Tag: Oudnederlands

Welke taal sprak Karel de Grote en doet dat er toe?

Door Peter Alexander Kerkhof

Omstreeks het jaar 800 regeerde Karel de Grote een rijk dat zich uitstrekte van de wouden van Noord-Duitsland tot de Catalaanse kust. Diezelfde man, Karel de Grote, werd een kleine vijftig jaar eerder geboren in de koningshof van Herstal, een klein dorpje tussen Maastricht en Luik. Over Karel de Grote en zijn leven is veel geschreven; over zijn religieuze denkbeelden, over zijn oorlogen, over zijn familieleven. Maar er is vrij weinig geschreven over welke taal deze koning eigenlijk sprak. Dat is jammer want de kwestie van de taal van Karel de Grote is erg relevant voor de geschiedenis van het oudste Nederlands. 

De Belgische Maasvallei

Dit taalkundige verhaal begint met een stukje geschiedenis; de grootvader van Karel de Grote was de Frankische koning Karel Martel (‘Karel Hamer’), een erfgenaam van een Frankische adellijke familie die landgoederen bezat in de Maasvallei, de Waalse Ardennen en het Duitse Rijnland. Deze heersersfamilie kwam aan de macht toen Karel Martel in het begin van de achtste eeuw de vroegere koningen, de Merovingen, aan de kant schoof. Karel Martel wilde dat vanaf dat moment alle machtsposities in het Frankische rijk door zijn vertrouwelingen werden ingenomen. Daarom verving hij vrijwel alle abten, hertogen en bisschoppen in het westen van Frankrijk door vrienden en familieleden uit het huidige Limburg en Wallonië. Op deze manier maakte Karel Martel het heuvellandschap van Oost-België tot het centrum van een wereldrijk.

Lees verder >>

Blinnauga: Merovingische of Oudnoorse bijnaam?

De afgelopen periode is er op Neerlandistiek een discussie gevoerd over de mogelijke herkomst van de Germaanse term blinn auga in een middeleeuwse Ierse woordenlijst. De drie belangrijkste discussianten geven vandaag ieder een slotwoord. Tot er nieuwe gegevens opduiken beschouwen we de discussie hiermee als gesloten.

Door Peter Alexander Kerkhof

De vroegste taalgeschiedenis van het Nederlands is een onderzoeksgebied vol van vraagtekens en hypothetische scenario’s. Interessant genoeg is geen enkele ‘Oudnederlandse’ tekst gevrijwaard van de verdenking dat het misschien toch om iets anders dan Oudnederlands gaat. De Frankische glossen in de Salische Wet (ca. 500 nChr.), de Utrechtse doopgelofte (ca. 780 nChr.), Williram’s commentaar op het Hooglied (ca. 1075), het “hebban olla vogala” gedichtje (ca. 1100 nChr.); al deze teksten hebben op enig moment een andere taalkundige duiding dan “Oudnederlands” gekregen, wat meermaals interessante discussies opleverde over meertaligheid en problematische tekstoverleveringen. Een dergelijke discussie heeft zich afgelopen weken ook voltrokken over het al dan niet Oudnederlands zijn van de vroegmiddeleeuwse <blinn auga> aantekening. Lees verder >>

Blindauga: is dat wel Oudnoors?

De afgelopen periode is er op Neerlandistiek een discussie gevoerd over de mogelijke herkomst van de Germaanse term blinn auga in een middeleeuwse Ierse woordenlijst. De drie belangrijkste discussianten geven vandaag ieder een slotwoord. Tot er nieuwe gegevens opduiken beschouwen we de discussie hiermee als gesloten.

Door Gertjan Postma

Hoewel ik blij ben met Peter Schrijvers steun voor de Oudnoorse hypothese over de oorsprong van het woord blinnauga in een Iers glossarium, en hoewel ik de Oudnoorse hypothese de beste kaarten vind hebben, wil ik toch de methodische twijfel nog even in stand houden. Daar zijn twee redenen voor.

De eerste reden is dat deze discussie niet slechts over dit losse woordje gaat, maar tevens over Kerkhofs methodologie. Zoals Schrijver terecht zegt: “Ik had nooit gedacht dat een discussie over het Oudnederlands zou afhangen van de resultaten van een expeditie naar de diepste krochten van de middeleeuws-Ierse filologie.” Of zoals Kerkhof het in een email aan mij uitdrukt: “Want het is juist daar, in de grensgebieden tussen de filologische disciplines, dat we wellicht nog wat onopgemerkte informatie over de vroegste geschiedenis van onze taal mogen verwachten.” Voor het Iers is dit zeker nieuw en bepaald het uitzoeken waard, ook al is het bij Latijnse teksten bekende kost: de toponymie en de naamkunde toegepast op Latijnse teksten zijn altijd al belangrijke hulpdisciplines geweest om onze kennis van historische lagen van onze taal maximaal in de tijd terug te schuiven. Lees verder >>

Nogmaals blinn auga: nieuwe inzichten van negentig jaar geleden

De afgelopen periode is er op Neerlandistiek een discussie gevoerd over de mogelijke herkomst van de Germaanse term blinn auga in een middeleeuwse Ierse woordenlijst. De drie belangrijkste discussianten geven vandaag ieder een slotwoord. Tot er nieuwe gegevens opduiken beschouwen we de discussie hiermee als gesloten.

Door Peter Schrijver

Ik had nooit gedacht dat een discussie over het Oudnederlands zou afhangen van de resultaten van een expeditie naar de diepste krochten van de middeleeuws-Ierse filologie, maar dat is nu dus toch gebeurd (BLINN AUGA als Oudnederlands: een waardevolle historische suggestie, 24-10-2018). Nu we hier toch zijn aangeland, kan de lezer het krijgen ook. Lees verder >>

BLINN AUGA als Oudnederlands: een waardevolle historische suggestie

Door Peter Alexander Kerkhof

afb: OM1, = MS 1318 (H.2.16)), col. 94.

Op 13 september verscheen een artikel van mijn hand getiteld ‘“Nieuw” Oudnederlands in een Ierse tekst’ op Neerlandistiek. In dit stuk belichtte ik Michael Herren’s (2013) theorie dat een vroegmiddeleeuwse aantekening <blinn auga> in een Iers glossarium als Oudfrankisch moet worden opgevat. Ik plaatste deze theorie in het historische kader van het Oudfrankisch dat in het zevende-eeuwse Merovingische rijk gesproken werd. Op deze manier wilde ik de <blinn auga> aantekening verbinden met de discussie over de taalwisseling van Oudfrankisch naar Galloromaans in Noordfrankrijk, een discussie die ook in mijn dissertatie ‘Language, Law and Loanwords in Early Medieval Gaul’ (2018) aan bod komt. Dat dit artikel door de media werd opgepikt en daarmee ook de vroegste geschiedenis van het Nederlands weer in de belangstelling kwam te staan, was mooi meegenomen.

Afgelopen week hebben Gertjan Postma (Meertens Instituut) en Peter Schrijver (Universiteit Utrecht) kritische kanttekeningen bij mijn artikel geplaatst. Lees verder >>

BLINN AUGA ‘blindoog’: helaas geen Oudnederlands

Door Peter Schrijver

In een stuk van 18 oktober j.l. in Neerlandistiek weerlegt Gertjan Postma op overtuigende wijze de hypothese van Peter Alexander Kerkhof (Neerlandistiek 13 september j.l.) dat een Iers manuscript twee zevende-eeuwse Nederlandse woorden zou bevatten.  Postma’s conclusies: blinn auga is Scandinavisch en niet Nederlands, en de Ierse tekst waarin blinn auga wordt gevonden dateert niet uit de zevende eeuw maar is van vele eeuwen later. Helaas bevat ook Postma’s artikel enkele misverstanden, die weliswaar niets afdoen aan zijn hoofdconclusies, maar wel aangegrepen zouden kunnen worden om zijn betoog in diskrediet te brengen, wat jammer zou zijn.

Het draait allemaal om de door Kerkhof en Postma geciteerde drietalige manuscripttekst blinn auga .i. dallsuilech in lingua Galleorum, die vertaald kan worden met: ‘blind oog (Germaans), dat wil zeggen blindogig (Iers) in de taal van de Galli (Latijn)’. De tekst komt voor in een manuscriptversie van een middeleeuws-Ierse woordenlijst die als O’Mulconry’s Dictionary bekend staat. Die woordenlijst begint met de Latijnse mededeling Incipit discreptio de origine Scoticae linguae ‘hier begint een beschrijving van de oorsprong van de Scotica taal’. Ik laat bewust de Latijnse termen Galli en Scotica onvertaald omdat zij de kern van de ontstane misverstanden vormen. Lees verder >>

Blinn auga: is dat wel Oudnederlands?

Antwoord op Kerkhof’s “Nieuw Oudnederlands in Ierse tekst”.

Door Gertjan Postma

(afbeelding uit Stokes 1898: 242)

In een recent artikel in Neerlandistiek vraagt Kerkhof aandacht voor een tekst uit een oude Ierse woordenlijst waarvan een viertal manuscripten in Dublin bewaard worden. Het 183ste trefwoord uit de lijst luidt:

  1. Blinn auga .i. dallsuilech in linga Galleorum
    blind oog i.e. blind.oog.sfx in language Galls.gen.pl
    ‘blindoog dwz dallsuilech in de taal van Galliers/Kelten/…’

Kerkhof identificeert de eerste twee woorden blinn auga als van Germaanse herkomst. Dat lijkt onbewistbaar. Ze worden gevolgd door een vertaling in het Iers:  dallsuilech = dall  ‘blind’ + sull ‘oog’ + suffix, verder nog gevolgd door een taalkarakterisering in ling(u)a Galleorum. Kerkhof concludeert uit de bijstelling in ling(u)a Galleorum dat blinn auga een Germaans woord is zoals dat in Gallië werd gebezigd. En omdat met name het Oudnederlands in contact met Gallië stond, identificeert Kerkhof blinn auga, dat hij restaureert tot blind augo, als Oudnederlands: een van de oudste Oudnederlandse woorden nog wel. Dat is natuurlijk spectaculair nieuws, en het is dan ook terecht dat Neerlandistiek en NRC hier aandacht aan besteedden. Lees verder >>

“Nieuw” Oudnederlands in een Ierse tekst

Door Peter Alexander Kerkhof

(afbeelding uit Stokes 1898: 242)

Lang geleden, in zevende-eeuws Ierland, schreef een monnik twee Oudnederlandse woorden op; blind en auga, blind auga dus. Dit betekent zoveel als “blind van ogen” of “blindogig”, een vrij redundante manier om “blind” te zeggen. De woorden blind en auga zijn te vinden in een vroegmiddeleeuws Iers glossarium, een woordenlijst waarin moeilijke Latijnse woorden werden uitgelegd in de Ierse volkstaal. Maar wacht eens even, zult u zeggen: waarom schreven Ierse monniken eigenlijk Oudnederlandse woorden in die lijst? In deze blogpost wil ik dit uitleggen en op deze manier meer ruchtbaarheid geven aan wat na de Salische Wet één van de oudste sporen van het Nederlands is (cf. Kerkhof 2018: 35).

De gloss blind auga is te vinden in een glossarium dat door de vakgenoten O’Mulconry’s Glossary wordt genoemd. Deze tekst is in vijftiende en zestiende-eeuwse handschriften overgeleverd. De volledige zin luidt: Lees verder >>

Pas verschenen: The Dawn of Dutch. Language contact in the Western Low Countries before 1200

The Low Countries are famous for their radically changing landscape over the last 1,000 years. Like the landscape, the linguistic situation has also undergone major changes. In Holland, an early form of Frisian was spoken until, very roughly, 1100, and in parts of North Holland it disappeared even later. The hunt for traces of Frisian or Ingvaeonic in the dialects of the western Low Countries has been going on for around 150 years, but a synthesis of the available evidence has never appeared. The main aim of this book is to fill that gap. It follows the lead of many recent studies on the nature and effects of language contact situations in the past. The topic is approached from two different angles: Dutch dialectology, in all its geographic and diachronic variation, and comparative Germanic linguistics. In the end, the minute details and the bigger picture merge into one possible account of the early and high medieval processes that determined the make-up of western Dutch.

Dit boek is ‘open access’ verschenen, wat wil zeggen dat het gratis kan worden gedownload.

Waar komt het Nederlands vandaan?

Vandaag lanceert het taalcanonteam een animatiefilmpje over het oudste Nederlands. Het is het derde filmpje in een reeks, bedoeld voor het voortgezet onderwijs. De filmpjes geven een korte introductie op een onderwerp uit de taalcanon, en kunnen gebruikt worden als opstapje voor een les over taal in de klas.

Hebban olla vogala nestas hagunnan. Het is misschien het bekendste Oudnederlandse zinnetje, maar niet het oudste. Wat is dan wel het oudste Nederlands volgens de nieuwste wetenschappelijke inzichten? En waarin verschilt het van modern Nederlands? Deze vragen staan centraal in het derde filmpje dat de taalcanon lanceert in een reeks filmpjes voor het onderwijs. Tekenaar en animator Frank Landsbergen maakte de filmpjes in opdracht van de taalcanon. Lees verder >>

Kut als oudste Nederlandse woord en aanverwante etymologische kwesties

Door Peter Alexander Kerkhof

Etymologisch gezien zijn vagina’s razend interessante dingen. Enerzijds zijn vagina’s alledaagse lichaamsdelen en behoren ze daarom tot wat taalkundigen het basisvocabulaire noemen. We mogen daarom verwachten dat woorden voor vagina’s archaïsch lexicaal materiaal bevatten dat ver teruggaat in de prehistorie van de desbetreffende taal. Dit is bijvoorbeeld het geval met de Nederlandse woorden voor ‘hart’, ‘oog’  en ‘oor’ die direct vergeleken kunnen worden met verwante woorden in het Oudgrieks en Sanskriet. Anderzijds behoren woorden voor vagina’s vaak tot de zogeheten categorie van taboewoorden. Deze categorie is erg vatbaar voor ontleningen, expressieve formaties en metaforen. Dat is de reden waarom veel talen een relatief jonge term voor vagina gebruiken, een term die vaak extra gemarkeerd is door een expressieve fonologie (vgl. NL flamoes, Belgisch NL foef, Duits muschi en Engels pussy).

Toch gaat dit artikel niet over deze jongere formaties, hoe interessant ze ook mogen zijn. In dit artikel wil ik het hebben over de woorden kut en kont en hun etymologie. Meermaals hebben taalkundigen geprobeerd beide woorden etymologisch met elkaar in verband te brengen, een idee dat de moeite waard is om opnieuw onder de loep te leggen. Laten we beginnen bij het woord kont dat nu louter ‘achterwerk’ betekent maar dat in het Middelnederlands (MidNL cont en conte) zowel naar de vagina als naar de anus kon verwijzen (vgl. ook Engels cunt). We mogen daarom aannemen dat het Middelnederlandse woord een brede betekenis had zoals ‘onderste delen’ of ‘benedengebied’ dat naar gelang de context semantisch verengd kon worden. Lees verder >>

De Bakker of de Baets?

Een Oudnederlandse beroepsnaam in Oudfranse vermomming

Door Peter Alexander Kerkhof

Namen zijn eigenaardige dingen binnen de etymologie. Ze zijn van nature erg conservatief en hebben daarom het wonderbaarlijke vermogen om een oude uitspraak van een woord te bewaren terwijl de rest van de taal verder evolueert (zie Stroop 1984). Maar er is nog een reden waarom het behoudende karakter van namen erg interessant is; dit conservatisme maakt ze namelijk een waardevolle bron voor historisch woordmateriaal dat inmiddels al uit onze taal verdwenen is. Want hoewel beroepen zoals voller of kramer al lange tijd uit het alledaagse leven zijn verdwenen, zijn de oude beroepsnamen bewaard in de familienamen Vuller, Vulder of Volder en Cramer, Kramer of Cremer. In dit artikel wil ik het over een Vlaamse familienaam hebben die ook zo’n oude beroepsnaam bewaart, maar dan wel een naam die zelfs in de oudste fase van de Nederlandse taal al aan het verdwijnen was. Het gaat hier om een Oudnederlands woord dat via een Franse omweg opnieuw in het (zuidelijk) Nederlands terecht is gekomen. Lees verder >>

Hoe het oudste Nederlands in een Spaans videospel terechtkwam

Door Peter Alexander Kerkhof
Universiteit van Gent

Wat als je als Deense hoofdman met een langschip vol krijgers in de zevende eeuw langs de Nederlandse kust kon varen? Zou je het Friese rijk van koning Radboud brandschatten en in zak en as achterlaten of zou je vreedzaam doorvaren naar Vlaanderen waar de steden van steen waren en de ploegen van ijzer? Het kan in ‘The Great Whale Road’, een videospel waarin je de leiding neemt over een vroegmiddeleeuwse nederzetting aan de zevende-eeuwse Noordzeekust. Het spel zal 30 maart uitkomen en schetst een spannend beeld van de verraderlijke veenmoerassen van vroegmiddeleeuws Holland en Vlaanderen. Daar waar tussen Friese krijgsheren en Frankische monniken Oudnederlands werd gesproken!

The Great Whale Road is een videospel dat door een klein team van spelontwikkelaars in het Spaanse Valencia is gemaakt. Volgens teamleider Joachim Sammer heeft het tot doel het reilen en zeilen van Friezen, Franken en Denen in het vroegmiddeleeuwse Noordzeegebied voor een groot publiek toegankelijk te maken. Lees verder >>

Rediscovery of heathen temples in the Netherlands; the case of Old Dutch ‘harag’

By Peter Alexander Kerkhof

Etymologies live long lives, whether they turn out to be false or not. In Old Germanic studies it is common practice to cite earlier etymological suggestions going back as far as the nineteenth century. In most cases where Old Germanic etymology is involved, this is not a big problem because a lot of the earlier scholarship has been replaced by better more up-to-date suggestions. Not so much in the field of Dutch toponymy where scholarship has largely lain dormant for at least 20 years and almost every publication since World War II has been notoriously conservative in etymologizing place-name elements.

This article is about the Old Dutch word harag which is known from its occurrence in Early Medieval place-names, such as Haragon (1083 CE), the oldest form for the locality of Hargen in the province of North Holland. The Old Dutch word harg is related to the Old English word hearh (also found in Modern English place-names as harrow), Old High German harug and Old Norse hǫrgr. In Early Medieval English and German the vernacular word translates Latin terminology relating to the pre-Christian religion, namely a holy grove, a cultic building and even the idols themselves. In the Old Scandinavian languages however, the cognate word hǫrgr is found in both the meaning ‘heathen temple’ and the meaning ‘rocky ground, mountain or cliff side’. In the 1960s, Scandinavists such as Rostvik preferred to derive the meaning ‘heathen temple’ from an earlier meaning ‘mountain or cliff side’, assuming that Old Norse preserved the older semantic range that West Germanic must have lost. The Germanic ancestral form *hargu- could then be linked to words for rocks in the Celtic languages such as Old Irish carrag and Old Welsh creic. This reasoning was quickly accepted in the wider field of Old Germanic studies, since post-war scholarship had grown weary of the fascination of older generations of scholars with Germanic pre-Christian religion. Lees verder >>

Nehalennia – taalkundige oplossing voor een Zeeuws raadsel

Door Peter Alexander Kerkhof

Nehalennia
Nehalennia. Bron: Wikipedia

Tweeduizend jaar geleden, toen Zeeland nog niet uit verschillende eilanden bestond maar uit één groot veenmoeras dat door hoge duinen tegen de zee werd beschermd, vereerden de inheemse bewoners van dit gebied een godin met de naam Nehalennia. Deze godin is misschien wel de meest bekende godheid van ons voorchristelijke verleden. Waar namen als Wodan en Donar de meeste mensen niet veel zeggen, heeft vrijwel iedereen van Nehalennia gehoord. Ze is ons bekend door tientallen altaarstenen en votiefbeeldjes die in de afgelopen eeuwen uit de Oosterschelde zijn gevist. De godin wordt op deze stenen monumenten afgebeeld als een plechtstatige op een troon gezeten dame met een fruitmand in haar arm en een huilende hond aan haar zij. De altaarstenen dateren uit de Romeinse tijd en de votiefinschriften op deze stenen zijn dan ook in het Latijn geschreven. Haar naam daarentegen is overduidelijk niet Latijn en moet dus inheems zijn geweest. Uit de inscripties kunnen we opmaken dat Nehalennia door koopmannen en zouthandelaren werd aangeroepen om zeelui en vracht tijdens gevaarlijke reizen te beschermen. Verder is het enige dat we over deze geheimzinnige vrouw weten haar raadselachtige naam die lange tijd elke taalkundige verklaring trotseerde. Lees verder >>

Van de Utrechtse doopgelofte tot Oudgermaanse runeninscripties

7 April 2016: Junius Symposium voor Jonge Oudgermanisten II
 
Op donderdag, 7 april, wordt in Leiden, na een een succesvolle eerste editie in 2015, voor de tweede keer het  ‘Junius Symposium voor Jonge Oudgermanisten’ georganiseerd. Dit symposium heeft tot doel jonge wetenschappers die onderzoek doen naar de Oudgermaanse talen en culturen bij elkaar te brengen. Het symposium wordt ondersteund door het LUCAS, het LUCL en de Vereniging van Oudgermanisten (VOG).
Programma
Het Junius Symposium biedt een podium aan jonge onderzoekers (MA-studenten, PhD-kandidaten en postdocs) in de Oudgermanistiek. De Oudgermanistiek omvat een breed scala aan sub-disciplines die over de verschillende taal-en-letterkunde-afdelingen (Duits, Engels, Nederlands, Taalwetenschap) van de Nederlandse universiteiten zijn verspreid: de sprekers op het symposium weerspiegelen deze diversiteit en tijdens het symposium zal de interdisciplinaire discussie centraal staan. Historici, taalwetenschappers en letterkundigen zullen elk hun eigen onderzoek naar de geschiedenis, taal en cultuur van de Germaans-sprekenden volkeren in de Middeleeuwen presenteren. De onderwerpen die aan bod komen variëren van de theologische achtergrond van de Utrechtse doopgelofte, tot de epenthetische klinkers in de oudste Germaanse runeninscripties, van de slagvelddieren in de Oudengelse epiek tot de woordvolgorde in ontkennende zinnen van het Middelhoogduits. Voor een overzicht van het programma kunt u deze link volgen.
 

Lees verder >>

Waar is het Oudnederlands in de neerlandistiek?


Meer dan elfhonderd jaar geleden stond er een kleine kapel in de duinwallen van Kennemerland. Tussen het wuivende helmgras trotseerde het stenen gebouw jaar na jaar zeewind en stuifzand. De kapel was het eigendom van de West-Friese krijgsheer Gerulf, een leenman van de West-Frankische koning. Zij vormde het middelpunt van zijn Friese domein. Met man en macht verdedigde Gerulf dit domein tegen Deense zeerovers. Uiteindelijk eisten de natuur en het oorlogsgeweld hun tol. In de tiende eeuw moest een nakomeling van Gerulf de kapel landinwaarts verplaatsen. Hij breidde het gebouw uit tot een heus kloostercomplex waar veelal Vlaamse monniken prachtige handschriften produceerden. Het was in dit klooster dat een kopie van de Oudhoogduitse Williram werd vervaardigd en vermoedelijk komen ook daar de recent gevonden Oudfriese glossen vandaan. Omdat het klooster bij de monding van de rivier de Egge lag, noemde de boerenbevolking deze plaats Ecmunda. Daar te Egmond, te midden van Vlaamse monniken en Friese krijgsheren, werd Oudnederlands gesproken.

Het verhaal van Egmond en het Oudnederlands is een prachtig verhaal. Het begint in de volksverhuizingstijd met de Frankische migratie (ca. 406 nChr.) en eindigt met het elfde-eeuwse Kennemerland waar Vikingen zoals Olaf de Heilige geregeld invallen pleegden (ca. 1006 nChr.). Diverse taalkundige bronnen geven ons een beeld van deze oudste fase van het Nederlands: vroegmiddeleeuwse wetsteksten en Franse dialectwoorden, negende-eeuwse glossaria, de Wachtendonckse psalmen en de Egmondse Williram. Ondanks dat de diversiteit van het Oudnederlandse materiaal aan bekendheid wint, wordt voor veel neerlandici de oudste geschiedenis van het Nederlands nog steeds gekenmerkt door de Rochester Proba Pennae (nl. hebban olla vogela). En dat terwijl in de historische taalkunde de belangstelling voor het Oudnederlands nog nooit zo groot is geweest als nu. In dit artikel wil ik de positie van het Oudnederlands anno 2015 voor het voetlicht brengen en hardop de vraag stellen hoe we het prachtige verhaal van het vroegmiddeleeuwse Nederlands een grotere rol in de neerlandistiek kunnen geven.

Jonge Oudgermanisten: bestaan die eigenlijk wel?

Stel je voor: je bent een jonge MA-student die zich wil specialiseren in de oorsprong van het middelnederlandse voegwoord. Je bent ambitieus, getalenteerd en je hebt vakken in de belangrijkste Oudgermaanse talen gevolgd. Oudengels met hordes kirrende Tolkien-fans. Gotisch met luidruchtige studenten Vergelijkende Taalwetenschap. Oudhoogduits en Oudijslands bij de enthousiast gesticulerende emeritus-professor. Nu bereid je je voor op je meesterproef en wil je je oriënteren op een toekomst in de wetenschap. Wat doe je dan? Hoe kom je in contact met andere jonge onderzoekers en met de oude rotten in het vak?
           
Maar, zal je je afvragen, bestaan die studenten die zich interesseren in de Oudgermaanse talen eigenlijk wel? Welke economisch gemotiveerde twintiger volgt er nu in vredesnaam colleges Gotisch of Oudhoogduits? Gaat het niet per definitie om slechts een handjevol studenten? Gelukkig kunnen we je vertellen dat deze studenten weldegelijk bestaan. Wellicht geholpen door populaire fantasyliteratuur zoals The Hobbit en populaire tv-series zoals Game of Thrones en Vikings, zitten de colleges Oudengels, Oudijslands en Gotisch al jaren overvol. Een redelijk aantal van deze studenten overweegt een toekomst in de wetenschap. 

Lees verder >>

Vroeger spraken wij Latijn voor in de mond

Door Marc van Oostendorp

In de vroege middeleeuwen moet een grote groep mensen in het westen van ons taalgebied een (verbasterde) vorm van Latijn hebben gesproken. Dat beweert in ieder geval de Utrechtse hoogleraar Peter Schrijver in een nieuw boek. Pas toen daar in de loop van de tijd de stam van de Franken steeds machtiger werd, schakelden die mensen over op de taal van de machthebbers – en legden zo, omdat de westelijke dialecten heel belangrijk werden, de basis van het Nederlands. Met enige overdrijving kun je dus zeggen: het Nederlands is Germaans in Latijnse mond.

Schrijvers argumentatie is gebaseerd op een nauwkeurige vergelijking van de Nederlandse dialecten en hun Waalse tegenhangers net over de taalgrens. Die lijken volgens Schrijver meer op elkaar dan toevallig kan zijn. De talen moeten elkaar over en weer beïnvloed hebben – en dat diepgaander dan dat men aan weerszijden van de taalgrens eens wat van elkaar heeft overgenomen. De aanwijzingen zijn dat mensen hier vanuit hun Romaanse moedertaal dingen hebben meegenomen naar het Nederlands dialecten.

Een belangrijke stap in de argumentatie spelen woorden als step, zeug en vul.
Lees verder >>

Schelden kost geld

Een vroegmiddeleeuws Nederlands woord voor passieve homoseksueel

In de vroege zesde eeuw vond er een gebeurtenis van groot taalkundig belang plaats. Toen lieten de Franken namelijk hun gewoonterecht opschrijven. De Franken waren een Germaanstalige volkerengroep die in de vijfde eeuw het Romeinse rijk waren binnengevallen en een koninkrijk hadden gesticht dat zich uitstrekte van het Duitse Rijnland tot Noord-Frankrijk. Hun gewoonterecht noemden de Franken de Lex Salica (de Salische Wet) dat ze in het Latijn lieten opschrijven. Dit Latijn was op veel punten al de weg naar het Frans op gegaan en verschilt veel van het Latijn uit de Klassieke Oudheid. Deze Latijnse tekst is daarom erg waardevol voor wetenschappers die de geschiedenis van het Frans bestuderen. Maar dit is nog niet alles. In de Latijnse tekst vinden we namelijk ook woorden die ingeleid worden door Mallobergo wat ‘op de maalberg’ betekent. De ‘maalberg’ was de heuvel waar de Franken gewoon waren hun rechtszittingen te houden. Deze ‘Maalbergse’ woorden zijn ofwel in de Germaanse volkstaal, ofwel in de Romaanse volkstaal opgetekend. Ook daarom is de Lex Salica voor de historisch-taalkundige erg interessant.

Lees verder >>

Hoe het Nederlands zich afscheidde

Door Marc van Oostendorp


Hoe klonk het oudste Nederlands, de taal die in onze streken in de elfde eeuw, en de eeuwen daarvoor, gesproken werd? Dat heeft mijn Leidse collega Michiel de Vaan de afgelopen jaren uitgezocht. We weten al wel redelijk veel van het zogeheten Middelnederlands dat na die tijd gesproken werd, en zelfs eigenlijk ook al wel meer van het Westgermaans, de taal waar de onze vanaf stamt, maar over dat Oudnederlands komt gaandeweg meer naar buiten.

De eerste resultaten van dat onderzoek komen nu naar buiten. In een artikel in het tijdschrift North-Western European Language Evolution (NOWELE) geeft De Vaan een eerste overzicht van wat er meer dan duizend jaar geleden met de Nederlandse medeklinkers gebeurde.
Lees verder >>

Abent omnes uolucres

Over het oudste Nederlandse zinnetje Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu is al van alles en nog wat geschreven. Dat het helemaal niet het oudste Nederlandse zinnetje is. Dat het geen Nederlands is. Dat het een liefdesgedicht is. Dat het een religieus gedicht is. Dat het door een monnik geschreven is. Dat het door een vrouw geschreven is. Lees verder >>