Tag: parasitaire gaten

Postscriptum: is de gebruiksgebaseerde taalkunde een kaas met (parasitaire) gaten?


Riny Huijbregts (RH) heeft een reactie geschreven op een eerdere post op Neder-L van mijn hand. Dat stuk bevat een (wellicht ironische) beschuldiging van blasfemie in de titel, en heeft als ondertitel ‘Een Naschrift’, zodat het lijkt alsof hiermee de discussie gesloten is. ‘Roma locuta, causa finita’. Ik wil toch graag nog op een paar punten reageren. Ik ga alleen in op de punten waar ik het niet mee eens ben. Laat ik vooraf maar duidelijk zeggen dat er ook wat waars en treffends in het stuk zit. 

Allereerst iets over “Sterretjes en intuïties”. Een van de grootste bezwaren van gebruiksgebaseerde taalkundigen bij formeel-taalkundige stukken is het wankele karakter van de grammaticaliteitsoordelen. Volgens RH is een zin als Waar heeft hij zonder naar te kijken een mening over gevormd? helemaal goed. Vlekkeloos. Voor mij dus niet. Ik vind hem maar niks. En zeker ongrammaticaler dan ‘Waar heeft hij een mening over gevormd, zonder er nog maar naar te kijken?’. Ik denk dat RH het daar ook wel mee eens is. Maar waar komt dat verschil vandaan? Als ze allebei semantisch én syntactisch welgevormd zijn, zoals RH beweert, dan verwacht je onder een generatieve analyse toch ook dat ze even goed zijn? De uitweg is dat grammaticaliteitsoordelen gradueel zijn, en RH alludeert daar ook op, maar de graduele aard van grammaticaliteitsoordelen is juist een inzicht dat beter past in een gebruiksgebaseerde benadering. Er is ook onderzoek (van Maria Mos en Véronique Verhagen) dat laat zien dat oordelen van individuen niet stabiel zijn: vraag je iemand na enige tijd om dezelfde zinnen te beoordelen dan krijg je andere oordelen. Maar als je naar geaggregeerde oordelen kijkt, dan krijg je wel stabiliteit. 

Lees verder >>

Godslasterlijk. Een Naschrift


In zijn bijdrage “Parasitaire gaten als godsbewijs” deelt Freek van de Velde (FvdV) met ons zijn kijk op God. Niet zijn kijk op parasitaire gaten. Die gaat hij zorgvuldig uit de weg. Maar met de keuze van zijn titel stelt hij Poverty of Stimulus gelijk aan God. Die vergelijking laat ik geheel voor zijn rekening. Ook heb ik het vermoeden dat Freek niet van God houdt.
1. Poverty of Stimulus algemeen. De discussie laat zowel het algemene als het specifieke probleem grotendeels onbesproken. Poverty of Stimulus kun je niet zo maar negeren. Elk biologisch systeem heeft zijn eigen Poverty of Stimulus. Dat is inherent aan genetisch bepaalde organismen. Alleen als omgevingsfactoren het organisme volledig determineren, is er geen reden voor een genetische component. Maar groei en ontwikkeling van een biologisch organisme volgen een intern programma waarbij de omgeving slechts een sturend en vormend effect heeft. Zo ook in het geval van taal als deel van de biologische wereld. De talige omgeving is ondergespecificeerd voor taal. De enige vraag is: is de “genetische” component hier uitsluitend domein-algemeen of gedeeltelijk domein-specifiek (Chomsky 2011)? Empirisme, behaviorisme, connectionisme, neural network systems, construction grammar, usage-based grammar, etc. of rationalisme, mentalisme, generatieve systemen, Principles & Parameters, SMT, etc.? Dit is de echte, principiële en conceptuele vraag. Ik denk dat we elkaar hier volledig vinden. Van de Velde sluit blij aan bij de eerste categorie, ik bij de laatste. Het lijkt vooralsnog prematuur om vruchtbaar over elkaars “gut feelings” voor onderzoeksprogramma’s te twisten. Als je neuzen telt wint het empirisme wereldwijd. Nooit anders geweest. Maar wat betekent dit?

Lees verder >>

Parasitaire gaten als godsbewijs

Het stuk ‘Behoorlijk vernietigend’ van Riny Huijbregts opent met: “Een korte reactie op drie elementen uit de bijdrage van Freek van de Veldes “Hoe vernietigend zijn parasitaire gaten voor de gebruiksgebaseerde taalkunde?”.” Dan volgt een helemaal niet zo korte aanval op een aantal stellingen die ik vanuit een gebruiksgebaseerde achtergrond heb ingebracht in de discussie. Die snijden volgens Riny geen van alle hout.

Ik apprecieer het enorm dat Huijbregts de moeite neemt om te reageren. Nicolaas Beets heeft eens geschreven: “Het botsen der gevoelens: zegt men vaak, Kan voeren tot het ware van de zaak”.Een parafrase eigenlijk van het Franse bon mot Du choc des opinions jaillit la vérité. Maar dat ik de geste apprecieer betekent uiteraard niet dat ik nu gelijk overtuigd ben van alles wat Huijbregts in die reactie neerpent.
Ik ga niet op alle kwesties apart in, want we zitten hier, ondanks de soms zelotische toon van de discussie, niet op een taalkundig-religieuze synode waar we elke leerstelling apart moeten behandelen. Ik wil trouwens ook niet te technisch worden op Neder-L. Wat ik wel wil doen, is een aantal misverstanden over concepten en methoden in de gebruiksgebaseerde taalkunde aankaarten, waaruit de verontwaardigde reactie van Huijbregts (cum sociis) voortkomt, denk ik. Beets’ gedicht gaat verder: “waar vooroordeel met vooroordeel strijdt, Wat is het – dan verlies van tijd!”. Het lijkt me nuttig dat we een goed zicht krijgen op elkaars uitgangspunten, om niet te blijven hangen in ‘vooroordelen’.

Behoorlijk vernietigend: drie kwesties

Door Riny Huijbregts

Een korte reactie op drie elementen uit de bijdrage van Freek van de Veldes “Hoe vernietigend zijn parasitaire gaten voor de gebruiksgebaseerde taalkunde?

Kwestie een. Ingesnoerde ambiguïteit. Hoe krijg je uit gebruiksgebaseerd taalonderzoek ooit relevante informatie over ambiguïteiten en speciaal over ingesnoerde ambiguïteit (“constrained ambiguity”)? Zinnen in corpora verschijnen niet met hun betekenis op de mouw gespeld. Neem bijvoorbeeld de zin Jan heeft er daar vaak over gesproken (een variant van een van Freeks voorbeelden). “Daar” kan alleen maar als een locatief bijwoord worden geïnterpreteerd. De vraag Waar heeft Jan er vaak over gesproken kan worden beantwoord met In z’n TIN-praatjes. Niet met Over evolutie van taal. Waarom is dat? Niet echt triviaal want Waar heeft Jan in z’n TIN-praatjes vaak over gesproken? is volkomen acceptabel naast Waar heeft Jan vaak over evolutie van taal gesproken? Tsja, Freek, wat doe je hieraan? Of valt deze vraag buiten je onderzoeksgebied, en is het probleem er eigenlijk niet? Lijkt mij het type vraag waar iedereen die zich professioneel met taal bezig houdt serieus over zou moeten nadenken. 

Lees verder >>

Hoe vernietigend zijn parasitaire gaten voor de gebruiksgebaseerde taalkunde?

Maandag stond in Neder-L een bijdrage van Riny Huijbregts. Getiteld: ‘Recursie en evolutie van taal’. Zo’n stuk ga je meteen lezen, want je voelt dat hier grote thema’s aangesneden gaan worden. De eigenlijke bijdrage van Huijbregts is een reactie op een reactie van Mark Dingemanse op een blogpost van Marc van Oostendorp over een stuk in het tijdschift Trends in Cognitive Science (TICS) van een groep taalkundigen uit Utrecht en het MIT (ingewikkelde stapeling van voorzetselgroepen, maar daar heeft de gemiddelde generatieve taalkundige geen moeite mee, geloof ik). Dat stuk in TICS zelf is een verdediging van het generatieve program, dat uitblinkt door leesbaarheid. Dat is een zeldzame combinatie. Hedendaagse generatieve taalkunde heeft namelijk niet de naam erg leesbaar te zijn. Maar dat stuk in TICS dus wel, en het loont de moeite om dat te lezen. Dat vindt Dingemanse trouwens ook.

Wat me opvalt in de reactie van Huijbregts is de hartstochtelijke, of wat onvriendelijker uitgedrukt: agressieve, stijl. De gebruiksgebaseerde taalkunde wordt een beetje minachtend terzijde geschoven als ‘naïef’, met opvattingen die als ‘relict’ beschouwd moeten worden. Met name als het gaat om het geringe taalaanbod waarop de taal-leerder zich moet baseren om zeldzame constructies onder de knie te krijgen. Dat is het klassieke ‘Poverty of Stimulus’ argument.
Lees verder >>

Recursie en evolutie van taal

Vorige week besteedde Marc van Oostendorp in een blogpost aandacht aan een recent artikel in Trends in Cognitive Sciences van onder andere de Utrechtse taalkundigen Martin Everaert en Riny Huijbregts. Onder die blogpost ontstond nogal wat discussie. In het onderstaande bericht reageert Huijbregts op het commentaar van Mark Dingemanse (Max Planck Instituut) en Gosse Bouma (Groningen). 

De kritiek van Mark Dingemanse (hier voortaan MD genoemd) richt zich uitsluitend op evolutie van taal. Evolutie is in ons artikel geen hoofdmoot. Het komt slechts tweemaal voor in de hoofdtekst (sommige “outstanding questions” stellen vragen die soms deels betrekking hebben op evolutie, maar dat zijn vragen voor de toekomst).

De eerste keer (p4) wordt gezegd dat verschillende modules van taal (i.c. cognitieve en sensomotorische systemen) hun eigen evolutionaire geschiedenis hebben en dat mede daarom de koppeling van cognitie en perceptie/articulatie in natuurlijke taal een niet-triviaal en interessant probleem is. Deze stelling is behoorlijk algemeen en niet bepaald schokkend. Zouden er werkelijk biologen of anderen met enig inzicht in taal zijn die hier anders over zouden kunnen denken….?     

Ik ben er speciaal voor naartoe gereden.

Door Marc van Oostendorp


Bijna vier jaar blog ik hier dag-in-dag-uit, bij regen en bij zonneschijn, vanuit Leiden en vanuit
Arielli, en nog nooit, nog geen enkele van al die 1300 dagen blijk ik over parasitaire gaten te hebben geschreven. En dat terwijl toen ik jong was en het hele fenomeen bloggen dus nog niet bestond, Teun Hoekstra ons vertelde: als je eenmaal weet wat parasitaire gaten zijn, wil je alleen nog maar syntaxis doen.

Gelukkig kwamen ze nu ineens voor in een artikel dat de Utrechtse taalkundigen Martin Everaert en Riny Huygbregts met een team anderen (waaronder Noam Chomsky) publiceerden in het tijdschrift Trends in Cognitive Sciences. De parasitaire gaten zijn terug, en wel met een Nederlands voorbeelden.

Het Nederlandse voorbeeld dat de Utrechters (ik neem in ieder geval aan dat dit niet door Chomsky bedacht is) geven, luidt als volgt:

  • Ik ben er speciaal voor naartoe gereden.

Om te begrijpen wat hier aan de hand is, moet je de zin allereerst wat meer uitschrijven:

Lees verder >>