Tag: persoonlijk voornaamwoord

Waarom hangen hun al ruim een eeuw aan de kapstok?

Door Henk Wolf

Misschien herinnert u zich nog de aflevering van De wereld draait door uit 2012 waarin taalkundige Helen de Hoop en toenmalig minister van onderwijs Ronald Plasterk spraken over het voornaamwoord hun. Bij m’n collega’s en mij op NHL Stenden Hogeschool is het een populaire onderwijsvideo. Ik gebruik ‘m zelf om studenten te laten zien hoe mensen gesprekstechnieken toepassen om derden te overtuigen.

De video illustreert hoe twee mensen wel aan dezelfde tafel kunnen zitten en ogenschijnlijk over hetzelfde onderwerp spreken, maar toch finaal aan elkaar voorbij praten. Ik heb bij het zien van de video altijd wat medelijden met Helen de Hoop, die probeert iets inhoudelijk interessants te vertellen, maar daar nauwelijks de ruimte voor krijgt en ook nog erg weinig respect krijgt van zowel Plasterk als de presentator.

Lees verder >>

Seksistisch over woordgeslacht in 1919?

Taalkunde van 1919

In een onregelmatig verschijnende reeks zal ik af en toe taalkundige publicaties van 100 jaar geleden bespreken.

Door Marc van Oostendorp

Er wordt niet veel meer verwezen naar het fascinerende artikel ‘Woordgeslacht als eenheidsgraad’ over woordgeslacht dat Ph.J. Simons 100 jaar geleden publiceerde in De Nieuwe Taalgids. De ANS noemt het wel als een bron, maar in haar gezaghebbende studie naar woordgeslacht uit 2009 verwijst Jenny Audring er bijvoorbeeld niet naar. Toch lijkt het mij een must voor iedere taalliefhebber.

Simons die, blijkens zijn lijst publicaties op de DBNL, veel over woordgeslacht nadacht, observeert dat het voornaamwoord ze zowel voor een groep kan verwijzen (‘ze komen eraan’) als naar een vrouw (‘ze staat daar’). Is dat toeval? Volgens Simons niet. Hij denkt dat het geslacht de drie voornaamwoorden hij, zij en het in het Nederlands gekarakteriseerd worden door ‘eenheidsgraad’.

Mannelijke woorden zijn van de hoogste eenheidsgraad. Wanneer je naar iets wilt verwijzen dat je een duidelijk afgebakend geheel is kun je in de spreektaal van 1919 volgens Simons dan ook met ie verwijzen, ook al is het woord waarnaar je verwijst ‘officieel’ onzijdig:

Lees verder >>

Doet mèn maah een bieahtje: het gebruik van mijn voor mij in het zeventiende-eeuwse Nederlands

Door Giulia Mazzola en Peter Alexander Kerkhof

Als je ooit met een Hagenees hebt gepraat, heb je het vast weleens gehoord: de dialectvorm “mèn” voor ‘mij’ in zinnen zoals “doet mèn maah un bieahtje”. Deze dialectvorm komt voor in de grammaticale functies van het meewerkend voorwerp, het lijdend voorwerp en na voorzetsels. Als klinkend kenmerk van het Haagse dialect komen we hem natuurlijk tegen in de beroemde dialectstrip Haagse Harrie. Maar wat weinigen zullen weten is dat “mijn” voor “mij” vroeger een goede kans maakte om Standaard Nederlands te worden. Wat blijkt namelijk? In zeventiende en achttiende eeuwse brieven vinden we geregeld “mijn” waar we in het standaard Nederlands “mij” gebruiken. In dit artikeltje willen we kort uit de doeken doen waar de mijn-vorm vandaan komt en hoe uiteindelijk “mij” in de standaardtaal de overhand heeft gekregen. Lees verder >>