Tag: literatuurgeschiedenis

Nine van der Schaaf (1882-1973) van dienstmeisje tot dichter

En: de vloek van Venema

Door Bart FM Droog

Nieuw op de Nederlandse Poëzie Encyclopedie (NPE): het lemma over Nine van der Schaaf. Ze was een van de weinige vrouwen die, vooral dankzij Albert Verwey en diens vrouw Kitty Verwey-van Vloten, zich van dienstmeisje tot dichter en prozaïst kon ontwikkelen. Zie: www.nederlandsepoezie.org/
dichters/s/schaaf.html

Haar werk en vooral haar gedichten, die nog steeds verrassend eigentijds overkomen, zijn ietwat in de vergetelheid geraakt.

Lees verder >>

Verschenen: De lichtheid van literatuur. Engagement in de multiculturele samenleving.

Zojuist verschenen: De lichtheid van literatuur. Engagement in de multiculturele samenleving.
Maria Boletsi, Sarah De Mul, Isabel Hoving en Liesbeth Minnaard.Met een voorwoord van Geert Buelens.

De lichtheid van literatuur is een warm pleidooi voor de maatschappelijke relevantie van literatuur. Het boek mengt zich in de eeuwenoude discussie over literatuur en sociaal engagement, die recent opgeflakkerd is in de Nederlandstalige letteren. De specifieke focus van dit boek is de functie van de literatuur in het debat over de multiculturele samenleving – een van de meest urgente thema’s in de Nederlandstalige maatschappij van vandaag.

Lees verder >>

Een lekker grillige canon

Door Marc van Oostendorp

De leeslijst is het soort boek waardoor je zin krijgt je baan op te geven. Wie het uit heeft, wil niets anders dan onderdak vinden bij een weldoener en dan alleen nog maar lezen: middeleeuwse kluchten, zeventiende-eeuwse klassiekers, achttiende-eeuwse toneelstukken, negentiende-eeuwse realistische romans, twintigste-eeuwse dichtbundels.

In het boek zetten Nijmeegse letterkundigen 222 werken uit de Nederlandstalige literatuur op een rij. Het 1e werk is een fragmentarisch overleverde vertaling (de Wachtendonckse psalmen), het 222e is De leeslijst zelf. Daarin melden de samenstellers dat de lijst “enkel en alleen [is] samengesteld op basis van de voorkeuren en prioriteiten van Nijmeegse docenten en onderzoekers” en dat de oorspronkelijke opzet was dat de medewerkers “ook met literaire werken [konden] verpozen uit andere perioden dan die van het eigen specialisme”.

Lees verder >>

Louis Ferron als mens

Door Marc van Oostendorp


Het boek Alles waan van de Berlijnse hoogleraar Nederlandse letterkunde Jan Konst gaat volgens de ondertitel over Louis Ferron (1942-2005) en het Derde Rijk, maar je kunt het ook lezen als een betoog tegen het postmodernisme en voor de persoonlijkheid.

Ferrons werk is volgens Konst teveel met een postmoderne bril bezien in de Nederlandse literatuurbeschouwing, als boeken over de onbegrijpelijkheid van de wereld en de gefragmenteerdheid van de persoonlijkheid en het individu. Maar waarom, vraagt Konst, zou een schrijver die dat soort onderwerpen wil beschrijven, daarvoor vijf keer teruggrijpen op de onnoemelijke verschrikkingen in het Derde Rijk?

Lees verder >>

Writing Literary History: Europe 1900-1950 [Herhaalde oproep]

Van 14 tot en met 16 september 2015 vindt de conferentie Writing Literary History plaats aan de Universiteit Leuven, georganiseerd door het MDRN research lab(www.mdrn.be). Hieronder volgt de tekst van de call for papers, waarin nu ook de namen van de keynote speakers zijn opgenomen. De deadline voor het indienen van abstracts is over een maand: 4 mei 2015. Meer informatie op de nieuwe website van de conferentie:  www.writingliteraryhistory.be.
Writing Literary History: Europe 1900-1950
14-16 September 2015, University of Leuven
INVITED SPEAKERS: Michael North – Marjorie Perloff – Gilles Philippe – Gisèle Sapiro – Ted Underwood
This conference is an initiative of the MDRN research lab at the University of Leuven (www.mdrn.be), which focuses on European literature from the (long) first half of the twentieth century. Recognizing that (modern) literary history is currently one of the main sites of theoretical and methodological reflection in literary studies, the conference aims to take stock of recent scholarship and to investigate how literary historical research has modified our understanding of writing between 1900 and 1950. We welcome proposals for papers which consider the following overall research questions and perspectives:

Lees verder >>

Enquête: Het best speelbare Nederlandstalige toneelstuk (In Reprise)

Vanmiddag wordt in Spui 25 in Amsterdam de uitslag bekend gemaakt van een enquête naar de best speelbare Nederlandse toneelklassiekers. Deze enquête maakt deel uit van het project In Reprise, en werd gelanceerd als onderdeel van de festiviteiten rond het 50-jarig jubileum van de vakgroep Theaterwetenschap (UvA). Uit de aankondiging:

In reprise wil Nederlandse toneelstukken, die ooit volle zalen trokken en die acteurs én het publiek tot geestdrift brachten, opnieuw onder de aandacht brengen. Dat gebeurt vanuit de overtuiging dat iedere bloeiende theatercultuur een verzameling canonieke teksten moet hebben; teksten die om de zoveel tijd door een nieuwe generatie theatermakers tegen het licht moeten worden gehouden. Alleen op die manier kan het theater spiegel van zijn tijd zijn. In Nederland bestaat zo’n reeks canonieke teksten helaas niet, dit in tegenstelling tot de ons omringende landen. Op Hoop van zegen en Gijsbreght van Aemstel kent iedereen (?), maar Elckerlijc, de Spaanschen Brabander, Aran en Titus, Eva Bonheur, The family, Hofscènes, Hitchcocks driesprong, Kras, Doodrijp zijn slechts namen, ook voor het doorgewinterde theaterpubliek.

Ruim tweehonderd mensen uit de toneelwereld, academici en toneelliefhebbers hebben op basis van een longlist van 100 stukken hun favorieten aangewezen, wat nu resulteert in een lijst van 25 stukken die het verdienen om repertoire te houden, en misschien het enthousiasme voor de overige 75 stukken ook aanwakkeren.
Lees verder >>

Nederlandstalige poëzie uit de Eerste Wereldoorlog (2)

Door Bart FM Droog

Herinnering weggevaagd door Tweede Wereldoorlog

De oorlog die van 1940-1945 in onze contreien woedde, veroorzaakte zo mogelijk nog méér leed dan die van 1914-1918. Dat bracht met zich mee dat ook in de literatuur de aandacht zich op 1940-1945 (en in andere landen 1939-1945) richtte. Toch verdween de Eerste Wereldoorlog nooit helemaal uit beeld, omdat in landen als Engeland, Frankrijk en België het aantal militaire slachtoffers in 1914-1918 significant hoger lag dan in 1940-1945.

Dichters

De meeste Nederlandstaligen waren in 1914-1918 geen militair. Het gros van de Nederlandstalige Eerste Wereldoorlogsgedichten is dan ook buiten de loopgraven geschreven. Bij bekende én onbekende Vlaamse en Nederlandse dichters. Eén van hen was Hermanus van Sijn (1853-1930). Hij was de huisdichter van het Geïllustreerd Volksblad voor Nederlanden, volgens de schrijvers van het voorwoord in zijn postuum verschenen bundel Bereid den vrede (1931), een ‘rond-eerlijken pacifist en fellen oorlogshater.’

Twee dagen na de Duitse inval in België, op 6 augustus 1914, publiceerde hij het – voor zover mij bekend – vroegste Nederlandstalige Eerste Wereldoorlogsgedicht:

OORLOG

Vervloekt zij de Oorlog,

                          op alle wijs.
Die menschen maakt tot
                          kanonnenspijs;
Vervloekt zij de Oorlog,
                          driewerf vervloekt,
Die in ellende
                          zijn lauw’ren zoekt!

Heet dàt Beschaving,
                          Humaniteit,
Die heel Euroop naar
                          den afgrond leidt?
Heeft àl dat “kunnen”
                          ’t zóó ver gebracht,
Dat door die grootheid
                          verderf ons wacht?

Wèl mocht gij stichten,
                          o, Vorstenschaar!
’t Paleis des Vredes…
                          Eén somb’re maar
Doortrilt heel de aarde
                          en schreit het uit:
Wie van U doofde
                          de lont bij ’t kruit!?

H. van Sijn.

Lees verder >>

Nederlandstalige poëzie uit de Eerste Wereldoorlog (1)

Door Bart FM Droog
Wat opvalt aan recent verschenen bloemlezingen met poëzie uit de Eerste Wereldoorlogspoëzie, is dat het gehalte aan Nederlandstalige verzen erg klein is.  

Honderd jaar geleden stak er een storm op die later bekend werd als De Grote Oorlog, na 1939 de Eerste Wereldoorlog genoemd. De oogst van dit conflict bestond uit verwoeste landschappen, dorpen en steden en miljoenen doden en verminkten. Toch heeft dit conflict ook iets van waarde opgeleverd: toeristische trekpleisters en gedichten.

De toerististische W.O.-I attracties zijn bekend: de Vlaamse Westhoek (Ieper), de verdwenen Zeppelinhangars bij Gent, het  onlangs gesloopte Engelse Kamp te Groningen, etcetera. Maar terwijl we bijkans gebombardeerd worden met Duits-, Engels-, Italiaans-, Japans, Russisch-, Servo-Kroatisch-, Turks- en anderstalige oorlogsgedichten uit 1914-1918 (zoals in Geert Buelens’ Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de eerste wereldoorlog (2008)), kennen we nauwelijks Nederlandstalige oorlogspoëzie uit die tijd. Hoe komt dat? 

De meest voor de hand liggende reden is dat men bij ‘oorlogspoëzie’ denkt aan gedichten die aan het front geschreven zijn. Nu was Nederland neutraal en Vlaanderen grotendeels bezet. Ergo: het is niet vreemd dat het brede publiek denkt dat er dús weinig Nederlandstalige poëzie in de Eerste Wereldoorlog is geschreven – op een handvol juweeltjes van Agnita Feis, Paul van Ostaijen en Albert Verwey en de bloed-en-bodemverzen van enkele extremistische Vlaamse dichters na. Einde verhaal. Of toch niet?

Lees verder >>

Writing Literary History: Europe 1900-1950


Van 14 tot en met 16 september 2015 vindt de conferentie Writing Literary History plaats aan de Universiteit Leuven, georganiseerd door het MDRN research lab (www.mdrn.be). Hieronder volgt de tekst van de call for papers. Het inzenden van voorstellen is mogelijk tot 4 mei 2015.
This conference is an initiative of the MDRN research lab at the University of Leuven (www.mdrn.be), which focuses on European literature from the (long) first half of the twentieth century. Recognizing that (modern) literary history is currently one of the main sites of theoretical and methodological reflection in literary studies, the conference aims to take stock of recent scholarship and to investigate how literary historical research has modified our understanding of writing between 1900 and 1950. We welcome proposals for papers which consider the following overall research questions and perspectives: 
 

Lees verder >>

Nel Benschop gelemmaliseerd

Door Bart FM Droog

Met de productie van het Nel Benschop-lemma is een groot hiaat in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie gedicht. Want Nel Benschop (1912-2005) behoorde met de eveneens orthodox-protestantse Enny IJskes-Kooger (1913-2010) en Co’t Hart (1929) tot de best verkopende Nederlandstalige dichteressen uit de twintigste eeuw, met Nel Benschop als absolute uitschieter.

Van haar debuutbundel Gouddraad uit Vlas verschenen tenminste 64 drukken. Het boek werd minimaal 250.000 keer verkocht (nadat het manuscript door een hele serie uitgeverijen was geweigerd). In totaal werden ruim drie miljoen van haar boeken verkocht – dat althans was de score in 2011. En nog steeds is haar werk gewild: in 2013 verscheen de zoveelste Nel Benschop poëziescheurkalender  en begin 2015 verschijnt een nieuwe bloemlezing uit haar werk bij uitgeverij J.H. Kok (inmiddels een imprint van VBK Media te Utrecht).
Lees verder >>

Niet de as bewaren, maar het vuur doorgeven

Over Wat er op het spel staat van Cyrille Offermans

Door Marc van Oostendorp

De laatste schrijver aan wie Cyrille Offermans een essay wijdt in zijn nieuwe boek Wat er op het spel staat is Joke van Leeuwen, een schrijfster die zowel voor kinderen als voor volwassenen geschreven heeft. Dat een ernstig literatuurbeschouwer als Offermans, deskundige op het gebied van algemeen als moeilijk bekend staande experimentele schrijvers als Gerrit Kouwenaar, Jacq. Vogelaar en Ivo Michiels, waardering zou hebben voor kinderboeken, verwacht je op het eerste gezicht niet. 
Maar na lezing van deze nieuwe persoonlijke literatuurgeschiedenis, zie je dat Van Leeuwen voor hem zo’n beetje de ideale schrijver moet vertegenwoordigen. “De kinderlijke spontaniteit”, schrijft hij, “is opgelost in precieze en vormgeving, in een geraffineerde verstrengeling van verhalen, talloze impliciete verwijzingen en onuitgesproken betekenissen. Daarmee cultiveert ze een vorm van feestelijkheid die maatschappelijk op zijn retour is. Veel tijdgenoten, niet eens alleen jongeren, zien een feest als een orgie van ongeremdheid, liefst collectief te ondergaan in een staat van verdoving die eindigt in een kater van doffe, hulpeloze sprakeloosheid.”
Van Leeuwen lijkt daarmee een paradox op te lossen die in zijn lezersleven gaandeweg voor Offermans is ontstaan.

Lees verder >>

De duivel, misschien wel

Over enkele regels van Lucebert
door Gert de Jager
Wie door Brabant of Limburg rijdt, komt ze bijna altijd tegen en wie er is opgegroeid, kent ze zeker: de immense gebouwencomplexen waar tot diep in de jaren vijftig de monnikspijen ruisten en de kappen van de nonnen niet gesteven genoeg konden zijn. Scholen zijn het geworden, appartementencomplexen, bedrijfsruimtes voor de creatieve sector. Nauwelijks twee generaties geleden waren het strak georganiseerde brandpunten van wereldverzaking: mannen en vrouwen van allerlei rangen en standen legden hun beloften af om te worden opgenomen in een parallelle wereld waarin onder meer het ideaal van de zuiverheid menselijke verhoudingen reguleerde. Zuiverheid of kuisheid: dat er af en toe gretig gezondigd werd, is de afgelopen jaren nogal duidelijk geworden. Aan het ideaal waarop het samenleven was gebaseerd, zal het niets hebben afgedaan. Het werd nog meer van een niet-menselijke orde dan het al was.
De parallelle wereld is verdwenen en daarmee, in de moderne westerse cultuur, de institutionalisering van de wereldverzaking. Lees verder >>

Kloos omdat het moet? Literatuurgeschiedenis in academisch onderzoek en onderwijs

Vrijdag 16 mei, Universiteit Leiden, Lipsius (Cleveringaplaats 1), zaal 003, 14.30-17.00 uur

Sprekers: Frits van Oostrom, Jacqueline Bel, Thomas Vaessens, Ralf Grüttemeier, Inger Leemans en Gert-Jan Johannes. Voorzitter: Yra van Dijk

Waarom weet iedere student Nederlands wie Kloos was, maar kent vrijwel niemand Melati van Java? Waarom bespreken we wel de roman Turks Fruit in colleges, maar niet de film? Literatuurgeschiedenis is over het algemeen stilzwijgend gebaseerd op onveranderlijke opvattingen over literatuur en vooral over literaire kwaliteit. Doen we daarmee genoeg recht aan de dynamische, maatschappelijke, intermediale en interculturele aspecten van onze letterkunde? En als we overeenkomen dat literatuurgeschiedenis ook ruimte moet geven aan andere verhalen, hoe vertellen we die dan aan studenten? Hoe kunnen we selectief zijn en toch de ruimte geven aan middle-brow romans, aan media, of aan het verband dat literatuur legt met discoursen in wetenschap, kunst of politiek?

Lees verder >>

Het positieve aan Wilders

Door Bart FM Droog

Het gezwets van de heer Wilders, eerder deze week in ‘s-Gravenhage, is van positieve invloed geweest op zowel de Nederlandse samenleving als op de literatuur en de literatuurgeschiedenis. De samenleving heeft zich massaal en zonder voorbehoud voor, naast en achter de burgers van Marokkaanse afkomst geschaard. Dat is zonder meer positief te noemen.

Uitzonderingen op de regel zijn de premier en de koning – maar daarvan wisten we al dat het een gepappeblaard pappelepeeërsduo is.

Terug naar de literatuur: me afvragend hoe ik me moest verhouden tot Wilders’ belofte dat hij de deportatie van de Mocro’s gaat regelen, moest ik denken aan dit gedicht, van de Duitse theoloog Martin Niemöller:

Als die Nazis die Kommunisten holten,
habe ich geschwiegen,
ich war ja kein Kommunist.

Lees Mei

Door Bas Jongenelen
De vrijdag voor de kerstvakantie bespraken mijn studenten en ik Mei van Gorter (timing is everything in comedy). Uiteraard ging het over sensitivisme, estheticisme, l’art pour l’art en Kloos & Perk. Een ander punt was de indeling op hoofdgenre: hebben we te maken met epiek of lyriek? Bij epiek zijn er gebeurtenissen en verstrijkt er tijd, bij lyriek gaat het om gevoelens en verstrijkt er geen tijd. In Mei wordt een verhaal verteld waarin tijd verstrijkt – een hele maand maar liefst! Anderzijds is het een verhaal in poëzie; en als vorm en inhoud één zijn, dan wijst deze vorm toch vooral op het lyrische. Een ingewikkeld ding dus, die Mei. Eén van de studenten opperde een experiment: als we Mei in proza uitgeven, zou het dan leesbaarder en duidelijker zijn? Daarom hieronder het eerste stukje Mei in proza. Wat denkt u, moet de herdruk helemaal zo vormgegeven worden?

Lees verder >>

Een literaire ruzie in 1660

Titelpagina van de Princelycke lof-dichten.
Den Haag, Koninklijke Bibliotheek.
Door Bas Jongenelen
In de Koninklijke Bibliotheek wordt een dun boekje uit 1660 bewaard: Princelycke lof-dichten met gheluck-wenschen ende liedekens, gherymt door de vry lief-hebbers van den Wijngaert, onder den tytel van Groyen en Bloyen tot Brussel. Toe ghe-eyghent aen Joannes Van Laer, prins vande selve vergaderinghe. Vreemd genoeg is dit boekje door niemand opgemerkt en kon het eeuwen lekker rusten in het archief. Tot literatuurjager Remco Sleiderink weer eens actief werd en het boekje ter hand nam.

Lees verder >>

Juryrapport Gerrit Komrij-prijs 2013

De tweede Gerrit Komrij-prijs gaat naar Rick Honings en Peter van Zonneveld voor hun biografie van Willem Bilderdijk: De gefnuikte arend (Uitgeverij Prometheus / Bert Bakker, Amsterdam). De werken van Bilderdijk worden tegenwoordig eigenlijk niet meer gelezen, en ook de man zelf is min of meer vergeten. Met deze biografie wordt recht gedaan aan de vreselijke man die Bilderdijk was. Vreselijk en juist daardoor interessant. 

Lees verder >>

Prijsvraag bij boekpresentatie ‘Worm en donder’

Op 12 december 2013 verschijnt bij Uitgeverij Bert Bakker/Promotheus Worm en donder, deel IV in de reeks Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur, geschreven door Inger Leemans en Gert-Jan Johannes. Worm en donder beslaat de periode 1700-1800.

Ter gelegenheid van de boekpresentatie roepen de auteurs, geheel in de geest van het achttiende-eeuwse sociabiliteitsideaal, een ‘prijsvraag’ uit over een of meer van de volgende onderwerpen:
Lees verder >>

Literatuurgeschiedenis als geologisch landschap

Door Marc van Oostendorp


Stel dat je een grote stapel onbekende romans zou moeten sorteren in boeken die in 1950, 1975 en 2000 verschenen zijn. Iemand die een beetje gelezen heeft, zou die taak vermoedelijk met redelijk succes kunnen uitvoeren. Waar ligt dat aan? Waarom heeft de Nederlandstalige letterkunde nu een andere toon en inhoud dan die van zestig jaar geleden? Dat ligt lang niet alleen in veranderingen in de taal en de maatschappelijke zeden; er is ook iets veranderd in wat we als literatuur beschouwen. Wat is dat? En hoe komt het eigenlijk dat zulke opvattingen veranderen?

Anne Marie Musschoot is ‘erehoogleraar’ moderne Nederlandse literatuur in Gent, en een van de twee hoofdredacteuren van de monumentale reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Ze publiceerde nu een bundel opstellen van ongeveer de laatste twintig jaar over allerlei onderwerpen uit de Nederlandse (vooral: Vlaamse) literatuur met de titel Verschuivingen en ontgrenzingen. Zoals die titel al zegt, vindt zij het de taak om individuele oeuvres en auteurs aan elkaar te verbinden langs allerlei draden van de geschiedenis.

Lees verder >>

De Muze-reeks

Ongekend hoge oplages voor poëziebloemlezingen

Door Bart FM Droog

Tijdens de Boekenweken 1949-1964 verscheen naast het Boekenweekgeschenk ook een speciale poëziebloemlezing ‘voor de jeugd’, die ‘voor ‘weinig geld’ te koop was. De zestien in deze serie verschenen titels staan bekend als de Muze-reeks.

Nu klopt het niet helemaal dat ze speciaal voor de jeugd gemaakt waren. De samenstellers (onder meer M. Vasalis, Clara Eggink en Victor E. van Vriesland) kozen gedichten zonder rekening te houden met de leeftijd van de lezers. Louis Th. Lehmann berichtte daar in 1953 in Het Vrije Volk over: “Wanneer deze uitgave in de eerste plaats voor de jeugd is bedoeld, dan vrezen wij, dat toch veel onbegrepen zal blijven. Maar goed, het papier is geduldig en de boekenkast ook.”

Wat wel klopt is dat ze ‘voor weinig geld’ te koop waren. Van fl. 0,35 in 1949 tot fl 0,90 in 1964. Omgerekend naar nu (met inflatiecorrectie) gaat het om bedragen van € 1,49 tot € 2,33.
Lees verder >>

Ik wou dat ik twee hondjes

Nieuwe ontwikkelingen

Door Bart FM Droog

Tot enkele dagen geleden dacht men dat Spleen (een van de bekendste Nederlandse gedichten uit de 20ste eeuw, aan Godfried Bomans (1913-1971) toegeschreven maar door Michel van der Plas (1927-2013) in of vóór 1954 gemaakt) een variatie was op het Duitstalige gedicht Ballade der großen Müdigkeit van de Oostenrijkse schrijver Friedrich Torberg (1908-1979). De slotregels van Torbergs 68-regelige poëem luiden:

ich möchte gern zwei kleine Hunde sein

und miteinander spielen.
In Spleen is het:
Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen.

Het overlijden van Michel van der Plas bracht historicus Jan Dirk Snel ertoe om “Ik wou dat ik twee hondjes was” in het Historisch Krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek na te zoeken. Daar vond hij tot zijn grote verrassing een bericht in het Algemeen Handelsblad van 29 april 1929 waarin dít voorkwam:

‘Verzuchting van een vijfjarigen knaap: “Ik wou, dat ik twee hondjes was, dan kon ik met elkaar spelen.”’
Lees verder >>

Realistisch frame (slot)

Gert de Jager
 
Merkwaardig in Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur van Thomas Vaessens is dat er iets ontbreekt wat doet denken aan zijn framebegrip en in de jaren tachtig furore maakte in de literatuurwetenschap: het concept literatuuropvatting. Het werd min of meer gelijktijdig geïntroduceerd door J.J. Oversteegen en Hugo Verdaasdonk – door de eerste in zijn boek Beperkingenen door de tweede in een serie artikelen in De Revisor en in zijn proefschrift Literatuurbeschouwing en argumentatie. Verdaasdonk liet zien dat veel literatuurwetenschappelijk getheoretiseer nauw verbonden was met een poëtica en niet het soort kennis opleverde dat je van wetenschappelijke kennis mocht verwachten. Veel bevindingen zijn niet wetenschappelijk, maar – mijn adjectief is het niet – literatuuropvattelijk. Omdat dat het geval was vond Oversteegen dat de literatuurwetenschapper zich in zijn vraagstellingen moest beperken. Wie streeft naar algemene geldigheid van zijn uitspraken zal vaak de denkbeelden van anderen beschrijven: hij wordt een analyserende historicus. 
 
Veertien opvattingen omtrent de rol van literatuur onderscheidde Oversteegen in heden en verleden. Hij definieerde het concept literatuuropvatting als ‘de beschrijving van de denkbeelden van een (groep) auteur(s) of een (groep) lezer(s) omtrent aard en funktie van de literatuur, uitgebreid met een beschrijving van de strategieën als deze een programmatisch karakter hebben’ (66). Het ligt niet zo heel ver af van de manier waarop Vaessens het begrip ‘frame’ definieert: als ‘een denkraam, een cognitief schema dat bepaalt hoe we de wereld zien’ (111). Wat Vaessens wel heeft en Oversteegen niet, is de psychologische theorievorming rond het concept. Lees verder >>

Realistisch frame (6)

Gert de Jager
 
Afkomst van Den Brabander volgens het modernistische frame en dus als een perfect mechaniekje. Wat valt er te zien? 

Afkomst 
 
Hij maakte haar een kind;
dat kind ben ik.
Hij heeft haar nooit bemind:
hij was niet snik.
’t Was kermis en hij was bezopen;
‘t werd een weerbarstig broek-afstropen…
En toen kwam ik.
Voor het fatsoen heeft men mij laten dopen.  

Veel parallellie, om te beginnen. De tweede, de vierde en de zevende regel met hun rijm en hun vier woorden van één lettergreep.  De inversie in de regel die eindigt met ‘ik’ en die terugkomt in de andere regel die eindigt met ‘ik’ – één regel na het begin, één regel voor het einde. De overige vijf regels die visueel de versregel steeds verder opvullen. Syntactische parallellie en rijm in één en drie en in vijf en zes. Antimetrie en een merkwaardige samenstelling in regel zes: iconische versnelling. De slotregel loopt metrisch ook niet helemaal lekker en is bovendien de langste van allemaal. Na regel zes moet hij wel iconisch worden opgevat: achteloos en razendsnel wordt de boreling opgenomen in de wereld van het fatsoen.
 
Bronzwaers Lessen in lyriek is binnen het Nederlandse taalgebied de ultieme codificatie van zo’n wijze van poëziebeschouwing. Iconiciteit vormt daarin het ultieme leerstuk. Wat, na het romantische en het realistische frame, opvalt is dat zaken van een andere orde worden waargenomen. De authentieke expressie van een subject, een panorama van gelabelde tegenstellingen – het vereist een andere blikrichting dan de waarneming van tekstuele samenhang; de waarnemingen hoeven elkaar bovendien niet uit te sluiten. Wie leest, kan blijkbaar multifocaal framen. Lees verder >>

Realistisch frame (5)

 Gert de Jager

Twee soorten lezers. De lezers van literatuur die in de afgelopen tweehonderd jaar bij hun lectuur in totaal vijf frames hebben ingezet: historische lezers. En de lezers tot wie Thomas Vaessens zich richt in Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur en die de frames kunnen gebruiken als ‘productieve leesstrategie’. Die laatste lezers, door Vaessens consequent met ‘je’ aangesproken – voor zichzelf reserveert hij de pluralis modestiae ‘we’; een retorische strategie die ik associeer met brave fenomenologen uit de jaren vijftig: F.J.J. Buytendijk kijkt samen met ons naar ‘De vrouw’ of ‘De pijn’; al kijkend vormen we samen een gemeenschap, een ‘we’; een beetje katholiek waren die fenomenologen wel – zijn wij, anno 2013. Als lezende onderzoekers kunnen we, als we het romantische of het realistische frame inzetten, betekenissen produceren die niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met wat historische lezers aan romantische of realistische betekenissen zagen. Het frame is ons frame. Dat ligt anders bij het avantgardistisch frame dat zo is gedefinieerd dat het alleen maar de leeservaring van een ander kan weergeven: de ervaring van een lezer die gedesoriënteerd raakte dankzij nieuwe en ongewone procedés.  

Daarmee staat het haaks op het modernistische frame: het modernisme à la T.S. Eliot, Nijhoff en Faverey. Dat is het modernisme dat een literaire tekst ziet als een complex mechaniek met een ultieme samenhang die niet zomaar te doorgronden valt. In die samenhang biedt het een alternatief voor een wereld die als chaotisch wordt ervaren, is het een protest tegen de massacultuur die de verworvenheden van de moderne wereld kritiekloos aanvaardt en van individuen consumenten maakt. Autonomie is het sleutelbegrip: de autonomie van de literaire tekst met elementen die uitnodigen tot een technische analyse van hun onderlinge verwevenheid. De lezer leest met een timmermansoog. Lees verder >>