Tag: Menno Wigman

Bewogen verzen: Bij de gemeentekist van mevrouw P, Menno Wigman

Voor het project ‘Bewogen Verzen’ vroegen Ons Erfdeel vzw en Poëziecentrum aan negen jongeren uit de Lage Landen om poëziefilms te maken van hun favoriete Nederlandstalige gedicht. Kobe Fleerackers (Antwerpen, 1993) maakte een videogedicht van ‘Bij de gemeentekist van mevrouw P.’ van Menno Wigman uit de bundel Dit is mijn dag (Prometheus, 2014). ‘Bewogen Verzen‘ kwam tot stand met steun van het Nederlands Letterenfonds.

(Bekijk deze video op YouTube)

Menno Wigman: Tot zichzelf

Door Wiel Kusters

Buste van Marcus Aurelius

‘Alleen mijn nagels en mijn haren, / dat is alles’, schrijft Menno Wigman in het gedicht ‘Tot zichzelf’, dat deel uitmaakt van zijn ‘officiële’ debuut, ’s Zomers stinken alle steden (1997). Hij loopt tegen de dertig, de ‘gevreesde’ verjaardag waarvan sprake is in ‘Media vita’, verderop in de bundel. Het dertigste jaar opgevat als het midden van de levensweg: dat is een omineus gegeven, zeker wanneer we weten dat de dichter, die op 1 februari 2018 overleed, niet ouder dan eenenvijftig jaar is geworden.

Alleen mijn nagels en mijn haren,
dat is alles. En wat dan nog?

Het zijn raadselachtige regels, die niettemin onmiddelijk duidelijk maken dat wie hier spreekt zichzelf, althans zijn lichamelijkheid, behoorlijk relativeert. Er lijkt sprake van een uiterste reductie, die blijkens de woorden ‘En wat dan nog?’ met een zekere onverschilligheid gepaard gaat.

Toch is er voor wie goed luistert nog iets meer aan de hand dan zeer sterke relativering of (gespeelde) nonchalance. ‘En wat dan nog?’ kan ook licht hoopvol klinken als: En wat dan nog meer? Lees verder >>

Mooie dingen en rituele schijn: poëzie als politiek wapen

Door Evelyne Shamier

Thierry Baudet. Bron: Wikimedia

Aan Thierry Baudet.

U lijkt zich bij de Algemene Politieke Beschouwingen te hebben opgeworpen als een ambassadeur van de Nederlandse poëzie. Het zal een tegenvaller zijn geweest dat collega-Kamerleden niet onder de indruk waren van uw voordracht en uw suggestie dat het kabinet ‘weinig grossiert in poëtisch taalgebruik’. Ofschoon op dit gebied weinig gegrossierd wordt in de huidige formatie, is er geen sprake van poëtisch pionieren. Zo reciteerden uiteenlopende politieke partijen vóór uw tijd met grote regelmaat de versregels ‘tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’. Ongetwijfeld is op een gegeven moment ook in Den Haag het besef gekomen dat het gedicht ‘Het huwelijk’ (1910) van Willem Elsschot meer omvat dan die twaalf gevleugelde woorden. Zoals letterkundig neerlandica Maaike Meijer in In tekst gevat (1996) beargumenteert, voert het gedicht ons in deze passage mee met de fantasie van een man die zijn ouder geworden echtgenote wil doodslaan. Zowel Adriaan van Dis als Tom Lanoye schreef een tegengedicht vanuit het perspectief van de vrouw; zo kan het ook. Lees verder >>

Na alle grappen, wijn, volgehouden mensenhaat en poëzie

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (193)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Testament

Somber waren we. Somber, oud en vrolijk. Een laatste
bloedeloze zomer, alleen op afstand te verdragen.
Je was zo bleek geworden, mager. Bij daglicht
minder op je plaats dan ooit.

Afijn, zei ik, de laatste levensdagen. Je kuste mijn wang.
We rookten, beschaamd, om wat er over was.
Na alle grappen, wijn, volgehouden mensenhaat
en poëzie  – we wisten niets.

Dit, zei je, moet het dan maar zijn. Schrijf jij maar
dat ik slordig was. Slordig. Gretig. Bang en
goed gekleed. Zes woordenboeken oud.

Aufwiedersehen,Schwesterlein. Lijdend aan liefde,
de greep van het café – de zon zakt straks
weer richting hel. Alle idioten vieren feest.

(Ester Naomi Perquin)

Misschien rest ons, oog in oog met de dood, niets meer dan de taal, de juiste formulering, het goed gekozen woord. Dit gedicht gaat over een gesprek met iemand die dood zou gaan en is tegelijkertijd een gesprek met een dode, die met je wordt aangesproken, en daardoor in de veertien regels van het sonnet weer heel even komt praten.

Het is een sonnet van opsommingen, van tegenstrijdigheden. Somber, oud en vrolijk. Grappen, wijn en volgehouden mensenhaat. Slordig, gretig, bang en goed gekleed. Juist doordat het niet bij elkaar past, lukt het daardoor om letterlijk met een handjevol goed gekozen woorden de bloedelozezomermiddag op te roepen. En de allermooiste woordgroep is ‘volgehouden mensenhaat’, waar een heel karakter in verborgen zit.

Wie de Nederlandse dichtkunst van de afgelopen jaren een beetje heeft gevolgd, herkent de dichter erin: Menno Wigman, en in het bijzonder diens gedicht ‘Rien ne va plus’ uit de bundel Slordig geluk, waarin hij zelf een andere dode dichter aanspreekt en tot leven wekt: Slauerhoff.

Maar waar Wigman Slauerhoff heel pessimistisch liet zijn over het schrijven (zijn gedicht eindigt met de regel ‘Had je maar nooit een gedicht gezien’), daar laar Perquin Wigman toch nog een beetje aan de poëzie vasthouden. Althans, hij geeft haar toestemming om te schrijven dat hij ‘slordig’ was. En dat doet ze dan ook meteen, in een sonnet, toch eigenlijk meer zijn genre dan het hare. Een sonnet dat begint met het woord somber en eindigt met het woord feest, en dat alleen al daardoor steeds treuriger wordt.

En keek ik weer wat grand old Google bracht

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (182)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Bij de uitvaart van het boek

De schrijver met zijn ongeschoren woede,
de dichter van drie doodgeboren boeken:
daar staan ze met hun doos vol slome woorden.
Sterk spul of niet: de uitvaart van het boek,
we naderen de uitvaart van het boek.

Vannacht, ik was nog op, stond de literatuur
dronken aan mijn deur. Rot op, riep ik, rot op,
je hebt je kans gehad. Toen droop ze af
en keek ik weer wat grand old Google bracht.

We lezen om te leren hoe te leven.
En ik, mijn boeken moe, ging stil naar bed.
Wat ging er mis? Wat moet ik schrijven? Schrijf,

schrijf het, schrijf het op, smeer je wijsheid uit,
kom brallen op mijn stoep. Ik ga naar bed.

(Menno Wigman, Mijn naam is legioen)

Zoals de aartsvader Jakob vocht met God, zo vocht Menno Wigman met de poëzie. Probeer maar eens uit te schrijven of de ik in dit gedicht nu blij is dat ‘de uitvaart van het boek’ nabij is.  Een van de sterkste formuleringen ooit van een cliché-gedachte over het nut van boeken – we lezen om te leren hoe te leven – wordt gevolgd door de mededeling dat de auteur zijn boeken moe is en naar bed gaat. Waarna hij toch, toch weer, gaat schrijven als een bezetene, en de literatuur oproept om op zijn stoepje te komen brallen. En dan alsnog gaat slapen. Lees verder >>

‘U hoeft niet te doen alsof u bekende Nederlanders kent.’ De Internet Poëzieprijs 1998

Iemand moet ooit de geschiedenis van de Nederlandse literatuur op internet schrijven. In dit artikel doet pionier Hans van der Kamp een voorzet en beschrijft het wedervaren van de Internet Poëzieprijs, twintig jaar geleden.

Door Hans van der Kamp

In 1997 ontstond bij Piet Wesselman, beheerder van een website met links naar Nederlandstalige literatuur, het idee om een Internet Poëzieprijs uit te schrijven. Hij zocht samenwerking met De Opkamer, het eerste tijdschrift voor Nederlandstalige literatuur op het Internet.

Die samenwerking lag voor de hand omdat De Opkamer redelijk veel grote namen aan boord had en bovendien had het tijdschrift een forum dat de Open afdeling heette waar iedereen zonder tussenkomst van de redactie bijdragen kon plaatsen. Een idee dat ik als hoofdredacteur van de uitgave vaak heb betreurd, omdat de Open afdeling regelmatig de server overbelastte en veel tijd besteed moest worden aan het sussen van verhitte discussies op het platform. Wanneer drie of vier mensen immers tegelijk een commentaar plaatsten, dan crashte de forumsoftware. Lees verder >>

‘Iets nieuws, iets nieuws’

C.O. Jellema’s verlangen naar oorspronkelijkheid in poëzie van Menno Wigman

Door Louisa van der Pol

“Had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.” Met deze regel uit zijn gedicht ‘Tot besluit’, uit: Dit is mijn dag 2004, lijkt Menno Wigman een verlangen naar originaliteit uit te drukken. Een originaliteit die onbereikbaar lijkt want, zo begint en eindigt het gedicht, “Ik ken de droefenis van copyrettes,”. Zijn laatste bundel, Slordig met geluk 2016, die kort voor zijn overlijden genomineerd werd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs, lijkt een, zoals Maria Barnas de bundel typeert in de Volkskrant van 30 januari 2016, “relaas van een magistraal falen” te zijn.

Toch kan de zin, met de nadrukkelijke herhaling “iets nieuws, iets nieuws”, moeilijk opgevat worden alsof de dichter met tegenzin kopieert. Zijn kopiëren is een bewuste keuze. Zo memoreert Arjan Peters in de Volkskrant van 1 februari 2018 een uitspraak van de dichter dat hij gedichten schreef met “daarin haren en stukjes nagel van bewonderde voorgangers”, want “poëzie zien doet poëzie schrijven.” De vraag is dan wel hoe en waarom hij een bepaalde tekst of gedachte van een ander een plaats gaf in eigen poëzie. Of, met andere woorden, wat is de functie van de intertekstualiteit van andere teksten in zijn werk? Die vraag komt heel sterk op bij het lezen van zijn gedicht ‘Afscheid van mijn lichaam’ uit: Slordig met geluk, dat vrijwel geheel een kopie is van C.O. Jellema’s gedicht ‘Waarom niet, lichaam’ uit: Droomtijd 1999. Om de diepere betekenis van Wigmans werk te achterhalen is het zinvol beide gedichten met elkaar te vergelijken. Lees verder >>

In de poëzie heeft niemand gelijk. Interview met Menno Wigman

Menno Wigman, 2016
Bron: Wikipedia

Aan het eind van de twintigste eeuw was De Opkamer  het eerste Nederlandse literaire tijdschrift op internet. De gisteren overleden dichter Menno Wigman (1966-2018) was er  een tijdje redacteur, maar voor die tijd werd hij door hoofdredacteur Hans van der Kamp geïnterviewd. De Opkamer is al lang niet meer op internet te vinden. Met toestemming van Van der Kamp herplaatsen wij het oorspronkelijke vraaggesprek hier integraal. Van der Kamp: “Interessant is dat de woorden rechtstreeks uit de pen van Menno komen, op een paar vragen van mij na. Het was eigenlijk een interview met zichzelf.” [redactie Neerlandistiek]

Toen redacteur Marc Schoorl je werk hier introduceerde, gebeurde dat met de nodige omzichtigheid. Zo moest ik plechtig beloven dat ik de inspringers in je gedichten zou respecteren. Ben je wat neurotisch als het om de vorm gaat?

Ik vind het belangrijk dat er in die gedichten bij elke even regel wordt ingesprongen, omdat het de afzonderlijke regels meer gewicht geeft. Daarnaast moet er een vervreemdende werking van uit gaan, omdat dat inspringen doorgaans alleen door oude Romeinse dichters werd gedaan, al zie je het ook in de voorgaande eeuwen gebeuren. Ik hoop dat mijn gedichten zich door die typografische afwijking van de rest onderscheiden, maar om er nu een halszaak van te maken… Lees verder >>