Tag: Martinus Nijhoff

Werelden van verschil: Friedrich von Hardenbergs en Martinus Nijhoffs Novalis

Door Peter J.I. Flaton 

Zelf herleidde hij zijn studie aan de mijnbouwacademie in Freiburg en het ambtenaarschap bij de zoutmijnindustrie (hij wist hoe het er ‘daarbeneden’ aan toe ging) enerzijds en zijn artistieke attitude anderzijds aan de combinatie van de discipline van zijn vader (een vroom hernhutter, wars van vertoon en als hij mijnbouwinspecteur) en de levensstijl van zijn oom Gottlob Friedrich bij wie hij opgroeide en die hem leerde ‘adelsstolz’ te zijn. 

Feit is, dat Friedrich van Hardenberg (2 mei 1772-25 maart 1801) de wereld sociaalvaardig en zelfbewust tegemoet treedt. Als Friedrich Schlegel hem in 1792 ontmoet, is hij direct onder de indruk van zijn kwikzilverige intellect: ‘Nie sag ich so die Heiterkeit der Jugend’. Ludwig Tieck ziet in hem ‘die reinste und lieblichste Verkörperung eines hohen unsterblichen Geistes’ (hier en in wat volgt laat ik me leiden door Ricarda Huchs Die Romantik, Ausbreitung, Blütezeit, Verfall, verschenen in 1899-1902 en nog steeds relevant, c.q het hoofdstuk “Novalis”, 64-80 en Rüdiger Safranski’s Romantik. Eine Deutsche Affaire, München, 2007, c.q. hoofdstuk 6 over Novalis, 109-132). 

Lees verder >>

Door het mysterie geraakt: Het uur u als epifanie

Door Peter J.I. Flaton 

Aan het slot van Stephen Hero, James Joyces autobiografische roman,  verwoordt de protagonist zijn poëtica: ‘to record (….) epiphanies with extreme care’ als de ‘the most delicate and evanescent of moments’ en  hij noemt zo’n ogenblik ‘a sudden spiritual manifestation, whether in the vulgarity of speech or of gesture or in a memorable phase of the mind itself’. Van zulke epifanieë zijn de verhalen in Dubliners illustraties en ook in Ulysses zijn ze aanwijsbaar. 

Lees verder >>

Olga van Marion leest Martinus Nijhoff

Het verblijf – dag 22

STEUN ONS IN DE VERBLIJFKOSTEN

Vandaag: Olga van Marion leest ‘De soldaat die Jezus kruisigde’ van Martinus Nijhoff.
Olga van Marion doceert Nederlandse literatuur en (theater)cultuur van de Vroegmoderne Tijd aan de Universiteit Leiden. Martinus Nijhoff (1894-1953) was dichter, toneelschrijver, vertaler en essayist.

Presentatie, format, productie en muziek: Michiel van de Weerthof. Het verblijf wordt mede mogelijk gemaakt door de Nederlandse Taalunie.

Sandra Kiela leest Martinus Nijhoff

Het verblijf – dag 20

Sandra Kiela is docent Nederlands aan het Herman Jordan Montessori Lyceum in Zeist.
Martinus Nijhoff (1894-1953) was een van de weinige modernistische dichters van Nederland.

Presentatie, format, productie en muziek: Michiel van de Weerthof. Het verblijf wordt mede mogelijk gemaakt door de Nederlandse Taalunie.

Help mee de verblijfkosten te verlichten! Op petje.af

Jubileumboek van een bedrijf dat ten onder ging

Door Marc van Oostendorp

“Het is waarachtig geen toeval”, schrijft Bob Jongschaap aan het begin van zijn boek Martinus Nijhoff N.V. 1853-2002, “dat zelfs van de bekendste Nijhoff-telg, de dichter Marinus Nijhoff, geen volwaardige biografie bestaat”. Daarvoor is volgens Jongschaap het leven van de Nijhoffs op het persoonlijk vlak te weinig opwindend. De familie Nijhoff was kennelijk te druk met werken bezig om er ook nog een interessant leven op na te houden.

Jongschaap, die zelf decennialang voor de firma heeft gewerkt, schreef daarom een boek over dat werk: de prachtige firma Martinus Nijhoff, die niet alleen (vooral wetenschappelijke) boeken uitgaf, maar ook een heel fraaie boekwinkel en antiquariaat op het Lange Voorhout in Den Haag had, en in de hoogtijdagen misschien nog wel het succesvolst was als exporteur van boeken.

Lees verder >>

En sloeg en sloeg en sloeg

Door Wiel Kusters

Gerard David,(?-1523): Christus aan het kruis genageld, ca. 1481
National Gallery

Eind 1916, begin 1917, schreef M. Nijhoff het volgende gedicht, dat ik citeer uit de in 1993 verschenen  historisch-kritische editie, die werd verzorgd W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn.

De soldaat die Jezus kruizigde

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief –’
 Liefde als een gruwelijk geheim begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

 Nu, als een dwaas, een spijker in de hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In iedren muur, in iedren balk of stam,
Of in mijn arm, of, hurkend in het zand

En antwoord, als de menschen mij wat vragen:
‘Hoor je den dreun van verre hamerslagen?’

Het gedicht beleefde zijn eerste publikatie in de tweede jaargang van Het getij, mei 1917. Wie deze versie vergelijkt met de tekst zoals hij nu in de gewone editie van de Verzamelde gedichten te lezen valt, kan zich verbazen over een aantal verschillen, – waarvan de vervanging van een z door een s in ‘gekruizigde’ wel de minste betekenis heeft. Lees verder >>

De psalmen van de moeder

Door Jos Joosten

Geboren als schipperskind heb ik me altijd over één passage in de Nederlandse poëzie verbaasd. In Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’ beschrijft de dichter, zoals bekend, hoe hij in het gras aan de Waal ligt, zijn thee drinkend. Er vaart een schip voorbij, waarop hij een vrouw ziet staan.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

Volgens mij werd er nog nooit gewezen op het volstrekt onaannemelijke van juist deze ervaring. In werkelijkheid had Nijhoffs ‘moeder’ een flinke geluidsinstallatie ter beschikking gehad moeten hebben om met gezang op de rivieroever hoorbaar te zijn. De Waal is de breedste rivier van het land, met gemiddelde breedtes (afhangend van de waterstand) van 200 tot 400 meter. Het schip vaart buiten de kribben in de vaargeul, dus een flink eind van de oever vandaan. Feitelijk is Nijhoffs beeld onmogelijk (je ziet hoe snel iedereen verandert in een vintage Maarten ’t Hart, als je toevallig iets weet van vroeger). Lees verder >>

Aan het roer / bij het roer

Door Henk Wolf

Het gedicht ‘De moeder de vrouw’ van Martinus Nijhoff staat opeens volop in de belangstelling. Een deelonderwerp van de discussie is het woordje bij in ‘bij het roer’. De vrouw op het schip in Nijhoffs gedicht staat ‘bij het roer’, terwijl ze in een conceptversie ervan ‘aan het roer’ stond. Nijhoff kan die verandering simpelweg hebben aangebracht omdat er in dezelfde regel ‘aan dek’ stond en twee keer aan niet zo mooi is, maar er zijn ook mensen die er betekenis in lezen. Mijn collega Coen Peppelenbos heeft daar op Tzum dit stukje over geschreven.

Ik denk dat je niet te veel betekenis moet willen lezen in de tekstuele wijziging. Daarvoor is het zaak om te beseffen dat aan en bij in de verschillende variëteiten van het Nederlands nogal eens synoniem zijn en dat de mogelijkheid om die woordjes te verwisselen per streek en per periode nogal eens verschillend kan zijn. Je kunt nu in het hele gebied zonder al te veel betekenisverschil ‘bij het water’ en ‘aan het water’ staan. In het hele taalgebied kun je ‘bij de bank rechts afslaan’, in Vlaanderen ook ‘aan de bank’. In het hele taalgebied kun je ‘aan de tafel’ zitten te eten, in het noorden ook ‘bij de tafel’. De een zet z’n afval ‘aan de weg’, de ander liever ‘bij de weg’. Nu kopen we stof ‘aan de meter’, in de achttiende eeuw ‘bij de el’. Lees verder >>

O, dat daar mijn moeder voer

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (143)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap, wijd en zijd –
laat mij daar midden uit oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

(Martinus Nijhoff)

Niet alleen ieder woord telt, in dit gedicht, maar zelfs de plaatsing van ieder woord. Hoewel Martinus Nijhoff bekend staat als iemand die zijn gedichten maakte van alledaagse taal, staan er in dit gedicht een paar constructies die aan de aandacht van de grammatici lijken te zijn ontsnapt. Bijzonder is bijvoorbeeld het ‘wat zij zong dacht ik dat psalmen waren’ dat langs de randen van de grammatica scheert. Maar het opvallendst is misschien wel de een na laatste regel.

Lees verder >>

Druppelend water op de koffie

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (141)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Martinus Nijhoff

Dit sonnet is waarschijnlijk de bekendste verbetering van de twintigste eeuw. De dichter had al eerder een gedicht gepubliceerd dat er sterk op lijkt: Lees verder >>