Tag: Pas verschenen

Gedicht: Max Greyson • Citoyen

Uit Et alors, de nieuwe bundel van Max Greyson.

Citoyen

Koortsig leven in het vide van zeven aurores
dagen verstoken dat het een aard heeft
avancer vooruitgaan verliezen verworden
devenir l’homme dans la rue qui ne bouge plus

Eeen detente waar de nacht valt, in een nu
dat altijd is
waar het verleden zich op de toekomst ent
où chaque seconde compte contre la gravitation

N’en pouvoir plus, ni vouloir, ni croire
de nuance verzuipen in cynisme terugblikken
altijd neerwaarts naar het middelpunt van niets
dat niets in het niets doet verdwijnen, la nuit
est l’arme qui fait de l’homme un homme Lees verder >>

Gedicht: Sander Meij • Details

Uit Pincetbeweging, de nieuwe bundel van Sander Meij.

Details

ik zocht naar een woord
toen ze weer aan me vroeg
of we misschien konden praten

ik ben bekend met dit jargon
het woord is me even ontschoten
maar het had met deductie te maken

de oude Grieken kennen zes woorden voor liefde
haar espressomachine bereidt zes soorten koffie
de vraag is waar hier de vooruitgang in zit

waarom ik zo deed, wilde ze weten
ik vroeg haar wat ik ervan denken moest
dat ze ieder bericht weer met ‘liefs’ afsloot


Sander Meij (1980)
uit: Pincetbeweging (2019)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jacobus Bos • Vult verdriet met verdriet

Uit De waan en zin van het bestaan, de nieuwe bundel (voorproefje hier) van Jacobus Bos.

Vult verdriet met verdriet

Er kruipt een meerval door mijn hersens
die meer dan een meter lang is
en elke uithoek daar verkent.

Ik voel hem kronkelen en woelen.
Hij voedt zich met mijn gedachten.
Haalt alle zuurstof uit mijn bloed.
Ik hang uit het raam en hap naar adem.

Buiten ruikt het naar dierentuin.
Ik sla zo hard als ik kan alarm.
De vijand valt van achteren aan.
Zelfs wie dood is vecht nog mee. Lees verder >>

Gedicht: Frank Koenegracht • Gedicht dat goed afloopt

Onlangs verschenen: Alle gedichten van Frank Koenegracht.

Gedicht dat goed afloopt

Wanneer je ’s avonds laat in bed,
boek in je rechterhand, lul
in je linker de dingen op een rijtje zet
en constateert: nulkomma nul
heb ik bereikt; ’t is godverdomme net
alsof mijn huis is scheef gezet.
Of als je wakker wordt als een insect
en gele stroop uit al je wonden lekt
maar iedereen gewoon doet
en je groet en het goed
met je meent.
Als je verdroogd op zee drijft
en er is geen hoop meer maar slechts dorst
je laatste beker heb je trillende vermorst
en barsten schieten in de plank
wiens hoofd duikt er dan lachend uit het water
wie zegt er dan: zorgen zijn voor later?
Je vrolijke vriend Frank.

Frank Koenegracht (1945)
uit: Alle gedichten (2019)

Lees verder >>

Gedicht: De bedelaar / Le mendiant • Willem Elsschot

Onlangs verschenen: de tweetalige bundel Het huwelijk / Le mariage – met 17 gedichten van Willem Elsschot die door meestervertaler Paul Claes in het Frans werden vertaald.

De bedelaar

Ik word van lijf en leden veel te zwaar
om nog bij ’t volk erbarmen op te wekken.
Toch kan ‘k mijzelf niet tot een brandhout rekken,
noch kan dat iemand anders, is ’t niet waar?

Een apotheker geeft mij altijd pillen,
in plaats van geld: ’t zijn pillen voor het vet
dat zich meedoogenloos heeft vastgezet
in dikke lagen, op mijn buik en billen.

Geen medicijnen brengen echter baat
noch zweeten, vasten, biechten en novenen;
zij doen mijn vet niet smelten, maar versteenen.
Kom hier en voel, Mijnheer, en geef mij raad.

Als ’t God belieft, dan wordt het dertig jaren,
aanstaande Paschen, dat ik voor mijn brood
de hand reik en mijn schamel hoofd ontbloot.
Maar wie kan Zijn beschikkingen verklaren?

Rotterdam, 1909

Lees verder >>

Gedicht: Tsead Bruinja • dus kom in opstand

Uit Ik ga het donker maken in de bossen van, de nieuwe bundel van Tsead Bruinja.

dus kom in opstand

de waarheid hebben we in pacht de wijsheid
hebben we uitgeleend aan mensen van wie we de onkunde
net wat kleiner achten dan de onze

dat levert vreemde wetten op

in frankrijk mag je je eigen varken niet napoleon noemen
in australië is het verboden het dier dat je gaat opeten
een naam te geven

in china mag je iemand die aan het verdrinken is niet redden
dat gaat in tegen het lot Lees verder >>

Gedicht: Moya De Feyter • Massastrandingen (fragment)

Uit Massastrandingen, van Moya De Feyter, een “caleidoscopisch prozagedicht” met een niet onbelangrijke rol voor typografie en vormgeving.

na een tijdje hoor je de muggen ook nog nadat ze al lang vertrokken zijn

de mug op het nachtkastje is duidelijk van streek
als ik voor haar neurie, vallen haar pootjes uit
zonder stuiptrekkingen

de muggenmoeder komt om het mij betaald te zetten
haar leger loopt heen en weer over de vensterbank
de achterlijven wiegen een beetje, kopjes onverstoorbaar

hoe afhankelijk zijn deze muggen van mijn bloed
ben ik moreel verplicht hen iets te gunnen Lees verder >>

Gedicht: Bert Van Raemdonck • Letterperk

Uit Hier raken we mij kwijt, de debuutbundel van Bert Van Raemdonck.

Letterperk

Ik sta in een veld vol klapwoorden die bloeien met de grond gelijk,
een werpnet onder het gevoel om nu niet,
nooit alleen te kunnen zijn

Het antwoord op je vraag:
hier raken we mij kwijt

Ik zie de gember grijpen naar de lis
en ook de gladde witbol probeert bodemloos
te varen in een handgeschreven akker naar wat nu nog
even stilte is geweest Lees verder >>

Gedicht: Michael Tedja • Poes

Uit Exclusief, de nieuwe bundel van Michael Tedja.

Poes

Een skinhead is kaal want zijn hart is leeg.
Zijn vrouw kookt zijn hart in het gootwater.
De gootwatersoep is heet want de pan is leeg.
De skinhead is ziek. Hij is een amorfe man.

De aanwijsstok is een allegaartje van sloophout.
De skinhead is niet zo goed bij zijn hoofd als ik.
Hij heeft geen smoes. Skinhead weet niets want
skinhead dat ben ik. Ultramodern ideebrouwsel Lees verder >>

Gedicht: Daniël Dee • En gesp je revolverholster om

Uit [plak hier uw titel], de woensdag te verschijnen nieuwe bundel van Daniël Dee (die wordt geleverd met een stickervel vol titels, waaruit de lezer dan zijn favoriet mag kiezen om die op de voorkant van het boek te plakken).

En gesp je revolverholster om

hart van me je had slechts één taak
pompen tot in het oneindige

waarom tref ik je nu dan hier aan
onder de blubber op de bodem van de put

haveloos laveloos korstjes vastgekoekt aan
de mondhoeken van de hele nacht projectielbraken

Lees verder >>

Gedicht: Akim A.J. Willems • drie gedichten

Uit op de rand van het zwijgen, de nieuwe bundel van Akim. A.J. Willems.

ik ben op mijn mooist als ik alleen leef,
mijn hongerhuid afgestroopt,
mijn aderen van heimwee blauw
naar een plek waar ik nooit eerder thuis kwam.

waar mensen niet denken dat ik ongelukkig ben,
ik houd gewoon van stilte.
in een wereld die nooit stopt met praten, schijn ik op mijn mooist
ver en lang van huis zonder koffers vol vergeten.

*

ik heb mijn stem gevonden in een doodlopende straat;
op de hoek een leegstaand krot
met aan de muur een halfsleetse plaat:
in mij huisde / een ellendeling / onvatbaar voor ontroering.

ik heb een stem die me babels influistert
dat alles ijdel, onuitsprekelijk, dat alles vermoeiend
en op een aftands plakkaat staat
aan een muur van een krot op de hoek van een straat.

*

de nacht ligt blauw op een bed dat niet het jouwe is.
buiten ritselt de onrust door dunne bomen.
kruinen buigen zich tot luisterend oor.
tussen de uren op het nachtkastje tikt een horloge

de laatste loodjes weg. daar gelden andere wetten,
geen taboes, die jij alleen begrijpt.
de nacht ligt er op een bed dat nog niet het koude is,
in gekrompen licht dat de schijn tegen heeft.

Akim A.J. Willems (1974)
uit: op de rand van het zwijgen (2019)

—————————–

Gedicht: Roelof ten Napel • hooglied

Uit Het woedeboek, de debuutbundel van Roelof ten Napel, waarvoor hij genomineerd is voor de Buddingh’-prijs.

hooglied

ik ben van mijn liefste en mijn liefste
is van mij — hij verschijnt als de schemering,
zijn armen als de brandende horizon,
zijn ogen als raven, schuilend in de avond —

zijn lippen zijn van koper, glanzend — ach
dat vocht — laat hem mij grijpen met de grepen van
zijn handen, mij proeven met zijn tong —
laat hem toch mijn gehennakop doven —

mijn vriend is geblakerd als de bruggen van praag,
ik wil zijn barokke lichaam met mijn vingers verweren
en hem openkrabben als een oude wond —

ik geef hem mijn vallei vol doden, de wrok
waarvan mijn hart nog brandt — dat hij me kennen kan
en me kan kussen met de kussen van zijn mond)

Roelof ten Napel (1993)
uit: Het woedeboek (2018)

—————————–



Gedicht: René Huigen • Steven! (fragment)

Een fragment uit het lange gedicht Steven! (bijna 200 blz.) van René Huigen.

En hij richtte tot Steven de woorden:
‘Tijd
En ruimte betekenen niets voor mij, noch
Zouden ze dat voor u moeten doen. O
Deerniswekkende dwaze jonge man!
O afschuw’lijke! O angstaanjagende
Toestand! Gedenk de hete brandende
Kerker, die gij gezeten op uw zetel,
Als ware het een troon, voor uzelf gereed-
Gemaakt hebt. Wat u bestijgt in gedachten,
Is waartoe gij in werkelijkheid bent
Afgedaald. O Horror Metaphysicus!
Aanschouw de diepte in uzelf. Onbegrensd,
Zich zó de ruimte voor te stellen dat
Die in uw denkraam past. Zeker. “Die Sprache
Ist das Haus des Seins.” En: “Every man
That is proud of his intelligence,
Is like the condemned who is proud
Of his own cell.” Maar wat ziet wie spreekt van
Vrijheid en zijn ketenen niet voelt: vleugels
Als van Hermes rond zijn enkels? Of die van Perseus
door het luchtruim scherend? Een slaaf
Is hij die verheffen wil wat onaf-
Wendbaar de afgrond in getrokken wordt
En die rammelend met zijn kettingen
Denkt dat hij zijn vleugels wieken hoort.
Zeg me niet dat het aan hem is dat u
Een voorbeeld nemen wil.’

René Huigen (1962)
uit: Steven! (2019)

———————————–

Gedicht: H.H. ter Balkt • Aan de mensen die machines geworden zijn

Uit Stilstaand leeft alles hier, de pas verschenen bloemlezing die dichter Alfred Schaffer samenstelde uit het werk van H.H. ter Balkt.

Aan de mensen die machines geworden zijn

Overal jan gassen in de straten van oud kwaad-
sprekersland. Wij leven nu stukken sneller dan
de insecten! Felle zandstormen waaien op Mars;
permafrost beeldhouwt de bodem in een ijzeren

vorm. Ik steek mijn hand op naar de mensen die
machines geworden zijn: wandelend in de straten
zenden zij hun lokstoffen uit; er brandt rood,
flikkerend, een oud radiolicht in hun oog. Dat

– koud als permafrost – zendt het signaal uit ‘Ik
ben een machine; vorst in mijn hart; poolkappen
van Mars zijn mijn hersens en hart’. Laforgue, of

jij, Mallarmé, Tristan Tzara, waren jullie dan
de wegbereiders van de ijzige koude? Want groot
is nu de haat en bosbranden stormen in de ziel.

10 oktober 1991

H.H. ter Balkt (1938-2015)
uit: Laaglandse hymnen (1993)

———————————–

Gedicht: Wiel Kusters • vier kwatrijnen

Uit In opdracht, een bundel met 48 kwatrijnen van Wiel Kusters, over verlies, afwezigheid, gemis.

XVI

In niets geborgen noch tot iets vergaan,
zoals de schijngestalten van de maan.
Weer open ik het dichtgeschoven raam
met uitzicht op de daken van de waan.

XXI

Wat wil je, storm, hier op en rond ons dak
aan zee, nog meer dan huilen wat ik sprak,
en nu, als ik, opnieuw de onrust stoken
van vuur in hout, de takken die ik brak.

XXVI

Wat als ik kan voorzeggen wat mijn zin-
tuig spelt, de lichte heledre tik die in
de gootsteen klinkt als ik daarin een pit-
je mik van – wat? – die paprika, en schrik?

XLI

De jongen schrijft ‘man’ en leest zich een maan,
zo haalt hij een wereld uit woorden vandaan,
stil op zijn stoel, met één voet aan de grond.
De maan is ver weg, maar je kunt erop staan.

Wiel Kusters (1947)
uit: In opdracht (2019)

———————————–

Gedicht: Tomas Lieske • De kindertijd van Marlene Dietrich

Uit Keto Stiefcommando (ondertitel: ‘Hoe Keto Stiefcommando met zijn jongklomp de route naar Saint-Denis opnieuw uitvond’), de nieuwe bundel van Tomas Lieske.

De kindertijd van Marlene Dietrich

Ik wil een lichaam om anderen te behagen,
ik wil dijen waarbij iedereen zal vragen:
waar houden uw wonderbenen op?
maar waarbij niemand durft. Nu loop ik
stiekem in Potsdammer minibroekjes,
ik loop op eieren om mijn heupen goed te draaien.
Hoe is dit Pruisisch struif geslagen tot
een staat in verval, een vazal, een val
van hoge knechten in operette-uniformen?
Het asfalt dient mij om voort te schrijden.
Wat iedereen bevalt aan deze tijden
verafschuw ik. Het uur slaat. Ik vertrek als
blauwe engel tussen Gods eigen vee
dat loeiend op punt staat van reizen over zee,
over zee van vuur en bloed en dolle pijn.
Laat het laatste uur goed en vredig zijn,
mijn benen uitdagend lang en welgevormd,
tergend als wijzers van de klok gestrekt en hoog geheven
mijn dubbelloops, mijn kinderspel, mijn Pruisisch leven.

Tomas Lieske (1943)
uit: Keto Stiefcommando (2019)

———————————–

Gedicht: Mischa Andriessen • In die dagen

Uit Winterlaken, de nieuwe bundel van Mischa Andriessen.

In die dagen

Bij de lijn van mijn barst brak het ei
Verder open stapte er een jongen uit
Zette naar hij toen zeker zei uit dank
Mij een van beide helften op het hoofd
Bezwoer me blijf het altijd dragen altijd
Als ik weg ben word je anders niet geloofd

Ik hoorde de deur opengaan rende hem na
Wat zit je nou weer bang te zijn lachte hij
Ik ben terug zo gauw ik haar heb opgehaald
De deur waaide dicht ik bleef daar staan
Luisterde naar de stappen op het tuinpad
Die van me vandaan liepen toen terugkwamen

Ik opende de deur en zag dat jij het was
Zag dat jij precies zo’n eierschaal op had
We bespraken de dag zonder een woord
Over wat hij had gezegd – hij is even weg
Ja beaamde ik hij moest nog iemand halen
We dekten de tafel als niet eerder voor drie

Mischa Andriessen (1970)
uit: Winterlaken (2019)

———————————–

Gedicht: Frederik Lucien De Laere • Opabinia regalis

Uit Opabinia, de nieuwe bundel van Frederik Lucien De Laere, die uitgestorven en bijna uitgestorven diersoorten als onderwerp heeft. De Opabinia regalis was een merkwaardig dier dat in geen enkele klasse onder te brengen is. Bundelvoorproefje hier.

Opabinia regalis

Gij grijpt het ongrijpbare
en zijt onbegrijpbaar, sinds uw verschijnen
stelt gij voor raadsels en verhult gij geheimen
in windselen, gij valt niet te rijmen.

Uw beweging is onvoorspelbaar.
Gij hoovert, zweeft of stuwt voort
met uw propellers, sneller dan uw schaduw.
Oog in oog met uw vijf ogen
verstijven prooien van schrik,
het zien van uw meervoudige blik
laat hen geen schijn van kans.

Uw fluïde verschijning is niet langer lachwekkend,
gij zijt het wonderlijk experiment
dat nergens is thuis te brengen,
de anomalie in elk segment.

Frederik Lucien De Laere (1971)
uit: Opabinia (2019)

———————————–

Gedicht: Anton Ent • Gender

Uit De gele zweep, de nieuwe bundel van Anton Ent, die verscheen bij zijn vijftigjarig dichterschap.

Gender

Geweerd door wie mij het liefste waren
Mijn pumps vormen een bron van ergernis
Ik had het groot geheim moeten bewaren
beweren dat het een scheppersfoutje is

Ik sprenkel parfum op mijn huid en kleren
en haal de vrouwen aan die mij citeren
jaag mannen weg die mij nu tegenstaan
Voor de vitrage voel ik een bruid ontstaan

Ik zit op schoot, mijn moeder draait mijn krullen
Ze prijst het matrozenpakje met de kraag
en witte strepen, vraagt mij of we zullen

zingen, gesluierd voor het open raam
over de sterren en de hoogste naam
die de meester is van het verhullen

Anton Ent (1939)
uit: De gele zweep (2019)

———————————–

Gedicht: Chawwa Wijnberg • Vrolijk geloof

Uit Het ontbreken hoor je niet, de nieuwe bundel van Chawwa Wijnberg.

Vrolijk geloof

Ja laten we geloven
in de fuut
en geloven in de wielewaal
in toekomst en in eieren
en als het waait
geloven we in de kraai

maar wat in de regen
of in hagel, barre sneeuw
dan geloven we
in onderwaterdieren
of in het fluitketelen
van de zilvermeeuw

en als het koud is
geloven we in vestjes
en als het vriest in winterjas
hoop woont in verstopte plekjes
en dat de lente komt
het zal wel
maar dat is morgen pas

Chawwa Wijnberg (1942)
uit: Het ontbreken hoor je niet (2019)

———————————–

Gedicht: Victor Vroomkoning • Delft [14 september 1666]

Ter gelegenheid van Victor Vroomkoning’s 80ste verjaardag, verscheen Tachtig, een bloemlezing met zijn mooiste gedichten.

Delft [14 september 1666]

Liefste,

Ik hoorde, Londen stond in brand.
Ook ik. Nu wiegt mijn schoot
de luit die jij me schonk.

De meesterschilder die ik noodde
wilde goud en hermelijn
om het geheim dat in mij rijst.

De meid en ik fixeren
elkaars blik, één in zwijgen
over wat verzwegen moet.

Zestienzesenzestig schrijven we
maar door Vermeer blijft eeuwig
deze brief tussen ons in.

Nooit valt het doek, steeds strijkt
het licht langs dat wat dicht
geschilderd voor je open ligt.

*

Bij wijze van

Frambozen zou ik krijgen
moeder, weet je nog? Geen
spenen. Wat bavarois zou heten
smaakt naar tiet.
Zonen lusten geen meisjes-
metaforen, geen rozeknop maar
kittelaar. Zonen halen vaders aan.

Victor Vroomkoning (1938)
uit: Tachtig (2019)

———————————–

Gedicht: Chawwa Wijnberg • Mijn lief ik vaar een schip vol tranen

Samen met Chawwa Wijnberg’s nieuwste bundel verscheen een heruitgave van haar eerste bundel uit 1989, Aan mij is niets te zien.

Mijn lief ik vaar een schip vol tranen
een schip vol tranen naar je toe
ik had je wat anders willen brengen
vertel me wat je wilt en hoe

ik je geweven innigheid kan geven
of vreugde in een doosje vol karton
of flesjes van de eerste morgen
of alle bergen die je ooit beklom

dat alles in een sloep van goede tijden
ze vaart wel mee maar is nog onder zeil

maar voor ik al die schatten kan bevrijden
moet eerst dit vaartuig schipbreuk lijden

vooruit sirene blaas de stormwind aan
als ik bij jou ben durf ik wel te vergaan

Chawwa Wijnberg (1942)
uit: Aan mij is niets te zien (1989)

———————————–

Gedicht: Game of Poems

Ellen Deckwitz, Ingmar Heytze en Thomas Möhlmann schreven gedrieën gedichten bij alle afleveringen van de populaire serie Game of Thrones, onder de titel Game of Poems, ondertitel Gedichten van IJs en Vuur. Onder het gedicht een beschrijving van de desbetreffende aflevering. (Heytze en Deckwitz over het boek).

Het geschenk

‘I dreamed that I was old.’
– Aemon Targaryan

Wie zijn oor op de grond legt, hoort in de holen eronder
de koninginnen krijsen. Het begint te ijzelen. Vannacht nog
stierven er veertig paarden. Natuurlijk is niet alles verloren,
er is nog een dochter en het weer slaat al om. De watermolen
kiept en de onderkant komt boven, de wereld op zijn kop:
de papzak wordt een man, de gijzelaar een echtgenoot,
de bruid een gevangene, de stokoude blinde ziet
zijn jongere broer, van prins tot prijsvechter, droom maar
van je drakendochter, haar haren witter dan verhit staal.
Van vertrouweling tot tijdbom, schenk haar de dwerg,
eis een omhelzing en verberg hoe de verstening al bezig is,
terrein wint.

Deckwitz, Heytze & Möhlmann

———————————–

Gedicht: Toon Tellegen • Q

Uit Een van ons zal omkijken, een bloemlezing uit dertig sinds 1980 verschenen bundels van Toon Tellegen.

Q

Er lag een q in het gras,
ik raapte hem op –
het was de q van quasi
die ik daar quasi-onopvallend vond –

de zon scheen
en ik dacht aan quasi-dit en quasi-dat,
en aan het verschil tussen quasi-zijn en quasi-niet-zijn,
en aan het quasi-eind van quasi-quasi-alles –

in mijn gedachten werd alles anders – Lees verder >>