Tag: literatuurgeschiedenis

Realistisch frame (4)

Gert de Jager
 
Wat voorafging:

Vijf ‘frames’, cognitieve schema’s die bepalen hoe we de wereld zien, hebben de afgelopen tweehonderd jaar een belangrijke rol gespeeld in de literatuurgeschiedenis. Aldus Thomas Vaessens in zijn Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur. Of en in hoeverre daar iets voor te zeggen valt, zou moeten blijken aan de hand van het gedicht dat vorige week zondag op de poëziekalender van Van Oorschot te vinden was: Afkomst van Gerard den Brabander. Het realistische frame belichtte zekere aspecten van het gedicht, het romantische frame weer andere. Een probleem was de koppeling van de frames aan onbehagen met typische aspecten van de moderne wereld – een cruciaal element in Vaessens’ redenering. Het onbehagen in het gedicht van Den Brabander lijkt daar los van te staan. Dat onbehagen gaat verder. Of dieper.

 

Het derde frame is het avantgardistische frame: 

‘De literaire tekst wordt opgevat als een interventie; hij grijpt in in het leven van de lezer doordat hij die lezer confronteert met vormen en uitdrukkingswijzen die zodanig nieuw en ongewoon zijn dat ze desoriënterend en activerend werken (270).’ 

‘Die lezer’ – welke lezer is dat?  Lees verder >>

Realistisch frame (3)

Gert de Jager
 
Opvallend aan Vaessens’ romantische frame is dat het zo lijkt op het realistische frame. In plaats van de realistische tegensteling tussen ‘menselijk’ en ‘onmenselijk’ hebben we nu een romantische tussen ‘organisch’ en ‘mechanisch’. Het mechanische kennen we van het realistische frame en daar had het dezelfde negatieve lading.  Dat heeft alles te maken met de moderniteit: ‘de term ‘mechanisch’ veronderstelt de subteksten van de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw en het denken van de Verlichting,’ schrijft Vaessens op blz. 156. Wie vanuit die subteksten framet, koppelt het mechanische aan begrippen als: star, gefixeerd, lineair, doelgericht, koud. Een echte romanticus wil het organische:  

‘De term ‘organisch’ veronderstelt een biologische subtekst: de wereld van de in vrijheid levende en groeiende dingen en de wijze waarop die wereld metaforen levert voor de kracht van de menselijke verbeelding en creativiteit.’

Wat de lezer nu waarneemt is spontaan, warm, natuurlijk, beweeglijk, ongepland.

De attitude van de lezer – daarin zit het echte verschil. Lees verder >>

Realistisch frame (2)

Gert de Jager

 
De frames van de lezer en het gedicht van Den Brabander. Ik citeer het nog een keer: 

Afkomst 

Hij maakte haar een kind;
dat kind ben ik.
Hij heeft haar nooit bemind:
hij was niet snik.
’t Was kermis en hij was bezopen;
‘t werd een weerbarstig broek-afstropen…
En toen kwam ik.
Voor het fatsoen heeft men mij laten dopen.
 

De literair-historische achtergrondkennis waar ik het eerderover had, kennis van het Nederlands en andere vormen van boerenintuïtie maken dat ik het realistische frame als eerste probeer in te zetten. Een kwestie van wegstrepen. In Vaessens’ realistische frame wordt een literaire tekst opgevat ‘als een representatie van de werkelijkheid en als onderdeel van de geschiedenis: de tekst presenteert een wereld die de lezer kan herkennen’. En: ‘De belangrijkste poëticale norm die in het realistische frame geldt, is de norm van menselijkheid: goede fictie maakt de abstracties van de geschiedenis invoelbaar door echte, herkenbare mensen op te voeren als actoren in die geschiedenis’ (220). 

Echte, herkenbare mensen hebben we hier wel. Lees verder >>

Realistisch frame (1)

Gert de Jager

En toen de praktijk. Het gedicht op de kalender van Van Oorschot vandaag: 

Afkomst 

Hij maakte haar een kind;
dat kind ben ik.
Hij heeft haar nooit bemind:
hij was niet snik.
’t Was kermis en hij was bezopen;
‘t werd een weerbarstig broek-afstropen…
En toen kwam ik.
Voor het fatsoen heeft men mij laten dopen.

 

Niet direct een wereldgedicht, maar wel een gedicht waarop Vaessens’ frames vat zouden moeten hebben. Uit de Verzamelde verzen van Gerard den Brabander, fameus bohemien uit het midden van de twintigste eeuw. Samen met Hoornik en Van Hattum een van de Drie op één perron, de bloemlezing uit 1938 waarin de werkelijkheid van de crisistijd níetwerd ontkend in lyrisch geruis. Lees verder >>

Thomas Vaessens, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur-III (slot)

Door Fabian Stolk

Vandaag gaat alles (behalve het verduimnagelen van plaatjes in Blogger) goed. Varen op de Utrechtse Nieuwegracht en Drift, elektrisch voortgedreven; toch maar een benzinemotor gekocht overigens; en het is zomer. En ik heb Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur van Vaessens uit. Die hoeft dus niet mee naar het strand straks (metonymisch, dat, want ik ga niet naar het strand op vakantie).

Open vs. gesloten

Het hoofdstuk over het laatste denkraam, het postmodernistische, heb ik met plezier gelezen (het margepotlood dommelde in zijn etui).
Lees verder >>

Lezen door een 3D-bril

Over Thomas Vaessens’ Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur

Door Marc van Oostendorp


hip filmpje

Het werk van de Amsterdamse hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Thomas Vaessens is fascinerend om te volgen. Hij werkt hard en hij denkt altijd serieus na over zijn vak. Daarbij probeert hij verder te kijken dan de individuele beschrijving van een enkel meesterwerk. Hij probeert een theorie te bouwen, antwoorden te vinden op grotere vragen. Wat is literatuur? Hoe moeten we de ontwikkeling van de literatuur begrijpen? Of haar plaats in de samenleving? En wat is daarbij de rol van de literatuurwetenschapper?
Soms verandert hij daarbij van mening en van richting, zoals dat hoort bij iemand die met zulke ingewikkelde dingen bezig is. En hij nodigt uit om met hem mee te denken, hem tegen te spreken en je door hem dan soms toch weer te laten overtuigen.
Zijn nieuwste boek, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur, is zijn beste, vind ik. 

Lees verder >>

Thomas Vaessens, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur-II

Door Fabian Stolk

De kneep

De kneep van dit boek (ik ben nog maar tot pagina 330 gevorderd), zit erin dat Vaessens de chronologisch en historisch verhalende benaderingswijze van de moderniteit combineert met een conceptuele en transhistorische werkwijze waarmee hij literaire teksten bespreekt. Hij legt dit als volgt uit (p. 11):

Wij zeggen niet: ‘Multatuli is een romanticus’, maar bijvoorbeeld wel: ‘Max Havelaar kan gelezen worden vanuit het romantische frame’. Een tekst (of een auteur) hoeft in onze optiek namelijk niet romantisch te zijn om romantisch gelezen te kunnen worden. En wanneer Max Havelaar inderdaad romantisch gelezen kan worden, dan sluit dat niet uit dat ook andere frames productieve leesstrategieën bieden. Multatuli’s roman komt bijvoorbeeld in bijna alle hoofdstukken van deel II aan de orde. Kennelijk kan de tekst op verschillende manieren met de moderne wereld in verband gebracht worden, reden dat hij al zo lang springlevend is.

In werkelijkheid komt die roman, afgaand op het register, alleen voor in de hoofdstukken over het romantische, het realistische en het postmodernistische frame.
Lees verder >>

Thomas Vaessens, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur

Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2013. Paperback met flappen. 472 bladzijden.

Door Fabian Stolk

Gevorderd

Nu ik dit noteer [01-07-2013], ben ik pas gevorderd tot bladzijde 309. Ik ben dus geen beginneling meer, maar gevorderde. Maar ik ben nog niet aan de meet. En zou er dus nog mijn toetsenbord over moeten houden. Totdat ik het uit heb. Want ik wil niet meedoen aan het dom krakeel der kranten. Maar ik wil wel wat terugroepen tegen dat hol gevat van de recensies, die niet van enige vakkennis getuigen, hooguit van eenvoudige lekenergernis. Ergernis die ik me wel kan voorstellen, want het boek is – denk ik, nu ik tot pagina 309 gevorderd ben – in ieder geval niet wat de titel doet denken dat het is. Het is geen overzicht van alle, om een of andere reden belangrijke, invloedrijke, goede en/of bijzondere literaire boeken van de afgelopen ruim tweehonderd jaar.
Lees verder >>

Online Jan Cremer-veiling

Full Disclosure:

The Art and Life (and Loves) of Jan Cremer

                       Door Bart FM Droog

De veilingmeester van de Grote Jan Cremer-veiling bericht: “Aan de vooravond van 50 jaar Ik Jan Cremer rekent de onverbiddelijke bestseller-schrijver definitief af met iedereen die hem voor een opschepper of een fantast hield. De collectie die nu door Adams wordt aangeboden, bevat een overvloed aan bewijsstukken voor de ongelofelijke verhalen van de rusteloze jongen uit Enschede die in zijn eentje de kunst, de literatuur en de wereld veroverde, en niet te vergeten de meest begeerde vrouwen van zijn tijd.”

Dit gebeurt online, op: http://jancremerveiling.nl/

Naast kunstwerken en Cremeriana worden ook gedichten geveild van onder meer Arie Visser, Hans Sleutelaar, C.B. Vaandrager en Andre Kuyten.
Lees verder >>

Halfhartig verzet tegen Napoleon

Door Marc van Oostendorp 

De Fransen zijn nu bijna 200 jaar geleden uit ons intens geliefde vaderland vertrokken – in november 1813 verdween het leger van Napoleon uit ons land. In de jaren ervoor had ons land ernstig te lijden onder de bezetting: de economie kreeg een enorme klap doordat alles ten dienste van Parijs werd gesteld en daarnaast werden de Nederlanders in hun vrijheden beknot.

Hoe reageerden de Nederlanders daarop? Over die vraag buigt de Nijmeegse literatuurwetenschapper Lotte Jensen zich in haar boek Verzet tegen Napoleon. Volgens haar luidt “het standaardbeeld” dat “de Nederlanders de Franse onderdrukking lijdzaam ondergingen en dat ze zich nauwelijks tegen het Franse regime verzetten.” Daar is ze het niet mee eens: ze meent dat er wel degelijk sprake was van verzet.

Om Jensens argumenten te accepteren moet je wel bereid zijn om een wat eigenaardige definitie van verzet te volgen.
Lees verder >>

Eerste Voorjaarslezing Ruusbroecgenootschap door Anna Dlabacova over de Spieghel der volcomenheit van Hendrik Herp (Antwerpen, vr 22 februari 2013)

Op vrijdag 22 februari 2013 vindt de eerste lezing in een reeks van vier Voorjaarlezingen van het Ruusbroecgenootschap plaats. Plaats en tijd: Stadscampus van de Universiteit Antwerpen, lokaal Annexe, Rodestraat 14 (niet ver van de Paardenmarkt en het Sint-Jansplein), van 14.00 tot 16.00 u.
Deze lezing wordt gegeven door Anna Dlabacova (Universiteit Leiden) met als onderwerp: “Mystiek en observantie. Herps Spieghel der volcomenheit in de Lage Landen, c. 1450-1550.”
Lees verder >>

Een bekrompen leesstrategie

Ik heb een bekrompen smaak op het gebied van de dichtkunst. Zo lees ik eigenlijk nooit buitenlandse dichters. Ik hou er niet van om gedichten in vertaling te lezen, en ik houd er ook niet van om gedichten te lezen in een taal die niet mijn moedertaal is. Maar mijn bekrompenheid gaat eigenlijk nog verder, merkte ik toen ik het onlangs verschenen Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen van Thomas Vaessens en Jos Joosten las. Zij bespreken daarin zeven ‘eigentijdse’ dichters. Van die zeven houd ik wel van Robert Anker, Arjan Duinker en Tonnus Oosterhoff, maar niet van Peter Holvoet-Hanssen, Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Peter Verhelst. De eerste drie zijn Nederlanders, de laatste vier zijn Vlamingen. Houdt mijn poëtische nieuwsgierigheid op bij Wuustwezel?

Postmoderne poëzie heeft aan mijn voorkeur voor moderne Nederlanders boven moderne Vlamingen in ieder geval weinig kunnen veranderen. Het is een duidelijk en zakelijk geschreven boek waaruit ik veel geleerd heb over de verschillen tussen modernisme en postmodernisme, en vooral het werk van de dichters waar ik toch al van hield beter kan begrijpen en plaatsen.

Die zakelijkheid is groter dan in de vorige boeken die ik van Vaessens en Joosten gelezen heb. Dat blijkt al uit een vergelijking van de titel van dit boek met die van de eerdere boeken — ‘Circus Dubio & Schroom’ en ‘De verstoorde lezer’ van Vaessens, en ‘Onttachtiging’ van Joosten. Ik vind dat wel een prettige ontwikkeling in het werk van beide schrijvers, die verzakelijking.

De auteurs leggen helder uit hoe de postmodernisten modernistische ideeën zoals dat een tekst coherent moet zijn, ‘achter zich hebben gelaten’, dat zij ‘niet langer geloven dat’ een tekst de indruk moet geven van voltooidheid, of dat er de stem van een auteur in te horen moet zijn. Door die helderheid krijg je af en toe de indruk dat Vaessens en Joosten menen dat die postmodernisten het gelijk aan hun kant hebben met hun opvattingen. Het is in dat licht opvallend dat de tekst waarin dit alles wordt uitgelegd zo coherent is, zo voltooid, en af en toe ook de stem van de auteurs laat horen. Als Vaessens en Joosten al waarde zien in het postmodernistische procédé voor de dichtkunst, dan in ieder geval niet voor het letterkundige essay.

Dat laatste lijkt me maar goed ook, want mij lijken al die uitgangspunten hopeloos. Ik wil best geloven dat de eenheid van het individu of de eenheid van de tekst of de eenheid van de werkelijkheid allemaal ‘illusies’ zijn en dat de werkelijkheid een grote chaos is. Maar als dat allemaal zo is, dan kan het hele idee van ‘literatuur’ ook alleen maar een illusie zijn, en zie ik niet dat er een speciale reden is om een dichtbundel van, pakweg, Peter Holvoet-Hanssen ter hand te nemen. Het internet staat vol met incoherente, onoorspronkelijke, vrijwel auteurloze teksten, die bovendien allerlei aannames die je in het dagelijks leven maakt ‘ter discussie stellen’ (een term die Vaessens en Joosten geregeld gebruiken), daar hoef je de boekwinkel niet voor binnen te stappen.

Waarom dus een postmoderne dichter lezen? Vaessens en Joosten beantwoorden deze vraag niet voldoende, in ieder geval niet voor mij. Ze gebruiken het begrip ‘leesstrategie’, en ze betogen uitgebreid dat een ‘modernistische’ leesstrategie niet volstaat om een postmodernistisch gedicht te lezen. Maar welke leesstrategie ik als eenvoudige lezer dan wel zou moeten volgen om een dichtbundel van Holvoet-Hanssen te kunnen waarderen, is mij na het lezen van Postmoderne poëzie niet duidelijk.

In hun epiloog schrijven de auteurs bijvoorbeeld: “We hebben het in dit boek steeds over leeswijzen gehad. Als afzetpunt schetsten we de moderne invalshoek, die teruggaat op de gedeelde beginselen van modernisme en New Criticism. De postmoderne lezer aanvaardt dat er open plekken (blijven) bestaan, en gaat ervan uit dat de dichter niet tevoren bewust betekenis in het gedicht legt.” Deze passage is (net als veel vergelijkbare passages) negatief geformuleerd: een postmodernistische ‘leesstrategie’ gaat niet uit van de modernistische veronderstellingen. Maar wat je dan moet doen om voldoende genoegen te beleven aan een tekst om hem ook helemaal te lezen, weet ik nog altijd niet.

Er zit in ieder geval iets heel paradoxaals in om een boekje te moeten kopen van een bepaalde dichter om je door die dichter te laten vertellen dat het dichterschap een illusie is, of dat de wereld incoherent is. Een mens heeft geen dichters nodig om tot die conclusie te komen, zou je denken. Het lijkt wel alsof je vooral postmodernistische poëzie moet lezen om te kunnen laten zien dat je niet meer in achterhaalde modernistische conventies gelooft. Alsof de postmoderne leesstrategie een ‘etiquetteregel’ is, waarmee je kunt laten zien dat je weet hoe het hoort, zoals Verdaasdonk (2002) zegt.

Daar zit wat mij betreft ook het verschil tussen de Vlaamse schrijvers die Vaessens en Joosten behandelen, en de Nederlanders. Bij de Nederlandse schrijvers is er, bij alle postmodernisme, nog wel wat over dat ik, verstokte modernist die ik kennelijk ben, kan begrijpen: bij Oosterhoff is er een interessant spel met vormen (zoals blijkt uit de bewegende gedichten op zijn website http://www.tonnusoosterhoff.nl/), bij Duinker is er een duidelijk navoelbare zinnelijkheid (‘Ik omhels je, dichtgeslibde haven./ Ik omhels je, kalme steen./ Voel mijn naaktheid.’), en in de bundel die Vaessens en Joosten van Anker bespreken (‘Goede manieren’) is wel degelijk sprake van een determineerbare inhoud, zonder al te veel ‘open plekken’. Om het werk van de Vlaamse dichters te verklaren, moeten Vaessens en Joosten veel meer verwijzen naar het filosofische werk van postmodernistische denkers als Barthes en Derrida. Ik zie weinig in die denkers, en dus weet ik niet wat ik met de dichters aanmoet. En omdat ik nu eenmaal geen ‘professionele lezer’ ben, maar alleen maar voor mijn plezier lees, laat ik uiteindelijk teksten waarmee ik me geen raad weet, maar terzijde. Als ik graag fragmentarische teksten wil lezen, tik ik wel ‘oehoeboeroe’ in bij Google.

Met die laatste gedachte troost ik me maar. Ik houd heus veel van Vlaamse schrijvers en dichters, als het maar degelijke modernisten zijn zoals Boon of Claus of Lanoye. Vlaamse dichters als Holvoet-Hanssen zijn de verkeerde weg ingeslagen, door teksten te gaan schrijven waarvan niemand tot nu toe heeft weten uit te leggen waarom je ze zou moeten lezen. Het wachten is alleen maar op de postpostmoderne poëzie, zodat ik ook weer mijn horizon kan verruimen tot in ieder geval él;én buurland.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl
Met dank aan Thomas Vaessens.

Literatuur
Vaessens, Thomas, en Jos Joosten. 2003. Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen. Vantilt, Nijmegen.
Verdaasdonk, Hugo. 2002. Etiquette-regels voor de analyse van literatuur. Neerlandistiek.nl 02.04, naschrift 2. (http://www.neerlandistiek.nl/02/04/naschrift2.html)