Tag: Marcellus Emants

Haagse romans

Door Marc van Oostendorp

Omslag ;Hartstocht achter de horden;

Den Haag is de fascinerendste stad van Nederland, de enige grote stad aan de zee, de enige stad met een duidelijk gevoeld standsverschil tussen de bewoners. En in de periode vanaf ongeveer 1860 tot aan de Eerste Wereldoorlog was Den Haag een stad die een enorme bevolkingsexplosie doormaakte.

Den Haag is in die zin misschien ook wel de literairste stad van Nederland. Natuurlijk wonen er in Amsterdam meer schrijvers, en trekken vooraanstaande Haagse schrijvers (S. Carmiggelt, J.J. Voskuil) zelfs al heel lang naar de hoofdstad. Maar het fenomeen van Haagse roman heeft geen parallellen elders. In Rotterdam is er misschien wat hoekige dichtkunst, in Utrecht is er Ingmar Heytze, maar echte genres kun je dat toch niet noemen.

Lees verder >>

Inwijding Haags leven van Marcellus Emants (ii de taal)

Door Siemon Reker

De vader van Tonia spreekt een volkse variant (getuige “as twee droppele water”) die Emants ontegenzeggelijk nauwkeurig in de notatie probeerde te vangen. Als de oude man aan Theo de boodschap brengt dat z’n dochter is overleden, begrijpt Theo dat ze zelfmoord gepleegd heeft. De oude man legt vervolgens uit dat het in de buurt kwam, maar zelfmoord? “Nou…. da’ za’k nie zegge; maar u weet toch wel, asda’ de dokter gezeid had: vooral nie veul lope. Niewaar?…. Nou…. z’ ontzag d’r helemaal niet. Tot an ‘t strand toe heit ze gelope…. in huis was ‘t maar trap op, trap af en as ‘k d’r wa’ van zee, dan…. dan gaf ze me ‘n grote mond. ‘k Verrek nog liever van daag dan morrege. Da’ zee ze…. da’ zee ze…. alle dag.”

Dit is dus andere taal dan wat er eerder klonk uit de mond van oom Huizingen en dat is tegen het einde niet veranderd. Als de relatie tussen Theodoor en Tonia verbroken is en daarna zelfs definitief geworden door haar dood, vergeeft de familie hem zijn langdurige misstappen. Dán wil oom aarzelend wel een hand uitsteken om Theo’s loopbaan te helpen bevorderen: “Je aanleg, zie je… daarmee moeten we toch rekening houwen. Wat? – Meestal openbaart zich die aanleg wel in iemands wensen…. iemands liefhebberij. Wat je graag doet, doe je in den regel ook goed. Wat? – Heb jij liefhebberij in het ambtenaarswerk?”

Oom (alleen voor Theo’s moeder heet hij George, voor anderen niet, vrouwen hebben in deze tijd bij uitstek voornamen, mannen veel minder) uit zich weliswaar hoorbaar in spreektaal (getuige houwen ‘houden’) maar dat is van een andere orde dan bijvoorbeeld Theodoor. Hoe klinkt hij? Theo heeft na zijn afstuderen inmiddels z’n leerschool gehad en oom kan nu begrijpen dat hij eindelijk bereid is naar hem te luisteren, zo kan hij horen: “‘Ja, oom, ja, ja, dat ben ik…. Als u de goedheid wil hebbe me ‘n raad te geve, dan zal ik die raad opvolge…. Zeker…. zeker.’” Oom spreekt woorden uit met –en, Theo meestal op –e.
Tussen de sociaal hoogste taalvariant van professor Huizingen en de laagste die in het boek voorkomt, die van Tonia’s vader, bevinden zich diverse lagen zoals die dus van Theo (en zijn collega’s) en verschillende meer of minder volkse vormen uit de mond van vrouwen. Het sterkst is dat het geval bij Tonia waardoor Emants haar geringe sociale status maximaal onderstreept. Als zij op haar eigen ziekbed ook nog de dood van haar kat Dirkie (een kat met een naam, 1900!) te verwerken krijgt, vertelt ze Theo: “Och, ik hieuw zo veel van me beessie en hij hieuw zoveel van mijn. Acht jare lang heb ik ‘m gehad. Wat kon ie me koppies geve, as ik lang uit was geweest en weer t’huis kwam…. Al z’n kleintjes heb ie me gebrocht…. Hij heb d’r zoveel gehad…. zóveel…. o, wel meer dan vijftig. En nou bennen al de kindertjes weg en Dirkie zelf is dood…. As ik wat liefs heb, dan mag ‘k ‘t nooit houwe…. nooit…. nooit. Altoos wordt ‘t m’ afgenome.” Ze kanne en ze zalle zijn verder opvallende persoonsvormen die Tonia gebruikt. Als ze iets van Theo gedaan wil krijgen, kiest ze zelfs helemaal aparte taal in de vorm van “grappige, gemaaktnaïeve woordjes: ‘O, ja, o, ja! Schien weet mannetje ‘t zelf niet; maar hij heb me zo bang gemaakt, zo vreselik bang! O, chom! Ik leefde al haast nie meer.’” Lees verder >>

Inwijding Haags leven van Marcellus Emants (i de inhoud)

Door Siemon Reker

Inwijding Haags leven begint met het moment dat iemand als jurist afstudeert en zijn voogd-oom hem met een aantal levenslessen de wijde wereld in stuurt. De oom van de net beëdigde advocaat is hoogleraar in het Staats- en administratiefrecht. De roman eindigt (in mijn editie 430 bladzijden later) met een epiloog waarin duidelijk wordt wat de volgende maatschappelijke stap van Theodoor van Onderwaarden is geworden. Daarin speelde die oom, Baron Huizingen, een doorslaggevende rol maar in het grootste deel van het boek is hij verder bijna helemaal afwezig. Wat Theodoor op die 430 pagina’s meemaakt is zijn inwijding in het leven van Den Haag rond 1900

Het boek had daarom ook Leerschool kunnen heten, in de tegenwoordige tijd wellicht Postdoctoraal, of een andere term die iets vergelijkbaar initiërends uitdrukt. Nu moest Marcellus Emants in Een woord vooraf melden dat hij besefte dat Carel Vosmaer niet eens zo lang voordien óok een boek met de titel Inwijding had geschreven: plagiaat opgeheven. Lees verder >>