Tag: metriek

Ilja Leonard Pfeijffer als kiezer tussen zij en ze

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (29)

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands heeft voor de derde persoon vrouwelijk twee persoonlijk voornaamwoorden: zij en ze. De eerste gebruik je bijvoorbeeld om contrast uit te drukken. In de zin ‘hij was heel moe maar zij wilde nog een stukje verder lopen’ zou ze raar zijn.

De vorm ze gebruik je juist als je verwijst naar iemand terwijl iedereen al weet over wie je het hebt: ‘De prinses liep rood aan. Ze had genoeg van alle gezeur.’ Daar klinkt zij juist weer raar. Zij gebruiken in plaats van ze betekent altijd dat er potentiële verwarring is, dat iemand anders dan de prinses zich aan het gezeur kon storen.

Maar zo zitten de zaken niet in elkaar in de alexandrijnen in Pfeijffers ‘heldendicht’ Van oorlog en liefdeDaarin vinden we regels als:

Maar de godin van twist viel niet te onderschatten,
vooral niet als de woede uit haar ogen spatte.
En zij was kwaad.

Zij verwijst hier naar de godin van twist, en we hebben hier dus een context die precies gelijk is aan de door mij geconstrueerde, en daarmee een beetje verwarrend: waarom zij? Is hier nog een andere vrouw in het spel die ineens kwaad is? Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als jambicus

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (10)

Door Marc van Oostendorp

Alexandrijnen zijn de meest Nederlandse versvorm die er bestaat. ‘Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange leste’ van Vondel (de eerste regel van diens toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel) is een bekend voorbeeld.

Ze bestaan uit zes  eenheden van een onbeklemtoonde en dan een beklemtoonde lettergreep, ‘jamben’: taDAMtaDAMtaDAMtaDAMtaDAMtaDAM. Ze hebben een breekpunt, een cesuur, na de derde beklemtoonde lettergreep (hier: recht). Dat breekpunt betekent dat de volgende lettergreep nooit tot hetzelfde woord behoort en eigenlijk ook niet tot dezelfde woordgroep.

De alexandrijn is, zoals Friedrich Kossmann, de grootste geleerde op het gebied van de Nederlandse metriek, in 1963 liet zien, door Nederlandse dichters gecreëerd in de zeventiende eeuw. Andere tradities kennen hem niet, of hij is er in ieder geval niet zo populair. Lees verder >>

Een puzzel die niet klopte

Door Marc van Oostendorp

Op de terecht alom bejubelde Facebook-pagina Leraar Nederlands ging het onlangs over een gedicht van Ingmar Heytze. Wat voor metrum wordt er in dat gedicht eigenlijk gebruikt?

Madelief, je was een puzzel die niet klopte,
onbestaanbaar DNA. Links en rechts ontbrak
de adem, ruggengraat verkeerd bezorgd.
Er viel geen leven van te maken.

Toch werd je geboren met je eigen naam,
je lief gezicht, een hoofd, een hart.
Je bent gaan slapen bij het eerste licht.
Dat mocht. Het was tenslotte je verjaardag.

En je kreeg twee ouders die je nooit vergaten.
Slaap, we dromen net als jij, we varen
naar elkaar over een grote, blauwe oceaan.
We komen elke nacht iets dichterbij.

Eigenlijk zijn alle reacties op zo’n vraag interessant. Je hebt mensen die zich afvragen “waarom zo’n gedicht niet gewoon mooi mag zijn”, maar ik hoop dat die niet écht ook leraar Nederlands zijn. Natuurlijk mag alles en iedereen “gewoon mooi” zijn, maar door het een beetje uit te pluizen wordt een gedicht heus niet minder mooi; al wordt het er misschien wel wat minder “gewoon” door. Lees verder >>

Het laatste restje poëtische vorm

Door Marc van Oostendorp

prosody-of-free-verse-explorations-in-rhythm-by-richard-andrews-1317615050Wat maakt een gedicht tot een gedicht? Misschien, zegt de Britse hoogleraar Richard Andrews in zijn nieuwe boek A Prosody of Free Verse, dat het uit regels bestaat.

Zoals de titel van het boek al zegt, gaat het Andrews vooral om het vrije vers. Daarin vind je per definitie geen vast aantal lettergrepen en geen regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde klinkers. De regels zijn immers ‘vrij’. Maar het zijn wel nog steeds regels.

Ik geloof dat die Andrews er verder niet zo goed uitkomt. Hij haalt er misschien te veel bij, er is bijvoorbeeld een hoofdstuk over dans, waarin dan bijvoorbeeld omstandig wordt uitgelegd wat voor moeite choreografen doen om hun ideeën te noteren, maar wat dit uiteindelijk opheldert over het vrije vers is niet duidelijk. Ja, Andrews wil een theorie zoeken in de theorie van de embodied cognition (ruwweg, het idee dat al ons denken, ook het meest abstracte wordt bepaald door het feit dat wij een lichaam hebben en niet alleen een brein zijn), maar welk heil hij daarvan precies verwacht, wordt niet duidelijk, en eigenlijk ook niet welke bijdrage dat idee nu precies bijdraagt aan zijn uiteindelijke analyse.

Maar dat idee van de regel, daar zit wel wat in.

Lees verder >>

Andries Pels op de drempel van het Frans-Klassicisme

Door Ton Harmsen

043DidoIn 1669 is Andries Pels een van de oprichters van Nil Volentibus Arduum. Maar in 1668 was het Frans-Klassicisme nog ver weg. Zonder zich te bekommeren over ‘eenheid van handeling’ of ‘waarschijnlijkheid’ schrijft Pels in dat jaar twee stukken waarin kunst- en vliegwerken, godenverschijningen, lange monologen en verdeling in drie bedrijven nog een heel andere sfeer oproepen. Beide stukken ontlenen hun stof aan de lotgevallen van Aeneas in Carthago. De opbouw van de voorstelling is bijzonder: om en om speelt men één bedrijf van het treurspel en één van het blijspel, zoals Pels aangeeft:

Dit Blyspel speelt bequamelijk met zijne dry deelen, achter ieder deel der zelve orde van Didoos doot. (Julfus, fol. *6v)

Om die twee-eenheid te bezegelen draagt Pels in 1668 het treurspel op aan burgemeester Cornelis van Vlooswyk (geboren in 1601), en het blijspel aan diens zoon Nicolaes (1638), de jonge drost van Muiden. Nicolaes van Vlooswijk was tien jaar eerder door Vondel bezongen als hoofdrolspeler in de Philedonius van Van den Ende (1658).

De samenhang van Didoos doot en Julfus is snel in vergetelheid geraakt: na 1668 verschenen enkele herdrukken maar altijd los van elkaar. De exemplaren die in bibliotheken zijn overgeleverd zijn zelfs nooit samen in één band gebonden. Het is niet duidelijk waarom de bedoeling van Pels zo slecht begrepen is, er bestond toch een lange traditie van afwisseling van ernst en vrolijkheid. Lees verder >>

Catharina Questiers vondelt zonder het te zeggen

042BenHur

Door Ton Harmsen

Hoe belangrijk Horatius voor Vondel ook was, slechts tweemaal heeft hij een van diens odes metrisch vertaald. Maar in 1654 verscheen zijn prozavertaling van alle ‘Odes’, het ‘Carmen saeculare’ en de ‘Ars poetica’. Horatius compleet, behalve de satiren en de brieven. Vondels vertaling van de eerste ode heeft zijn buurvrouw Catharina Questiers geïnspireerd tot een bewerking in dichtvorm.

Uit de bewerking van Questiers, verschenen in de Lauwer-stryt tusschen Catharina Questiers, en Cornelia van der Veer (Amsterdam 1665) blijkt zonneklaar dat zij uitsluitend naar de vertaling van Vondel gewerkt heeft, zonder gebruik te maken van het Latijnse origineel. Zoals bekend is de kennis van Latijn bij vrouwen in de zeventiende eeuw zeer beperkt, maar zij had te rade kunnen gaan bij een latinist in haar omgeving om te vragen wat er precies in de tekst staat. Vergelijking van beide vertalingen maakt duidelijk dat zij dat niet gedaan heeft.

Lees verder >>

Vondel op horatiaanse voet

Door Ton Harmsen

023GoddaeusHoratius is in de zeventiende en achttiende eeuw aan de lopende band vertaald. Dichters kozen echter steeds een enkele of een selectie uit de odes, de satires en de brieven. Slechts tweemaal heeft een vertaler een onderdeel van Horatius’ oeuvre volledig vertaald: Vondel deed de carmina in proza (1654) en Huydecoper de satires en de brieven eerst in proza (1727) en tien jaar later in poëzie.

Ook Vondel had ongetwijfeld graag een poëzievertaling gepubliceerd. Van verschillende andere klassieke werken maakte hij immers eerst een prozavertaling om die vervolgens tot poëzie om te werken. Met de lierdichten van Horatius wilde hem dat niet lukken: het is niet eenvoudig een equivalent te vinden van het gecompliceerde klassieke metrum. Slechts tweemaal heeft Vondel zich gewaagd aan een poëzievertaling van een horatiaanse ode – of althans: slechts twee heeft hij er gepubliceerd. De satires en de brieven zijn veel eenvoudiger van vorm: dactylische hexameters. Het vaste ritme van de dactylus werd traditioneel omgezet in gepaard rijmende alexandrijnen, zesvoetige jambes met rijmschema AAbb (twee keer staand, twee keer slepend). Dat was een routine. Met deze techniek kon Huydecoper zijn prozavertaling gemakkelijk omzetten tot poëzie. Maar bij de odes werkt dat niet.

Lees verder >>

Waar werd oprechter trouw?

Door Marc van Oostendorp


Het is alweer bijna twee maanden geleden dat de musicoloog Louis Peter Grijp overleed. We waren collega’s op het Meertens Instituut en ik had de eer dat ik gisteren bij een indrukwekkende, waardige herdenkingsbijeenkomst in Utrecht iets mocht vertellen over de manier waarop we Louis’ werk proberen voort te zetten. (Er waren sowieso veel praatjes over het voortzetten van Louis’ plannen; hij was een man die een enorme locomotief op de rails wist te zetten, en die locomotief kan nu alleen nog maar doorrijden.)

Grijp werd onder andere beroemd vanwege zijn Liederenbank en hij haalde een paar keer het nieuws met ontdekkingen die hij met behulp van de Liederenbank had gedaan. Zo ontdekte hij bijvoorbeeld de melodieën waarop de reien in Vondels toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel gezongen werden.

In de zeventiende eeuw werden melodieën vaak niet opgeschreven. Liedjes (en dus ook reien) werden gezongen op bekende melodieën, maar zelfs welke melodie dat dan was weten we vaak niet meer. We kunnen het wel uitvinden wanneer we de structuur van de tekst goed bestuderen: die tekst moet natuurlijk op de melodie passen en omgekeerd, als we een betrekkelijk ingewikkelde melodie waarop je een lied kunt zingen, kun je er – als aan enkele andere voorwaarden is voldaan – van uitgaan dat die melodie ook bij het lied hoort.

Lees verder >>

Wij kunnen geen Sapfische oden horen

Door Marc van Oostendorp


Paul Claes, volgens Piet Gerbrandy de ‘geleerdste Belg aller tijden’, heeft een nieuwe vertaling gepubliceerd van vijftig oden van Horatius. Het probleem voor iedere vertaler is daarbij: welke vorm moet je gebruiken.

Een van de zaken waarmee Horatius opzien baarde was namelijk precies die versvorm. Uit de klassieke Griekse poëzie had hij allerlei ingewikkelde vormen gekozen die hij voor het eerste gebruikte voor het Latijn. Een van die vormen – waarschijnlijk de beroemdste was deze:

—   — X  —  —   — — (x3)
—   — — 

Hier stond voor — een lange lettergreep,   voor een korte, en X was een soort jokerpositie, waar beide inpasten. Sapfo had die vorm voor het Grieks gebruikt – hij wordt de Sapfische strofe genoemd – en Horatius liet dus zien dat je zo ook in het Latijn gedichten kon schrijven:


Lees verder >>

Vondels Roskam: niet in de pas en niet in de maat

Door Ton Harmsen

012VondelRoskam163001Ik hoor dat Nederlands het saaiste schoolvak is. Vroeger was dat niet zo: ik kreeg les van Piet Minnema. De broer van Sybren Polet, maar dat mochten wij niet weten omdat die iets over Piet zijn vrouw had geschreven dat niet door de beugel kon. Minnema kon prachtig vertellen over Hooft, Bredero en Vondel. Zijn Couperus-imitaties waren een daverend succes. Hij opende voor ons de wereld van Du Perron en Ter Braak, inclusief Nietzsche en Schopenhauer. Breng dat weer in de klas en niemand zal klagen dat het saai is.
En zoals toen ook al gebruikelijk was sloeg hij de achttiende eeuw over, met uitzondering van één anecdote die moest aantonen dat je die eeuw maar beter kon veronachtzamen. Het ging over een vers uit de Roskam:

.        En ’t werckt als nieuwe wijn, die tot de spon wtbarst.

Dit zou door de Frans-classicisten afgekeurd zijn omdat de jambische hexameter door die drie lange lettergrepen aan het eind niet lekker in zijn jasje zit, en het werd herschreven tot:

.        En ’t werckt als nieuwe wijn, die uit de sponne barst.

Lees verder >>