Tag: metriek

Rijmverdoezeling

Door Marc van Oostendorp

Simon Vestdijk was niet alleen medicus, dichter, romanschrijver, essayist en wat niet al, maar in zijn vrije tijd waarschijnlijk ook de belangrijkste theoreticus van het Nederlandse vers die we ooit gehad hebben. Zijn boek De glanzende kiemcel (DBNL) werd niet voor niets decennia als studieboek gebruikt bij de opleiding Nederlands.

Hij ging daarbij te werk als een echte wetenschapper: hij verzamelde gegevens en probeerde die te interpreteren en te verklaren in een theorie. Veel van wat hij deed zou je misschien nog nét wat preciezer willen doen – net wat systematischer de data binnenhalen, de theorie net wat ondubbelzinniger formuleren – maar heel veel van wat hij zag en bedacht is onovertroffen.

Neem zijn theorie over het rijm. Volgens Vestdijk hadden veel dichters de neiging om het feit dat regels rijmden te verdoezelen. Een van de middelen die ze daarvoor hadden was om de klemtoon te manipuleren. Door in de tweede van een paar rijmende regels de klemtoon net vóór het rijmwoord te leggen, werd het rijm minder prominent:

Lees verder >>

Wat was de voornaam van Anne Frank?

Door Marc van Oostendorp

Als men ’s nachts de vliegers hoort
Niemand dat bijzonder stoort
Buiten Anne, de Benjamin
De jongste telg van het gezin.
En schiet ook nog de Bullerjaan
Is het met onze Anne gedaan.
Als medicijn niet levertraan
Maar wel geschikt, Valeriaan.
De voorraad slinkt, Sint snelt te hulp
en heeft hem weder aangevuld.

Dit Sinterklaasgedichtje, in 1943 geschreven voor Anne Frank, wordt besproken in de mooie bundel Uit de marge die Lizet Duyvendak en Jan Oosterholt samenstelden ter gelegenheid van het afscheid van Erica van Boven, iemand die altijd heeft gepleit voor belangstelling voor literatuur in de ‘marge’, zoals bestsellers of door amateurs geschreven teksten. In haar bijdrage haalt Liesbeth Vonhögen het gedichtje naar boven als één van de 26 Sinterklaasgedichten die via het Geheugen van Nederland te vinden zijn.  Lees verder >>

Wanneer begon goden te rijmen op doden?

Door Marc van Oostendorp

Ooit is het Nederlands verschil gaan maken tussen de klinker in dak en de klinker in daken: het enkelvoud heeft een korte klinker, en het meervoud de corresponderende lange. Datzelfde geldt ook voor rad-raden, hol-holen, en een groot aantal andere woorden, zij het natuurlijk niet voor allemaal: bal-ballen behoudt een korte klinker, taak-taken een lange.

De verandering in dak-daken wordt ‘verlenging in open lettergreep’ genoemd, afgekort VOL: als een klinker in een open lettergreep komt te staan (da-ken) is het makkelijker om hem kort uit te spreken. Ergens in de middeleeuwen hebben mensen die ‘gemakkelijkheid’ tot een regel van onze taal gemaakt. In bal-ballen was hij niet van toepassing omdat bal eindigde op een lange l (zoals die in het Engels en het Duits nog geschreven wordt), en taak had altijd al ook in het enkelvoud een lange klinker.

Wanneer is VOL een regel geworden? Dat is lastig te bepalen: we hebben natuurlijk geen gesproken opnamen, en omdat er in de middeleeuwen weinig spellingconventies waren, is het moeilijk om aan de hand van hoe mensen schreven iets af te leiden over hoe ze spraken. Moeilijk, maar niet onmogelijk, laten twee onderzoekers uit Oxford zijn in een vernuftig artikel in het nieuwe nummer van het Journal of Germanic LinguisticsLees verder >>

Wat we van drs. P kunnen leren over de dactylus

Door Marc van Oostendorp

H.H. Polzer. Foto: Jan Zandbergen (Wikipedia)

De dactylus! Het is de oudste vorm van de westerse poëzie, want Homerus schreef er in. In zijn geval, en dat van zijn talrijke navolgers in de klassieke oudheid, ging het om een opeenvolging van een lange lettergreep gevolgd door twee korte (de eigenlijke dactylus), of van twee lange lettergrepen (de spondee). Ik ben de beroerdste niet, dus ik kopieer een voorbeeldje uit Wikipedia:

μῆνιν ἄ | ειδε, θε | ά, Πη | ληϊά | δεω Ἀχι | λῆος
mênin á | eide, the | á, Pē | lēïá | deō Akhi | lêos
dactyl, dactyl, spondee, dactyl, dactyl, spondee.

In dit voorbeeld zijn mê, ei, á, Pē, lēm, deō en lê allemaal lang, en de andere lettergrepen kort.

Het Nederlands heeft (zo min als de meeste andere moderne Europese talen) een verschil tussen lange en korte lettergrepen. Wij hebben dan ook eigenlijk geen gevoel voor die klassieke dactyli. Toch worden hier wel vormen gebruikt die dactylisch genoemd worden, bijvoorbeeld in vertalingen van Homerus en Vergilius. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als ontwerper van de Mocaanse lettergreep

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (47)

Door Marc van Oostendorp

In Brieven uit Genua bericht Ilja Leonard Pfeijffer hoe hij in zijn jeugd een eigen land bedacht, Mocanië, met een eigen taal, het Mocaans. En hoe land en taal natuurlijk een eigen heldendicht nodig hadden:

Ik ontwierp een stichische, heterogene, zesvoetige versvorm van een trochee, een dactylus en een trochee met een vaste cesuur op dat punt, waarna dezelfde cadens wordt herhaald. Alsof je twee keer achter elkaar mijn volledige naam zou uitspreken. Maar daar had het niets mee te maken.

Hij geeft later ook voorbeelden van die versvorm, het begin van het epos Mö’cä’nïks His’tö’rï’ä van de nationale dichter Murnon:

Rë’löt, mï’se-gë, rë’löt nag iow ef’nï kle frë’hö.
Gë ä’frë’hö frï hy’rerr, frï’os, sä’ktoth frï lor’käg.
Gë ä’frë’hö frï ga’rerr, iow-hyr, kœr’nœ’se sä’tëm.

In zijn latere werk, zo heb ik in deze reeks al een aantal keer laten zien, is Pfeijffer ook begonnen zelf gedichten te schrijven die stichisch en zesvoetig zijn. Lees verder >>

Wanneer het lichaam ginds hoog in een boom zal hangen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (154)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Toen ik mijn eenge zoon op Gods gebod ging slachten
liet hij het blinkend mes plots uit mijn handen slaan;
wat zal hij doen, mijn vriend, als zij U villen gaan
en krijgt gij wel den tijd die engel af te wachten?

Wanneer het lichaam ginds hoog in een boom zal hangen,
dan valt Uw veege ziel, ellendig tot den dood,
de diepte in, voorgoed, maar niet in mijnen schoot,
en barst de wereld los in psalm- en vreugdezangen.

Nu laat gij nog vandaag uw rijke tafels dekken,
en niemand van mijn volk wordt aan den disch genood;
er valt geen kruimel af voor Christen of voor Jood.

Maar eenmaal komt de tijd dat u de honden lekken,
dan zult gij, als de vrek, in vuur en dorst bezwijken,
en zal geen vinger u een druppel water reiken.

(Anoniem)

In de illegale pers circuleerde dit gedicht als een van Drie sonnetten op den 50en verjaardag van den Heer A. Mussert. Het is, voor zover ik heb kunnen nagaan, altijd anoniem gebleven. De doorgaans goed geïnformeerde website Het geheugen van Nederland classificeert het bijvoorbeeld als zodanig.  Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als plezierdichter

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (39)

Door Marc van Oostendorp

“Ik zou je adviseren”, schreef Ilja Leonard Pfeijffer over het light verse in Hoe word ik een beroemd schrijver, “om je verre te houden van dit genre, misschien afgezien van een verjaardagskaart voor je schoonmoeder of het gastenboek van het huwelijk van je ex.” De plezierdichter was “zoals een goochelaar of een jongleur met taal, die vermaakt en verbluft met een best wel moeilijk trucje”.

En dat zegt de dichter die regels schrijft als:

Exquis verwen ik zelf je body pangrammatisch

Een pangram is een zin waarin iedere lettervan het alfabet minstens één keer voorkomt. In de rest van de Idylle waarin dit staat komt overigens iedere letter minstens nóg een keer voor. Het heeft ook een soort iconische functie: de schrijver heeft alle letters van zijn toetsenbord nodig om de body van de geliefde ook maar enigszins recht te doen. Je zou kunnen zeggen dat het daarom niet alleen maar ‘een best wel moeilijk trucje’ is, maar een trucje met een functie. Lees verder >>

Een gulp van den kostbaren levenswijn

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (139)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Begeerlijkheid, ’t willen proeve’ alle dingen,
dat is nu een van de erge gevaren :
de machtigste onder de belemmeringen
die versperren de weg naar ’t leven, ’t ware.

Een gulp van den kostbaren levenswijn
zwelgen we haastig en verstrooid naar binnen
en weer een, en weer een: ’t hart en de zinnen
blijve’ even dorstig, als waar ’t drinken schijn.

We moeten leeren, verlokking weerstaan,
en wat zich ons opdringt, leere’ af te weren :
hoe luid het schreeuwt, wij nemen het niet aan.
Wij moeten ons tot d’oude wijsheid keeren :
van haar, hoe door het àl te vele, leeren.
met evenwichtig hart te gaan.

Henriëtte Roland Holst – van der Schalk

Ik weet ook wel dat jullie de laatste tijd iedere zaterddagochtend met een rood potlood in de vingers klaar zitten om Henriëtte Roland Holst te beschimpen om haar gebrekkige metriek. Schande! Dat zijn toch geen jamben meer!

Ik vind dat jullie je daarin vergissen. Natuurlijk krijg je regels als de eerste van het bovenstaande sonnet niet in een jambische vorm geperst: Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als kiezer tussen zij en ze

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (29)

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands heeft voor de derde persoon vrouwelijk twee persoonlijk voornaamwoorden: zij en ze. De eerste gebruik je bijvoorbeeld om contrast uit te drukken. In de zin ‘hij was heel moe maar zij wilde nog een stukje verder lopen’ zou ze raar zijn.

De vorm ze gebruik je juist als je verwijst naar iemand terwijl iedereen al weet over wie je het hebt: ‘De prinses liep rood aan. Ze had genoeg van alle gezeur.’ Daar klinkt zij juist weer raar. Zij gebruiken in plaats van ze betekent altijd dat er potentiële verwarring is, dat iemand anders dan de prinses zich aan het gezeur kon storen.

Maar zo zitten de zaken niet in elkaar in de alexandrijnen in Pfeijffers ‘heldendicht’ Van oorlog en liefdeDaarin vinden we regels als:

Maar de godin van twist viel niet te onderschatten,
vooral niet als de woede uit haar ogen spatte.
En zij was kwaad.

Zij verwijst hier naar de godin van twist, en we hebben hier dus een context die precies gelijk is aan de door mij geconstrueerde, en daarmee een beetje verwarrend: waarom zij? Is hier nog een andere vrouw in het spel die ineens kwaad is? Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als jambicus

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (10)

Door Marc van Oostendorp

Alexandrijnen zijn de meest Nederlandse versvorm die er bestaat. ‘Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange leste’ van Vondel (de eerste regel van diens toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel) is een bekend voorbeeld.

Ze bestaan uit zes  eenheden van een onbeklemtoonde en dan een beklemtoonde lettergreep, ‘jamben’: taDAMtaDAMtaDAMtaDAMtaDAMtaDAM. Ze hebben een breekpunt, een cesuur, na de derde beklemtoonde lettergreep (hier: recht). Dat breekpunt betekent dat de volgende lettergreep nooit tot hetzelfde woord behoort en eigenlijk ook niet tot dezelfde woordgroep.

De alexandrijn is, zoals Friedrich Kossmann, de grootste geleerde op het gebied van de Nederlandse metriek, in 1963 liet zien, door Nederlandse dichters gecreëerd in de zeventiende eeuw. Andere tradities kennen hem niet, of hij is er in ieder geval niet zo populair. Lees verder >>

Een puzzel die niet klopte

Door Marc van Oostendorp

Op de terecht alom bejubelde Facebook-pagina Leraar Nederlands ging het onlangs over een gedicht van Ingmar Heytze. Wat voor metrum wordt er in dat gedicht eigenlijk gebruikt?

Madelief, je was een puzzel die niet klopte,
onbestaanbaar DNA. Links en rechts ontbrak
de adem, ruggengraat verkeerd bezorgd.
Er viel geen leven van te maken.

Toch werd je geboren met je eigen naam,
je lief gezicht, een hoofd, een hart.
Je bent gaan slapen bij het eerste licht.
Dat mocht. Het was tenslotte je verjaardag.

En je kreeg twee ouders die je nooit vergaten.
Slaap, we dromen net als jij, we varen
naar elkaar over een grote, blauwe oceaan.
We komen elke nacht iets dichterbij.

Eigenlijk zijn alle reacties op zo’n vraag interessant. Je hebt mensen die zich afvragen “waarom zo’n gedicht niet gewoon mooi mag zijn”, maar ik hoop dat die niet écht ook leraar Nederlands zijn. Natuurlijk mag alles en iedereen “gewoon mooi” zijn, maar door het een beetje uit te pluizen wordt een gedicht heus niet minder mooi; al wordt het er misschien wel wat minder “gewoon” door. Lees verder >>

Het laatste restje poëtische vorm

Door Marc van Oostendorp

prosody-of-free-verse-explorations-in-rhythm-by-richard-andrews-1317615050Wat maakt een gedicht tot een gedicht? Misschien, zegt de Britse hoogleraar Richard Andrews in zijn nieuwe boek A Prosody of Free Verse, dat het uit regels bestaat.

Zoals de titel van het boek al zegt, gaat het Andrews vooral om het vrije vers. Daarin vind je per definitie geen vast aantal lettergrepen en geen regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde klinkers. De regels zijn immers ‘vrij’. Maar het zijn wel nog steeds regels.

Ik geloof dat die Andrews er verder niet zo goed uitkomt. Hij haalt er misschien te veel bij, er is bijvoorbeeld een hoofdstuk over dans, waarin dan bijvoorbeeld omstandig wordt uitgelegd wat voor moeite choreografen doen om hun ideeën te noteren, maar wat dit uiteindelijk opheldert over het vrije vers is niet duidelijk. Ja, Andrews wil een theorie zoeken in de theorie van de embodied cognition (ruwweg, het idee dat al ons denken, ook het meest abstracte wordt bepaald door het feit dat wij een lichaam hebben en niet alleen een brein zijn), maar welk heil hij daarvan precies verwacht, wordt niet duidelijk, en eigenlijk ook niet welke bijdrage dat idee nu precies bijdraagt aan zijn uiteindelijke analyse.

Maar dat idee van de regel, daar zit wel wat in.

Lees verder >>

Andries Pels op de drempel van het Frans-Klassicisme

Door Ton Harmsen

043DidoIn 1669 is Andries Pels een van de oprichters van Nil Volentibus Arduum. Maar in 1668 was het Frans-Klassicisme nog ver weg. Zonder zich te bekommeren over ‘eenheid van handeling’ of ‘waarschijnlijkheid’ schrijft Pels in dat jaar twee stukken waarin kunst- en vliegwerken, godenverschijningen, lange monologen en verdeling in drie bedrijven nog een heel andere sfeer oproepen. Beide stukken ontlenen hun stof aan de lotgevallen van Aeneas in Carthago. De opbouw van de voorstelling is bijzonder: om en om speelt men één bedrijf van het treurspel en één van het blijspel, zoals Pels aangeeft:

Dit Blyspel speelt bequamelijk met zijne dry deelen, achter ieder deel der zelve orde van Didoos doot. (Julfus, fol. *6v)

Om die twee-eenheid te bezegelen draagt Pels in 1668 het treurspel op aan burgemeester Cornelis van Vlooswyk (geboren in 1601), en het blijspel aan diens zoon Nicolaes (1638), de jonge drost van Muiden. Nicolaes van Vlooswijk was tien jaar eerder door Vondel bezongen als hoofdrolspeler in de Philedonius van Van den Ende (1658).

De samenhang van Didoos doot en Julfus is snel in vergetelheid geraakt: na 1668 verschenen enkele herdrukken maar altijd los van elkaar. De exemplaren die in bibliotheken zijn overgeleverd zijn zelfs nooit samen in één band gebonden. Het is niet duidelijk waarom de bedoeling van Pels zo slecht begrepen is, er bestond toch een lange traditie van afwisseling van ernst en vrolijkheid. Lees verder >>

Catharina Questiers vondelt zonder het te zeggen

042BenHur

Door Ton Harmsen

Hoe belangrijk Horatius voor Vondel ook was, slechts tweemaal heeft hij een van diens odes metrisch vertaald. Maar in 1654 verscheen zijn prozavertaling van alle ‘Odes’, het ‘Carmen saeculare’ en de ‘Ars poetica’. Horatius compleet, behalve de satiren en de brieven. Vondels vertaling van de eerste ode heeft zijn buurvrouw Catharina Questiers geïnspireerd tot een bewerking in dichtvorm.

Uit de bewerking van Questiers, verschenen in de Lauwer-stryt tusschen Catharina Questiers, en Cornelia van der Veer (Amsterdam 1665) blijkt zonneklaar dat zij uitsluitend naar de vertaling van Vondel gewerkt heeft, zonder gebruik te maken van het Latijnse origineel. Zoals bekend is de kennis van Latijn bij vrouwen in de zeventiende eeuw zeer beperkt, maar zij had te rade kunnen gaan bij een latinist in haar omgeving om te vragen wat er precies in de tekst staat. Vergelijking van beide vertalingen maakt duidelijk dat zij dat niet gedaan heeft.

Lees verder >>

Vondel op horatiaanse voet

Door Ton Harmsen

023GoddaeusHoratius is in de zeventiende en achttiende eeuw aan de lopende band vertaald. Dichters kozen echter steeds een enkele of een selectie uit de odes, de satires en de brieven. Slechts tweemaal heeft een vertaler een onderdeel van Horatius’ oeuvre volledig vertaald: Vondel deed de carmina in proza (1654) en Huydecoper de satires en de brieven eerst in proza (1727) en tien jaar later in poëzie.

Ook Vondel had ongetwijfeld graag een poëzievertaling gepubliceerd. Van verschillende andere klassieke werken maakte hij immers eerst een prozavertaling om die vervolgens tot poëzie om te werken. Met de lierdichten van Horatius wilde hem dat niet lukken: het is niet eenvoudig een equivalent te vinden van het gecompliceerde klassieke metrum. Slechts tweemaal heeft Vondel zich gewaagd aan een poëzievertaling van een horatiaanse ode – of althans: slechts twee heeft hij er gepubliceerd. De satires en de brieven zijn veel eenvoudiger van vorm: dactylische hexameters. Het vaste ritme van de dactylus werd traditioneel omgezet in gepaard rijmende alexandrijnen, zesvoetige jambes met rijmschema AAbb (twee keer staand, twee keer slepend). Dat was een routine. Met deze techniek kon Huydecoper zijn prozavertaling gemakkelijk omzetten tot poëzie. Maar bij de odes werkt dat niet.

Lees verder >>

Waar werd oprechter trouw?

Door Marc van Oostendorp


Het is alweer bijna twee maanden geleden dat de musicoloog Louis Peter Grijp overleed. We waren collega’s op het Meertens Instituut en ik had de eer dat ik gisteren bij een indrukwekkende, waardige herdenkingsbijeenkomst in Utrecht iets mocht vertellen over de manier waarop we Louis’ werk proberen voort te zetten. (Er waren sowieso veel praatjes over het voortzetten van Louis’ plannen; hij was een man die een enorme locomotief op de rails wist te zetten, en die locomotief kan nu alleen nog maar doorrijden.)

Grijp werd onder andere beroemd vanwege zijn Liederenbank en hij haalde een paar keer het nieuws met ontdekkingen die hij met behulp van de Liederenbank had gedaan. Zo ontdekte hij bijvoorbeeld de melodieën waarop de reien in Vondels toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel gezongen werden.

In de zeventiende eeuw werden melodieën vaak niet opgeschreven. Liedjes (en dus ook reien) werden gezongen op bekende melodieën, maar zelfs welke melodie dat dan was weten we vaak niet meer. We kunnen het wel uitvinden wanneer we de structuur van de tekst goed bestuderen: die tekst moet natuurlijk op de melodie passen en omgekeerd, als we een betrekkelijk ingewikkelde melodie waarop je een lied kunt zingen, kun je er – als aan enkele andere voorwaarden is voldaan – van uitgaan dat die melodie ook bij het lied hoort.

Lees verder >>

Wij kunnen geen Sapfische oden horen

Door Marc van Oostendorp


Paul Claes, volgens Piet Gerbrandy de ‘geleerdste Belg aller tijden’, heeft een nieuwe vertaling gepubliceerd van vijftig oden van Horatius. Het probleem voor iedere vertaler is daarbij: welke vorm moet je gebruiken.

Een van de zaken waarmee Horatius opzien baarde was namelijk precies die versvorm. Uit de klassieke Griekse poëzie had hij allerlei ingewikkelde vormen gekozen die hij voor het eerste gebruikte voor het Latijn. Een van die vormen – waarschijnlijk de beroemdste was deze:

—   — X  —  —   — — (x3)
—   — — 

Hier stond voor — een lange lettergreep,   voor een korte, en X was een soort jokerpositie, waar beide inpasten. Sapfo had die vorm voor het Grieks gebruikt – hij wordt de Sapfische strofe genoemd – en Horatius liet dus zien dat je zo ook in het Latijn gedichten kon schrijven:


Lees verder >>

Vondels Roskam: niet in de pas en niet in de maat

Door Ton Harmsen

012VondelRoskam163001Ik hoor dat Nederlands het saaiste schoolvak is. Vroeger was dat niet zo: ik kreeg les van Piet Minnema. De broer van Sybren Polet, maar dat mochten wij niet weten omdat die iets over Piet zijn vrouw had geschreven dat niet door de beugel kon. Minnema kon prachtig vertellen over Hooft, Bredero en Vondel. Zijn Couperus-imitaties waren een daverend succes. Hij opende voor ons de wereld van Du Perron en Ter Braak, inclusief Nietzsche en Schopenhauer. Breng dat weer in de klas en niemand zal klagen dat het saai is.
En zoals toen ook al gebruikelijk was sloeg hij de achttiende eeuw over, met uitzondering van één anecdote die moest aantonen dat je die eeuw maar beter kon veronachtzamen. Het ging over een vers uit de Roskam:

.        En ’t werckt als nieuwe wijn, die tot de spon wtbarst.

Dit zou door de Frans-classicisten afgekeurd zijn omdat de jambische hexameter door die drie lange lettergrepen aan het eind niet lekker in zijn jasje zit, en het werd herschreven tot:

.        En ’t werckt als nieuwe wijn, die uit de sponne barst.

Lees verder >>

Meer dan ghij sijt gewoon

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (47)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Metriek betekent, zou je zeggen, regelmaat. In een metrisch gedicht wisselen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen elkaar regelmatig af. Fans van dit weblog – ze bestaan! althans, ze zullen ooit bestaan (over honderd jaar, als niemand het controleren kan) – weten dat ik een vreemde obsessie heb; namelijk dat die regelmaat bij de meeste dichters helemaal niet zo absoluut is, en dat er soms beklemtoonde naast andere beklemtoonde staan, of andersom.

Die onregelmatigheden kun je op allerlei manieren bestuderen. Ze kunnen bijvoorbeeld iets zeggen over de inhoud: zo’n vormelijke onregelmaat kan corresponderen met een gevoel van grote innerlijke onrust, of een storm op zee verbeelden, of een hartklopping.

Maar in sommige opzichten zijn de onregelmatigheden ook pure vorm.
Lees verder >>

Liever sterke mannen dan stervende mannen

Eindelijk een volwassen Nederlandse hexameter

Door Marc van Oostendorp


De hexameter-oorlog gaat een nieuwe fase in. In de afgelopen decennia hebben Imme Dros en H. J. de Roy van Zuydewijn allebei vertalingen gemaakt van de Ilias en de Odyssee, en dat ging niet zonder gekibbel over wie nu het juiste ritme getroffen had.

Nu ja, voor zover ik kan zien kwam het gekibbel vooral van De Roy van Zuydewijn, die in 1980 een eerste vertaling publiceerde van de Ilias (herzien in 1993) en in 1992 een van de Odyssee. De laatste verscheen daardoor net iets later dan die van Imme Dros, en je krijgt de indruk wanneer je bijvoorbeeld dit artikel leest dat De Roy van Zuydewijn zich achtergesteld voelde bij zijn collega. Vooral de manier waarop ze het Homerische ritme in het Nederlands overzette, stuitte op kritiek. Dat was lang niet zo zuiver als De Roy het zelf deed.

Nauwelijks ontwikkeld

Vorige week heeft Dros nu ook een vertaling van Ilias gepresenteerd, en ook daarover gaan mensen met een bepaalde opvatting van de hexameter in zogenoemde vakpers vast weer klagen. Ik denk alleen dat die opvatting de verkeerde is.
Lees verder >>

Gesmoort in hooploos leidt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (45)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

In zijn boek De vergeten wetenschappen beschrijft Rens Bod hoe de geschiedenis van de muziek en de musicologie een voortdurend heen en weer is van theorie en praktijk. Er worden fraaie wiskundige modellen ontwikkeld die beschrijven wat goede harmonieën moeten zijn. Op basis van die modellen maakt men muziek, maar niet iedere harmonie blijkt even goed te werken. Daarom wordt de theorie aangepast, en dan weer opnieuw uitgeprobeerd.

Zo ging het, in ieder geval tussen de zestiende en de achttiende eeuw ook met metriek, zo leren we uit het onvolprezen Leidse proefschrift Nederlandsch Versrhythme (1922) van Friedrich Kossmann.  De theorie was oorspronkelijk dat je gedichten moest schrijven zoals ze in de klassieke oudheid had gedaan, maar daar bleken de moderne Europese talen niet geschikt voor. Dus moest de theorie worden aangepast – maar hoe?

Daar is decennialang mee geworsteld. Men wilde bijvoorbeeld een jambische hexameter (een alexandrijn) schrijven. Jambes waren in de klassieke oudheid groepjes van twee lettergrepen: de eerste kort en de tweede lang. Maar wat is dat precies voor het Nederlands, een lange lettergreep of een korte?

Het probleem doet zich bijvoorbeeld al prangend voor in de eerste regel van dit sonnet van P.C. Hooft:

Lees verder >>

Vacature AiO-plaats metriek, Meertens Instituut, Amsterdam

The Meertens Institute is a research institute of the Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences (KNAW), concentrating on research and documentation of Dutch language and culture. In the institute, linguists, ethnologists and historians work together. 

The institute offers a PhD position m/f on metrics for 1 FTE.

Project description:
In the late 16th Century, Renaissance poetic forms hit the Low Countries; within a short period of about 25 years, poets started converging on ‘Germanic’ iambs and trochees, i.e. alternating stressed and unstressed syllables, just as had happened independently in England about 200 years earlier. The hypothesis to be tested in this project is that the reason for this sudden success is that the stress system of Dutch (and earlier) English had changed from an earlier ‘Germanic’ stress to a more Latinate stress system due to the influx of Romance loanwords. A full description of the project can be found here.

Lees verder >>

Limburgs in triolen

Vandaag verschijnt het boek Het dorp en de wereld. Over dertig jaar Rowwen Hèze, onder redactie van Leonie Cornips en Barbara Beckers. Het onderstaande artikel is een voorpublicatie uit dit boek.

Door Marc van Oostendorp

Zo expliciet als Guus Meeuwis (kedeng kedeng kedeng kedeng) doen weinig artiesten het, maar aan veel populaire muziek ligt hetzelfde strakke ritme ten grondslag: iedere beklemtoonde lettergreep (deng) wordt voorafgegaan door een ongeaccentueerde noot (ke) in de muziek. Dat is een groepje van twee (kedeng). Op die totale symmetrie is vrijwel iedere melodie gebaseerd, net als de teksten van de liedjes en ook de teksten van veel kinderrijmpjes (‘jantje zag eens pruimen hangen’, ‘op een klein balkonnetje’).


Dat geldt ook voor de muziek van Rowwen Hèze, al voegt die vaak met wat middelen wat extra spanning toe: door te variëren met het strakke stramien, bijvoorbeeld, of door het dialect dingen te laten doen die het Nederlands niet kan. Dat gebeurt (nog) niet zozeer in de eerste nummers van de band, uit de jaren tachtig. Hier is de tekst van het refrein van het liedje Rowwen Hèze: 
Lat meej mar drinke wat ik drink
Lat ze mar proate oaver meej
Lat ze mar zegge dat ik stink
Dat giet vanzelf wal wir vurbeej