Tag: metriek

Limburgs in triolen

Vandaag verschijnt het boek Het dorp en de wereld. Over dertig jaar Rowwen Hèze, onder redactie van Leonie Cornips en Barbara Beckers. Het onderstaande artikel is een voorpublicatie uit dit boek.

Door Marc van Oostendorp

Zo expliciet als Guus Meeuwis (kedeng kedeng kedeng kedeng) doen weinig artiesten het, maar aan veel populaire muziek ligt hetzelfde strakke ritme ten grondslag: iedere beklemtoonde lettergreep (deng) wordt voorafgegaan door een ongeaccentueerde noot (ke) in de muziek. Dat is een groepje van twee (kedeng). Op die totale symmetrie is vrijwel iedere melodie gebaseerd, net als de teksten van de liedjes en ook de teksten van veel kinderrijmpjes (‘jantje zag eens pruimen hangen’, ‘op een klein balkonnetje’).


Dat geldt ook voor de muziek van Rowwen Hèze, al voegt die vaak met wat middelen wat extra spanning toe: door te variëren met het strakke stramien, bijvoorbeeld, of door het dialect dingen te laten doen die het Nederlands niet kan. Dat gebeurt (nog) niet zozeer in de eerste nummers van de band, uit de jaren tachtig. Hier is de tekst van het refrein van het liedje Rowwen Hèze: 
Lat meej mar drinke wat ik drink
Lat ze mar proate oaver meej
Lat ze mar zegge dat ik stink
Dat giet vanzelf wal wir vurbeej

Hoe later in de versregel, hoe langer het woord

Door Marc van Oostendorp


Er is de laatste tijd weer enige belangstelling voor de versregel: wat is dat eigenlijk voor een ding? Wat bepaalt de structuur ervan? Een regel komt niet overeen met een woordgroep, of in ieder geval niet perse. Het wordt ook niet per se afgesloten met een adem in de voordracht. In sommige tradities bestaat een regel natuurlijk uit een vast aantal lettergrepen of beklemtoonde lettergrepen, en wordt deze altijd afgesloten met een rijmwoord. Maar wat bepaalt het succes van zulke tradities? Waarom is een gemiddelde versregel in de meeste Europese tradities tussen de 8 en de 12 lettergrepen lang?Bovendien zijn versregels vaak asymmetrisch – en wel op een subtiele manier, waarvan dichters zich vaak waarschijnlijk nauwelijks bewust zijn. Ik heb er weleens eerder over geschreven op Neerlandistiek (hier en hier): versregels hebben aan het eind vaak een regelmatiger ritme dan aan het begin. Waarom? Dat is niet helemaal duidelijk.

De Britse literair taalkundige Nigel Fabb wees me onlangs op een andere asymmetrie. In veel tradities worden de woorden gemiddeld langer naarmate de versregel verstrijkt. Dat betekent natuurlijk niet dat in iedere individuele regel de korte woorden meer naar het eind staan, maar wel dat er gemiddeld een tendentie is voor langere woorden aan het eind van de regel. Ook deze neiging is waarschijnlijk al zo oud als we kunnen terugkijken: we vinden hem al in de Veda’s.

En bij Nederlandse dichters?
Lees verder >>

Liegen op rijm

Door Marc van Oostendorp


Droogstoppel had gelijk. Dat was een van de conclusies die je kon trekken uit de eerste dag van de tweedaagse bijeenkomst die we dezer dagen in Leiden hebben over de structuur van het vers.

Er zijn hier deskundigen van over de hele wereld om te praten over de manier waarop dichters hun gedichten en liedteksten structureren en vooral: wat voor effecten die structuur heeft op de luisteraar of lezer.

Zo kom je op allerlei zaken waarover ik niet vaak eerder heb nagedacht. Dat alle bekende culturen liedjes hebben, maar niet alle culturen gesproken poëzie (en zelfs niet alle culturen instrumentale muziek), en dat je daaruit zou kunnen afleiden dat gezongen teksten het primaat hebben.
Lees verder >>

19-20 maart, Leiden: Workshop over de structuur van het vers

These are interesting times for the study of formal aspects of verse. On the one hand, many new techniques are being employed to uncover new kinds of data, for instance experimentally, or by use of large corpora. On the other hand, many different kinds of conceptual frameworks are brought in to apply on such data, ranging from cognitive psychology to literary analysis, and from linguistic theory to acoustics. Old debates revive and new questions arise. How can we study verse forms? How can we create a typology of forms across languages and cultures? What explains universals and variation within this typology? How can we make sure that our data can be exchanged most easily across researchers?

In this perspective, we are pleased to invite you to the workshop The Structure of Verse, organized on March 19 and 20, 2015 at Leiden University in the framework of the Horizon project Knowledge and Culture. The two-day workshop aims at bringing together scholars and graduate students interested in formal aspects of poetry, song, chant and related phenomena, including typological, experimental and computational approaches.

More information can be found here.

The organizing committee:

Varun deCastro-Arrazola

Anne-Rose Haverkamp
Marc van Oostendorp
Teresa Proto

Het metrum en Carglass

Door Bas Jongenelen

Tja, het metrum. Wat moeten we ermee? En waarom? En hoezo?

    Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten
    Erbarremt over my en mijn benaeuwde vesten

Prachtig hoor, die goeie ouwe Vondel, maar moet je de jongens en meisjes van nu nog lastig vallen met zo iets klassieks, traditioneels en ouderwets als het metrum? Het is bovendien moeilijk en abstract. Het komt de algemene schrijfvaardigheid niet ten goede. Het metrum zal bovendien niet bevraagd worden op het Centraal Examen. U begrijpt het al: ik vind dat het metrum onderwezen dient te worden – het is niet voor niets de week van de poëzie. Ik heb drie argumenten waarom ik het metrum onderwijs.
Lees verder >>

Ik ben hier zewf vreemd

Over het ralderal van Annie M.G. Schmidt

Door Marc van Oostendorp


Dat de bloemlezing Die van die van u van Annie M.G. Schmidt de winkels uitvliegt, betekent dat de dichteres gelijk heeft gekregen. In het gedicht Een dichter schrijft ze over een zekere Piet Pluimers die zo graag willen rijmen en zo graag metrisch kloppende verzen wil maken, maar die door zijn collega’s wordt berispt:

En dan dat metrum! Dat is uit de mode.
’t Mag niet van rál de ral de rál de ral.
Punten en komma’s, jongen, zijn verboden.
En denk erom: geen hoofdletters overal.

Uiteindelijk spreekt de dichteres Piet troostend toe: Ach Piet! Over tien jaar slaat het om! / Dan rijmt men weer. Dan maakt men weer sonnetten. / Dan gaat het weer van póm de róm de róm.

In Schmidts eigen werk gaat het voordurend van ral de ral de ral, als het al niet van pom de rom de rom gaat. Ze haalt er grapjes mee uit (de regel Ach Piet! enz. is de enige waarin het niet ral-de-ral-de is, maar de-ral-de-ral: de voeten geen jamben zijn met trocheeën, ze zijn dus ‘omgeslagen’).

Maar het laat ook iets zien over haar taal – iets dat haar werk over een paar decennia weleens minder begrijpelijk kan maken, omdat mensen dat ral de ral niet meer zo goed voelen.

Lees verder >>

Kóningin als spreekfout

Door Marc van Oostendorp

Johan Michiel Dautzenberg wilde een beknopte en zakelijke studiegids schrijven, maar af en toe werd hij emotioneel. “Iedereen wil hier dichter en kunstenaer zyn,” verzuchtte hij dan, “maer weinigen getroosten zich de moeite de kunst vooraf ernstig te bestuderen.”

Het citaat komt uit Dautzenbergs Beknopte prosodia der Nederduitsche tael uit 1851, dat sinds deze maand op de DBNL staat. Het is een fascinerend boekje voor als je wil weten hoe het Nederlands in het midden van de negentiende eeuw geklonken heeft, of waarom de Nederlandse poëzie de vorm heeft die het heeft.

Prosodie is de studie van klemtoon, en van de manier waarop daarop dichters daarvan gebruik kunnen (of moeten) maken. In zijn ‘voorbericht’ zet Dautzenberg zich af tegen een boek uit 1810 over het onderwerp van Johannes Kinker dat volgens hem “veel onheil gesticht” had, omdat het zich teveel verwijderd had van “de eigenaerdige en natuerlike uitspraek des volks”.
Lees verder >>

De diepte in met J. Slauerhoff

Door Marc van Oostendorp
ter nagedachtenis aan Jan Kooij (1940-2004)

Dit is een traditie in de Nederlandse poëzie: een gedicht bestaat uit versregels, en iedere versregel bestaat uit vijf regelmatige afwisselingen van onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen (vijf jamben): De felle dood die nu geen wit mag zien, Een nieuwe lente en een nieuw geluid, Ik ging naar Bommel om de brug te zien, Natuur is voor tevredenen of legen, Mijn naam is legioen, wij zijn met velen. (Ik vat de traditie zo maar even samen voor het gemak.)

Die traditie heeft, zoals dat hoort bij tradities, een mooie geschiedenis. De eerste jambes werden aarzelend in de veertiende eeuw geschreven; ze braken door in de zestiende eeuw. Maar lange tijd was er niet een duidelijk vast aantal, of leek het favoriete aantal te zijn (Ilja Leonard Pfeijffer is dat genre de laatste tijd weer nieuw leven in aan het blazen). 
Lees verder >>

Wie ontraadselt het geheel

Door Marc van Oostendorp

De schrijver Gerard van ’t Reve dacht dat de naam van écht succesvolle schrijvers het ritme DAMta moest volgen: Multatuli, Dostojevski. Zulke namen waren beter te onthouden en dan wist de klant in de winkel waar hij om moest vragen. (Onzin? Bedenk dan de namen van de boekwinkels Broese, Donner en Heinen wel het juiste ritme hebben en die van het overkoepelende concern Polare niet.)

Reve haalde daarom van ‘t uit zijn naam. Judith Herzberg heeft dat niet nodig. De trocheeën komen haar aanwaaien. De bijna tachtigjarige dichteres heeft heel veel dichtbundels geschreven, en bijna allemaal hebben ze een tweelettergrepige titel, met klemtoon op de eerste lettergreep (Zeepost, Beemdgras, Strijklicht, Dagrest, Landschap, Bijvangst, Zijtak). Dergelijke DAM-ta combinaties worden wel  ‘trocheeën’ genoemd.

Dat Herzbergs nieuwste bundel Liever brieven heet, is dan ook een heuse ontwikkeling in haar werk. Ineens zijn daar maar liefst twee trocheeën, net als in haar naam: Judith Herzberg, Liever brieven.

Lees verder >>

Asymmetrische verzen zijn duizenden jaren oud

Door Marc van Oostendorp

Jan Kal staat niet alleen, en ik ook niet. Een paar weken geleden vroeg ik me af hoe het kwam dat Kals versregels asymmetrisch zijn, en aan het eind veel strakker metrisch zijn dan aan het begin. Inmiddels heb ik tot mijn verbazing ontdekt dat een aantal andere mensen in het afgelopen jaar over een soortgelijke vraag zijn gaan denken, en hebben ontdekt dat allerlei dichters overal over de hele wereld eenzelfde asymmetrie hebben.

Hoe het mogelijk is dat er nu ineens verschillende onderzoekers tegelijkertijd op deze vraag komen – hij ligt als het ware al duizenden jaren op ons te wachten –, ik heb geen idee. Maar ik ben er blij om, want er valt veel van te leren.

De bovenstaande grafiek is gemaakt door Kevin Ryan op Harvard, en gaat over tienduizend verzen van de Rigveda, meer dan drieduizend jaar oude heilige boeken van het hindoeïsme.
Lees verder >>

Behoeftich, ghevanghen, arm, creupel, en lam

Over de sonnetten van Roemer Visscher

Door Marc van Oostendorp


De ontwikkeling van het Nederlandse sonnet door de eeuwen heen – dat is nu zo’n onderwerp waarvan je zou willen dat er boekenkasten vol over geschreven zouden zijn. Of, nou ja, zo geen kasten, dan toch enkele planken. Of in ieder geval, kom op, één plankje. Of toch in ieder geval een lekker dik boek. Of, als het anders niet kan, een middeldik boek. Een proefschrift, dan. Door een niet al te getalenteerde promovendus.

Maar niets van dat al. Er verschijnen natuurlijk al decennia lang bloemlezingen, en inleidingen bij bloemlezingen, en deelstudies, en artikelen, maar het grote boek ontbreekt, of in ieder geval, ik kan het niet vinden. Hoewel er nog steeds sonnetten geschreven worden, geloof ik niet dat ons taalgebied een geleerde kent die zich speciaal voor het genre interesseert. In het algemeen hebben letterkundigen het naar mijn indruk helaas niet zo op vormen. De studie ervan wordt niet erg serieus genomen.

Roemer Visscher (1547-1620) zou een interessant hoofdstukje in zo’n boek op zo’n plank inkunnen krijgen.
Lees verder >>

Waarom zijn versregels asymmetrisch?

Door Marc van Oostendorp

De afgelopen maanden heb ik op het NIAS en de Koninklijke Bibliotheek nagedacht over versregels. We hebben een scandeermachientje gebouwd: een script dat patronen van – bijvoorbeeld – regelmatig afwisselende onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen kan ontdekken in gedichten zoals het volgende, van Jan Kal:

Waarom ik geen neerlandistiek studeer

Van de beroemdste dertien dichtersnamen
uit China’s achtste eeuw, Tang-dynastie,
behaalden tien het Literair Examen
en gingen er twee af voor hun tsjin-sji,

Toe Foe en Meng Hau Jan, maar nummer drie,
Li Po, de grootste, wou zich niet bekwamen
tot hoge ambten, maar schreef poëzie
zonder zich voor zijn lage rang te schamen.

Lees verder >>

Tussen ons allen vallen eierschalen

Over een gedicht van Maria van Daalen

Door Marc van Oostendorp

Ik treed dezer dagen in het voetspoor van de dichteres Maria van Daalen. Zij was een paar jaar geleden op het NIAS in Wassenaar om hier gedichten te schrijven. Ik ben hier om na te denken over het ritme van, onder andere, gedichten.
Een van Van Daalens gedichten staat op de muur geschilderd van een gebouwtje waar sommige gasten van het NIAS slapen. (Het is een rare hebbelijkheid van onze tijd om gedichten op muren te schilderen, ik geloof eigenlijk niet dat dit in het verleden ook zo enthousiast gebeurde.)
Het is een mooi gedicht, vind ik, met allerlei beweging, en vooral een contrast tussen de inderdaad wat lome gelijkmoedigheid van de omgeving hier in lommerrijk Wassenaar en de stormen die kunnen opsteken in degene die hier zit:

Lees verder >>

De hartslag van de dichter

Door Marc van Oostendorp

Waarom dichten de dichters niet regelmatiger? Jacob Israël de Haan, bijvoorbeeld, waarom schreef die de regel:

Beleeft in den herfsttijd zijn laatste bloei 

Waarom schreef hij niet:

Beleeft in herfsttijd zijnen laatsten bloei 
of: Beleeft in tijd van herfst zijn laatste bloei
of: Beleeft in herfstgetij zijn laatste bloei

In die laatste drie varianten volgt iedere beklemtoonde lettergreep precies op een onbeklemtoonde, terwijl de regel die De Haan schreef, een beetje hortte en stootte. Hoe zat dat?

Mensen voelen ritme. Dat is een weinig bestudeerde en nog minder begrepen, maar heel wonderlijke eigenschap van de mens.
Lees verder >>

‘Gelopen heeft’ klinkt beter dan ‘heeft gelopen’

Door Marc van Oostendorp

Georges De Schutter is een van de veelzijdigste en interessantste taalkundigen in ons taalgebied. Hij is al een paar jaren met pensioen, maar nu weet hij ons weer te verbazen met een artikel over de rode en groene volgorde (op een website met misschien wel het mooiste adres ter wereld: www.verslagenenmededelingen.be).

Hoe zat het ook weer? In het Nederlands kun je de werkwoorden aan het eind van een bijzin vaak in twee volgordes zetten.

  • dat ze afgelopen jaar helaas gestorven is
  • dat ze afgelopen jaar helaas is gestorven
Die volgordes worden groen en rood genoemd, waardoor iedereen aan stoplichten denkt, terwijl ze alleen maar afkomstig zijn van dialectkaarten waar de twee gebieden zo werden gekleurd: in het rode gebied werd de ene volgorde gebruikt, in het groene de andere.
Het is echter te simpel om te zeggen dat het alleen een dialectverschil is. Veel sprekers van het Nederlands gebruiken allebei de volgordes. Wat bepaalt dat ze de ene of de andere kiezen?  Lees verder >>

Rat en ritme

Door Marc van Oostendorp

Ratten horen net als mensen dat een klok tik-tak zegt, maar het ritme van een westers sonnet zullen ze nooit herkennen. Tot die conclusie komt een groepje onderzoekers van de Universitat Pompeu Fabre in Barcelona, in een artikel dat ik dit weekeinde las.

Er is de afgelopen decennia al veel onderzoek gedaan naar het natuurlijk ritmegevoel van mensen. Wanneer je mensen laat luisteren naar een serie geluidjes die van elkaar verschillen in toonhoogte of luidheid (zoals een klok), dan hebben ze de neiging om de stroom geluid in groepjes van twee te horen met de luidste of de hoogste eerst. Je hoort een klok normaal gesproken als (tík tak)(tík tak). Dat ritme – de prominentste eerst– heet in de taal- en letterkunde ‘trocheïsch’.
Lees verder >>