Tag: literaire prijzen

Gedicht: Eva Gerlach – Hoe

Eva Gerlach kreeg vorige week de Awater Poëzieprijs voor Ontsnappingen. Op de Coster-site nog een gedicht uit de bundel.

 

Hoe

Rina heeft spijt als ze iemand vertelt hoe iets moet
al is het alleen maar door een vraagteken bij
iets dat hij schrijft. Alsof zij weet hoe het moet

maar niet wil doen alsof ze vertelt hoe het moet
aan iemand die dat niet weet. Als ze wist hoe het moest
zou ze niet lopen zoeken

naar vragen waardoor het waait, die lijken op oren
aan lege hoofden geplakt, vragen om in te
fluisteren, waar ook weer, hoe begon het, waarom

(Vragen die je kunt tekenen zijn niet de vragen
die iets niet weten. Denkt Rina. Alleen wie nooit iets niet weet

tekent hoe alles moet.)

Eva Gerlach (1948)
uit: Ontsnappingen (2016)

 

Geadicht: Peter Verhelst – Als je geen contact meer hebt met de dingen

Peter Verhelst krijgt de Herman de Coninck-prijs voor zijn een-na-laatste bundel Zing Zing. ‘Als je geen contact hebt met de dingen’ uit die bundel krijgt de Publieksprijs.

Als je geen contact meer hebt met de dingen

Hoor jij dat ook, dat geluid
van meeuwen, maar geen zee? Onmogelijk

na te gaan waar herinnering begint en droom
eindigt. Hou je koude handen onder je kleren

nu de wind opsteekt. Twee wapperende vlaggen
zijn we. Het gevoel dat alles zich achter een deur afspeelt
en dat je ervoor in de rij kan gaan staan.

Twee hevig wapperende vlaggen.
Alsof we iets ongerepts betreden

wat er altijd zal zijn, zeg je hees,
met opgetrokken schouders, mond open, samengeknepen ogen,
een waterdruppel valt in mijn nek.

Neem het jongetje dat je bent
geweest op schoot. Troost hem.

Je legt je handen op mijn borst,
we gaan zo hoog mogelijk op onze tenen staan.

 

Peter Verhelst (1962)
uit: Zing Zing (2015)

 

Jan Campert literatuurprijzen 2016: ‘whites only’?

Door Claire Schut

Afgelopen zondag was in het Haagse Spuitheater het Schrijversfeest, de jaarlijkse bezegeling van het Writers Unlimited Winternachten literatuurfestival en een feestelijk programma rond de uitreiking van de Jan Campert-prijzen. Het was geweldig, genieten. Volgend jaar ga ik weer. Waarom dan toch dat knagende gevoel van teleurstelling?

Aan het entertainment lag het niet. Het was gevarieerd, boeiend, persoonlijk, ontroerend, veel vrolijke noten en gezichten. In een prikkelende inleiding gaf de Nederlands-Surinaamse schrijfster Karin Amatmoekrim (De man van veel, Het gym) haar visie op de ‘Staat van de Nederlandse Letteren’. Haar analyse van de status quo in de Nederlandse literatuurwereld eindigde met een oproep aan schrijvers en intellectuelen om in onze samenleving vol tweedeling en uitsluiting niet langer afzijdig en a-politiek te blijven maar vooral stelling te nemen. De jonge Vlaamse dichteres Charlotte Van den Broeck las enkele van haar gedichten voor. Het publiek mocht met applaus en hoefgetrappel aangeven dat van de drie genomineerde middelbare scholieren de Nederlands-Poolse Paula Golunksa de eerste Jonge Campert-prijs in ontvangst mocht nemen. Lees verder >>

Gratis verwijt tegen de VSB-prijs

In zes lange afleveringen, opgebouwd uit zinnen die, net als een symfonie van Gustav Mahler, maar niet tot een goed einde kunnen komen, beklaagt Gert de Jager zich over de nominatiepolitiek die hij rond de VSB Poëzieprijs vermoedt. Als ik zijn moeizame proza ten volle heb doorgrond, is het elk jaar hetzelfde met die prijs, waarbij bepaalde uitgeverijen worden voorgetrokken ten opzicht van andere. Politiek is nooit interessant, dat bewijst De Jager in elk geval, ook al probeert hij zich tegen ‘de gevestigde orde’ af te zetten, wat op zichzelf sympathiek is.

De Jagers aannames kan ik niet allemaal behandelen, maar drie dingen vielen me in negatieve zin op. Ten eerste. Hij schrijft: ‘In een wereld zonder serieuze poëziekritiek en bij een genre dat ongrijpbaar is, is het aura dat een bundel vergezelt het eerste wat ze waarnemen. Hoe zou het anders kunnen?’ Dat is een wel erg zure oprisping, waarin lezers (andere lezers dan Gert de Jager) worden afgeschilderd als willoze slachtoffers van wat uitgevers ze voorkauwen. De pluriformiteit, ook onder lezers, wordt hiermee in een iets te wilde beweging onder het tapijt geveegd. Niet iedereen die niet leest als Gert is meteen, tja, fout.

Lees verder >>

Het aura van de hobbyclub

Over de nominaties voor de VSB-prijs (6 en slot)
 
door Gert de Jager
Prozaprijzen worden soms uitgereikt aan debutanten of bijna-debutanten en in ieder geval zijn ze tussen de genomineerden vrijwel altijd te vinden. Uit het recente verleden herinner ik me Niña Weijers, Joost de Vries, Peter Buwalda, Jamal Ouariachi, Miquel Bulnes. Op de Librislijst die ik voor me heb, staan de debuten van Raskin, Jongstra, Pointl, Thomése, Benali, Mortier, Novaire, Bakker, Vuijsje en dan zijn me er vast nog een paar ontgaan. Het groepsportret van de VSB-prijs 2016, vier door levenservaring getekende oudere heren plus een jonge vrouw, is voor de grote prozaprijzen niet goed denkbaar.
Het moet te maken hebben met een verschil tussen poëzie en proza. Hoe komt het dat de kwaliteit van schrijvers als Jongstra, Benali, Thomése en Mortier meteen te zien is en die van dichters pas na een langetermijninvestering van de uitgeverij en henzelf? Waarom spelen juist bij poëzie de selectiecriteria van drie of vier uitgeverijen zo’n belangrijke rol en vertrouwt een VSB-jury blindelings op de poortwachtersfunctie die blijkbaar iedereen ze toekent?
Belangrijk is, denk ik, dat uitgeverijen steeds meer als enigen die poortwachtersfunctie zijn gaan vervullen. Het is vaker gezegd: de poëziekritiek is bijna helemaal verdwenen uit de dag- en weekbladen. Eigenlijk kent Nederland op dit moment nog maar één echte papieren poëziecriticus die wat er op de markt komt consequent volgt en er kritisch en intelligent over schrijft: Piet Gerbrandy in De Groene. Tijdschriften als Awater en Poëziekrant proberen de lacune op te vullen, maar die hebben het aura gekregen van de hobbyclub. Lees verder >>

Het aura van de ernst

 
Over de nominaties voor de VSB-prijs (5)                                      
door Gert de Jager
Het aura van de uitgever en de auteur: van de bundels die genomineerd werden voor de VSB-prijs besprak ik er drie en die bleken van zo’n aura niet los te denken. In een fraai stuk schreef iemand die zich Lezeres des vaderlands noemt over iets anders dat voor vier van de vijf bundels ook heel belangrijk lijkt te zijn: het aura van de rijpere man. Boskma, Tellegen, Pfeijffer, Van Istendael – ze zijn allemaal boven de vijfenveertig en in sommige gevallen daar ruim boven. Hun rijpe manzijn blijkt uit een aantal passages die de Lezeres vrolijk citeert. Puur vergeestelijkt worden oudere mannen: zo zetten ze op hun bundels covers die geen vrouw zich kan permitteren. Pfeijffer op zijn verzamelbundel De man van vele manieren; Nolens met Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen:

Mannen mogen alle ruimte innemen die ze willen, zelfs naakt en koketterend met hun lichamelijk verval. Als een vrouw dat zou doen, zou niemand haar meer serieus nemen, laat staan het over haar poëzie hebben.

Aldus de nationale lezeres.

Het aura van de ernst, van de mannelijke gerijptheid – ik geloof dat we mogen vaststellen dat het bij de genomineerde poëzie vooral daarom lijkt te gaan. Heel anders ligt het bij proza, ook geen misselijk genre. Voor Libris, Ako en Gouden Uil worden regelmatig jonge mannelijke schrijvers genomineerd; soms wordt zo’n prijs zelfs toegekend aan een debutant. Lees verder >>

Hoe het is

Over genomineerde dichtbundels en hun aura (4)

door Gert de Jager


Wat voorafging. Bundels die genomineerd worden voor de VSB-prijs, de prijs voor de beste dichtbundel van het jaar, zijn afkomstig van een beperkte hoeveelheid uitgeverijen. Wie de prijs krijgt toegekend, lijkt bepaald te worden door een rouleerschema. Dat het aura van de uitgeverij doorslaggevend is, blijkt uit de casus van Pieter Boskma die na meer dan vijftien bundels overstapt naar de Bezige Bij en dat in een gedicht beschrijft als een drempelervaring. Zijn bundel Zelf is de eerste in zijn hele oeuvre die voor de prijs wordt genomineerd.

Ik zou een vraag proberen te beantwoorden: wat blijft er over van de poëzie in de vijf genomineerde bundels wanneer je het uitgeversaura wegdenkt? Zou ze deze jury nog steeds zijn opgevallen – of welke jury dan ook? Het is lastig om zo’n vraag te beantwoorden zonder kwaliteitsoordelen te vellen en een eigen top vijf te poneren, maar daar gaat het niet om. Het gaat om een inzicht, een diep inzicht, in de mechanismen van het ‘veld’.

Pieter Boskma debuteerde bij In de Knipscheer voordat hij overstapte naar Bert Bakker/Prometheus en een paar decennia later naar De Bezige Bij. De poëzie in Zelf: hoe zouden we die waarnemen wanneer Boskma bij In de Knipscheer was gebleven? Het is goed voorstelbaar: In de Knipscheer is zo ongeveer de sympathiekste uitgeverij van Nederland en die zou deze gedreven oeuvrebouwer alle ruimte hebben gegund. Lees verder >>

Het aura zelf

Over de nominaties voor de VSB-prijs en het Iljaeffect (3)

door Gert de Jager

Het experiment van Ilja Gort – wijn uit een gewone fles, wijn uit een plastic fles, wijn uit een luxe fles en dat allemaal voorgezet aan heuse wijnkenners – is nogal lastig na te volgen als het om poëzie en het aura van een uitgever gaat. Aan welke proefpersonen zou je poëzie uit VSB-bundels kunnen voorzetten? Wat zijn het voor poëziekenners die gedichten van Boskma, Van Istendael, Pfeijffer, Tellegen, Vanhauwaert niet herkennen – van in ieder geval twee of drie van hen? Beter, heel veel beter, is het om als een nijvere taalkundige te vertrouwen op gedachte-experimenten en de hoogsteigen intuïtie. 

Bij de bundel Zelf van Pieter Boskma is dat nog het minst nodig. Vlak na het verschijnen schreef criticus Chrétien Breukers dit:

Stel, dacht ik na lezing van het gedicht, dat een volledig onbekende dichter mij dit zou sturen? Wat zou ik doen? Ik zou allereerst zeggen: snoei alle stoplappen. Lees verder >>

Auratische variabelen: het Iljaeffect

Over de VSB-prijs (2)

door Gert de Jager


De andere Ilja: een mediapersoonlijkheid die, met alpinopet en al, zo voldoet aan het cliché van een Franse wijnboer dat ook hij een personage van Marten Toonder had kunnen zijn. Waar Van ’t Hof in zijn vrolijke filmpje naar verwijst is een heuse proefneming. Connaisseurs krijgen van Ilja wijn ingeschonken uit een gewone fles, een plastic fles en een fles waarvan het glas ruim een euro kost. De wijn uit de plastic fles wordt soms met een vertrokken gezicht uitgespuwd, die uit de luxe fles verzaligd opgedronken. Toch gaat het, u raadt het al, om dezelfde wijn.

Het zijn proefnemingen die vaker in de media opduiken en waarmee goedkope supermarkten willen scoren. Een beetje kinderachtig misschien wel: dat veel producten het vooral of ook van een aura moeten hebben, weten we allemaal. Perfecte imitaties, zelfs wanneer als het gaat om massaproducten als tassen of parfums, zijn minder waard omdat ze het aura van de authenticiteit missen. Als er één product is dat het moet hebben van auratische toeschrijvingen dan is het wel wijn. Het jargon van vinologen dient vast heel veel doelen, maar creëert op de eerste plaats een gemeenschap van kenners en autoriteit.

Wat kennen kenners? Lees verder >>

Het Iljaeffect

Over de VSB-prijs
 
door Gert de Jager
 
De jury die de bundel Nieuwe zon; een megagedicht van Jacob Groot niet nomineert: alsof je in het jaar dat Ulysses verschijnt, aarzelt tussen een prozaprijs voor Herman Robbers en Jo van Ammers-Küller. Hoe valt het te verklaren?
Het is niet de eerste keer dat de nominaties voor de VSB-prijs voor verbazing zorgen – verbazing, discussie en verontwaardiging horen bij het ritueel van literaire prijzen en ook vorige week knetterde Facebook. Maar bij de VSB-prijs is er misschien iets anders aan de hand. De afgelopen jaren wees Ton van ’t Hof – dichter, essayistisch blogger en uitgever (van onder meer, ik zeg het maar even, deze veelgelezen prachtbundel die, ik zeg het maar even, verscheen na de sluitingsdatum voor de VSB-prijs) – in blogberichten en vrolijke filmpjes op wat een heuse bias zou kunnen zijn: bundels die genomineerd worden, zijn afkomstig van een kleine groep uitgeverijen. Dankzij die bias valt er zelfs tot op grote hoogste iets te voorspellen: niet de namen van de bundels die genomineerd zullen worden, maar die van de uitgevers die op de titelpagina zullen staan. Tot bij de uiteindelijke bekroning laat de bias zich gelden. Wie er wint lijkt bepaald te worden door een rouleerschema.
Op Facebook plaatste Van ’t Hof dit geactualiseerde overzicht: