Tag: P.C. Hooft

Nederlandsche Historien

Door Lia van Gemert

P.C. Hooft (1581-1647) is vooral bekend gebleven om zijn gedichten, liedjes en toneelstukken. Maar zijn echte levenswerk waren de Nederlandsche Historien: de magistrale reconstructie van de periode 1550-1590, toen in België en Nederland de vrijheidsstrijd losbarstte. Hooft vertelt alles: de ideologie van deze opstand, de gevechten tegen de Spaanse vijand, de verdeeldheid in het Nederlandse kamp, de gevolgen voor de gewone mensen in de steden en op het platteland. En dat in een weergaloos proza, dat de lezers 1242 pagina’s lang onderdompelt in de sfeer van de zestiende eeuw, een tijd waarin in de Nederlanden een nieuwe wereld ontstond.

De 20 ‘boeken’ (delen) van de Nederlandsche Historien die tussen 1642 en 1654 verschenen zijn nu integraal raadpleegbaar en doorzoekbaar op de website van het Huygens Instituut. Ze zijn bovendien vertaald in het Nederlands van vandaag door drie specialisten: Eddy Grootes, Frank van Gestel en Arjan van Leuvensteijn. 

21 juni 2019, Amsterdam: Lancering integrale hertaling Nederlandsche Historien

Op vrijdag 21 juni 2019 lanceert het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis een website met de integrale vertaling van P.C. Hoofts Nederlandsche Historien, vervaardigd door Frank van Gestel, Eddy Grootes en Arjan van Leuvensteijn. U bent van harte uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn.

Wanneer:       Vrijdag 21 juni, 14.30 – 16.30 uur

Waar:                         Huygens ING, Oudezijds Achterburgwal 185, 1012 DK Amsterdam

Lees verder >>

Een windbrief van P.C. Hooft

Door Willem Kuiper

Afgelopen vrijdag 25 januari vertelde ik u over de lancering van de
Digitale Charterbank Nederland (DCN) en wees ik u op dit stuk:

32 Windbrief, opgesteld door P.C. Hooft betreffende het bouwen van drie watermolens, 19-06-1643. 1 charter

alsook op de mogelijkheid om via de DCN-website direct contact op te nemen met het archief waar dit stuk bewaard wordt: het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen. Ik heb dat gedaan en kreeg prompt antwoord.

Omdat het mij interessant leek voor de lezers van Neerlandistiek heb ik geïnformeerd naar de mogelijkheid dit stuk te fotograferen, al was het maar met een smartphone, zodat de Renaissancisten (in spe) onder ons Hoofts eigen handschrift en spelling onder ogen kunnen krijgen in een gedateerd en gelokaliseerd ambtelijk stuk. Lees verder >>

Digitale Charterbank Nederland (DCN) online

Door Willem Kuiper

Op dit moment wordt officieel het doek opgehaald en het licht aan gedaan voor de website https://charterbank.huygens.knaw.nl Voor de meeste neerlandici geen verplichte kost, maar voor de historici onder ons het bookmarken meer dan waard. Niet zo zeer om inzicht te krijgen in grond- en vastgoedprijzen in en rond een stad naar keuze in het jaar van mijn postcode, maar wel om te zien hoe men in zeker jaar in die stad spelde om zo te kunnen verifiëren of falsifiëren of een literaire tekst daar geschreven zou kunnen zijn. Oorkonden en vergelijkbare ambtelijke teksten, waarvan wij weten in welk jaar en in welke plaats zij geschreven werden, zijn onmisbare ijkpunten voor het lokaliseren van literaire teksten met een onbekende herkomst. Daarnaast zijn oorkonden goudmijnen voor onderzoek naar eigennamen en ook geven zij een authentieke kijk op de realiteit van alle dag, die weliswaar soms zichtbaar is in de randversiering van miniaturen, maar die nagenoeg altijd ontbreekt in literaire teksten.  Lees verder >>

Hoe P.C. Hooft kleurenblind werd

Door Alan Moss

PCHooft

Zwart-witte afbeelding van P.C. Hooft.

Laat het aan historici en letterkundigen om de meest obscure anekdotes en spraakmakende details van hun favoriete schrijvers boven tafel te krijgen. Denk aan Grip, de opgezette raaf van Charles Dickens, het masturbatiedagboek van sprookjesschrijver Hans Christian Andersen of de vermeende nazi-sympathieën van Lucebert. Ook over mijn speeltuin, die van de zeventiende eeuw, worden soms smakelijke feitjes opgeduikeld. Soms blijken die niet te kloppen. Dat resulteert dan weer in een wat mij betreft veel smeuïger, Myth Busters-achtig artikel dat de zin van de onzin probeert te scheiden. Ik kan daar als zelfbenoemd pedant enorm van genieten. Door een ‘spectaculaire transcriptiefout’ en een biograaf die uit persoonlijke ervaring sprak, is weleens aangenomen dat de dichter en toneelschrijver P.C. Hooft (1581-1647) kleurenblind was. Hoe dan? Lees verder >>

Tragedie na 399 jaar terug in de Ridderzaal van het Muiderslot

Op 29 september 2017, exact 399 jaar nadat het stuk in de Grote Sale van het Muiderslot voor prins Maurits in première ging, speelt Theater Kwast op dezelfde plek deze unieke co-productie van Samuel Coster (1579-1665) en P.C. Hooft (1581-1647): de tragedie Isabella.

Een tragedie van twee giganten

Isabella is een unieke co-productie van twee van de invloedrijkste grondleggers van de Nederlandse theatertraditie: P.C. Hooft en Samuel Coster. Het is een tragedie vol grote emoties rechtstreeks uit het Italiaanse meesterwerk Orlando Furioso. Het Amsterdamse schrijversduo maakte er een emotionele achtbaan in volle vaart van. Isabella krijgt dan ook heel wat te verduren. Terwijl ze met haar grote liefde Zerbijn door het bos wandelt, slaat het noodlot toe. Daar, midden in het bos, ligt de wapenuitrusting van de gesneuvelde held Roeland. Maar dan is daar Madricard. Een ploert die weigert de wapenen te eren, maar ze besluit te roven. Zerbijn daagt hem voor deze schanddaad onmiddellijk uit tot een gevecht, met desastreuze gevolgen.  Lees verder >>

Vlogboek109 – Literatuurgeschiedenis / 17e eeuw: Renaissancetoneel

Een Vlogboekaflevering gericht op de literatuurgeschiedenis.

In deze video bespreekt Jörgen de ontwikkeling en professionalisering van het Nederlandse toneel onder invloed van de Renaissance aan het begin van de 17e eeuw.

Besproken werken:
P.C. Hooft – Warenar
G.A. Bredero – De klucht van de molenaer
G.A. Bredero – Spaanschen Brabander
Joost van den Vondel – Gijsbrecht van Aemstel

(Bekijk deze video op YouTube.)

Pas verschenen: P.C. Hooft en de ongeziene, eerste ‘fontein’ van Amsterdam door Gerrold van der Stroom

Volgens versjes van de Amsterdammer P.C. Hooft kon kort na 1600 zijn stad roem ontlenen aan het huis en aan de fontein van signor Luz. Hij was evenwel de enige die dat zag. Sion Luz is een veelbesproken figuur maar aan zijn huis, met een galerij en met maar liefst een fontein, werd de afgelopen vier eeuwen voorbijgegaan.

Toch moet het een heel indrukwekkend huis zijn geweest en fonteinen waren er rond de eeuwwisseling in Holland nog niet te vinden. Hoe zag dat huis eruit en had Hooft soms de allereerste fontein van Amsterdam op het oog? Die vragen heeft niemand zich ooit gesteld, maar worden nu beantwoord door zogeheten kwijtscheldingsregisters te combineren met zes- en zeventiende-eeuwse kaarten, met tekeningen en prenten, en met een opmeting uit 1646/1647 van een huizencomplex dat eerder voor het chique Oudezijds Herenlogement werd gehouden. Lees verder >>

Funeraire poëzie: tekstbijlage P.C. Hooft

Door Ton Harmsen

    Heemskerck die dwars door’t ys en’t yser dorste streven
    Liet d’eer aen’t land, hier’t lyf, voor Gibraltar het leven.

 Net als het lange gedicht van Daniel Heinsius op de dood van Jacob van Heemskerck, die in 1607 de slag bij Gibraltar won maar die overwinning betaalde met zijn leven, bevat dit distichon van P.C. Hooft vrijwel uitsluitend lof. Hij doet dat heel kunstig en opvallend: ‘ys’ en ‘yser’ zijn woorden die bij een grote overeenkomst in klank een heel verschillende betekenis hebben (wat de stijlleer paronomasia noemt); ‘eer’, ‘lyf’ en ‘leven’ zijn drie objecten van ‘Liet’ (een tricolon). Het allitererende ‘liet-land-lijf-leven’ maakt het tweede vers ook bijzonder welluidend. Met recht siert dit gedicht het grafmonument van de zeeheld.

Het lijkt of Hooft een vergissing maakt in het metrum, omdat in Gibraltar de eerste en de laatste lettergreep beklemtoond zijn. In de zeventiende eeuw sprak men het echter uit zoals in het Spaans en het Frans, zoals we ook zien in het gedicht van Vondel op het portret van Gerard Hulft. Die uitspraak is etymologisch beter verantwoord dan de onze: Gibraltar is een verspaansing van de Arabische naam Jabal Ṭāriq (جبل طارق), de Tariqberg. Een andere bijzonderheid is de trochee ‘Heemskerck’ – hier maakt Hooft gebruik van een vrijheid, die in het eerste woord van een jambisch vers niet ongebruikelijk is.

Lees verder >>

P.C. Hooft was kaal!

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (55)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp


Stel je bent Anna Roemer Visscher, en stel je hebt voor je goede vriend P.C. Hooft een pruik gemaakt. En hij bedankt je dan met een sonnet dat zo begint:

D’ aelouwde dichters kloeck in wijsheit nae te spooren
Beschrijven Pallas dat zij alle dingen siet,
Met een doordringend oogh. Waerom oock soudse niet?
S’ is wt haer vaeders brein, en met een helm gebooren.

Ja, de strekking is duidelijk. P.C. vindt jou natuurlijk ook wijs, en die helm, dat is een verwijzing naar die pruik. Alleen: wat is de logica van deze bewering? Pallas Athene ziet alles, omdat ze uit het brein van haar vader geboren is, zeker. Maar wat draagt het feit dat ze die helm op had toen ze geboren werd bij aan haar visie?

Waarschijnlijk is het een toespeling op het nog steeds bestaande volksgeloof dat kinderen die ‘met de helm geboren’ worden, het ‘tweede oog’ hebben en dus in de toekomst kunnen zien.

Lees verder >>

De septades van Baeto

Door Poeta Batavus


Baeto is back! Vierhonderdenvijfendertig jaar na de geboorte van zijn geestelijke vader P.C. Hooft keert Baeto op het toneel terug om zijn licht over de lage landen te laten schijnen. Hij schrijft geen middeleeuwse rondelen of renaissance sonnetten, maar eigentijdse septades. Een septade is een gedicht van zeven regels, waarvan de eerste gelijk is aan de laatste. Zij bestaat uit een kwartet en een terzine en heeft een eigen rijmschema. 

Septades horen bij het digitale tijdperk omdat de zeven regels perfect op het scherm van een mobiele telefoon, laptop of ipad passen. Het hele gedicht valt met één blik te overzien. Tegelijkertijd zorgt de structuur van twee coupletten met een wending voor een dynamiek die de lezer uitnodigt de septades nog eens te lezen en op te slaan.
In een van de eerste gedichten, waarmee hij zijn opwachting in de 21e eeuw maakt, stelt Baeto zich voor als een Hollands dichter:

Lees verder >>

Visseres? Visster? Visserin!

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (54)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands heeft allerlei manieren om een vrouwelijke beroepsaanduiding te vormen. In een recent artikel in Nederlandse Taalkunde (ik kom er binnenkort nog eens op terug) somt de Amsterdamse morfoloog Jan Don er een aantal op:

a. wandelaarster, rekenaarster (‘-ster na –aar’)
b. loopster, verkoopster (‘-ster na verbale stam’)
c. minnares, dienares (‘-es na –aar’)
d. zangeres, dichteres (‘-es na –er’)
e. boerin, prinses (‘-es/-in na nomen’)
f. studente, agente (‘-e na nomen’)
g. conductrice, mentrix (‘-ice, –ix na wortel’)
h. Amerikaanse, Zweedse (‘-e na toponymisch adjectief’)

Interessant zijn alleen al de eerste vier. De stukjes –aar en –er zijn eigenlijk een soort varianten van hetzelfde achtervoegsel. Meestal kies je –aar na een stam die eindigt op een lettergreep met een toonloze –e (wandelen, rekenen) en –er in andere gevallen (lopen, verkopen) al zijn er ook werkwoorden die uitzonderlijkerwijs –aar kiezen hoewel de werkwoordsstam met een volle klinker eindigt (minnen, dienen).

Lees verder >>

Waarom P.C. Hooft niet bij de AKO ligt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (53)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp


Een ingewikkelde syntaxis geldt niet als aanbeveling voor een schrijver. Van moderne Nederlandse auteurs als Maartje Wortel worden de korte zinnen geprezen (bijvoorbeeld < hier>). Iedere bijzin doet de wenkbrauwen fronsen, zo is de formule, en iedere nominalisering jaagt een percentage aan lezers weg.

Dat zal wel een van de redenen zijn waarom het proza van P.C. Hooft niet bij AKO ligt. In zijn gedichten is zijn zinsbouw echter meestal wat minder barok. De zinnen uit dit sonnet kunnen zich, afgezien van de lengte, zogezegd meten met die van Maartje Wortel:


Aen Heere Constantijn Huighens.

Men voede’ Achilles op, met mergh wt leeuweschoncken
Dies siedende’ oorloghsucht reed door sijn leeden rap.
Van rusten wierdt hij mat: van woelen frisch: en schrap
Stondt hij veel liever, dan hij stack in lust versoncken.
Maer Huighens inborst, die voor sógh heeft opgedroncken
Der eedle konsten, klaer en sinnesujvrend sap,
Vlamt op het eerlijck’ fraeij. Waer nae sijn vrijerschap
Wt allen ijver rent, geprickt van heilghe voncken.
Dies luistren nu sijn lujt, sijn stem, sijn streelend dicht,
Nae wetten van dien geest op alles afgericht.
Nae dese schickt zich ’t pujck zijnre’ wtgeleesen zeeden.
Doch dit ’s maer voorspel. T’hans de welvaert van sijn landt
En vrijgevochten volck, aenstellen wil haer trant,
Op maetslagh eener siel soo vol van rijm en reden.

Lees verder >>

Van oude mensen, de dingen die overlijden

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (52)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

De dichtkunst is in Nederland altijd een gezelschapsspel geweest. Er zijn maar weinig dichters aan hun kunst ten onder gegaan, in onze streken schrijf je gedichten om gezellig bij De Wereld Draait Door voor te lezen, of om op Facebook te zetten, zodat je vrienden op like kunnen drukken, of er ‘mooi geschreven’ onder zetten.

Het sonnet was het Facebook van de Muiderkring. Je schreef een gedicht om iemand anders te vind-ik-leuken, en als je geluk had vind-ik-leukte die ander je dan weer terug. Een substantieel deel van de sonnetten die P.C. Hooft schreef, behoren bijvoorbeeld tot dit subgenre. Zoals dit gedicht:

Aen mijn heer Hujgh de Groote.

Weldighe ziel, die met uw scherp gesicht,
Neemt wisse maet van dingen die genaecken,
En al den sleur der overleden saecken
Begrepen houdt met yders reên en wight;
Vermoghend’ wt te breên, in dierbaer dicht,
Wat raedt oft recht oyt God oft menschen spraecken:
Sulx Hollandt ooght, als zeeman op een baecken
In starloos weêr, op uw verheven licht:
O groote Zon, wat sal jck van u maecken?
Een adem Gods die wt den hemel laecken
Comt in een hart wel keurigh toegericht?
Oft een vernuft in top van ’s Hemels daecken
Verheldert, om op Aerd te coomen blaecken,
Daer ’t landt en liên met leer en leven sticht?


Lees verder >>

Kuin

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (51)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Kunnen jullie even kuin gaan zitten? Nee, hè, dat kunnen jullie niet. Je weet niet eens hoe het precies moet, terwijl het woord nog wel een prominente rol speelt in een bekend sonnet van P.C. Hooft:

Aen joffre Anne Roemer Visschers.
Sonnet.

Soo ’t u, met diamant, lust op een glas te stippen:
‘T is in de vlinderteelt. Het geestighe gedroght
Siet oft het laeffenis aen sap van drujven soght
En sit soo kuin, men soud het van den roemer knippen.
Neemt ghij pinçeel oft naeld: daer worden kujl en klippen
Geschaepen, bos en bergh; en ’t vochte veldt bedoght
Met groene graesen. Daer ’t welvaerend vee nae toght.
Dat haelt sijn aem, soo ’t schijnt; en staet met gaende lippen.
Bootseert uw aerdighe’ handt, en maekt een mensch van leem,
‘T haelt bij Prometheus werck. Maer wen gh’ u in de veem
Der sanggodinnen vlijt; en woorden schoongeschreven,
Een redelijcke ziel, met wackren sin instort:
Soo blijckt dat ghij al ’t geen, dat lijf oft leven schort,
Van bejds kunt geven; dan den dichten ’t eeuwigh leven.

Kennnelijk kon in de zeventiende eeuw een vlinder kuin zitten op een tak, die men dan af zou knippen.
Lees verder >>

Tot haer de vlam verslin’

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (50)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Laten we er geen doekjes om winden: sommige spraakklanken tellen nu eenmaal zwaarder dan andere. Een toonloze e, de sjwa, is een de sukkel onder de klinkers: zodra hij naast een krachtiger broeder komt te staan, delft hij het onderspit. En iedere broeder is een krachtiger, zodat de dichter d’aarde kan zeggen, of d’oorlog, of d’oen, als het zo uitkomt voor het ritme.
Onder de medeklinkers is die loserrol aan de d en de t toegemeten, zoals je bijvoorbeeld kunt aflezen aan dit sonnet van P.C. Hooft:

Doen ’t eerste mael verscheen, in mijner ooghen zin,
Die krujfde zijd’ waer af jck self mijn banden strengel,
En ’t dubbel starrelicht, waer om jck leg en hengel,
Gelijk de mug om toorts, tot haer de vlam verslin’,
En ’t hejligh aengezicht dat jck beschonken vin
Met errenst ende lagh van minnelijk gemengel,
Zagh jck vw’ schoonheit aen voor eenen enklen engel,
Mijn lieve licht; en steekt daer noch een engel in?
De zujvre goelijkheên der hemelhoofsche knaepen,
Zijn, naermen ons vermelt, alleen van geest geschaepen,
Men heeft ‘er aen hetgeen aenschouwt wordt, meerder niet.
Onzichbre geest, wiens gunst d’ onwaerdighe komt stoven,
(Wat sweemt der gotheit bet?) in v gespeurt wordt, boven
Een engelsche gedaent zoo klaer dat mensch ze ziet.


Lees verder >>

Die ghij niet recht besteden

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (49)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Het moet af en toe best fijn zijn geweest om P.C. Hooft te zijn. In ieder geval als je aan je schrijftafel zat en daar van het Nederlands een moderne taal aan het maken was, waarin je grote kunst kon maken.

Je voelt het bijvoorbeeld soms in zijn ‘navolgingen’ van Petrarca, die veel zelfbewuster klinken dan het origineel of dan de Franse vertalingen die Hooft misschien ook gekend heeft:

Wt Petrarcha. Gevolcht.
Se la mia vita da l’aspro tormento

Jndien mijn leven sich soo lange can verweren
Tegen mijn wreet geluck en ongesiene cans,
Dat jck verdoven sie de Son-gelijcke glans
Vrouw, van v oogen schoon, door ouderdooms vermeren
En v goudt-dradich haijr in silver-draet verkeren,
En vwe lust vergaen van sanck, van spel, van dans,
Van soete boerterij, van cruit, van Rosecrans,
Van geel van groen van wit, en jncarnate cleren.
Dan sal mijn Oude Min mij geven inde mont
Vermaning vande tijt, die ghij niet recht besteden,
En oft dan schoon geviel dat ghij noch voorestont
V merkelijcke schult met woort, en schijnbaer reden,
Soo sal nochtans een sucht diep wt vws hartsen gront,
Leetwesens bode sijn, en jck ten deel te vreden.


Lees verder >>

Uw gouden grif

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (48)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?
 

Door Marc van Oostendorp

Hoe het Nederlands langer dan zo’n honderd jaar geleden geklonken heeft, kunnen we alleen maar construeren. Bij gebrek aan geluidsopnamen moeten we het doen met de schaarse keren dat iemand de moeite heeft genomen precies te noteren hoe het voelde om, pakweg, een /r/ uit te spreken – en met gedichten.

In alle tijden hebben dichters aandacht besteed aan de klank van hun gedichten. Door daar precieze aandacht aan te besteden, kunnen we wel het een en ander leren over hoe een en ander geklonken moet hebben. Uit het feit dat Hooft en zijn tijdgenoten beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen begonnen af te wisselen, weten we dat zij de klemtoon op ongeveer dezelfde plaats in ieder woord hebben moeten gelegd als wij nog steeds doen: lees een gedicht met moderne klemtonen en het klinkt nog steeds goed. (Deze opmerking kan bovendien een onderzoeker in de 25e eeuw verder helpen, wanneer hij haar vindt in de digitale archieven van de KB: ja, onderzoeker, aan het begin van de 21e eeuw hadden wij dezelfde klemtoon als P.C. Hooft. Tof trouwens, dat je je richt op deze dode taal.)

Maar ook het rijm kan informatief zijn, bijvoorbeeld in dit bekende sonnet van Hooft:
Lees verder >>

Meer dan ghij sijt gewoon

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (47)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Metriek betekent, zou je zeggen, regelmaat. In een metrisch gedicht wisselen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen elkaar regelmatig af. Fans van dit weblog – ze bestaan! althans, ze zullen ooit bestaan (over honderd jaar, als niemand het controleren kan) – weten dat ik een vreemde obsessie heb; namelijk dat die regelmaat bij de meeste dichters helemaal niet zo absoluut is, en dat er soms beklemtoonde naast andere beklemtoonde staan, of andersom.

Die onregelmatigheden kun je op allerlei manieren bestuderen. Ze kunnen bijvoorbeeld iets zeggen over de inhoud: zo’n vormelijke onregelmaat kan corresponderen met een gevoel van grote innerlijke onrust, of een storm op zee verbeelden, of een hartklopping.

Maar in sommige opzichten zijn de onregelmatigheden ook pure vorm.
Lees verder >>

Steeden vollickrijck

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (46)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

(Geen kalasjnikovs zullen ons verhinderen het allerkleinste te blijven horen.)

Wanneer klinkt er precies een klinker? Gelukkig voor de dichters is dat niet altijd even duidelijk: op het moment dat de vaste regel wordt dat onbeklemtoonde en beklemtoonde klinkers elkaar vast moeten opvolgen, wordt het korset nogal strak, en dan is het prettig als er hier en daar een extra knoopje aan het korset zit.

P.C. Hooft wist zulke muziek te maken van zijn sonnetten dat je niet eens opvalt hoe zorgvuldig hij hier en klinkertje wegpoetst, en er daar een juist naar voren haalt:

Wanneer de Vorst des lichts slaet aen de gulden tóómen
  Sijn handt, en beurt om hooch aensienlijck wter Zee
  Sijn wtgespreide pruick van levend goudt, waermee
  Hij naere anxtvallicheit, en vaeck, en creple dróómen
Van ’s menschen lichaem strijckt, en berch, en bos, en bóómen,
  En steeden vollickrijck, en velden met het vee
  Jn duisternis verdwaelt, ons levert op haer stee,
  Verheucht hij, met den dach, het Aerdtrijck en de stroomen:
Maer d’ andre starren als naeijvrich van sijn licht,
  Begraeft hij, met sijn glans, in duisternissen dicht,
  En van d’ ontelbre schaer, mach ’t niemand bij hem houwen.
Al eveneens, wanneer vw Geest de mijne roert,
  Word jck gewaer dat ghij in ’t haijlich aenschijn voert
  Voor mij den dach, mijn Son, de nacht voor d’ andre vrouwen.


Lees verder >>

P.C. Hoofts ‘Theseus en Ariadne’ eenmalig in de ridderzaal van het Muiderslot

Op vrijdag 20 november speelt Theater Kwast eenmalig een bruisende versie van P.C. Hoofts theaterstuk “Theseus en Ariadne” in de ridderzaal van het Muiderslot.

De Griekse held Theseus komt terecht op het eiland Kreta, waar hij om de vrede te bewaren samen met 13 Atheense burgers geofferd dient te worden aan de Minotaurus. Theseus besluit echter de strijd aan te gaan met dit mythische beest en wordt en passant verliefd op de dochter van de koning van Kreta; Ariadne.

Gesmoort in hooploos leidt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (45)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

In zijn boek De vergeten wetenschappen beschrijft Rens Bod hoe de geschiedenis van de muziek en de musicologie een voortdurend heen en weer is van theorie en praktijk. Er worden fraaie wiskundige modellen ontwikkeld die beschrijven wat goede harmonieën moeten zijn. Op basis van die modellen maakt men muziek, maar niet iedere harmonie blijkt even goed te werken. Daarom wordt de theorie aangepast, en dan weer opnieuw uitgeprobeerd.

Zo ging het, in ieder geval tussen de zestiende en de achttiende eeuw ook met metriek, zo leren we uit het onvolprezen Leidse proefschrift Nederlandsch Versrhythme (1922) van Friedrich Kossmann.  De theorie was oorspronkelijk dat je gedichten moest schrijven zoals ze in de klassieke oudheid had gedaan, maar daar bleken de moderne Europese talen niet geschikt voor. Dus moest de theorie worden aangepast – maar hoe?

Daar is decennialang mee geworsteld. Men wilde bijvoorbeeld een jambische hexameter (een alexandrijn) schrijven. Jambes waren in de klassieke oudheid groepjes van twee lettergrepen: de eerste kort en de tweede lang. Maar wat is dat precies voor het Nederlands, een lange lettergreep of een korte?

Het probleem doet zich bijvoorbeeld al prangend voor in de eerste regel van dit sonnet van P.C. Hooft:

Lees verder >>

Onseker hoop

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (44)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp


Dat de metriek van P.C. Hooft bijna perfect was, durfde ik vorige week op deze plaats te beweren. Binnen enkele decennia had de regelmatig afwisselende versregel de Nederlandse poëzie veroverd, en P.C. Hooft was er al meteen de meester in – het is een beetje zoals Cervantes een van de eerste romanschrijvers was en meteen ook een van de beste, of Buster Keaton een van de eerste filmmakers, en meteen de grappigste. 

Meestal schreef P.C. Hooft zogenoemde alexandrijnen: dat waren versregels die losjes gemodelleerd waren op een Frans model waarin iedere regel twaalf lettergrepen had, met precies in het midden een zogenoemde cesuur: de zesde en de zevende lettergreep behoorden nooit tot hetzelfde woord.

In het Nederlands gold die laatste eis ook, maar waren de lettergrepen verder gegroepeerd in duidelijke afwisselingen van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen; iets wat in het Frans niet goed mogelijk is, omdat het Frans woorden nauwelijks beklemtoont (het legt alleen klemtoon op de laatste lettergreep van een bij elkaar horende groep woorden). Een combinatie van een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep heet een jambe.  Een Nederlandse alexandrijn bestond dus uit zes jambes (met na de derde jambe een cesuur).

Lees verder >>