Tag: naamvallen

Wie komt hun of hen te hulp?

Door Ton van der Wouden

Het Nederlands heeft al eeuwen geen derde naamval (datief) meer. Dat heeft de architecten van onze standaardtaal er in de zeventiende eeuw evenwel niet van weerhouden om een onderscheid te construeren tussen hem (4e naamval enkelvoud mannelijk) en hom (3e), en tussen hen (4e meervoud) en hun (3e). Hom heeft het niet gered, maar het opgelegde verschil tussen hun (indirect object) en hen (direct object en na voorzetsels) bestaat tot op de dag van vandaag. Niemand maakt spontaan het onderscheid, maar het heeft zich gaandeweg ontwikkeld tot een sociale markeerder die je kunt gebruiken om te laten merken dat je niet van de straat bent. Onze middelbare scholen zijn de erfgoedinstellingen die deze folklore bewaren en haar doorgeven aan de volgende generaties.

Lees verder >>

Doet mèn maah een bieahtje: het gebruik van mijn voor mij in het zeventiende-eeuwse Nederlands

Door Giulia Mazzola en Peter Alexander Kerkhof

Als je ooit met een Hagenees hebt gepraat, heb je het vast weleens gehoord: de dialectvorm “mèn” voor ‘mij’ in zinnen zoals “doet mèn maah un bieahtje”. Deze dialectvorm komt voor in de grammaticale functies van het meewerkend voorwerp, het lijdend voorwerp en na voorzetsels. Als klinkend kenmerk van het Haagse dialect komen we hem natuurlijk tegen in de beroemde dialectstrip Haagse Harrie. Maar wat weinigen zullen weten is dat “mijn” voor “mij” vroeger een goede kans maakte om Standaard Nederlands te worden. Wat blijkt namelijk? In zeventiende en achttiende eeuwse brieven vinden we geregeld “mijn” waar we in het standaard Nederlands “mij” gebruiken. In dit artikeltje willen we kort uit de doeken doen waar de mijn-vorm vandaan komt en hoe uiteindelijk “mij” in de standaardtaal de overhand heeft gekregen. Lees verder >>