Tag: morfologie

“Gaan jullie allemaal weg!” en andere gebiedende wijzen die wat extra aandacht verdienen

Door Henk Wolf

De Nederlandse gebiedende wijs is, net als de aantonende wijs, een categorie van werkwoordvormen met een eigen vorm en functie. Net als regelmatige vormen van de aantonende wijs, worden ze op basis van een eigen gebiedendewijsstam gevormd. Anders dan vormen van de aantonende wijs staan ze altijd helemaal vooraan in de zin. De meest typerende gebruikswijze ervan is in zinnen die worden gebruikt om de hoorder(s) of lezer(s) ergens toe te bewegen.

Lees verder >>

Rusk

Door Henk Wolf

Wie in de verschillende woordenboeken de Friese vertaling van roest opzoekt, vindt roast, rost, rust, ruost, roest en rûst. De meeste van die vormen heb ik weleens gehoord en gelezen, maar het zijn geen vormen die ikzelf gebruik. Voor mij heet geoxideerd metaal in het Fries rusk.

Lees verder >>

‘Vioolspelen’ en/of ‘viool spelen’?

Door Henk Wolf

In een interessant stuk hier op Neerlandistiek.nl stelde Gillan Wyngaards laatst de volgende vraag:

  • “Hoe moet een vijftienjarige leerling nou weten waarom gitaar spelen een woordgroep is en vioolspelen een samenstelling?”

Dat is een vraag waarin drie heel verschillende problemen bij elkaar komen. Ik zet ze even op een rijtje:

1. Het eerste probleem lijkt het ingewikkeldst, maar het is het eenvoudigst: kan een vijftienjarige leerling beredeneren of iets een groepje woorden dan wel één enkel werkwoord is. Het antwoord op die vraag is ja: ons taalgevoel behandelt woordgroepen en losse werkwoorden verschillend. Die onbewuste kennis is vrij eenvoudig bewust te maken. Een illustratie:

Lees verder >>

Waarom heet een theedoek in het Fries ‘skûlk’ en in het Nederlands niet?

Door Henk Wolf

Een schort is in het Fries een skelk en een theedoek wordt door een deel van de Friestaligen skûlk (uitspraak ‘skoelk’) genoemd. Beide woorden zijn ontstaan uit samenstellingen van twee woorden:

  • skelk < skerteldoek < skerte (‘schoot’) + -el- (tussenklanken) + doek
  • skûlk < skûteldoek < skûtel (‘schotel’) + doek

De woorden zijn heel sterk ineengeschrompeld: van doek is alleen de laatste -k overgebleven.

Lees verder >>

Twee soorten tussen-n

Door Henk Wolf

In het Nederlands kun je twee woorden combineren tot een nieuw, samengesteld woord. Soms kan dat direct: piano+ leraar = pianoleraar. Soms valt er een stukje weg: aarde + verschuiving = aardverschuiving. En soms komt er een stukje tussen: regering + leider = regeringsleider.

De geschreven tussen-n is Nederlands

Een zo’n stukje dat je als stopverf tussen de bouwstenen van een samenstelling kunt smeren, is het bekende onbeklemtoonde uh-klankje, ook wel stomme e, toonloze e, reductievocaal of sjwa genoemd. Dat uh-klankje kent in het Nederlands allerlei schrijfwijzen: in aardig schrijven we het als een -i-, in vriendelijk als een -ij-, in aarde als een -e- en in pannenkoek als -en-.

Lees verder >>

Sneustra’s, klungelsma’s en pafstra’s

Door Henk Wolf

Friezen zijn dol op hun -a-achternamen, zo dol dat ze op basis van bestaande patronen in de negentiende eeuw zelfs nieuwe familienamen zijn gaan vormen die niet helemaal etymologisch verantwoord waren. Zo werd -sma, dat oorspronkelijk een familierelatie aangaf, zoals in Jansma, toen ook achter plaatsbepalingen geplakt. Een naam als Dijksma is dan ook het resultaat van Fries-romantisch geknutsel. Dat geldt ook voor een naam als Sjoerdstra, want -stra betekent van oorsprong ongeveer ‘bewoner van’ (zoals in Dijkstra). De precieze etymologie is hier en hier te vinden.

Lees verder >>

Het woord in het Utrechts

Door Marc van Oostendorp

Een gastcollege dat ik op 20 april 2020 hield voor studenten van de Universiteit van Amsterdam. Ik houd dit college ieder jaar, naar aanleiding van een heel oud artikel van me. Het behandelt de fonologische structuur van het woord, voor in het Nederlands en de Nederlandse dialecten, met een ere plaats voor het dialect van de stad Utrecht.

(Bekijk deze video op YouTube)

Hekelende agentieve samenstellende afleidingen als nieuwsmeme

Door Henk Wolf

Waxinelichthoudergooier. Damschreeuwer. Flatspringer. Gezichthoester. Coronahoester. Het zijn zomaar vijf persoonsbeschrijvingen uit nieuwsberichten van de afgelopen jaren.

Ik heb de indruk dat deze persoonsbeschrijvingen van een type zijn dat relatief nieuw is. Meer dan een indruk is het niet, ik heb het niet onderzocht, maar goed, dit is een column, daarin mag je indrukken delen.

Lees verder >>

De plek van een initiaalwoord in het woordenboek en de veranderende GGD’s

Afbeelding: Burst, Pexels

Door Siemon Reker

Wanneer is die omslag precies geweest, jaren ‘90 van de vorige eeuw? Ergens in die jaren besloten woordenboekmakers om afkortingen niet meer aan het begin van een letter in een lijstje op te nemen en ze daar op te lossen. Het was even wennen, een woord als KLM opzoeken midden in de KBV ver in de B en niet meer in een aparte groep aan het begin.

Lees verder >>

Sterrix & Kruisix

Door Roland de Bonth

Michelle van Dijk is een bevlogen docent Nederlands die voortdurend op zoek is naar manieren om jongeren aan het lezen te krijgen en hen daaraan plezier te laten beleven. Recentelijk verscheen van haar een veelbesproken hertaling van Couperus’ roman Van oude mensen. Zij had gemerkt dat de oorspronkelijke taal van Couperus een te grote barrière vormde voor haar leerlingen. 

Onlangs vroeg Van Dijk zich af of de graphic novel – het literaire stripboek – een verrijking voor de leeslijst zou zijn (zie hier). Na lezing van enkele graphic novels kwam zij tot de conclusie dat deze boeken wellicht een rol kunnen vervullen bij kunstzinnige vakken en vakoverstijgende projecten, maar dat zij door een gebrek aan tekst, aan woorden en daarmee aan diepgang naar haar mening niet op de leeslijst van Nederlands thuishoren. 

Lees verder >>

Een hele goeie navond: de opgebruimde conducteur

Door Siemon Reker

Het verhaal van de hoofdconducteur van enkele maanden terug komt zo, eerst even naar een jaar of 30 geleden. Een collega vertelde me enthousiast hoe zijn zoontje hem had verteld dat hij iets juist heel goed had opgebruimd. Opgebruimd? Ja, van het werkwoord opbruimen dat net zo klinkt als opruimen en als je dat als jonge junior nog niet zo bewust hebt gehoord, dan is opgebruimd even begrijpelijk als opgeruimd.

Lees verder >>

Schel en andere dorado’s

Door Wouter van der Land

Van het Zeeuws-Vlaamse stadje Terneuzen weet ik niet veel meer dan dat er een kanaal naartoe leidt, dat ze er de ‘h’ niet uitspreken en de ‘g’ juist als ‘h’: ik eb mien uus hries heverfd. Maar ook dat daar een subtropisch zwembad is met de naam ‘Scheldorado’. Het werd laatst genoemd in een bericht over achterstallig onderhoud. Hoe komt zo’n curieuze naam tot stand? En wat kun je met die kennis?

Lees verder >>

Keukenstafels

Door Henk Wolf

Waar het Nederlands één woord keukentafel heeft, heeft het Fries er minimaal twee: keukentafel en keukenstafel. Die twee vormen zijn niet onderling uitwisselbaar.

Een keukentafel (zonder tussen-s en met de woordklemtoon op keuken) is een willekeurige tafel die in een keuken staat of die gemaakt is om in een keuken te staan. De Ikea en de Kwantum verkopen een heleboel van die keukentafels.

Lees verder >>

Eseleien, Eselinnen, Eslereien

Von Philipp Krämer

Eselsmilch: Herstellung und Konsum. (Lilly M., CC-BY-SA 3.0)

Belgien ist ein wichtiges Herkunftsland für viele Produkte, zum Beispiel Schokolade, Bier, Eselsmilch. Ja: Eselsmilch.

Auf der Suche nach einem Geschenk stolperte ich kürzlich über die Webseite von Anes & Sens, einem Unternehmen im Hennegau direkt an der Sprachgrenze. Dahinter verbirgt sich ein Betrieb von einer Sorte, die es weltweit nur äußerst selten gibt. So selten, dass mir dafür kein etabliertes deutsches Wort einfällt. Vielleicht: ein Eselsmilchhof. Auf Französisch ist es jedenfalls eine asinerie, weil man mit –erie ziemlich produktiv alle möglichen Institutionen, Hersteller und Läden für unterschiedlichste Produkte benennen kann. Nicht zu verwechseln ist die asinerie mit der ânerie, der Eselei. Die gibt es auf Niederländisch auch, allerdings braucht man dazu das erweiterte Suffix, um zur ezelarij zu gelangen. Im Van Dale ist das Wort als niet algemeen verzeichnet, bekannte Chiffre des Wörterbuchs für – ganz folgerichtig: ‚gebräuchlich vor allem in Belgien‘.

Lees verder >>

Maathouden versus orde houden

Door Robert Chamalaun

Een van mijn favoriete momenten tijdens de spellingles is altijd het moment waarop iets ogenschijnlijk eenvoudigs plots heel wat ingewikkelder blijkt te zijn. Het vormt meestal een mooi aanknopingspunt om met leerlingen dieper in te gaan op de taal zelf. Spellingregels lijken soms totaal niet logisch en dan is het des te interessanter om te beredeneren waarom een woord op een bepaalde manier gespeld moet worden.

Zo waren mijn leerlingen in vwo 5 afgelopen week bezig met een opdracht ‘aaneenschrijven’. Ze kregen verschillende combinaties van woorden voorgelegd en de opdracht was om de woordcombinaties goed te spellen. Combinaties als een + eerste + klas + coupé of school + examen + onderdeel zorgden nauwelijks voor problemen, maar toen kwamen er twee combinaties die voor de nodige verwarring zorgden.

Lees verder >>

Helje-en-bringservice

Door Henk Wolf

Als ik ’s morgens naar het werk rij, hoor ik voor de radio vaak een reclame van een bedrijf met een “helje-en-bringservice”. Dat is Fries voor ‘haal-en-brengservice’, maar wel opvallend Fries.

Het Nederlands heeft één type regelmatige werkwoorden, het Fries heeft er twee. Je hebt werkwoorden met een woordenboekvorm (onbepaalde wijs, infinitief, hele werkwoord) op -je en werkwoorden met een woordenboekvorm op -e. Die krijgen verschillende vervoegingen. Helje (‘halen’) is een -je-werkwoord. De vorm helje is onder andere de woordenboekvorm, de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd en de gebiedende wijs.

Wat helje niet is, is de stam. En aan de linkerkant van een samengesteld woord gebruik je in het Fries, net als in het Nederlands, de stam van het werkwoord. Dat is het stukje dat in alle regelmatige vormen wordt gebruikt, waarin het eventueel met voor- en achtervoegsels wordt aangevuld. Lees verder >>

Ciaciao

Door Marc van Oostendorp

Van de week klaagde iemand in een reactiepaneel op dit blog dat de geesteswetenschappen zo weinig ontdekken, maar die klacht is ongegrond, er worden aan de lopende band dingen ontdekt, in ieder geval door mij. Let op! De ontdekking van de week: het Nederlands lijkt op het Ilokano.

Het begon van de week op Twitter met iemand die zich erover verbaasde dat hij zo vaak doei doei zei. Iemand anders dacht dat ik daar weleens over had geschreven, maar ik kende die hele persoon niet, laat staan dat ik erover had nagedacht waarom hij zo vaak doei doei zei.

Al snel ging de discussie echter een interessante kant op. Iemand (nee, niet iemand: de bekende taalkundige, biograaf van Piet Grijs en journalist Liesbeth Koenen) merkte tussen neus en lippen op dat veel mensen eerder doedoei zeggen. En daarop zei de wetenschapscommunicator en taalkundige Iris Roggema: ja, ik zeg geloof ik ook ciaciao en momoi. En toen zei Liesbeth, ik geloof voor de grap: we hebben een generalisatie.

Maar ik denk dat we hier inderdaad iets bij de hand hebben.

Lees verder >>

Die vragenlijst met van die onzinwoorden

Door Marijke De Belder

Twee weken geleden vulde u misschien een vragenlijst met onzinwoorden in op Taalpost. In deze tekst krijgt u daarbij een kijkje achter de schermen. Wat heb ik getest en waarom, hoe is het verlopen en wat zijn de resultaten? U vindt het hieronder. 

In 1989 observeerde Mieke Trommelen dat de stam van een ongeleed Nederlands werkwoord uit slechts één lettergreep kan bestaan. Samen met de infinitiefuitgang -en maakt dat dus twee lettergrepen, zoals in werken, kussen, fietsen en botsen. De enige uitzondering zijn werkwoorden waarvan een tweede lettergreep –er of –el is, zoals in fluisteren of stamelen

Werkwoorden die we (soms via het Duits of het Engels) uit de Romaanse talen hebben geleend zoals produceren en creëren vallen niet onder haar stelling. Tenslotte zijn die wél geleed. Dat wil zeggen, ze bestaan altijd uit minstens twee woorddelen, zoals produc- en -eer in produceer

Lees verder >>

Een neem-meepakket voor een meeneemprijs

Door Henk Wolf

In het Nederlands kun je twee of meer woorden combineren tot een samengesteld woord of samenstelling. Als je daarbij een werkwoord gebruikt en dat is niet het laatste woord van de samenstelling, dan moet je de stam van dat werkwoord gebruiken. Voorbeelden zijn:

  • drijven + sijsje = drijfsijsje
  • lopen + rek = looprek
  • zweven + vliegen = zweefvliegen

Wil je iets in zo’n samenstelling opnemen wat bij het werkwoord hoort, zoals een partikel of een plaatsbepaling of een lijdend voorwerp, dan komt dat in een uitgeklede vorm links van de werkwoordstam. Een paar voorbeelden:

  • mee + nemen + prijs = meeneemprijs
  • op de bank + zitten + premie = bankzitpremie
  • auto’s + verkopen + cijfers = autoverkoopcijfers
Lees verder >>

De checkout en het uitchecken

door Henk Wolf

Een poosje geleden zat ik in een hotel in Duitsland. Zoals alle hotels had ook dit hotel een tijdstip vastgesteld waarop de gasten op hun laatste dag aan hun verplichtingen moesten hebben voldaan (sleutel inleveren, afrekenen etcetera). Al die verplichtingen heetten volgens het informatieboekje de Checkout en het bijbehorende werkwoord was auschecken.

Dat lijkt in Duitse hotels een patroon te zijn: het zelfstandig naamwoord is ook weleens Auscheck, maar zeker zo vaak is het helemaal Engels, terwijl het werkwoord doorgaans verder wordt verduitst.

In Nederlandse hotels lijkt er wat meer variatie te zijn tussen checkout en uitcheck, maar het werkwoord is ook in het Nederlands naar mijn indruk veel vaker het deels vertaalde uitchecken dan outchecken.

Lees verder >>

400 Jaar Geleden: ik zijn

Door Ton Goeman

Een oostelijke dialect-onderstroom in de schrijftaal van de landsadvocaat:de ick-vorm van het werkwoord “zijn” in de bescheiden van Oldenbarnevelt

Op 13 mei 1619, vier eeuwen geleden, werd Van Oldenbarnevelt na een zeer dubieus proces in Den Haag onthoofd wegens landverraad en majesteitschennis. De procesgang was zelfs voor die tijd al dubieus; en buitengewoon dubieus was de samenstelling van de rechtbank, een speciale commissie gevuld met verklaarde vijanden van de landsadvocaat.

Dat was het voorlopige eindstation van jaren maatschappelijke onrust die het gevolg was van het feit dat er wel een kerkorde was afgesproken maar niet ingevoerd, dat, parallel daaraan er een functionerend staatsbestel was, maar met nog maar half uitgewerkte rollen voor de staatsinstellingen, dat er onenigheid was of men financiëel gezien de oorlog kon volhouden of dat er behoefte was aan veiligheid voor handel, dat er wel een wapenstilstand was, maar met tweedracht over de te volgen lijn en parallel daaraan of men coalities moest sluiten met Engeland of met Frankrijk. Hardliners die uit Vlaanderen en Brabant gevlucht waren dreven de kerk in fundamentalistische richting, en steunden de oorlogspartij. Daarbij raken de twee hoofdpersonen stadhouder Maurits en de landsadvocaat van Holland Oldenbarnevelt al van langer meer en meer van elkaar verwijderd.  Het land dreigde te bezwijken onder de polarisatie.

Lees verder >>

Leidt schoolvorming in de taalwetenschap nergens toe?

Door Marc van Oostendorp

Martin Haspelmath is een van de interessantste taalwetenschappers van dit moment en bovendien een blogger, onder andere vanwege zijn volstrekte eerlijkheid en onafhankelijkheid. Hij vertelt hoe hij denkt dat de zaken in elkaar zitten, los van wat zijn gesprekspartners er eventueel van vinden.

Dat is misschien wel de belangrijkste kwaliteit van een (geestes)wetenschapper. Ik zou zeggen: dat is de reden waarom een samenleving wetenschappers zou moeten betalen, om in ieder geval een paar mensen te hebben die onder alle omstandigheden durven te zeggen waar het op staat.

En de omstandigheden zijn volgens Haspelmath niet zo gunstig. Lees verder >>

Schuddelen

Door Richard Kroes

Mijn dochter heeft gevoel voor taal. Ja duh… elk kind tussen pakweg nul en negen heeft gevoel voor taal, dat is namelijk de periode dat je het leren moet. Maar toch: zo af en toe hoor je dingen waar je bij denkt: Pardon? Wát? Hoes dit mogelijk?

Iedereen kent de fase waarin kinderen grammaticaal correct hun moedertaal gaan spreken, zelfs als dat onterecht is. Eerst praten ze volwassenen na en zeggen ‘ik liep’, dan ontdekken ze de grammaticaregels en zeggen ‘ik loopte’ en daarna leggen ze zich neer bij het bestaan van uitzonderingen en zeggen weer ‘ik liep’. Die middenfase is de eerste fase waarin ze regels productief gaan toepassen: ze maken er zelf taal van.

Maar hoe kom je aan die regels? Niemand legt ze aan je uit, dus destilleer je ze, inductief, uit wat je om je heen hoort zeggen. Dat kan leiden tot formeel volstrekt correcte conclusies, die niettemin onjuist zijn. Taal is nu eenmaal net niet logisch. Dat kan leiden tot fraaie vondsten, zoals de titel van dit stukje. Lees verder >>