? Lees verder >>

Kemp en Magritte

Door Wiel Kusters

Nachtstilte

Het is zo stil boven de planten,
boven de lage en boven de gerankten
en de lucht is alleen vol reuken
van ranonkelingen in de grote wei.
Het is zo stil in de keuken
en de maan schijnt op een ei.

Voorjaar 1934. De dichter is uit zijn bed gekomen, voor een glas water misschien. Het stille leven van de planten buiten, achter het keukenraam, laadt de slaap- en droomloze momenten met een moeilijk grijpbaar iets, een essence, die als geur zelfs van ver lijkt te komen aandrijven, uit de ‘grote wei’ (waarmee niet niet de tuin van de dichter in de Maastrichtse Turennestraat bedoeld zal zijn).

Kemp schreef dat gedicht op een achtste april, bijna vijfentachtig jaar geleden.

Hij schrijft ‘gerankten’ (met een n aan het eind, een slordigheidje waarschijnlijk), en doelt daarmee op planten die rank omhoogsteken. Van ‘ranonkels’ maakt hij ranonkelingen, waardoor ze nog wat minder grijpbaar en geheimzinniger worden. En dan noteert hij deze verrukkelijke regels: ‘Het is zo stil in de keuken/ en de maan schijnt op een ei.’

Van geluidloosheid via geuren naar een uiterst puur visueel motief.

De stilte wordt adembenemend. Lees verder >>

Eieren

Door Wiel Kusters

Pierre Kemp, die kleurrijke dichter, die liefst in het zwart gekleed ging, werkte van 1916 tot 1945 als loonadministrateur op de steenkolenmijn Laura in Eygelshoven, dicht bij de Duitse grens, ongeveer dertig kilometer van zijn woonplaats Maastricht.

Kemp heeft wel eens gezegd, dat niet alleen Petrarca zijn Laura had. Maar van zijn bezigheden op het kantoor van de mijn Laura, of van het mijnbedrijf als zodanig, is vrijwel niets terechtgekomen in zijn literaire werk. Op een enkel, nooit gebundeld verhaal in een tijdschrift na, en met als enige andere uitzondering het gedicht ‘Aan directeur Edixhoven’.

Kemp schreef dit gedicht in 1956, zo’n twaalf jaar na zijn pensionering, voor het bedrijfsblad van de mijn, waarvan de redactie hem om een bijdrage had gevraagd. In ‘Aan directeur Edixhoven’ plaatste hij zijn dichterschap en zijn kleurenliefde – Kemp is gedurende twee perioden in zijn leven ook actief geweest als kunstschilder – op geestige wijze terug in de tijd. Lees verder >>

Verschenen: In opdracht, Wiel Kusters

Ik lijk verloren als ik je niet vind.
In dorre bladeren woelt en zoekt de wind,
hij spreidt en jaagt bijeen, is even stil:
ik hoor je adem tot hij weer begint.

In het dichterschap van Wiel Kusters is na het verschijnen van zijn verzamelde gedichten (Leesjongen, Uitgeverij Cossee, 2017) een nieuwe en productieve fase aangebroken. Tot de resultaten daarvan behoort, naast een omvangrijke bundel langere gedichten waaraan nog gewerkt wordt, een reeks van achtenveertig kwatrijnen, die zich eind 2018 in korte tijd aan hem opdrongen. Zelf heeft hij het gevoel dat hij ze ‘in opdracht’ schreef. Maar in opdracht van wie? Lees verder >>

Kooi

Door Wiel Kusters

In de gedichten ‘De Mus’ en ”s Morgens’ van Jan Hanlo (zie mijn vorige stukje in deze reeks) hoorde ik een echo, ja meer dan een echo, van een oud dichterlijk verlangen: de wens om zo ‘natuurlijk’ te kunnen dichten als zangvogels zingen. We hebben het dan over de taal, over wat de dichter daarmee doet en wat die op haar beurt met hém doet.

Maar het hoeft niet alleen over dichters te gaan. In zijn gedicht ‘de taal’, uit de bundel hand o.a. (1956), heeft Gerrit Kouwenaar het over ‘de mens’. En in vergelijking daarmee over ‘de vogels’.

de taal

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord –

Het gedicht begint met een generaliserende stelling over ‘de taal’  en ‘de vogels’, die tegen het einde herhaald wordt en uitgebreid met een tweede generalisatie. De openingsregel wordt in het tussenliggende gedeelte geïllustreerd met beelden van ‘ik’ en zijn kleine wereld, die uitmonden in een constatering met betrekking tot ‘de mens’ en zijn wonen in de taal. Een wonen dat hier een schuilgaan en een wegschuilen is. Lees verder >>

Tjielp

Door Wiel Kusters

Het gedicht ‘De mus’ op een muur. Bron: Wikipedia

Ik heb zin om hier af en toe een gedicht te presenteren waarvan ik vind dat het tot de altijd nog actuele klassieken behoort, en zo’n gedicht dan van kort commentaar te voorzien. Er wordt veel poëzie geschreven, maar minder gelezen, en daarbij verwaarlozen we, meen ik, ook nog eens ons oudere openbare poëziebezit.

Vandaag een gedicht van Jan Hanlo.

Tjielp

Wie wil kan in ‘De Mus’ van Jan Hanlo (1912-1969) een eenvoudig aardigheidje zien. Een wat flauwe grap. Maar wie dat doet, vergist zich.
Hanlo schreef het gedicht in 1949: Lees verder >>

Revanche van de podiumpoëzie

Tom Lanoye als poëzieperformer

Door Marieke Winkler

‘Weet ik veel hoe poëzie eruit / moet zien’, aldus de opening van het gedicht ‘Programma’ uit Hanestaart (1990), Lanoye’s tweede poëziebundel die verschijnt bij een reguliere uitgever. ‘Niet dat statische, / dat uniforme. Daar hou ik niet / zo van. Dezelfde toon herhaald / tot in den treure, en dat dan / ‘vormvastheid’ noemen, of ‘een / eigen stem’, dat soort gelul. / Nee, daar hou ik niet zo van.’ Zeker wanneer op deze manier achter elkaar geplaatst, valt in deze strofe de spreektalige stijl op. Lanoye schreef zijn poëzie dan ook primair voor het podium en met de bedoeling effect teweeg te brengen bij zijn publiek. De communicatieve functie en de verstaanbaarheid waren voor de jonge dichter daarom van essentieel belang. In Van oor tot oor (1981), uitgegeven in eigen beheer, zegt hij hierover:

‘Mijn publiek moest niet alleen uit lezers bestaan, maar mijn teksten moesten ook ten gehore worden gebracht. Een nieuwe orale literatuur diende te ontstaan, die zich van mond tot mond, van oor tot oor zou verspreiden.’ Lees verder >>

Activiteiten POWEZIE, voorjaar 2019

Op 8 november 2018 heeft de faculteitsraad Letteren en Wijsbegeerte de aanvraag voor de oprichting van de onderzoeksgroep POWEZIE (Universiteit Gent) goedgekeurd. In POWEZIE participeren de vakgroepen Letterkunde, Taalkunde, Talen en Culturen en Vertalen, Tolken en Communicatie én collega’s verbonden aan binnen- en buitenlandse universiteiten en belangstellenden uit de literaire wereld.

In het voorjaar verleent POWEZIE medewerking aan de volgende evenementen. U bent uiteraard van harte welkom. Lees verder >>

“Dat niemand vragen derf, waer immer Napels lag”: een vernietigende recensie uit 1649

Door Alan Moss

Portret van Matthijs van der Merwede door Jan van Bronckhorst, Rome, 1650.

Teleurstelling, frustratie, harenuittrekkende ergernis. Iedereen op vakantie heeft wel eens de neiging gehad om een vernietigende recensie te schrijven: het hotel zál afgestraft worden voor dat gore doucheputje, het restaurant móet boeten voor die schoenzool-steak. Op het magische internet vind je soms onbedoeld hilarische negatieve reviews (nummer zeven zal je verbazen!), maar de meeste afrekeningen in het recreatieve circuit zijn bloederig, bits en verrassend humorloos. Op Twitter werken voor mijn gevoel hele teams klantenservicemedewerkers in ploegendienst om als een online EOD licht ontvlambare tweets onschadelijk te maken. Ook op Grand Tour werd er gezeurd. In april 1649 schreef Matthijs van der Merwede een felle recensie over Napels, een broedplaats van syfilis en een thuishaven van laffe piraten. De Yelp- of IENS-reviewer kan nog wat leren van zijn gedicht ‘Den Vloek van Napels en Napolitanen.’ Lees verder >>

Een bonke keerzen kind!

Door Frank Willaert

De poëtische vrijheden die Gezelle zich in zijn tweede bundel Gedichten, gezangen en gebeden (1862) veroorloofde, waren ongekend in de Nederlandse poëzie van zijn tijd en botsten dan ook op het onbegrip van de weinige literaire critici die op zijn bundel reageerden. Een treffend voorbeeld van Gezelles vormexperimenten biedt het gedicht Een bonke keerzen kind!, dat al uit zijn Roeselaarse periode (1858 of 1860) dateerde en dat hij opdroeg aan zijn lievelingsleerling Eugene van Oye.

(Bekijk deze video op YouTube.)

Hei da lieve druppel water

Dit gedicht komt uit de bundel Gedichten, gezangen en gebeden die Gezelle te Brugge publiceerde in 1862. De bundel was bedoeld om Vlaamse katholieke studenten geestelijke ontspanning én leiding te geven. Ook al bevat dit gedicht op het eerste gezichten enkel een virtuoze beschrijving van een waterdruppel, ongetwijfeld gaat het hier ook om de ziel, die haar kristallen zuiverheid verliest zodra zij zich op het aardse richt.

(Bekijk deze video op Facebook.)

Traagzaam trekt de witte wagen

Deze week leest Frank Willaert gedichten van Guido Gezelle voor. Vandaag een gedicht uit Gezelles Kerkhofbloemen, een brochure met een episch-lyrisch verslag van de begrafenis van Gezelles leerling Eduard van den Bussche in het dorpje Staden bij Roeselare op 5 mei 1858. Gezelle stelde de brochure samen in de dagen die onmiddellijk volgden op de begrafenis.

(Bekijk deze video op YouTube.)

 O ’t ruischen van het ranke riet

“De populariteit van Gezelle staat op een laag pitje”, liet de Brugse schepen van Cultuur zaterdag optekenen in de krant. In afwachting dat men in Brugge besluit er wat aan te doen, draagt de Antwerpse hoogleraar Frank Willaert alvast een klein steentje bij door deze week elke dag een gedicht van Gezelle op Facebook te zetten. Met toestemming van Willaert plaatsen wij ze door.

Vandaag “O ’t ruischen van het ranke riet” uit Gezelles eerste bundel Dichtoefeningen van 1858.

(Bekijk deze video op YouTube.)

Decembergedicht

Door Ömer Demirözcan

Het is december, de maand van de feestdagen. Sinterklaas vraagt of we het afgelopen jaar lief zijn geweest; kerst is een tijd voor bezinning en met oudjaarsavond hebben we het over goede voornemens. December is vooral een maand waarin we reflecteren en verder kijken. Alice Nahon moedigt ons in haar gedicht aan om vaker terug te kijken naar ons handelen. Ik wens iedereen een mooie feestdagen en een gelukkig nieuwjaar waarin we vaker stilstaan en nadenken over wat we doen.

Lees verder >>

Werklozenpoëzie

Door Renaat Gaspar

In Roosendaal werden tijdens de grote depressie van de jaren ’30 in de brievenbus van bepaalde huizen blaadjes met gedichten bezorgd, niet met poëzie van bekende schrijvers maar met verzen van eigen maaksel.

Hieronder staan vier gedichten van werklozen in Roosendaal uit de periode tussen 1932 en 1933 en één uit de latere jaren ’30. Vermoedelijk zijn de eerste vier ontstaan in het najaar van 1932; toen nam het aantal werklozen in Nederland plotseling zeer sterk toe, van ca. 280.000 naar ca. 400.000 in 1933.  Het vijfde dateert van na 1934, toen de spelling-Marchant was ingevoerd. Deze verzen werden destijds bij de huizen van gegoede medeburgers bezorgd en naderhand weer opgehaald. Prijs naar goeddunken. Een aalmoes dus. Lees verder >>

2000ste gedicht aangemeld op Straatpoezie.nl

Persbericht Universiteit Utrecht

Literatuurwetenschapper Kila van der Starre, verbonden aan de Universiteit Utrecht, heeft voor het eerst op grote schaal in kaart gebracht welke gedichten te lezen zijn in de openbare ruimte van Nederland en Vlaanderen. Met behulp van crowdsourcing is nu het 2000ste gedicht aangemeld op de door haar opgerichte site Straatpoezie.nl.

2000ste gedicht

Op 20 november 2018 is het 2000ste gedicht aangemeld op de interactieve kaart van Straatpoezie.nl. Literatuurwetenschapper Kila van der Starre lanceerde die site bijna twee jaar geleden, tijdens de Poëzieweek 2017. Ze deed dit in het kader van haar proefschrift aan de Universiteit Utrecht over ‘poëzie buiten het boek’. Op de kaart van Straatpoezie.nl staat ieder rood label voor een gedicht. Ook kan men in de database zoeken op titel van gedicht en naam van dichter. Lees verder >>

POWEZIE – onderzoeksgroep aan de UGent

Bericht Universiteit Gent

De faculteitsraad Letteren en Wijsbegeerte (Universiteit Gent) heeft vorige week het besluit genomen een universitaire onderzoeksgroep op te richten met aandacht voor de studie van poëzie. Het academisch expertisecentrum POWEZIE legt zich toe op het wetenschappelijke onderzoek naar en het gesprek over poëzie in transnationaal, transhistorisch en multidisciplinair perspectief. Een van de doelstellingen is onderzoekers verbonden aan de faculteit, met expertise op het gebied van poëzieonderzoek, samen te brengen en een platform te bieden. Naast academici werkzaam in verschillende taalafdelingen participeren onderzoekers verbonden aan universiteiten in binnen- en buitenland in het samenwerkingsverband. Lees verder >>

Het wit van de pagina

Nultaal (2)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Er bestaan honderden definities van taal. Voor mij staat op nummer 1: Speech is but broken light upon the depth of the unspoken van de dichter George Eliot. Om het eens lelijk te zeggen: taal is het topje van de ijsberg in de zee van het niet gesprokene. Bij ‘speech’ denken we in eerste instantie aan gesproken taal, maar geldt dit ook voor geschreven taal? Lees verder >>

Mooie dingen en rituele schijn: poëzie als politiek wapen

Door Evelyne Shamier

Thierry Baudet. Bron: Wikimedia

Aan Thierry Baudet.

U lijkt zich bij de Algemene Politieke Beschouwingen te hebben opgeworpen als een ambassadeur van de Nederlandse poëzie. Het zal een tegenvaller zijn geweest dat collega-Kamerleden niet onder de indruk waren van uw voordracht en uw suggestie dat het kabinet ‘weinig grossiert in poëtisch taalgebruik’. Ofschoon op dit gebied weinig gegrossierd wordt in de huidige formatie, is er geen sprake van poëtisch pionieren. Zo reciteerden uiteenlopende politieke partijen vóór uw tijd met grote regelmaat de versregels ‘tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’. Ongetwijfeld is op een gegeven moment ook in Den Haag het besef gekomen dat het gedicht ‘Het huwelijk’ (1910) van Willem Elsschot meer omvat dan die twaalf gevleugelde woorden. Zoals letterkundig neerlandica Maaike Meijer in In tekst gevat (1996) beargumenteert, voert het gedicht ons in deze passage mee met de fantasie van een man die zijn ouder geworden echtgenote wil doodslaan. Zowel Adriaan van Dis als Tom Lanoye schreef een tegengedicht vanuit het perspectief van de vrouw; zo kan het ook. Lees verder >>