Tag: Mieke van Zonneveld

Mieke van Zonneveld en het sonnet

Door Chrétien Breukers

Een klassiek gedicht willen schrijven, dat wil zeggen: een gedicht dat zich baseert op lang geleden vastgelegde regels en een vorm die ononderhandelbaar is, lijkt een hachelijke kwestie. De inhoud gaat al snel trekken, alsof die zich plooit naar de ouderwetsheid van de behuizing. De dichter die zich een dergelijke taak oplegt, lijkt op een componist die een sonate wil schrijven naar, bijvoorbeeld, model van Mozart. Waar is de dichter, bij zo veel geschiedenis, zelf?

Het gedicht ‘Queeste’ van Mieke van Zonneveld laveert nadrukkelijk tussen twee werelden: die van het klassieke gedicht (in dit geval een sonnet) en die van een hedendaags levensgevoel; de liefde wordt in dit gedicht geproblematiseerd en de geliefde lijkt op afstand. Er is tweespalt, tot in de gevoelens van de dichter toe, en alles valt in stukken uiteen. Als ze schrijft: ‘haar gotische poort en haar heilige graal / die eenmaal gevonden geen waarde meer had’ heeft ze het over zichzelf, de geliefde (die haar blijkbaar niet meer ‘hoeft’ en de verhouding tussen toerist (passant) en stad (vaste woonplaats), een verhouding die in deze tijd dwingender (en dus belangrijker) lijkt dan ooit.

Lees verder >>

Kust andere borsten en denkt aan de mijne

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (185)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Queeste

Valencia lokt hem naar haar kathedraal
ontbloot voor zijn ogen het hart van de stad
haar gotische poort en haar heilige graal
die eenmaal gevonden geen waarde meer had.

Hij hangt de toerist uit en kuiert langs pleinen
die aangenaam stralen in laatwinterlicht
kust andere borsten en denkt aan de mijne
die wit zijn en heilig en altijd uit zicht.

En ik die al veertien jaar woon in gezangen
mijn liefdesverklaringen schreef in de wind
vanwaar raak ik plots in de ban van dit wrange

besef dat ik mij op een tweesprong bevind?
En hoe kom ik af van dit bange verlangen
naar rijtjeshuis, echtgenoot, kind?

(Mieke van Zonneveld)

Wie sommige hedendaagse dichters flink bang wil maken, moet ze vragen om een sonnet te schrijven. Mijn plan om het aan veertien van hen ook echt te vragen, bleek menige virtuele angstige blik op te leveren: moesten ze nu per se aan het rijmen gaan? Zou ik niet boos worden als het metrum niet helemaal lekker liep? Soms stuurde iemand me een paar weken voor de deadline nog een noodkreet: zo’n strakke vorm, dat ging echt niet lukken.

Steeds liet ik de bedrukten weten dat mijn vraag alleen maar was om een “sonnet” en dat ik ervan uitging dat niemand beter weet wat dat precies voor een ding is, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, dan de dichters. Het einde van deze lange, lange reeks is vooral een onderzoek naar wat dichters nu nog denken bij het gedicht. En zoals jullie de komende weken zullen merken: met rijm of metrum heeft dat weinig te maken. Het enige vaste aan de vaste vorm zijn, zo lijkt het wel, de veertien regels. Lees verder >>