Tag: poëzie

Zwemmen in talen: Nederlandstalige poëzie in internationaal perspectief

Teksten functioneren in een netwerk van teksten. Nederlandstalige gedichten kunnen buiten het taalgebied, al dan niet in vertaling, in aanraking komen met anderstalige teksten. De multilinguïstische associaties die dat oplevert, worden uiteraard door lezers tot stand gebracht. Ook parateksten markeren echter vaak een internationale relatie en in de gedichten zelf kan er sprake zijn van intertekstuele verwijzingen. Het boekproject is gericht op de constructie van internationale relaties vanuit transhistorisch perspectief met de Nederlandse lyriek als uitgangspunt. Het is de bedoeling van Zwemmen in talen om gedichten uit de Nederlandse literatuur met gedichten uit andere literaturen in verband te brengen (of vice versa).

Neerlandici, maar dus ook onderzoekers en lezers van anderstalige literaturen, zijn welkom om een korte abstract van 100 woorden voor te leggen uiterlijk op 1 augustus. Voorstellen kunnen worden verstuurd naar contact@poeziecentrum.be. De omvang van de bijdrage is 2500 woorden, inleverdatum 30 november. Poëziecentrum is de uitgever van de opstellenbundel.

Zwemmen in talen, een initiatief van de Gentse onderzoeksgroep POWEZIE, staat onder de redactie van Carl de Strycker, Désirée Schyns, Yves T’Sjoen en Kornee van der Haven. 

Instagrampoëzie in de klas

In het nieuwe nummer van Levende Talen Magazine schreven Jeroen Dera (Radboud Universiteit) en Kila van der Starre (Universiteit Utrecht) een artikel over het gebruik van Instagrampoëzie in het voortgezet onderwijs.

Ze betogen dat deze vorm van poëzie vanwege de aansluiting bij de leefwereld van jongeren bijzondere handvatten biedt om poëzie centraal te stellen in de klas. Aan de hand van het zogenaamde RES-model van Nicholas Mazza lichten ze vervolgens een didactiek toe waarmee dit soort gedichten in het onderwijs betekenisvol gebruikt kunnen worden.

Dera en Van der Starre onderstrepen met hun bijdrage een recente trend in de neerlandistiek, namelijk die waarin universitaire onderzoekers hun onderzoeksinteresses uitdrukkelijk vertalen naar het voortgezet onderwijs. Klik hier om hun artikel te lezen.

voordat de vangboot van helder weer uitvaart

Over het werk van b. zwaal

Door Marc van Oostendorp

“Beschouw jij jezelf als een oeuvrebouwer?” vroeg Arnoud van Adrichem van het literaire tijdschrift Parmentier in 2006 aan de dichter b. zwaal. “Ik bouw graag,” antwoordde zwaar, “en voeg voortdurend dezelfde stenen toe, niet aan een kathedraal maar aan een dijk van een waterkering. Handgevormde stenen, omwille van hun eigenheid.”

Dat is in veel opzichten een verhelderend antwoord. Bijvoorbeeld vanwege de verwijzingen naar dijken en waterkeringen, want er is geen Nederlandse dichter in wiens werk het water én het land om het water heen zo’n belangrijke rol spelen. Maar ook om het beeld dat hij oproept. Zwaal bouwt inderdaad aan een oeuvre, zij het niet aan een oeuvre met een vooropgezet plan, maar aan een dijk van handgevormde individuele stenen.

Of misschien moeten we zeggen: bouwde aan een oeuvre, want een paar maanden geleden verscheen de bundel zeesnede. gedichten 1984-2019, en dat zeesnede de titel zou worden van het verzameld werk, dat wist zwaal al in 2006. Wel beweerde hij toen dat dit verzameld werk pas in 2025 zou uitkomen, maar 2019 is natuurlijk ook een beter jaar, 25 jaar na het debuut fiere miniature.

Lees verder >>

Poëzie tegen de breekbare vaasjes

Door Marc van Oostendorp

“Waarom ik lees en schrijf”, lees ik en schrijft Piet Gerbrandy aan het begin van zijn essaybundel Grondwater, “zal voor mijzelf altijd tot op zekere hoogte een raadsel blijven.” Om iets later in die eerste alinea een deel van de verklaring toch te geven: “Het zijn de handelingen zelf die me in een stemming en ritme brengen waarbij ik me blijkbaar thuisvoel.”

Veel van de essays in deze bundel gaan over dat ritme. De stukken zijn elders verschenen, maar samen vormen ze een antwoord op de vraag: waarom lezen en schrijven? Vanwege een ritme waarbij de mens zich thuisvoelt.

Grondwater is te lezen als een pleidooi voor grootse gedichten die proberen te bewegen en de lezer in beweging te brengen, die niet als breekbare vaasjes op de bladspiegel hangen, maar de mist in durven te gaan. Niet voor niets staan er ook stukken in over zwemmen, lopen en fietsen, allemaal bewegingen die Gerbrandy gaat maakt, en die hij steeds verbindt met de poëzie.  Lees verder >>

The river told me

Door Jos Joosten

Ik doe mijn goede voornemen voor 2019 – het spijt me, Wouter Roelants – toch nog steeds een beetje gestand: eerst lezen wat ik heb en dan pas nieuw kopen. Helemáál lukken doet dat niet, maar ik ontdek nu steeds nog dingen die al veel eerder lagen te wachten. Gelukkig is poëzie voor de eeuwigheid, nietwaar? Dus is de pas anderhalf jaar dat Eigen terrein van Frouke Arns verscheen een kruimel.

Eigen terrein bevat de gedichten die Arns schreef als Nijmeegse stadsdichter. Het is nogal een precair genre, dit soort poëzie Op Afroep Te Schrijven Ter Gelegenheid Van Een Gelegenheid. In het ergste geval is het resultaat ongeveer zo spontaan als de festiviteiten tijdens een bezoek van Zijne Majesteit.

Arns’ stadsgedichten had ik (dan ook) zo goed als gemist – en ik ben (dan ook) heel blij verrast met deze bundel. Dit is poëzie die ook een eigen leven ná het stadsgedicht waard blijkt. Arns’ gedichten zijn zelfs zodanig de moeite waard, dat ik me niet stoorde aan de korte tekstjes ter toelichting, die vaak immers de ultieme libidokiller zijn in dichtbundels.

Meteen het openingsgedicht had me te pakken. Lees verder >>

Utrecht, 2019: Straatpoëziewandelingen en straatpoëziefietstochten

Door Kila van der Starre

Na de succesvolle straatpoëziewandelingen die Tim van den Hoed van De Utrechtse Boekenbar en ik (Universiteit Utrecht), in 2018 organiseerden (acht uitverkochte edities), hebben we besloten om ook voor 2019  zonnige poëzieplannen te maken!

Dit voorjaar kun je niet alleen mee op een straatpoëziewandeling door Utrecht, ik heb ook een straatpoëziefietstocht uitgestippeld, zodat we straatgedichten buiten de singel kunnen bezoeken.

Tijdens de wandeling en de fietstocht vertel ik over de gedichten die we tegenkomen. Wie heeft die daar geplaatst? Waarom? Wat weten we over de dichter? En over het gedicht? Ook vertel ik over het fenomeen ‘straatpoëzie’ in bredere zin. Is het een nieuw fenomeen? En waarom bestaat het eigenlijk? Lees verder >>

Gent, 7 mei 2019: Studiemiddag Rouw en poëzie

Tussen poëzie en rouw bestaat al eeuwen een hechte band. Niet alleen vormen de dood en de emoties die hij oproept het thema van veel belangrijke gedichten, poëzie speelt ook een ondersteunende rol tijdens funeraire rituelen en momenten van rouw. Tijdens een studiemiddag onderzoeken we die wisselwerking tussen rouw en poëzie.

Hoe brengen dichters gevoelens van rouw onder woorden? Welke rol spelen cultuurhistorische visies op de dood? Hoe verhouden afzonderlijke rouwgedichten zich tot het prestigieuze genre van de elegie? Hoe gebruiken de lezers zelf, van kinderen tot volwassenen, gedichten in hun eigen rouwproces?

Zulke vragen staan centraal in vier academische lezingen: Lees verder >>

Kalm geluk

Door Wiel Kusters

Dapperstraat 15 – 25, jaren 1940. (Geheugen van Oost).

Misschien wel het bekendste gedicht van J.C. Bloem is ‘De Dapperstraat’, uit 1945.

Het is, zou je kunnen zeggen, het gedicht van een wat mopperachtige stoïcijn, die zich ten slotte zelfs ‘gelukkig’ noemt, ‘Domweg gelukkig’.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

De natuur, zegt Bloem, is voor ‘tevredenen’ of ‘legen’ bestemd. Zijn dat hier tegengestelden of vallen ze samen? Wie tevreden is, zijn verwachtingen vervuld zag, is in zekere zin leeg: een verder reikend verlangen ontbreekt. De dichter, die voor de stad kiest, verwacht weliswaar niet veel, maar toch nog íets van het leven. En juist die kalme ontevredenheid, dat rustige, afwachtende verlangen, maakt de plotse openbaring van onverwachte ‘wonderen’ mogelijk. ‘Het leven houdt zijn wonderen verborgen / Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.’ Lees verder >>

Achter de ruit

Door Wiel Kusters

Laatste weerzien met Gerrit Achterberg

Toen ik, zo vlakbij onder glas,
zijn onbereikbaar hoofd zag, was
het mij of ik dit al een keer
gezien had, maar ik wist niet meer
waar of wanneer.
Maar later, in de trein alleen,
viel het mij in: een jaar geleên
schoof ik, in alle vroegte, zacht
het gordijn open, en ik zag
dat het gesneeuwd had in de nacht.

A. Roland Holst

A. Roland Holst en G. Achterberg

Na een gedicht van Achterberg, nu dit gedicht óver hem, met als kern een onthutsend beeld: hoe het gezicht van de bekende dode, onder het ruitje van zijn kist, de suggestie vormt van een sneeuwlandschap. De bekende trekken zijn uitgewist. Er ligt een witte wade. ‘Vlakbij’ en ‘onbereikbaar’ vallen samen.

Er is de mogelijkheid van een associatie met Sneeuwwitje in haar glazen kist. Naar haar heeft de gestorven dichter een gedicht en een bundel vernoemd. Lees verder >>

Paard en wagen

Door Wiel Kusters

Vertelsel

In het houten huis
woont het witte paard,
en de houten wagen slaapt er
naast het brandhout,
doof en zwaar.

Als de maan smelt op de bloemen,
rond het houten huis,
glanst het water op de heide,
vóór het huis.

Met de wind voorbij
floot de trein reeds jaren,
en het huis blijft eeuwig
met het witte paard
en de houten wagen.

Maurice Gilliams

Er wonen zo te zien geen mensen meer in het houten huis waarover Maurice Gilliams (1900-1982) vertelt: daar woont ‘het witte paard’. Te werken hoeft het niet, want ‘de houten wagen’, die het zou kunnen trekken, slaapt bij het brandhout. Misschien is het paard voor arbeid ook te smetteloos. Een droompaard. Lees verder >>

Stokske

Door Wiel Kusters

Vermoedelijke stok van Johan van Oldenbarnevelt, Collectie RIjksmuseum

Veel aandacht van historici dit jaar voor Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de Staten van Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Na een politiek proces door onthoofding ter dood gebracht op het Haagse Binnenhof, 13 mei 1619.

Vondel eerde hem met een gedicht, dat in latere tijd door generaties middelbare scholieren verplicht gelezen werd.

Er is in dit ‘Stokske van Joan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlands’ (1657) sprake van een wonderlijk verbond: ‘Mijn wens behoede u onverrot,’ zegt de dichter tegen de stok van de ter dood gebrachte staatsman, aan het begin van zijn gedicht. En de laatste regel luidt: ‘Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.’ Het gedicht behoedt de stok en die stok houdt het gedicht overeind.

Mijn wens behoede u onverrot,
O Stok en stut, die, geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt, op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneka,
Door Nero’s haat en ongenâ,
Tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog, jaren achter-een,
Den uitgangk van dien held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij, onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten, stadig aan,
Hem voor een derden voet, in ’t gaan
En klimmen, op de hoge trappen;
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij rustte van uw trouwe plichten
Na ’t rusten van dien ouden stok,
Geknot door ’s bloedraads bittren wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

Vondel was zeventig toen hij deze regels schreef, bijna net zo oud als Oldenbarnevelt in 1619, het jaar van zijn dood. Het kan haast niet anders of Vondel heeft zich bij het schrijven van zijn ‘Stokske’ tot op zekere hoogte met Oldenbarnevelt geïdentificeerd. Nog sterker dan toen hij zijn ‘Geuze-vesper’ schreef, rond 1631, zal hij zich bewust zijn geweest van de grimmigheid van Oldenbarnevelts executie, de onthoofding van een oude man, wiens bloed toch al ‘in d’aders schier verstorven’ was. Lees verder >>

Een psalm is een pisbak van taal

Door Marc van Oostendorp

Wat is een gedicht? Dat is een vraag waar de mensheid na zeker drieduizend jaar puzzelen nog steeds geen bevredigend antwoord op heeft gevonden.

Misschien komt het doordat de vraag te vaak gesteld wordt als een vraag naar de structuur van de tekst (een gedicht rijmt, een gedicht wordt omgeven door wit op de pagina) of eventueel van de maker (een gedicht is gemaakt door een genie), en te weinig op de lezer of luisteraar: waarom zijn er mensen die gedichten lezen of luisteren? Wat heb je daaraan?

Nu ben ik zelf ook eerder een lezer dan een dichter of een gedicht, dus je zou kunnen zeggen dat ik ervaring uit de eerste hand heb, maar het blijft mysterieus. Ja, gedichten lezen is prettig en mooi, maar wat betekent dat? Waarom daaraan je tijd besteden en niet aan een pianosonate, een roman of een notentaart? Lees verder >>

Kemp en Magritte

Door Wiel Kusters

Nachtstilte

Het is zo stil boven de planten,
boven de lage en boven de gerankten
en de lucht is alleen vol reuken
van ranonkelingen in de grote wei.
Het is zo stil in de keuken
en de maan schijnt op een ei.

Voorjaar 1934. De dichter is uit zijn bed gekomen, voor een glas water misschien. Het stille leven van de planten buiten, achter het keukenraam, laadt de slaap- en droomloze momenten met een moeilijk grijpbaar iets, een essence, die als geur zelfs van ver lijkt te komen aandrijven, uit de ‘grote wei’ (waarmee niet niet de tuin van de dichter in de Maastrichtse Turennestraat bedoeld zal zijn).

Kemp schreef dat gedicht op een achtste april, bijna vijfentachtig jaar geleden.

Hij schrijft ‘gerankten’ (met een n aan het eind, een slordigheidje waarschijnlijk), en doelt daarmee op planten die rank omhoogsteken. Van ‘ranonkels’ maakt hij ranonkelingen, waardoor ze nog wat minder grijpbaar en geheimzinniger worden. En dan noteert hij deze verrukkelijke regels: ‘Het is zo stil in de keuken/ en de maan schijnt op een ei.’

Van geluidloosheid via geuren naar een uiterst puur visueel motief.

De stilte wordt adembenemend. Lees verder >>

Eieren

Door Wiel Kusters

Pierre Kemp, die kleurrijke dichter, die liefst in het zwart gekleed ging, werkte van 1916 tot 1945 als loonadministrateur op de steenkolenmijn Laura in Eygelshoven, dicht bij de Duitse grens, ongeveer dertig kilometer van zijn woonplaats Maastricht.

Kemp heeft wel eens gezegd, dat niet alleen Petrarca zijn Laura had. Maar van zijn bezigheden op het kantoor van de mijn Laura, of van het mijnbedrijf als zodanig, is vrijwel niets terechtgekomen in zijn literaire werk. Op een enkel, nooit gebundeld verhaal in een tijdschrift na, en met als enige andere uitzondering het gedicht ‘Aan directeur Edixhoven’.

Kemp schreef dit gedicht in 1956, zo’n twaalf jaar na zijn pensionering, voor het bedrijfsblad van de mijn, waarvan de redactie hem om een bijdrage had gevraagd. In ‘Aan directeur Edixhoven’ plaatste hij zijn dichterschap en zijn kleurenliefde – Kemp is gedurende twee perioden in zijn leven ook actief geweest als kunstschilder – op geestige wijze terug in de tijd. Lees verder >>

Verschenen: In opdracht, Wiel Kusters

Ik lijk verloren als ik je niet vind.
In dorre bladeren woelt en zoekt de wind,
hij spreidt en jaagt bijeen, is even stil:
ik hoor je adem tot hij weer begint.

In het dichterschap van Wiel Kusters is na het verschijnen van zijn verzamelde gedichten (Leesjongen, Uitgeverij Cossee, 2017) een nieuwe en productieve fase aangebroken. Tot de resultaten daarvan behoort, naast een omvangrijke bundel langere gedichten waaraan nog gewerkt wordt, een reeks van achtenveertig kwatrijnen, die zich eind 2018 in korte tijd aan hem opdrongen. Zelf heeft hij het gevoel dat hij ze ‘in opdracht’ schreef. Maar in opdracht van wie? Lees verder >>

Kooi

Door Wiel Kusters

In de gedichten ‘De Mus’ en ”s Morgens’ van Jan Hanlo (zie mijn vorige stukje in deze reeks) hoorde ik een echo, ja meer dan een echo, van een oud dichterlijk verlangen: de wens om zo ‘natuurlijk’ te kunnen dichten als zangvogels zingen. We hebben het dan over de taal, over wat de dichter daarmee doet en wat die op haar beurt met hém doet.

Maar het hoeft niet alleen over dichters te gaan. In zijn gedicht ‘de taal’, uit de bundel hand o.a. (1956), heeft Gerrit Kouwenaar het over ‘de mens’. En in vergelijking daarmee over ‘de vogels’.

de taal

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord –

Het gedicht begint met een generaliserende stelling over ‘de taal’  en ‘de vogels’, die tegen het einde herhaald wordt en uitgebreid met een tweede generalisatie. De openingsregel wordt in het tussenliggende gedeelte geïllustreerd met beelden van ‘ik’ en zijn kleine wereld, die uitmonden in een constatering met betrekking tot ‘de mens’ en zijn wonen in de taal. Een wonen dat hier een schuilgaan en een wegschuilen is. Lees verder >>

Tjielp

Door Wiel Kusters

Het gedicht ‘De mus’ op een muur. Bron: Wikipedia

Ik heb zin om hier af en toe een gedicht te presenteren waarvan ik vind dat het tot de altijd nog actuele klassieken behoort, en zo’n gedicht dan van kort commentaar te voorzien. Er wordt veel poëzie geschreven, maar minder gelezen, en daarbij verwaarlozen we, meen ik, ook nog eens ons oudere openbare poëziebezit.

Vandaag een gedicht van Jan Hanlo.

Tjielp

Wie wil kan in ‘De Mus’ van Jan Hanlo (1912-1969) een eenvoudig aardigheidje zien. Een wat flauwe grap. Maar wie dat doet, vergist zich.
Hanlo schreef het gedicht in 1949: Lees verder >>

Revanche van de podiumpoëzie

Tom Lanoye als poëzieperformer

Door Marieke Winkler

‘Weet ik veel hoe poëzie eruit / moet zien’, aldus de opening van het gedicht ‘Programma’ uit Hanestaart (1990), Lanoye’s tweede poëziebundel die verschijnt bij een reguliere uitgever. ‘Niet dat statische, / dat uniforme. Daar hou ik niet / zo van. Dezelfde toon herhaald / tot in den treure, en dat dan / ‘vormvastheid’ noemen, of ‘een / eigen stem’, dat soort gelul. / Nee, daar hou ik niet zo van.’ Zeker wanneer op deze manier achter elkaar geplaatst, valt in deze strofe de spreektalige stijl op. Lanoye schreef zijn poëzie dan ook primair voor het podium en met de bedoeling effect teweeg te brengen bij zijn publiek. De communicatieve functie en de verstaanbaarheid waren voor de jonge dichter daarom van essentieel belang. In Van oor tot oor (1981), uitgegeven in eigen beheer, zegt hij hierover:

‘Mijn publiek moest niet alleen uit lezers bestaan, maar mijn teksten moesten ook ten gehore worden gebracht. Een nieuwe orale literatuur diende te ontstaan, die zich van mond tot mond, van oor tot oor zou verspreiden.’ Lees verder >>

Activiteiten POWEZIE, voorjaar 2019

Op 8 november 2018 heeft de faculteitsraad Letteren en Wijsbegeerte de aanvraag voor de oprichting van de onderzoeksgroep POWEZIE (Universiteit Gent) goedgekeurd. In POWEZIE participeren de vakgroepen Letterkunde, Taalkunde, Talen en Culturen en Vertalen, Tolken en Communicatie én collega’s verbonden aan binnen- en buitenlandse universiteiten en belangstellenden uit de literaire wereld.

In het voorjaar verleent POWEZIE medewerking aan de volgende evenementen. U bent uiteraard van harte welkom. Lees verder >>

“Dat niemand vragen derf, waer immer Napels lag”: een vernietigende recensie uit 1649

Door Alan Moss

Portret van Matthijs van der Merwede door Jan van Bronckhorst, Rome, 1650.

Teleurstelling, frustratie, harenuittrekkende ergernis. Iedereen op vakantie heeft wel eens de neiging gehad om een vernietigende recensie te schrijven: het hotel zál afgestraft worden voor dat gore doucheputje, het restaurant móet boeten voor die schoenzool-steak. Op het magische internet vind je soms onbedoeld hilarische negatieve reviews (nummer zeven zal je verbazen!), maar de meeste afrekeningen in het recreatieve circuit zijn bloederig, bits en verrassend humorloos. Op Twitter werken voor mijn gevoel hele teams klantenservicemedewerkers in ploegendienst om als een online EOD licht ontvlambare tweets onschadelijk te maken. Ook op Grand Tour werd er gezeurd. In april 1649 schreef Matthijs van der Merwede een felle recensie over Napels, een broedplaats van syfilis en een thuishaven van laffe piraten. De Yelp- of IENS-reviewer kan nog wat leren van zijn gedicht ‘Den Vloek van Napels en Napolitanen.’ Lees verder >>

Een bonke keerzen kind!

Door Frank Willaert

De poëtische vrijheden die Gezelle zich in zijn tweede bundel Gedichten, gezangen en gebeden (1862) veroorloofde, waren ongekend in de Nederlandse poëzie van zijn tijd en botsten dan ook op het onbegrip van de weinige literaire critici die op zijn bundel reageerden. Een treffend voorbeeld van Gezelles vormexperimenten biedt het gedicht Een bonke keerzen kind!, dat al uit zijn Roeselaarse periode (1858 of 1860) dateerde en dat hij opdroeg aan zijn lievelingsleerling Eugene van Oye.

(Bekijk deze video op YouTube.)