Tag: morfologie

Schel en andere dorado’s

Door Wouter van der Land

Van het Zeeuws-Vlaamse stadje Terneuzen weet ik niet veel meer dan dat er een kanaal naartoe leidt, dat ze er de ‘h’ niet uitspreken en de ‘g’ juist als ‘h’: ik eb mien uus hries heverfd. Maar ook dat daar een subtropisch zwembad is met de naam ‘Scheldorado’. Het werd laatst genoemd in een bericht over achterstallig onderhoud. Hoe komt zo’n curieuze naam tot stand? En wat kun je met die kennis?

Lees verder >>

Keukenstafels

Door Henk Wolf

Waar het Nederlands één woord keukentafel heeft, heeft het Fries er minimaal twee: keukentafel en keukenstafel. Die twee vormen zijn niet onderling uitwisselbaar.

Een keukentafel (zonder tussen-s en met de woordklemtoon op keuken) is een willekeurige tafel die in een keuken staat of die gemaakt is om in een keuken te staan. De Ikea en de Kwantum verkopen een heleboel van die keukentafels.

Lees verder >>

Eseleien, Eselinnen, Eslereien

Von Philipp Krämer

Eselsmilch: Herstellung und Konsum. (Lilly M., CC-BY-SA 3.0)

Belgien ist ein wichtiges Herkunftsland für viele Produkte, zum Beispiel Schokolade, Bier, Eselsmilch. Ja: Eselsmilch.

Auf der Suche nach einem Geschenk stolperte ich kürzlich über die Webseite von Anes & Sens, einem Unternehmen im Hennegau direkt an der Sprachgrenze. Dahinter verbirgt sich ein Betrieb von einer Sorte, die es weltweit nur äußerst selten gibt. So selten, dass mir dafür kein etabliertes deutsches Wort einfällt. Vielleicht: ein Eselsmilchhof. Auf Französisch ist es jedenfalls eine asinerie, weil man mit –erie ziemlich produktiv alle möglichen Institutionen, Hersteller und Läden für unterschiedlichste Produkte benennen kann. Nicht zu verwechseln ist die asinerie mit der ânerie, der Eselei. Die gibt es auf Niederländisch auch, allerdings braucht man dazu das erweiterte Suffix, um zur ezelarij zu gelangen. Im Van Dale ist das Wort als niet algemeen verzeichnet, bekannte Chiffre des Wörterbuchs für – ganz folgerichtig: ‚gebräuchlich vor allem in Belgien‘.

Lees verder >>

Maathouden versus orde houden

Door Robert Chamalaun

Een van mijn favoriete momenten tijdens de spellingles is altijd het moment waarop iets ogenschijnlijk eenvoudigs plots heel wat ingewikkelder blijkt te zijn. Het vormt meestal een mooi aanknopingspunt om met leerlingen dieper in te gaan op de taal zelf. Spellingregels lijken soms totaal niet logisch en dan is het des te interessanter om te beredeneren waarom een woord op een bepaalde manier gespeld moet worden.

Zo waren mijn leerlingen in vwo 5 afgelopen week bezig met een opdracht ‘aaneenschrijven’. Ze kregen verschillende combinaties van woorden voorgelegd en de opdracht was om de woordcombinaties goed te spellen. Combinaties als een + eerste + klas + coupé of school + examen + onderdeel zorgden nauwelijks voor problemen, maar toen kwamen er twee combinaties die voor de nodige verwarring zorgden.

Lees verder >>

Helje-en-bringservice

Door Henk Wolf

Als ik ’s morgens naar het werk rij, hoor ik voor de radio vaak een reclame van een bedrijf met een “helje-en-bringservice”. Dat is Fries voor ‘haal-en-brengservice’, maar wel opvallend Fries.

Het Nederlands heeft één type regelmatige werkwoorden, het Fries heeft er twee. Je hebt werkwoorden met een woordenboekvorm (onbepaalde wijs, infinitief, hele werkwoord) op -je en werkwoorden met een woordenboekvorm op -e. Die krijgen verschillende vervoegingen. Helje (‘halen’) is een -je-werkwoord. De vorm helje is onder andere de woordenboekvorm, de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd en de gebiedende wijs.

Wat helje niet is, is de stam. En aan de linkerkant van een samengesteld woord gebruik je in het Fries, net als in het Nederlands, de stam van het werkwoord. Dat is het stukje dat in alle regelmatige vormen wordt gebruikt, waarin het eventueel met voor- en achtervoegsels wordt aangevuld. Lees verder >>

Ciaciao

Door Marc van Oostendorp

Van de week klaagde iemand in een reactiepaneel op dit blog dat de geesteswetenschappen zo weinig ontdekken, maar die klacht is ongegrond, er worden aan de lopende band dingen ontdekt, in ieder geval door mij. Let op! De ontdekking van de week: het Nederlands lijkt op het Ilokano.

Het begon van de week op Twitter met iemand die zich erover verbaasde dat hij zo vaak doei doei zei. Iemand anders dacht dat ik daar weleens over had geschreven, maar ik kende die hele persoon niet, laat staan dat ik erover had nagedacht waarom hij zo vaak doei doei zei.

Al snel ging de discussie echter een interessante kant op. Iemand (nee, niet iemand: de bekende taalkundige, biograaf van Piet Grijs en journalist Liesbeth Koenen) merkte tussen neus en lippen op dat veel mensen eerder doedoei zeggen. En daarop zei de wetenschapscommunicator en taalkundige Iris Roggema: ja, ik zeg geloof ik ook ciaciao en momoi. En toen zei Liesbeth, ik geloof voor de grap: we hebben een generalisatie.

Maar ik denk dat we hier inderdaad iets bij de hand hebben.

Lees verder >>

Die vragenlijst met van die onzinwoorden

Door Marijke De Belder

Twee weken geleden vulde u misschien een vragenlijst met onzinwoorden in op Taalpost. In deze tekst krijgt u daarbij een kijkje achter de schermen. Wat heb ik getest en waarom, hoe is het verlopen en wat zijn de resultaten? U vindt het hieronder. 

In 1989 observeerde Mieke Trommelen dat de stam van een ongeleed Nederlands werkwoord uit slechts één lettergreep kan bestaan. Samen met de infinitiefuitgang -en maakt dat dus twee lettergrepen, zoals in werken, kussen, fietsen en botsen. De enige uitzondering zijn werkwoorden waarvan een tweede lettergreep –er of –el is, zoals in fluisteren of stamelen

Werkwoorden die we (soms via het Duits of het Engels) uit de Romaanse talen hebben geleend zoals produceren en creëren vallen niet onder haar stelling. Tenslotte zijn die wél geleed. Dat wil zeggen, ze bestaan altijd uit minstens twee woorddelen, zoals produc- en -eer in produceer

Lees verder >>

Een neem-meepakket voor een meeneemprijs

Door Henk Wolf

In het Nederlands kun je twee of meer woorden combineren tot een samengesteld woord of samenstelling. Als je daarbij een werkwoord gebruikt en dat is niet het laatste woord van de samenstelling, dan moet je de stam van dat werkwoord gebruiken. Voorbeelden zijn:

  • drijven + sijsje = drijfsijsje
  • lopen + rek = looprek
  • zweven + vliegen = zweefvliegen

Wil je iets in zo’n samenstelling opnemen wat bij het werkwoord hoort, zoals een partikel of een plaatsbepaling of een lijdend voorwerp, dan komt dat in een uitgeklede vorm links van de werkwoordstam. Een paar voorbeelden:

  • mee + nemen + prijs = meeneemprijs
  • op de bank + zitten + premie = bankzitpremie
  • auto’s + verkopen + cijfers = autoverkoopcijfers
Lees verder >>

De checkout en het uitchecken

door Henk Wolf

Een poosje geleden zat ik in een hotel in Duitsland. Zoals alle hotels had ook dit hotel een tijdstip vastgesteld waarop de gasten op hun laatste dag aan hun verplichtingen moesten hebben voldaan (sleutel inleveren, afrekenen etcetera). Al die verplichtingen heetten volgens het informatieboekje de Checkout en het bijbehorende werkwoord was auschecken.

Dat lijkt in Duitse hotels een patroon te zijn: het zelfstandig naamwoord is ook weleens Auscheck, maar zeker zo vaak is het helemaal Engels, terwijl het werkwoord doorgaans verder wordt verduitst.

In Nederlandse hotels lijkt er wat meer variatie te zijn tussen checkout en uitcheck, maar het werkwoord is ook in het Nederlands naar mijn indruk veel vaker het deels vertaalde uitchecken dan outchecken.

Lees verder >>

400 Jaar Geleden: ik zijn

Door Ton Goeman

Een oostelijke dialect-onderstroom in de schrijftaal van de landsadvocaat:de ick-vorm van het werkwoord “zijn” in de bescheiden van Oldenbarnevelt

Op 13 mei 1619, vier eeuwen geleden, werd Van Oldenbarnevelt na een zeer dubieus proces in Den Haag onthoofd wegens landverraad en majesteitschennis. De procesgang was zelfs voor die tijd al dubieus; en buitengewoon dubieus was de samenstelling van de rechtbank, een speciale commissie gevuld met verklaarde vijanden van de landsadvocaat.

Dat was het voorlopige eindstation van jaren maatschappelijke onrust die het gevolg was van het feit dat er wel een kerkorde was afgesproken maar niet ingevoerd, dat, parallel daaraan er een functionerend staatsbestel was, maar met nog maar half uitgewerkte rollen voor de staatsinstellingen, dat er onenigheid was of men financiëel gezien de oorlog kon volhouden of dat er behoefte was aan veiligheid voor handel, dat er wel een wapenstilstand was, maar met tweedracht over de te volgen lijn en parallel daaraan of men coalities moest sluiten met Engeland of met Frankrijk. Hardliners die uit Vlaanderen en Brabant gevlucht waren dreven de kerk in fundamentalistische richting, en steunden de oorlogspartij. Daarbij raken de twee hoofdpersonen stadhouder Maurits en de landsadvocaat van Holland Oldenbarnevelt al van langer meer en meer van elkaar verwijderd.  Het land dreigde te bezwijken onder de polarisatie.

Lees verder >>

Leidt schoolvorming in de taalwetenschap nergens toe?

Door Marc van Oostendorp

Martin Haspelmath is een van de interessantste taalwetenschappers van dit moment en bovendien een blogger, onder andere vanwege zijn volstrekte eerlijkheid en onafhankelijkheid. Hij vertelt hoe hij denkt dat de zaken in elkaar zitten, los van wat zijn gesprekspartners er eventueel van vinden.

Dat is misschien wel de belangrijkste kwaliteit van een (geestes)wetenschapper. Ik zou zeggen: dat is de reden waarom een samenleving wetenschappers zou moeten betalen, om in ieder geval een paar mensen te hebben die onder alle omstandigheden durven te zeggen waar het op staat.

En de omstandigheden zijn volgens Haspelmath niet zo gunstig. Lees verder >>

Schuddelen

Door Richard Kroes

Mijn dochter heeft gevoel voor taal. Ja duh… elk kind tussen pakweg nul en negen heeft gevoel voor taal, dat is namelijk de periode dat je het leren moet. Maar toch: zo af en toe hoor je dingen waar je bij denkt: Pardon? Wát? Hoes dit mogelijk?

Iedereen kent de fase waarin kinderen grammaticaal correct hun moedertaal gaan spreken, zelfs als dat onterecht is. Eerst praten ze volwassenen na en zeggen ‘ik liep’, dan ontdekken ze de grammaticaregels en zeggen ‘ik loopte’ en daarna leggen ze zich neer bij het bestaan van uitzonderingen en zeggen weer ‘ik liep’. Die middenfase is de eerste fase waarin ze regels productief gaan toepassen: ze maken er zelf taal van.

Maar hoe kom je aan die regels? Niemand legt ze aan je uit, dus destilleer je ze, inductief, uit wat je om je heen hoort zeggen. Dat kan leiden tot formeel volstrekt correcte conclusies, die niettemin onjuist zijn. Taal is nu eenmaal net niet logisch. Dat kan leiden tot fraaie vondsten, zoals de titel van dit stukje. Lees verder >>

Nieuwe editie van The Morphology of Dutch

Door Geert Booij

Engelstalige boeken over het Nederlands zijn essentieel om het mogelijk te maken dat het Nederlands een (belangrijke) rol speelt in het internationaal taalwetenschappelijk onderzoek. Een mooi voorbeeld hiervan is de reeks boeken over The Syntax of Dutch. Ook het Taalportaal over het Nederlands is Engelstalig. In deze rij hoort ook The Morphology of Dutch waarvan de 1e druk verscheen in 2002. Sinds 2002 zijn er heel veel nieuwe publicaties verschenen over de morfologie van het Nederlands, de meeste daarvan in het Engels.

Het was daarom tijd voor een nieuwe editie van dit veel gebruikte boek. Deze 2e druk, zojuist verschenen, bevat meer informatie dan de 1e druk over de vorming van bijwoorden en van getalsnamen, de rol van naamval in het huidige Nederlands, en affixoïden. Ook de concurrentie tussen samenstellingen en woordgroepen bij het maken van namen komt aan de orde. Er is nu een apart hoofdstuk gewijd aan de verschillende typen scheidbaar samengestelde werkwoorden en ‘immobile verbs’. De kernideeën van Constructiemorfologie worden geïntroduceerd en toegepast bij de analyse van de morfologie van het Nederlands. Bij de uitgever is verdere informatie over dit boek te vinden.

Rotterdamisering en spinraggisering: de Binnenhofse voorliefde voor een achtervoegsel

Door Siemon Reker

In het debat over de evaluatie van de Politiewet 2012 (vorig jaar op de toepasselijke datum 12-12), gebruikte Roelof Bisschop (SGP) een term die niet eerder in de Handelingen stond opgenomen en die hij daarom toelichtte: “Ergens lezen we iets over Rotterdamisering van de politie. Dat is dat politiemensen op het platteland zich opgeslokt voelen en zich gedwongen voelen om als grootstedelijke politie te werken.” Bijzonder was dat Bisschop Rotterdamisering zei en niet Rotterdammisering (wat hij volgens de Handelingen later wél een keertje deed). Nu oogt het net als robotisering terwijl robottisering ook zou kunnen.

We kunnen veilig aannemen dat Binnenhofse sprekers stapelverzot zijn op woorden die eindigen op –isering en –iseren, ik veeg ze maar even samen. In het Retrograde woordenboek van Nieuwborg zijn enkele tientallen vindbaar op –isering, in de Handelingen verzuip je erin maar daar gaat het om honderden. Sommige zijn zó gangbaar dat ze een neutrale betekenis hebben (gekregen), denk aan willekeurig aangestreepte gevallen als harmonisering, liberalisering, digitalisering, deconstitutionalisering, internationalisering, legalisering, commercialisering, formalisering, modernisering, optimalisering, individualisering, flexibilisering, actualisering, democratisering, temporisering, automatisering. Lees verder >>

Het meisjemeisje was thuisthuis

Door Henk Wolf

Afgelopen week was ik bij een lezing van Maximilian Frankowsky, die onderzoek doet naar woorden zoals meisjemeisje. Een meisjemeisje is een meisje, maar geen meisje dat in bomen klimt en met raceautootjes speelt. Ze speelt liever prinses en draagt graag jurkjes.

Ik ken woorden zoals meisjemeisje nog maar een paar jaar en ze bestaan ook nog niet zo lang. Wel zijn ze blijkbaar in vrij korte tijd in verschillende talen opgedoken, waaronder naast het Nederlands ook het Engels en het Duits. Ze worden gevormd door het proces van reduplicatie (‘verdubbeling’) en ze geven dat weer wat meestal het prototype van het verdubbelde woord wordt genoemd, het meest typische voorkomen ervan. Lees verder >>

Als je voltooide deelwoorden te kort zijn

Door Henk Wolf

Friezen zijn ongelukkig met hun voltooide deelwoorden. Voor hun gevoel zijn die te kort en kun je er daardoor te weinig mee doen. Het is dan ook geen wonder dat die Friese voltooide deelwoorden stilletjes iets langer worden.

Korte voltooide deelwoorden

Nederlandse voltooide deelwoorden zijn lang. Ze bestaan in de regel uit een stam waar iets voor en iets achter staat. Voltooide deelwoorden in het Fries hebben geen extra voorvoegsels. Achter de stam staat vaak wel wat, maar ook lang niet altijd. Om het verschil tussen de twee talen duidelijk te maken een paar Nederlandse voltooide deelwoorden met hun Friese vertaling erachter:
gepakt – pakt
geweest – west
gezet – set
gepraat – praat
gezien – sjoen
gedaan – dien
gehad – hân
geproefd – preaun
geschreven – skreaun
gelopen – rûn
gewonnen – wûn
gebonden – bûn

Lees verder >>

Herherhalingen

Door Marc van Oostendorp

Wat is gemakkelijker dan iets twee keer zeggen? Ja, wat is er gemakkelijker? Jan Renkema heeft al een tijdje een serie op Neerlandistiek over nultaal, de manier waarop we in taal de mogelijkheden inzetten om iets niet te zeggen. Wanneer hij klaar is, hoop ik dat hij met een serie begint over herhalingen en herhalingen van herhalingen, herherhalingen en herherhalingen van herherhalingen.

De Duitse taalkundige Gerrit Kentner wijdde onlangs een artikel aan het verschijnsel. De meeste dingen die hij in dat artikel zegt over het Duits gaan ook op voor het Nederlands.  Lees verder >>

Ik kunnen niet, meester!

Door Roland de Bonth

In de Nederlandse literatuur neemt humor een belangrijke plaats in. Om deze bewering te staven, stelde uitgeverij Novella in 1991 een bloemlezing samen met humoristische verhalen van (vooraanstaande) Nederlandse auteurs. Zo treffen we er stukken in aan van onder anderen Rudy Kousbroek, Simon Carmiggelt, Bob den Uyl, Maarten Biesheuvel, Gerrit Komrij, Remco Campert en Jules Deelder. Literaire slapstick was de titel die de samenstellers aan deze verzamelbundel gaven. Een ietwat ongelukkige titel want niet alle humor is slapstick, en niet alle slapstick is humor.

Humor is een lastig begrip. Lag het publiek vroeger in een deuk bij de verhaaltjes die Godfried Bomans voorlas, tegenwoordig doen zijn voordrachten ons hoogstens enigszins glimlachen. Bovendien is humor niet alleen tijdgebonden maar ook persoonsgebonden. Wat de een bijzonder grappig vindt, is voor de ander een flauwiteit. Lees verder >>

Koperaasje en alkolist

Door Henk Wolf

Aan het einde van de negentiende eeuw richtten boeren in Nederland op veel plaatsen coöperatieve zuivelfabrieken op. Tot ver in de twintigste eeuw hadden veel mensen op het platteland direct of indirect met zulke fabrieken te maken. Mijn grootouders hadden het er vaak over en zij spraken daarbij steevast van de koperaasje. Nog steeds wordt de grote zuivelfabriek in Leeuwarden door veel mensen de koperaasje genoemd. De aanduiding werd ook gebruikt voor andere coöperatieve (of voormalige coöperatieve) bedrijven in Friesland, zoals de voormalige bakkerij Excelsior in Leeuwarden. Zelfs op schrift kom je in het Fries nog af en toe koperaasje en koperatyf tegen.

Dat woord koperaasje moet ergens in z’n geschiedenis een van z’n twee [o.]-klanken zijn kwijtgeraakt. Heel gek is dat niet, wie een paar in redelijk tempo coöperatie zegt, merkt waarschijnlijk dat de twee [o.]’s bijna als één klank gaan klinken.

Wie gewend is aan die uitspraak en misschien ook wel aan de Friese schrijfwijze koperaasje, en dan opeens de schrijfwijze coöperatie tegenkomt, die is vast verbaasd. Hij of zij heeft misschien tot dan toe aangenomen dat het woord maar één [o.] had, maar krijgt nu door het schriftbeeld het idee dat die ene klank wel moet bestaan uit twee samengeklonterde klanken: /o.o./. Lees verder >>

woord?woord (6/6)

Nultaal (13)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Deze mini-serie binnen Nultaal ging over het niets tussen woorden in een samenstelling van twee zelfstandige naamwoorden. In aflevering 8 is deze combinatie nader ingeperkt (om het wat gemakkelijker te maken). In aflevering 9 zijn de drie basisrelaties geïntroduceerd. Aan de hand hiervan is een schema opgesteld in de afleveringen 10, 11 en 12. Nog één opmerking voor we verder gaan met de echt moeilijke gevallen. Lees verder >>

woord?woord (5/6)

Nultaal (12)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

In deze miniserie binnen Nultaal gaat het over het niets tussen woorden in een speciaal soort samenstelling. Zie hierover Nultaal 8. Startpunt van de analyse is dat de relaties tussen de woorden te herleiden zijn tot drie basisrelaties: 1 de naamwoordelijke relatie, gebaseerd op het koppelwerkwoord ‘zijn’, bijvoorbeeld hoeslaken; 2. de werkwoordelijke relatie, met onderwerp of agens, lijdend voorwerp, enz., bijvoorbeeld moederliefde ; 3 de bijwoordelijke relatie, bijvoorbeeld maandabonnement. De vorige twee afleveringen gingen over naamwoordelijke relaties en werkwoordelijke relaties. Deze aflevering gaat over de derde basisrelatie, de bijwoordelijke relatie.

Een bijwoordelijke relatie is te herleiden tot een bijwoordelijke bepaling in de zinsontleding. Hier een voorstel voor een indeling, met voorbeelden: Lees verder >>

woord?woord (4/6)

Nultaal (11)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

In deze miniserie binnen Nultaal gaat het over het niets tussen woorden in een speciaal soort samenstelling. Zie hierover aflevering 8. Startpunt van de analyse is dat de relaties tussen de woorden te herleiden zijn tot drie basisrelaties: 1 de naamwoordelijke relatie, gebaseerd op het koppelwerkwoord ‘zijn’, bijvoorbeeldhoeslaken; 2. de werkwoordelijke relatie, met onderwerp of agens, lijdend voorwerp, enz., bijvoorbeeldmoederliefde; 3 de bijwoordelijke relatie, met bepalingen van tijd, plaats, enz., bijvoorbeeldmaandabonnement. De vorige aflevering ging over naamwoordelijke relaties. Deze aflevering gaat over de werkwoordelijke relaties.

Er lijkt een tweede soort van relaties te bestaan die alle herleidbaar zijn tot een relatie met het werkwoord, uitgezonderd natuurlijk het koppelwerkwoord ‘zijn’ dat de basis vormt voor de vijf naamwoordelijke relaties in de vorige aflevering. Het lijkt handig om de volgende drie te onderscheiden. Lees verder >>

woord?woord (3/6)

Nultaal (10)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

In mijn verkenning van het vraagteken in woord?woord kwam ik steeds weer terug bij het volgende uitgangspunt. De betekenisrelaties tussen de woorden zijn te herleiden tot drie basisrelaties die we ook tussen zinsdelen tegenkomen: 1 de naamwoordelijke relatie, gebaseerd op het koppelwerkwoord ‘zijn’; 2. de werkwoordelijke relatie, met onderwerp of agens, lijdend voorwerp, enz. ; 3 de bijwoordelijke relatie, bepalingen van tijd, plaats, enz. Voor de goede orde, het gaat om combinaties waarin het tweede woord de kern is, zoals wipneus, en waarin steeds sprake is van een ‘soort van’-relatie, dus niet bijvoorbeeld speurneus (geen soort ‘neus’). En het gaat alleen om woordcombinaties met twee zelfstandige naamwoorden, dus niet bijvoorbeeld hardlopen met bijwoord en voorzetsel. Zie hierover Nultaal 8.

Tot de naamwoordelijke relaties reken ik alle relaties die te herleiden zijn tot het werkwoord ‘zijn’ of een variant daarop. Ik kom uit op vijf categorieën, hier geïllustreerd met steeds één voorbeeld. Lees verder >>

woord?woord (2/6)

Nultaal (9)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Deze en de komende zes afleveringen van Nultaal gaan over het niets tussen woorden in een samenstelling van twee woorden. Het gaat alleen over combinaties van twee zelfstandige naamwoorden waarvan het tweede deel de kern vormt, en waarvan de betekenis van de woorden zelf geen toelichting behoeft. Zie voor verdere uitzonderingen de vorige aflevering.

Hoe zijn deze combinaties verbonden? Wat gebeurt er in dat niets? Mijn doel is om hier enige ordening in aan te brengen. In Handboeken Morfologie staan wel onderverdelingen, maar er zit weinig systeem in. Soms meen ik het begin van een systeem te ontwaren. Daarvan doe ik hier verslag. En nu maar hopen dat meer deskundige lezers niet zullen zeggen: “Het nieuwe erin is niet goed, en het goede erin is niet nieuw.” Lees verder >>

woord?woord (1/6)

Nultaal (8)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Zo raadselachtig. Je zet twee woorden achter elkaar, bijvoorbeeld vis+meel, en je weet onmiddellijk dat het gaat om meel gemaakt van vissen. Maar doe dat eens met kinder+meel. Met de betekenis ‘gemaakt ván’ kun je toch alleen maar denken aan babyvoeding bij kannibalenouders. Bij kindermeel gaat het om de betekenis ‘gemaakt vóór. Toch is ook bij vismeel de vóór-betekenis wel mogelijk. Immers, een viskweker kan wel vismeel gebruiken, zonder vis erin maar bedoeld voor vissen. Wat gebeurt er toch wanneer we twee woorden aan elkaar plakken? Tussen die woorden zien we geen lijm, er is helemaal niets. – Niets? Lees verder >>