Tag: Nederlands

In dit ons land

Door Henk Wolf

Het Nederlands is ergens in de twintigste eeuw een grammaticale mogelijkheid kwijtgeraakt. Hieronder wordt die geïllustreerd:

“We hebben in dit ons Dichtwerkje, dat reedts voor die tyt afgedrukt was, met de Opdragt deszelfs, onder anderen, hartelyk gewenscht, dat …”
(Johannes van Boskoop, Het in Beginselen verhoogde Nederlandt, 1748)

“Hoe zalig is dit myn besluit!”
(lied ‘Het gelukkig buitenleven’, Betje Wolff en Aagje Deken, 1781)

“… de algemeene zaken in dit ons Vaderland voleindigen my geheel te verpletteren.”
(brief van Willem Bilderdijk, 1837)

“Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen naam van Onderaardschen Schietblaasbalg” (brief van Hildebrand, 1871)

“Een symbool van roomse aanspraak op de macht in dit ons Nederland …”
(Ch. J.G., archief Protestants Nederlands, 1955)

Opvallend is natuurlijk het gebruik van zowel een aanwijzend als een bezittelijk voornaamwoord bij hetzelfde zelfstandige naamwoord (‘dit ons’). Die woorden zijn allebei zogenaamde determineerders. Dat is een groep woorden zoals de, het, dit, deze, welke, alle, geen, zulke etcetera. Ze hebben als gemeenschappelijke eigenschap dat ze voor een zelfstandig naamwoord staan, en zelfs nog voor de bijvoeglijke naamwoorden die daarbij horen. En bij elk zelfstandig naamwoord kan tegenwoordig maar één determineerder staan: Lees verder >>

Over de spellingvrijheid die niet genomen wordt

Door Henk Wolf

Marc van Oostendorp schreef zondag een stuk op neerlandistiek.nl waarin ie vertelde dat ie tegen een door de overheid voorgeschreven eenheidsspelling was. Hij zei dat ie zich wat eenzaam voelde op dat standpunt, omdat ie niet geloofde dat anderen het deelden.

Ik ben het wel met Marc eens. Om mij hoeft de overheid zich niet te bemoeien met de manier waarop andere mensen schrijven. Helemaal alleen staat Marc dus niet.

Misschien ben ik iets minder uitgesproken tegen dan Marc als het gaat om de eigen organisatie van de overheid. Het maakt me weinig uit of die in eigen huis spellingvoorschriften hanteert. Daar waar zulke duidelijkheid bijdraagt aan de eenduidigheid van juridische teksten kan ik me er zelfs wel iets bij voorstellen. Lees verder >>

Twee dagen praten over Het Schoolvak Nederlands

Door Henk Wolf

De taalkunde is een volwassen wetenschap, met heel veel beoefenaars die in de afgelopen decennia heel veel kennis over taal hebben opgedaan. In het onderwijs is daar alleen weinig van terug te zien. Het enige stukje taalkunde dat op scholen traditioneel veel aandacht krijgt, de zinsbouw, wordt nu nauwelijks anders behandeld dan honderd jaar geleden. Dat geldt inhoudelijk, maar ook didactisch.

Dat stoort me al lang. Ik heb de afgelopen jaren materiaal ontwikkeld om aankomende leraren in het basis- en voortgezet onderwijs te trainen op het opdoen van inzicht in taalstructuur en op het lesgeven op een manier die dat inzicht centraal stelt, zonder de ontleedlessen op te hangen aan trucjes en ezelsbruggetjes. Daar sta ik gelukkig niet alleen in. Lees verder >>

Nedersaksisch: naast het Fries, onder het Nederlands

Door Henk Wolf

‘Nedersaksisch is nog steeds geen Fries’ stond er donderdag in Trouw. Ook andere media meldden dat de vage beleidsvoornemens voor het Nedersaksisch niet in de buurt komen van de Friese taalpolitiek. Dat is natuurlijk waar, maar waarom de vergelijking tussen die twee talen getrokken?

Toen ik wat googelde op ontwikkelingen rond het Nedersaksisch, kwam ik in het Twentse regionale dagblad Tubantia een paar artikeltjes tegen van een ambitieuze ijveraar voor het Nedersaksisch, het Overijsselse Statenlid Jos Mooiweer. Mooiweer wil het Nedersaksisch graag in officiële functies kunnen gebruiken. Daarbij vergelijkt hij de positie van zijn streektaal met die van het Fries. Hij zegt:

“[…] het gekke is dat een Friestalige in het officiële circuit veel meer mag dan een spreker van het Nedersaksisch. Ik wil aandacht vragen voor deze ongelijke behandeling. Want het steekt mij dat ik, als volksvertegenwoordiger in Overijssel, de eed niet in onze eigen taal mag afleggen. Maar, en nu komt het, ik mag als niet-Fries de eed wel in het Fries afleggen. Dat is toch bizar?”

Lees verder >>

Verengelsing is eerder instrument voor onderwijstoerisme dan voor cultuuruitwisseling

Door Henk Wolf

In de studiegidsen en later in de online-onderwijscatalogus van de instelling waar ik werk, staat zolang ik me kan herinneren bij elke cursus in welke taal of talen die wordt aangeboden. Nou heb ik me daar nooit veel van aangetrokken. Tenzij de vaardigheid in een specifieke taal de kern van de cursus vormt, pas ik de taal eigenlijk altijd bij de groep aan. Zo heb ik de afgelopen jaren in vijf talen onderwijs gegeven, soms met verschillende talen binnen één college. Ik heb studenten daarbij altijd aangemoedigd om zoveel mogelijk hun eigen taal te gebruiken, als ze zich daarbij prettiger voelden. En als iemand die taal niet verstond, dan vatte ik het gezegde even samen.

Uitwisseling als doel

Natuurlijk had dat wel grenzen. Ik heb een paar studenten gehad met Lingala of Arabisch als eerste taal. Die talen beheers ik niet, dus die studenten moesten bij het beantwoorden van hun tentamenvragen en bij het stellen van vragen tijdens het college uitwijken naar een andere taal. Dat vind ik jammer, maar ik heb wel geprobeerd om bij cursussen taalwetenschap steeds voorbeelden uit die talen als illustratie te gebruiken.

Voor mij is dat hoe internationalisering eruit zou moeten zien: zoveel mogelijk van de rijkdom aan culturen en talen tot gelding laten komen. Als internationalisering ergens toe moet leiden, dan is dat volgens mij dat mensen in contact komen met cultuurelementen die ze anders niet zouden tegenkomen, om ervan te leren. En taal is waarschijnlijk een van de opvallendste elementen van iemands cultuur – en een van de leerbaarste. Internationalisering waarbij de taal van het gastland geen voornaam en vanzelfsprekend deel van de leerwinst vormt, is zoiets als een met veel tamtam aangekondigde wijnproeverij in de Dordogne, waar alleen één aangelengde niet-Franse wijn wordt geschonken. Als een masterclass van Wibi Soerjadi en Jaap van Zweden, die daarbij alleen maar op de kazoo mogen spelen. Als een Venetië dat voor het gemak van haastige toeristen een aantal kanalen dempt. Dat kun je volgens mij beter laten. Lees verder >>

Vertaalwoordenschat: Nederlands – Nieuwgrieks

Het Instituut voor de Nederlandse Taal heeft een nieuwe applicatie ontwikkeld voor tweetalige woordenboeken met Nederlands als bron- of doeltaal: de Vertaalwoordenschat. Nederlands – Nieuwgrieks is het eerste taalpaar dat gratis beschikbaar is via de website vertaalwoordenschat.ivdnt.org.

Rond de eeuwwisseling zijn er verschillende tweetalige bestanden ontwikkeld voor talen die voor de Nederlandstalige wel relevant zijn, maar op de commerciële markt niet spontaan aan bod kwamen, zoals Nederlands – Deens, Nederlands – Nieuwgrieks en Nederlands – Arabisch. Die bestanden zijn gemaakt in opdracht van een speciale Commissie Lexicografische Vertaalvoorzieningen, ingesteld door de toenmalige ministers van Onderwijs van Nederland en Vlaanderen. Lees verder >>

‘Allez, moeder, het is te hopen dat je goed slaapt’

Door Marc van Oostendorp


Een jaar of vijftien geleden had ik een heel fraai sluitende theorie, die moest verklaren waarom er in Nederland wél films, popliedjes en stripverhalen in het dialect gemaakt werden en in Vlaanderen niet. Waar het noorden Wilde mosselsSkik en Haagse Harry had, kon je in het zuiden geen cd’tje persen en geen pagina drukken zonder je verdiept te hebben in de regelen van het Algemeen Beschaafd Nederlands.

Inmiddels is de situatie bijna andersom. Bijvoorbeeld in de muziek. Eind vorig jaar maakte ik met mijn (Vlaamse) collega Erik Dams vorig jaar voor onze nieuwsbrief Taalpost wat leuke nieuwe dialectliedjes bij elkaar wilden zoeken, bleek het veel gemakkelijker om Vlaamse dan om Nederlandse liedjes te vinden. In Nederland is er vooral een oude garde – mensen als Daniel Lohues en Jack Poels, die er vijftien jaar geleden ook al waren – terwijl het in Vlaanderen borrelt van de relatief jonge groepen.

Dat alles bevestigt mogelijk mijn theorie.
Lees verder >>

De kracht van, en liefde voor taal

door Miet Ooms

Als docent Nederlands voor Anderstaligen probeer ik mij zoveel mogelijk in te leven in de situatie van mijn cursisten. Enerzijds betekent dat voor mij de moeilijkheidsgraad van mijn taal inschatten aan de hand van de moedertaal en de verdere talenkennis van de cursist. Dat is vrij eenvoudig als mijn cursist het Engels, Duits en/of Frans beheerst, dan koppel ik terug naar die talen en zoek ik zo een link. Het is moeilijker als de beheersing van die talen er niet of onvoldoende is en als ikzelf de moedertaal van de cursist niet ken. Dan is het moeilijk om te voorspellen waar de cursist precies problemen zal ondervinden. Ik heb afgelopen weekend bijvoorbeeld geleerd dat het Turks geen onderscheid kent in grammaticale geslachten. Geen wonder dus dat het gebruik van het lidwoorden en de correcte verbuiging van het adjectief in het Nederlands grote problemen voor hen oplevert.

Lees verder >>

Germaanse broodjes uit Leuven

Prima broodjes hebben ze in Leuven. Stokbrood brie, hazelnoot en abrikoos, as we speak – sorry voor de kruimels tussen de regels. Maar dit stuk gaat niet over broodjes, het gaat over “The Germanic Sandwich” en dat is een congres. De sandwich, dat zijn drie talen: Engels, Nederlands en Duits; Nederlands is de kaas in het midden. De naam “Germanic sandwich” werd in 2009 bedacht door Roel Vismans, neerlandicus uit Sheffield, maar het onderzoek naar de drie talen begint al in 1956. Toen schreef Coenraad van Haeringen het boekje “Nederlands tussen Duits en Engels“, waarin hij zijn moedertaal vergeleek met de buren links en de buren rechts. Van Haeringen maakte school: 50 jaar later kwam een groep taalkundigen in Berlijn bij elkaar om te kijken wat er heden ten dage over het onderwerp te zeggen valt. Genoeg, zo blijkt, want op de eerste “Germanic Sandwich” volgde een tweede in Sheffield (GB), een derde in Oldenburg (D) en een vierde, afgelopen weekend in Leuven (B).

Wat is er nou zo bijzonder aan deze talensandwich?
Lees verder >>

Een andere naam voor (zuidelijk) Nederlands?

Begin dit jaar riep Anne Provoost in Taalschrift op voor een andere naam voor het Nederlands, en zeker het Nederlands in België (http://taalschrift.org/editie/94/gezocht-andere-naam-voor-nederlands). Haar voornaamste reden: zij, als Belgische/Vlaamse, wordt in het buitenland als Nederlands auteur aanzien en omschreven, omdat ze in het ‘Nederlands’ schrijft. Daar lijkt in eerste instantie veel voor te zeggen, maar er zitten toch wat haken en ogen aan.
Lees verder >>