Tag: morfologie

woord?woord (2/6)

Nultaal (9)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Deze en de komende zes afleveringen van Nultaal gaan over het niets tussen woorden in een samenstelling van twee woorden. Het gaat alleen over combinaties van twee zelfstandige naamwoorden waarvan het tweede deel de kern vormt, en waarvan de betekenis van de woorden zelf geen toelichting behoeft. Zie voor verdere uitzonderingen de vorige aflevering.

Hoe zijn deze combinaties verbonden? Wat gebeurt er in dat niets? Mijn doel is om hier enige ordening in aan te brengen. In Handboeken Morfologie staan wel onderverdelingen, maar er zit weinig systeem in. Soms meen ik het begin van een systeem te ontwaren. Daarvan doe ik hier verslag. En nu maar hopen dat meer deskundige lezers niet zullen zeggen: “Het nieuwe erin is niet goed, en het goede erin is niet nieuw.” Lees verder >>

woord?woord (1/6)

Nultaal (8)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Zo raadselachtig. Je zet twee woorden achter elkaar, bijvoorbeeld vis+meel, en je weet onmiddellijk dat het gaat om meel gemaakt van vissen. Maar doe dat eens met kinder+meel. Met de betekenis ‘gemaakt ván’ kun je toch alleen maar denken aan babyvoeding bij kannibalenouders. Bij kindermeel gaat het om de betekenis ‘gemaakt vóór. Toch is ook bij vismeel de vóór-betekenis wel mogelijk. Immers, een viskweker kan wel vismeel gebruiken, zonder vis erin maar bedoeld voor vissen. Wat gebeurt er toch wanneer we twee woorden aan elkaar plakken? Tussen die woorden zien we geen lijm, er is helemaal niets. – Niets? Lees verder >>

Ziektes waarvoor je niet naar de dokter hoeft

Door Roland de Bonth

Appendicitis, artritis, bronchitis en hepatitis. Zelfs al zou je niet precies weten wat er onder deze aandoeningen wordt verstaan, dan nog kun je een uitspraak doen over de aard van die ziektes. Het achtervoegsel –itis maakt namelijk duidelijk dat er sprake is van een ontsteking van het orgaan of lichaamsdeel dat het grondwoord noemt. Zo is appendicitis een ‘ontsteking van de appendix’ – in het dagelijks taalgebruik beter bekend als ‘blindedarmontsteking’ –, artritis ‘gewrichtsontsteking’, bronchitis, ‘een ontsteking van de bronchiën, kleine vertakkingen van de longen’ en hepatitis – ook wel geelzucht genoemd – ‘een ontsteking van de lever’.

Veelvuldig in het nieuws de afgelopen maanden was de term meningitis. Deze ‘ontsteking van het hersenvlies’ kan veroorzaakt worden door de meningokokbacterie. Om deze ernstige ziekte te voorkomen besloot de politiek om zowel voor kinderen van 14 maanden als voor tieners van 14 jaar een combinatievaccin tegen meningokokken typen A, C, W en Y in het Rijksvaccinatieprogramma te laten opnemen. Lees verder >>

Nog wat over de z’n-constructie d’r benoeming als genitief

Door Henk Wolf

Een paar dagen geleden stond hier een stukje van mij waarin ik beargumenteerde dat we in woordgroepen als ‘Jan z’n fiets’ het stukje ‘Jan z’n’ als één woord moeten beschouwen en dat dat woord in de tweede naamval staat, de genitief. (Het stukje is hier te lezen.)

Niet iedereen was overtuigd. Ik kreeg een aantal reacties en daarin zaten in elk geval twee gerechtvaardige kritiekpunten, die allebei een reactie verdienen. Het ene kritiekpunt is dat het gek is om elementen zoals z’n als naamvalsuitgang te beschouwen, omdat ze ook achter woordgroepen kunnen staan. Het andere kritiekpunt is dat je Jan in ‘Jan z’n fiets’ ook als bepaling bij het bezittelijk voornaamwoord z’n kunt beschouwen.

Punt 1: naamvalsuitgangen op woordgroepen

In m’n stukje schreef ik al dat de uitgang -s, die we traditioneel als genitiefuitgang benoemen, ook achter woordgroepen kan staan. Zo zijn er Nederlandstaligen die woordgroepen kunnen gebruiken als:

Lees verder >>

De nieuwe genitief is de oude genitief z’n concurrent

Door Henk Wolf

In plaats van ‘de buurmans auto’ en ‘Afkes hond’ kun je ook ‘de buurman z’n auto’ en ‘Afke d’r hond’ zeggen. Dat is best een gekke constructie, vooral omdat je niet zo snel ziet in welke naamval ‘de buurman’ en ‘Afke’ staan’.

”In de datief, natuurlijk!’ roepen nu een paar lezers die verstand van naamvallen hebben. En ze houden op met lezen, want ze denken dat ze dit verhaal al kennen. Een aantal van die lezers herinnert zich ook nog dat ik een paar jaar geleden ergens heb gezegd dat het een genitief zou zijn en dat vonden ze onzin. Daarom wil ik uitleggen waarom zij en ik allebei gelijk hebben. En ik een beetje meer. Lees verder >>

Hij heeft de foto’s zien gelaten

Door Henk Wolf

Een collega van me schrijft ‘sjenlitten’ altijd aan elkaar, alsof de Friese woorden sjen (‘zien’) en litten (‘gelaten’) samen één woord vormen. Dat is ook niet zo gek, want het is in het Fries niet meteen duidelijk of je nu met één of met twee werkwoorden te maken hebt.

Ik kan me best voorstellen dat ‘laten zien’ als betekeniseenheid wordt opgevat. Immers, die twee woorden samen betekenen vrijwel hetzelfde als het ene werkwoord ‘tonen’. Dan is het niet zo gek om ze als één werkwoord te gaan zien. De schrijfwijze van mijn collega verraadt dat zij in het Fries vermoedelijk zo denkt. Ik heb het voor de zekerheid nog even nagevraagd en inderdaad ervaart ze de twee als één woord.

Het voltooid deelwoord als lakmoesproef

In het Nederlands kun je veel makkelijker nagaan of je met één werkwoord te maken hebt of met twee. Anders dan in het Fries heeft het aantal werkwoorden namelijk invloed op de vorm van de voltooide tijd. Heb je in het Nederlands één werkwoord dat je in de voltooide tijd zet, dan krijgt dat de vorm van het voltooid deelwoord. Heb je twee werkwoorden, dan hebben ze allebei de vorm van de infinitief (het ‘hele werkwoord’). Zie het volgende voorbeeld: Lees verder >>

Wij bin / wij binne

Door Henk Wolf

De meervoudsvorm van Friese werkwoorden in de tegenwoordige tijd krijgt als regel een van de uitgangen -e of -je. Zo staat dat in alle boekjes, zo is het in de schrijftaal, zo doen de nieuwslezers van Omrop Fryslân het.

Alleen in de dagelijkse praktijk is het nog weleens anders. Er is namelijk een groep werkwoorden waarbij de meervoudsuitgang -e kan worden weggelaten. De uitgang -je wordt nooit weggelaten. Zo hoor je bijvoorbeeld:

Wij gean moarn fuortl (schrijftaal: geane)
De minsken sil der (of: sidder) wol wat op betocht ha. (schrijftaal: sille)
We bin der al. (schrijftaal: binne)

Lang niet alle werkwoorden hebben zo’n korte meervoudsvorm. Zo kom je nooit tegen: Lees verder >>

Transgender is helemaal geen bijvoeglijk naamwoord

Door Henk Wolf

Via een linkje in Taalpost van het Genootschap Onze Taal belandde ik laatst bij een artikeltje met de titel ‘Transvrouwen bestaan niet, trans vrouwen wel‘. Het ging over de spelling van ‘transvrouwen’, met of zonder spatie. De schrijfster van het artikel, Olave Nduwanje, gebruikt wel een spatie. Ze pleit daarbij niet voor spellingrebellie, maar motiveert haar keuze met een taalkundige analyse. Ze schrijft: ‘Transgender (oftewel trans) is namelijk […] een bijvoeglijk naamwoord’.

Als dat waar zou zijn, dan had ze natuurlijk gelijk: dan was in de officiële Nederlandse spelling de correcte schrijfwijze ‘trans vrouwen’ geweest, zoals we ook ‘dikke vrouwen’ en ‘slimme vrouwen’ met een spatie erin schrijven.

Alleen deugt de analyse niet. Transgender en trans zijn geen bijvoeglijke naamwoorden. Dat kun je vrij makkelijk laten zien. Lees verder >>

Marrekies

Door Marc van Oostendorp

Iemand schreef ergens lievie en iemand vond dat vreemd. Dat moest toch lieffie zijn, met een f? Iemand wendde zich tot mij en vroeg wat nu het juiste antwoord was.

Er is natuurlijk geen ‘juist’, maar ik zou zelf hier ook geneigd zijn een f te zeggen. De enige reden die ik me kan voorstellen is als je toch al geen verschil maakt tussen f en v, als je faal en vaal op dezelfde manier uitspreekt – wat natuurlijk veel mensen doen, daar niet van, en daar is ook weinig op tegen.

Maar ik, die wel verschil maak tussen faal en vaal zou zeker lieffie zeggen als ik een lieffie had om het tegen te zeggen. Hoe zit dat? Ik zeg toch ook lieverd, met een v, of lieve oma, lieveling? Lees verder >>

Menig school heeft vacatures

Door Siemon Reker

Dat menig bij het traditionele ontleden een onbepaald voornaamwoord heette was een passende aanduiding, veel beter dan bijvoorbeeld in het geval van alle of geen. Menig betekent dat er ‘nogal wat’ van de aangeduide groep vallen onder wat er beweerd wordt, bij alle en geen ontbreekt die onduidelijkheid, die onbepaaldheid. Als iets betrekking heeft op geen mens of alle mensen weten we precies hoe laat het is, menig mens laat ons veel meer in het ongewisse.

Menig mens illustreert een apart trekje van het Nederlands: na menig volgt steeds een enkelvoud maar er wordt altijd een meervoud mee uitgedrukt, hoe onbepaald ook. En menig onderstreept nog eens z’n eigen onbepaaldheid bij het antwoord op de lastige vraag of we soms menig zeggen of menige. Het woordje gedraagt zich inderdaad wat als een bijvoeglijk naamwoord áls we maar in gedachten een onbepaald lidwoord voorvoegen. Laten we het illustreren met twee voorbeelden, een de-woord en een het-woord. Daar immers worden de verschillen duidelijk, het grote gebouw en de grote tuin trekken in hun verbuiging één lijn maar een grote tuin vormt als het ware een contrast met een groot gebouw. Lees verder >>

Een nieuw achtervoegsel in 2017

Door Siemon Reker

Is er in 2017 een nieuw achtervoegsel in de Tweede Kamer opgedoken? Dat is niet helemaal zeker maar waarschijnlijk is het wel. In ieder geval is het kalenderjaar 2017 de tijd dat -gedreven in vergelijking met andere jaren voldoende vaak als suffix in de Handelingen genoteerd werd om te veronderstellen dat dit het jaar van De Doorbraak is.

Het gaat in 2017 – dat korte parlementaire jaar met weinig of korte plenaire vergaderingen als gevolg van de verkiezingen voor de Tweede Kamer én de zeer lange formatie – om deze woorden volgens de niet-gecorrigeerde verslagen: datagedreven, modelgedreven, subsidiegedreven, contentgedreven, expertgedreven. Er is ook nog waardegedreven, of waardengedreven: daar is in een deel van Nederland niet zo simpel tussen te onderscheiden. In het volgende citaat van Pieter Omtzigt (CDA) is duidelijk dat de Dienst Verslag en Redactie moet wennen aan een achtervoegsel -gedreven: “We denken dat dingen als het LIV veel beter kunnen en dat ze model gedreven zijn.” Wat het LIV ook is, model gedreven zou niet veel later genoteerd zijn als modelgedreven net als deze citaten in hetzelfde jaar 2017: Lees verder >>

Histoire d’O

Door Ad Foolen

Ik dacht dat het gebruik van de negatief evaluerende uitgang –o z’n beste tijd gehad had, maar in Neerlandistiek van 22 maart werd deze afleidingsvorm zowaar twee keer gebruikt, en wel in de bijdrage De finale dagen in de schemer van Marc Kregting: “Ik ga er maar even aan voorbij dat zulke waarnemingen elk vooroordeel over culturo’s bevestigen …”. En: “Opnieuw wordt elk cliché over culturo’s bevestigd”.

Toen ik culturo aan mijn verzameling o-woorden wilde toevoegen, viel me op dat ik de meeste gebruiksgevallen in het eerste decennium van deze eeuw heb opgetekend. In alfabetische volgorde: academico,alternativo, allo, aso, bejaardo, blijo, Brabo, debilo, deskundo, dombo, excellento, hotello, joego, kampo, klojo, lesbo, Limbo, lokalo, Nijmo, presto, provincio, sentimentalo, sippo, travo. Lees verder >>

Een sneejke en een kaffeetje

Door Marc van Oostendorp

eike en eitje in West- en Oost-Vlaanderen. Bron: het besproken artikel

De onlangs overleden dialectoloog Johan Taeldeman blijkt bij zijn overlijden nog een klein sieraadje te hebben achtergelaten. Het artikel is onlangs gepubliceerd in Taal en Tongval, zijn lijfblad, het gaat over het dialect van zijn geboortedorp, Kleit in het noordwesten van Oost-Vlaanderen, en het doet waar Taeldeman altijd zo goed in was. Het haalt een feitje naar boven dat de taalkundige kan verwonderen.

Dat feitje gaat over de manier waarop je het verkleinwoord maakt. Vrijwel ieder dialect in het Nederlandse taalgebied doet dat op zijn eigen manier, en al die manieren zijn ingewikkeld: soms gebruik je de ene uitgang en dan weer de andere. In de standaardtaal zeg je bijvoorbeeld raampje met pje en rammetje met etje.En dat is nog maar het topje van de ijsberg. Lees verder >>

‘Doorgeschoten flexisme’

Door Marc van Oostendorp

Het achtervoegsel –isme is geloof ik zijn betekenisgebied aan het uitbreiden. Er is weer een nieuwe nuance aan het ontstaan: die van de discriminatie.

Het Taalportaal somt al een aantal mogelijke betekenissen op: het achtervoegsel kan verwijzen naar ‘pathologische condities’, zoals in botulisme en alcoholisme, of naar taaleigenaardigheden, zoals in syllogisme of germanisme. In een enkel woord verwijst het naar de bouw of structuur: mechanisme, organisme. Maar de twee belangrijkste betekenisvelden hebben betrekking op ideologieën (marxisme, calvinisme, purisme) of op manieren van zijn (snobisme, analfabetisme).

Racisme is geloof ik onder andere zo’n lastig woord omdat het die laatste twee betekenissen bevat. Lees verder >>

Suffixsonnet: –esk

Door Marc van Oostendorp

Het suffix –esk is soms object van spot en hoon.
De ANS vindt het meer iets voor intellectuelen.
Toch zijn er ook wel mensen die er graag mee spelen
een heus genootschap zet de vorm zelfs op een troon.
De woorden met dit suffix klinken licht frivool:
terwijl clownesk, burlesk, carnavalesk wel gaan,
spreekt niemand van zijn pauperesk bestaan,
een zombieëske an, een choleresk riool.
Het suffix hecht zich ’t liefst aan namen.
Zo schrijft men soms in Grunbergeske stijl
of zoeken in Februariësk peinzen hun heil,
terwijl ze zich in mutsaerseske lol bekwamen.
De vorm heeft met die s en k iets buitenlands.
We kennen hem uit ’t Engels en vooral ’t Frans.

Meer informatie: Taalportaal

Suffixsonnet: –air

Door Marc van Oostendorp

Celibatairs doen iets met celibaat.
Een miljonair doet iets met een miljoen,
een legionair iets met een legioen.
Men ‘doet iets met’ als –air aan ’t einde staat.

De oorsprong is Latijn. Ja, weliswaar
is het tot ons via ’t Frans gekomen
maar dat heeft –arius overgenomen
dat ook het –aar werd in ons molenaar.

Die èè in –air laat de oorsprong nog horen:
die klinker komt misschien niet van héél ver,
maar militair rijmt toch echt niet op ster,
hoe Nederlands dat woord ook klinkt van voren.

Vaak vind je in onze taal de stam ook niet:
Een militair bestaat, maar geen miliet.

Meer informatie, in proza: Taalportaal.

Suffixsonnet: –ster

Door Marc van Oostendorp

’t Is kerst. Hier is hij weer, uw brave suffixzanger
die ieder jaar, begeleid door fraaie harpakkoorden,
suffixsonnetten zingt over de vorm van woorden.
Vandaag: in taal zijn vrouwelijke woorden langer.
Zie hier een man. Echt wat je noemt een wandelaar.,
maar zijn vriendin beslaat maar liefst vier letters meer:
een wandelaarster – lange dame, korte heer,
zoals de hinkelaarster en de hinkelaar.
Toch voeg je niet steeds alle vier de letters toe:
geen schakerster noem je een vrouwelijke schaker,
maar schaakster. Twee schwa’s na elkaar willen we vaker
vermijden in de woordvorming, zo voeg ik toe.
Het is precies de reden dat we met mekaar
niet van knikkerer spreken, maar van knikkeraar.

Dit sonnet is geïnspireerd door een artikel van Jan Don.

Hoe ontstaat een nieuw woorddeel?

Het onderstaande stuk is onderdeel van de nieuwsbrief Neerlandistiek voor de klas. Anders dan andere stukken hier is het primair gericht voor gebruik in de les, door scholieren.

Door Marten van der Meulen

Taal is een bouwwerk. Klanken of letters maken woorden, woorden maken zinnen en zinnen maken gesprekken of teksten. Maar woorden bestaan soms ook weer uit woorden. Bij samenstellingen bijvoorbeeld, zoals rugzak. Andere woorden kun je nog weer verdelen in kleinere stukjes woord. Daarmee bedoel ik niet verschillende lettergrepen, die je vormt op basis van uitspraak. Ik bedoel de stukjes woord die je kunt zien als je kijkt naar betekenis. Zo’n betekenisvolle stukje noemen we een morfeem. Woorden kunnen uit één of meer morfemen bestaan, waarbij het belangrijk is om je te realiseren dat een morfeem niet per se hoeft te overeenkomen met een lettergreep. Neem het woord catamaran: dat bestaat uit vier lettergrepen, maar slechts uit één morfeem. Er is geen stuk van catamaran dat in het Nederlands een aparte betekenis heeft. Maar er zijn ook heel veel morfemen die wel precies een lettergreep zijn: woordenboek bijvoorbeeld. Dat bestaat uit drie morfemen: woord, en en boek. De betekenis van woord en boek is duidelijk, en en betekent ‘meervoud’. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als bouwer van onze woordenschat

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (16)

Door Marc van Oostendorp

Er is in de taalwetenschap al lang discussie over de vraag of woorden wel bestaan.

Ja, mensen schrijven soms spaties, maar correspondeert dat wel met iets reëels in de taal? Met ‘reëel’ bedoelen taalkundigen dan: iets dat van nature in talen is gegroeid en niet het gevolg is van een of andere technologische beslissing. Iets dat bijvoorbeeld op een natuurlijke manier als eenheid in ons hoofd wordt opgeslagen. Kennen analfabeten woorden? Kinderen die hun moedertaal aan het leren zijn? Gebeurt er in onze hersenen iets aantoonbaars bijzonders als we een woord herkennen tijdens het luisteren?

Er zijn redenen genoeg om te twijfelen of woorden wel zo bijzonder zijn. Je zou bijvoorbeeld kunnen stellen dat een verschil tussen woorden en woordgroepen is dat bij woorden de relatie tussen vorm en betekenis volkomen willekeurig is. Dat boom ‘boom’ betekent, volgt niet uit de betekenis van bo en m, want die hebben geen betekenis (oom heeft wel betekenis, maar dat heeft niets met die van boom te maken). De betekenis van de woordgroep ‘die mooie boom’ is niet op dezelfde manier willekeurig: je kunt hem uitrekenen als je de betekenis van die, mooi en boom kent. Die betekenis is ‘compositioneel’, heet dat. Lees verder >>

Eiergele eischaal

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen klerenwinkel en kleermaker? Je kunt op de een of andere manier niet kleerwinkel zeggen of klerenmaker; ik in ieder geval niet. Of om nog preciezer te zijn: ik heb het idee dat ik wel klerenmaker zou kunnen zeggen, maar dat zou dan net een wat andere betekenis hebben dan kleermaker, bijvoorbeeld een wat minder professionele, van iemand die zomaar voor de lol allerlei kleren maakt.

Kleerwinkel kan ik niet zeggen, maar het staat wel op Google (vooral, maar niet uitsluitend, op Belgische internetdomeinen). Marijke De Belder publiceerde onlangs een nieuw artikel over dit soort samenstellingen <hier achter een betaalmuur; hier een oudere, maar gratis versie>.

Volgens De Belder is het verschil tussen klerenwinkel en kleermaker dat in het eerste geval het eerste lid kleren een echt zelfstandig naamwoord is. In het tweede geval is kleer een zogeheten ‘wortel’ – iets wat nog niet echt zelf een woord is, maar dat alleen wordt door het achtervoegsel –en aan toe te voegen.

Ze gaat helaas niet in op woorden als eierschaal. Lees verder >>

Er is iets mis met -nis

Door Philipp Krämer

Wat is er aan de hand met –nis? Dat achtervoegsel is nogal raadselachtig, dat hebt u hier al gelezen. We vinden het in allerlei woorden zowel in het Nederlands als in het Duits.

das Gefängnis de gevangenis das Ärgernis de ergernis
die Betrübnis de droefenis, de treurnis das Bekenntnis de bekentenis (ook: de belijdenis)
die Bekümmernis de bekommernis (ook: de bekommering) die (Er)kenntnis de kennis (ook: het inzicht, het begrip)
die Wildnis de wildernis das Zeugnis de getuigenis
die Verdammnis de verdoemenis / verdommenis das Gleichnis (ook: die Gleichheit) de gelijkenis
das Hindernis de hindernis das Bildnis de beeltenis
das Erlebnis de belevenis (vaker: de ervaring) das Ereignis de gebeurtenis (andere stam)
das Begräbnis (vaker: die Beerdigung) de begrafenis

 

die Düsternis (vaker: die Finsternis) de duisternis

 

Lees verder >>

In Memoriam Henk Schultink

Door Wim Klooster

Op 7 januari van dit jaar overleed Prof. dr. Henk (Hendrik) Schultink op 92-jarige leeftijd. De eerste keer dat ik hem zag moet zo’n 56, 57 jaar geleden zijn, toen ik de pre-candidaatscolleges van Reichling volgde, en hem dan altijd vooraan in de zaal aantekeningen zag zitten maken. Hij was toen assistent (zoals dat toen heette) van Reichling. In die periode was hij ook medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, een voortzetting van zijn Deens correspondentschap bij diezelfde krant. Zo kon hij betrekkelijk heet van de naald “kritische voorlichting geven uit de werkplaats der taalkunde”.  (Voor de lezer van vandaag geen lichte kost, meende J.J. Heldring in 2005 in in zijn rubriek ‘Dezer dagen’ in NRC Handelsblad, ietwat meewarig. “Ik vraag mij af of de huidige lezer er nog tijd en geduld voor zou hebben.”) Henk Schultinks kronieken werden in 2005 gebundeld uitgegeven onder de titel Van onze taalkundige medewerker, bezorgd door Cecile Portielje en Jan Noordegraaf.

Erg lang kan zijn assistentschap bij Reichling niet geduurd hebben, aangezien Henks plaats kort daarna werd ingenomen door Pieter Seuren, die later bij Henk zou promoveren. Henk had al een aanstelling als docent aan de Rijkuniversiteit Leiden, waar Uhlenbeck in de Algemene Taalwetenschap de scepter zwaaide, en bij wie hij in 1962 promoveerde op De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands. Onder taalkundigen, en zeker onder morfologen, kreeg zijn proefschrift grote bekendheid. Ook voor niet-morfologen werd sindsdien groen-groenig-groenerig een overbekende trits. Kort na zijn promotie werd hij datzelfde jaar hoogleraar Algemene Taalwetenschap aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Lees verder >>

Henk Schultink en Anne Frank. Uit een vooroorlogs verleden

Door Jan Noordegraaf

Op 7 januari j.l. overleed de Utrechtse emeritus hoogleraar Algemene Taalwetenschap Henk Schultink. Hij is 92 jaar oud geworden. De gang van zaken op het gebied van de neerlandistiek is hij altijd met belangstelling blijven volgen. Zo was hij vanaf 1963 lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

Enige tijd geleden werd ik door een bevriende oud-student geattendeerd op een foto die sommige Neerlandistieklezers waarschijnlijk wel kennen, maar die ik bij wijze van in memoriam vandaag toch nog eens naar voren haal. Over deze opname, die uit 1938 dateert, wilde ik Schultink nog wat nadere gegevens ontlokken, maar door omstandigheden kon mijn bezoek aan hem geen doorgang meer vinden. Het gaat om deze foto:

afs_a_afrank_iii_036

Lees verder >>