Tag: literaire prijzen

Gedicht: Erik Jan Harmens • U beklijft

Erik Jan Harmens is de winnaar van de Ger Fritz-Prijs, die jaarlijks wordt toegekend aan het mooiste eenzame uitvaart-gedicht van het afgelopen jaar. Harmens schreef het winnende gedicht, ‘U beklijft’, ter gelegenheid van eenzame uitvaart nr. 240, van de heer G. R. op 6 mei 2019.

U beklijft
Voor G. R.

hoe minder ik snap van de wereld
hoe meer de wereld mij niet begrijpt
net als bij dageraad gebeurt dit tegelijk
zon komt op terwijl de maan verdwijnt
u werd dwarsligger genoemd, spaak in het wiel
weggezet als verzetter-om-het-verzetten
u in kuif gepikt zag uw goede naam besmet en
klom in de pen zogezegd, haphaphap, een bijtwoord viel Lees verder >>

De toekomst van de roman is het e-boek

Door Marc van Oostendorp

Ik heb nog nooit een tv-serie op literair niveau gezien. Ik kijk graag tv, maar dan wel naar Smeris, De rijdende rechter of Ik vertrek. Het soort geweldige series van hoog niveau, die je moet bingewatchen, daar heb ik geen geduld voor.

En daarmee mis ik dus de toekomst of zelfs het heden van de roman. Regelmatig lees of hoor je immers dat die series, dat dát nu de moderne manier is van verhalen vertellen. Ook in Geen verlangen zonder tekort, een bundel die Margot Dijkgraaf en Wouter van Gils samenstelden naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van de Libris Literatuur Prijs, kun je die mededeling af en toe tegenkomen.

De bundel is nogal divers. Bekende schrijvers als Arnon Grunberg en Karin Amatmoekrim, wetenschappers als Lisa Kuitert en essayisten als Marja Pruis mogen er komen vertellen waarom de roman nog lang niet dood is. Er is eigenlijk niemand die zegt dat het einde echt nabij is, want dat is geloof ik de belangrijkste functie van de mededeling dat de roman dood is: dat mensen dat dan kunnen komen erkennen. Lees verder >>

‘U hoeft niet te doen alsof u bekende Nederlanders kent.’ De Internet Poëzieprijs 1998

Iemand moet ooit de geschiedenis van de Nederlandse literatuur op internet schrijven. In dit artikel doet pionier Hans van der Kamp een voorzet en beschrijft het wedervaren van de Internet Poëzieprijs, twintig jaar geleden.

Door Hans van der Kamp

In 1997 ontstond bij Piet Wesselman, beheerder van een website met links naar Nederlandstalige literatuur, het idee om een Internet Poëzieprijs uit te schrijven. Hij zocht samenwerking met De Opkamer, het eerste tijdschrift voor Nederlandstalige literatuur op het Internet.

Die samenwerking lag voor de hand omdat De Opkamer redelijk veel grote namen aan boord had en bovendien had het tijdschrift een forum dat de Open afdeling heette waar iedereen zonder tussenkomst van de redactie bijdragen kon plaatsen. Een idee dat ik als hoofdredacteur van de uitgave vaak heb betreurd, omdat de Open afdeling regelmatig de server overbelastte en veel tijd besteed moest worden aan het sussen van verhitte discussies op het platform. Wanneer drie of vier mensen immers tegelijk een commentaar plaatsten, dan crashte de forumsoftware. Lees verder >>

Gedicht: Joost Baars – Het groeien van de ruimte

De laatste VSB-prijs is gegaan naar Joost Baars’ bundel Binnenplaats. Nog een gedicht uit de bundel.

Het groeien van de ruimte

                                voor Thomas Blondeau

dat de sterren gemiddeld tweehonderd lichtjaar ver zijn
weet ik, maar wat

betekent dat? die lengtemaat
is voor niet-natuurkundigen

een mystieke demystificatie.
ik wil zeggen: ik weet niets

van de afstand tussen hen
en mij, ik weet alleen dat
Lees verder >>

Gedicht: Nachoem Wijnberg – Mijn vader gaat naar Amerika

Nachoem Wijnberg krijgt de P.C. Hooftprijs.

 

Mijn vader gaat naar Amerika

Mijn vader gaat naar Amerika, mijn moeder wordt niet oud. dat kan
ook moeilijk anders met het werk dat zij doet.
Zij maakt schoon in de huizen van anderen en aan het einde van de
dag krijgt zij een bord soep om mee naar huis te nemen.
Op school hoef ik niets op te schrijven, één keer horen en ik weet
het voor altijd. Lees verder >>

Gedicht: Elma van Haren – Twee mannen

In 1988 werd de eerste C. Buddingh’-prijs uitgereikt, voor het beste debuut van 1987. de winnares was Elma van Haren.
Download hier het e-boek met een gedicht uit alle in dat jaar genomineerde bundels.

Twee mannen

In krullen vleien zich de herinneringen vast
aan deze man, die anders is, meer doet denken aan.
– Eén kant verdampt al,
een gedaante, lopend door kokende regen.
Nu hij zijn rechterbeen vooruit zet,
vervaagt het been.
Zijn arm wordt bleekgroen,
alsof je door een beslagen ruit kijkt,
waarover druppels lopen.
Een spoor, een staart
van dun water achter zich aan,
het zaad van die man of het haar van die man,
half uit water, half uit vlees,
als een droom over een man.
Hij is gemaakt van schuim, vol blonde haartjes,
die op zijn voeten beginnen, omhoog,
tot aan de grens waar hij zich scheert –
Maar deze man is donker en duidelijk aanwezig. Lees verder >>

Gedicht: Arjen Duinker – Laten we de lucht over de knie leggen

In 1988 werd de eerste C. Buddingh’-prijs uitgereikt, voor het beste debuut van 1987. Er waren acht bundels genomineerd, en uit vijf daarvan leest u deze week een gedicht, geselecteerd door dichteres Hester Knibbe. Komende vrijdag komt er een gratis e-boekje beschikbaar, met daarin een gedicht uit alle acht de bundels – opmerkelijk genoeg van acht dichters die ook vandaag de dag nog poëzie schrijven. Als vierde: Arjen Duinker.
.

Laten we de lucht over de knie leggen,
de wereld omkeren en uitschudden,
de woorden toeschreeuwen,
het heft …

De weg naar de voet van de berg
is onbegaanbaar,
laten we de rivier proberen.

Laten we de stomme huizen aan het schrikken maken,
de stomme stoelen bedreigen,
de kamerjas verbranden!

‘Kom, dingen die blijven en lachen,
merk me op!

We verdrinken het botte mes
en vergeten het bij de wijngaard,
ik zing, jullie begeleiden me,
we gaan samen stroomopwaarts en denken niet
aan afscheid.’

Arjen Duinker (1956)
uit: Rode oever (1988)

Gedicht: Jacobus Bos – Dat je een zuil werd

In 1988 werd de eerste C. Buddingh’-prijs uitgereikt, voor het beste debuut van 1987. Er waren acht bundels genomineerd, en uit vijf daarvan leest u deze week een gedicht, geselecteerd door dichteres Hester Knibbe. Komende vrijdag komt er een gratis e-boekje beschikbaar, met daarin een gedicht uit alle acht de bundels – opmerkelijk genoeg van acht dichters die ook vandaag de dag nog poëzie schrijven. Als derde: Jacobus Bos.
.

Dat je een zuil werd

omdat je omkeek
dat spreekt mij wel aan. En dat
je voor altijd van verre
er prachtig gebeeldhouwd uitzag
als iets dat mijn

leven kon redden
dat prachtig gebeeldhouwd en

schuimend uit zee verrijst: al

liederen zingende – En dat ik
mij naast je neerlegde alsof ik
voor altijd naast je neer zou

liggen: zo over zee uitziend
als een steen over zee uitziet.
Zoals een steen er uitziend

als een steen er uitziet.

Jacobus Bos (1943)
uit: Mijn blauwe evenbeeld (1987)

Gedicht: Pieter Boskma – Één

In 1988 werd de eerste C. Buddingh’-prijs uitgereikt, voor het beste debuut van 1987. Er waren acht bundels genomineerd, en uit vijf daarvan leest u deze week een gedicht, geselecteerd door dichteres Hester Knibbe. Komende vrijdag komt er een gratis e-boekje beschikbaar, met daarin een gedicht uit alle acht de bundels – opmerkelijk genoeg van acht dichters die ook vandaag de dag nog poëzie schrijven. Als tweede een gedicht van Pieter Boskma.
.

Één

en één begaf zich naar Binnen-Turkije
zwom al in denkbeeldige Ephesus bronnen
en voelde de hangende waan van de tuinen
vlak over de heuvels naar Bagdad of naar
Noachse splinters op Mount Ararat.
en één wierp netten in Ligurisch water
droomde de goudgloed ver over Toscane
omhing met flessen het murmelend boegbeeld
en zag in de golven de ankers gevangen
aan borsten straknat in het kleed.
en één riep de tokeh en drumde de regen
uit laag wolkendek en mat
een bloedend gepreveld gebed aan het offer
dat sterft in de Balinese dans.
en één sliep in de stuivende tenten
onder de vochtige rust van kamelen
reeg drie weken gaans naar de navel der wereld
als wat kralen aan vluchtig draad
door nóg één gesponnen die hijgt om zaad.

Pieter Boskma (1956)
uit: Quest (1987)

 

Gedicht: Charles Ducal – Ochtendritueel

In 1988 werd de eerste C. Buddingh’-prijs uitgereikt, voor het beste debuut van 1987. Er waren acht bundels genomineerd, en uit vijf daarvan leest u deze week een gedicht, geselecteerd door dichteres Hester Knibbe. Komende vrijdag komt er een gratis e-boekje beschikbaar, met daarin een gedicht uit alle acht de bundels – opmerkelijk genoeg van acht dichters die ook vandaag de dag nog poëzie schrijven. Als eerste een gedicht van Charles Ducal.
.

Ochtendritueel
Elke morgen worden wij herenigd.
In de keuken ligt het hoofd
onder de kraan. Ik sluit het aan,
het spreekt getrouw de ochtendbede:

brood. Het lichaam is vooraf gesneden,
uit de ijskast dampt de rode pot gelei.
Het offer aan de dag moet sober zijn.
Ik neem en eet, en voed de rede

met de nieuwe toestand in de krant.
Er wordt, zoals ook gister, veel geleden.
Dit verheugt, ik voel het huis in vrede,
hier alleen loopt alles in de hand.

Achter de rug kreunt nog een laatste trede,
droom en slaap plegen hun zwak verzet.
Boven ligt de nacht doorwoeld over het bed.
Het graf is leeg. Hij is herrezen.

Charles Ducal (1952)
uit: Het huwelijk (1987)

 

Gedicht: Eva Gerlach – Hoe

Eva Gerlach kreeg vorige week de Awater Poëzieprijs voor Ontsnappingen. Op de Coster-site nog een gedicht uit de bundel.

 

Hoe

Rina heeft spijt als ze iemand vertelt hoe iets moet
al is het alleen maar door een vraagteken bij
iets dat hij schrijft. Alsof zij weet hoe het moet

maar niet wil doen alsof ze vertelt hoe het moet
aan iemand die dat niet weet. Als ze wist hoe het moest
zou ze niet lopen zoeken

naar vragen waardoor het waait, die lijken op oren
aan lege hoofden geplakt, vragen om in te
fluisteren, waar ook weer, hoe begon het, waarom

(Vragen die je kunt tekenen zijn niet de vragen
die iets niet weten. Denkt Rina. Alleen wie nooit iets niet weet

tekent hoe alles moet.)

Eva Gerlach (1948)
uit: Ontsnappingen (2016)

 

Geadicht: Peter Verhelst – Als je geen contact meer hebt met de dingen

Peter Verhelst krijgt de Herman de Coninck-prijs voor zijn een-na-laatste bundel Zing Zing. ‘Als je geen contact hebt met de dingen’ uit die bundel krijgt de Publieksprijs.

Als je geen contact meer hebt met de dingen

Hoor jij dat ook, dat geluid
van meeuwen, maar geen zee? Onmogelijk

na te gaan waar herinnering begint en droom
eindigt. Hou je koude handen onder je kleren

nu de wind opsteekt. Twee wapperende vlaggen
zijn we. Het gevoel dat alles zich achter een deur afspeelt
en dat je ervoor in de rij kan gaan staan.

Twee hevig wapperende vlaggen.
Alsof we iets ongerepts betreden

wat er altijd zal zijn, zeg je hees,
met opgetrokken schouders, mond open, samengeknepen ogen,
een waterdruppel valt in mijn nek.

Neem het jongetje dat je bent
geweest op schoot. Troost hem.

Je legt je handen op mijn borst,
we gaan zo hoog mogelijk op onze tenen staan.

 

Peter Verhelst (1962)
uit: Zing Zing (2015)

 

Jan Campert literatuurprijzen 2016: ‘whites only’?

Door Claire Schut

Afgelopen zondag was in het Haagse Spuitheater het Schrijversfeest, de jaarlijkse bezegeling van het Writers Unlimited Winternachten literatuurfestival en een feestelijk programma rond de uitreiking van de Jan Campert-prijzen. Het was geweldig, genieten. Volgend jaar ga ik weer. Waarom dan toch dat knagende gevoel van teleurstelling?

Aan het entertainment lag het niet. Het was gevarieerd, boeiend, persoonlijk, ontroerend, veel vrolijke noten en gezichten. In een prikkelende inleiding gaf de Nederlands-Surinaamse schrijfster Karin Amatmoekrim (De man van veel, Het gym) haar visie op de ‘Staat van de Nederlandse Letteren’. Haar analyse van de status quo in de Nederlandse literatuurwereld eindigde met een oproep aan schrijvers en intellectuelen om in onze samenleving vol tweedeling en uitsluiting niet langer afzijdig en a-politiek te blijven maar vooral stelling te nemen. De jonge Vlaamse dichteres Charlotte Van den Broeck las enkele van haar gedichten voor. Het publiek mocht met applaus en hoefgetrappel aangeven dat van de drie genomineerde middelbare scholieren de Nederlands-Poolse Paula Golunksa de eerste Jonge Campert-prijs in ontvangst mocht nemen. Lees verder >>

Gratis verwijt tegen de VSB-prijs

In zes lange afleveringen, opgebouwd uit zinnen die, net als een symfonie van Gustav Mahler, maar niet tot een goed einde kunnen komen, beklaagt Gert de Jager zich over de nominatiepolitiek die hij rond de VSB Poëzieprijs vermoedt. Als ik zijn moeizame proza ten volle heb doorgrond, is het elk jaar hetzelfde met die prijs, waarbij bepaalde uitgeverijen worden voorgetrokken ten opzicht van andere. Politiek is nooit interessant, dat bewijst De Jager in elk geval, ook al probeert hij zich tegen ‘de gevestigde orde’ af te zetten, wat op zichzelf sympathiek is.

De Jagers aannames kan ik niet allemaal behandelen, maar drie dingen vielen me in negatieve zin op. Ten eerste. Hij schrijft: ‘In een wereld zonder serieuze poëziekritiek en bij een genre dat ongrijpbaar is, is het aura dat een bundel vergezelt het eerste wat ze waarnemen. Hoe zou het anders kunnen?’ Dat is een wel erg zure oprisping, waarin lezers (andere lezers dan Gert de Jager) worden afgeschilderd als willoze slachtoffers van wat uitgevers ze voorkauwen. De pluriformiteit, ook onder lezers, wordt hiermee in een iets te wilde beweging onder het tapijt geveegd. Niet iedereen die niet leest als Gert is meteen, tja, fout.

Lees verder >>

Het aura van de hobbyclub

Over de nominaties voor de VSB-prijs (6 en slot)
 
door Gert de Jager
Prozaprijzen worden soms uitgereikt aan debutanten of bijna-debutanten en in ieder geval zijn ze tussen de genomineerden vrijwel altijd te vinden. Uit het recente verleden herinner ik me Niña Weijers, Joost de Vries, Peter Buwalda, Jamal Ouariachi, Miquel Bulnes. Op de Librislijst die ik voor me heb, staan de debuten van Raskin, Jongstra, Pointl, Thomése, Benali, Mortier, Novaire, Bakker, Vuijsje en dan zijn me er vast nog een paar ontgaan. Het groepsportret van de VSB-prijs 2016, vier door levenservaring getekende oudere heren plus een jonge vrouw, is voor de grote prozaprijzen niet goed denkbaar.
Het moet te maken hebben met een verschil tussen poëzie en proza. Hoe komt het dat de kwaliteit van schrijvers als Jongstra, Benali, Thomése en Mortier meteen te zien is en die van dichters pas na een langetermijninvestering van de uitgeverij en henzelf? Waarom spelen juist bij poëzie de selectiecriteria van drie of vier uitgeverijen zo’n belangrijke rol en vertrouwt een VSB-jury blindelings op de poortwachtersfunctie die blijkbaar iedereen ze toekent?
Belangrijk is, denk ik, dat uitgeverijen steeds meer als enigen die poortwachtersfunctie zijn gaan vervullen. Het is vaker gezegd: de poëziekritiek is bijna helemaal verdwenen uit de dag- en weekbladen. Eigenlijk kent Nederland op dit moment nog maar één echte papieren poëziecriticus die wat er op de markt komt consequent volgt en er kritisch en intelligent over schrijft: Piet Gerbrandy in De Groene. Tijdschriften als Awater en Poëziekrant proberen de lacune op te vullen, maar die hebben het aura gekregen van de hobbyclub. Lees verder >>

Het aura van de ernst

 
Over de nominaties voor de VSB-prijs (5)                                      
door Gert de Jager
Het aura van de uitgever en de auteur: van de bundels die genomineerd werden voor de VSB-prijs besprak ik er drie en die bleken van zo’n aura niet los te denken. In een fraai stuk schreef iemand die zich Lezeres des vaderlands noemt over iets anders dat voor vier van de vijf bundels ook heel belangrijk lijkt te zijn: het aura van de rijpere man. Boskma, Tellegen, Pfeijffer, Van Istendael – ze zijn allemaal boven de vijfenveertig en in sommige gevallen daar ruim boven. Hun rijpe manzijn blijkt uit een aantal passages die de Lezeres vrolijk citeert. Puur vergeestelijkt worden oudere mannen: zo zetten ze op hun bundels covers die geen vrouw zich kan permitteren. Pfeijffer op zijn verzamelbundel De man van vele manieren; Nolens met Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen:

Mannen mogen alle ruimte innemen die ze willen, zelfs naakt en koketterend met hun lichamelijk verval. Als een vrouw dat zou doen, zou niemand haar meer serieus nemen, laat staan het over haar poëzie hebben.

Aldus de nationale lezeres.

Het aura van de ernst, van de mannelijke gerijptheid – ik geloof dat we mogen vaststellen dat het bij de genomineerde poëzie vooral daarom lijkt te gaan. Heel anders ligt het bij proza, ook geen misselijk genre. Voor Libris, Ako en Gouden Uil worden regelmatig jonge mannelijke schrijvers genomineerd; soms wordt zo’n prijs zelfs toegekend aan een debutant. Lees verder >>

Hoe het is

Over genomineerde dichtbundels en hun aura (4)

door Gert de Jager


Wat voorafging. Bundels die genomineerd worden voor de VSB-prijs, de prijs voor de beste dichtbundel van het jaar, zijn afkomstig van een beperkte hoeveelheid uitgeverijen. Wie de prijs krijgt toegekend, lijkt bepaald te worden door een rouleerschema. Dat het aura van de uitgeverij doorslaggevend is, blijkt uit de casus van Pieter Boskma die na meer dan vijftien bundels overstapt naar de Bezige Bij en dat in een gedicht beschrijft als een drempelervaring. Zijn bundel Zelf is de eerste in zijn hele oeuvre die voor de prijs wordt genomineerd.

Ik zou een vraag proberen te beantwoorden: wat blijft er over van de poëzie in de vijf genomineerde bundels wanneer je het uitgeversaura wegdenkt? Zou ze deze jury nog steeds zijn opgevallen – of welke jury dan ook? Het is lastig om zo’n vraag te beantwoorden zonder kwaliteitsoordelen te vellen en een eigen top vijf te poneren, maar daar gaat het niet om. Het gaat om een inzicht, een diep inzicht, in de mechanismen van het ‘veld’.

Pieter Boskma debuteerde bij In de Knipscheer voordat hij overstapte naar Bert Bakker/Prometheus en een paar decennia later naar De Bezige Bij. De poëzie in Zelf: hoe zouden we die waarnemen wanneer Boskma bij In de Knipscheer was gebleven? Het is goed voorstelbaar: In de Knipscheer is zo ongeveer de sympathiekste uitgeverij van Nederland en die zou deze gedreven oeuvrebouwer alle ruimte hebben gegund. Lees verder >>

Het aura zelf

Over de nominaties voor de VSB-prijs en het Iljaeffect (3)

door Gert de Jager

Het experiment van Ilja Gort – wijn uit een gewone fles, wijn uit een plastic fles, wijn uit een luxe fles en dat allemaal voorgezet aan heuse wijnkenners – is nogal lastig na te volgen als het om poëzie en het aura van een uitgever gaat. Aan welke proefpersonen zou je poëzie uit VSB-bundels kunnen voorzetten? Wat zijn het voor poëziekenners die gedichten van Boskma, Van Istendael, Pfeijffer, Tellegen, Vanhauwaert niet herkennen – van in ieder geval twee of drie van hen? Beter, heel veel beter, is het om als een nijvere taalkundige te vertrouwen op gedachte-experimenten en de hoogsteigen intuïtie. 

Bij de bundel Zelf van Pieter Boskma is dat nog het minst nodig. Vlak na het verschijnen schreef criticus Chrétien Breukers dit:

Stel, dacht ik na lezing van het gedicht, dat een volledig onbekende dichter mij dit zou sturen? Wat zou ik doen? Ik zou allereerst zeggen: snoei alle stoplappen. Lees verder >>

Auratische variabelen: het Iljaeffect

Over de VSB-prijs (2)

door Gert de Jager


De andere Ilja: een mediapersoonlijkheid die, met alpinopet en al, zo voldoet aan het cliché van een Franse wijnboer dat ook hij een personage van Marten Toonder had kunnen zijn. Waar Van ’t Hof in zijn vrolijke filmpje naar verwijst is een heuse proefneming. Connaisseurs krijgen van Ilja wijn ingeschonken uit een gewone fles, een plastic fles en een fles waarvan het glas ruim een euro kost. De wijn uit de plastic fles wordt soms met een vertrokken gezicht uitgespuwd, die uit de luxe fles verzaligd opgedronken. Toch gaat het, u raadt het al, om dezelfde wijn.

Het zijn proefnemingen die vaker in de media opduiken en waarmee goedkope supermarkten willen scoren. Een beetje kinderachtig misschien wel: dat veel producten het vooral of ook van een aura moeten hebben, weten we allemaal. Perfecte imitaties, zelfs wanneer als het gaat om massaproducten als tassen of parfums, zijn minder waard omdat ze het aura van de authenticiteit missen. Als er één product is dat het moet hebben van auratische toeschrijvingen dan is het wel wijn. Het jargon van vinologen dient vast heel veel doelen, maar creëert op de eerste plaats een gemeenschap van kenners en autoriteit.

Wat kennen kenners? Lees verder >>

Het Iljaeffect

Over de VSB-prijs
 
door Gert de Jager
 
De jury die de bundel Nieuwe zon; een megagedicht van Jacob Groot niet nomineert: alsof je in het jaar dat Ulysses verschijnt, aarzelt tussen een prozaprijs voor Herman Robbers en Jo van Ammers-Küller. Hoe valt het te verklaren?
Het is niet de eerste keer dat de nominaties voor de VSB-prijs voor verbazing zorgen – verbazing, discussie en verontwaardiging horen bij het ritueel van literaire prijzen en ook vorige week knetterde Facebook. Maar bij de VSB-prijs is er misschien iets anders aan de hand. De afgelopen jaren wees Ton van ’t Hof – dichter, essayistisch blogger en uitgever (van onder meer, ik zeg het maar even, deze veelgelezen prachtbundel die, ik zeg het maar even, verscheen na de sluitingsdatum voor de VSB-prijs) – in blogberichten en vrolijke filmpjes op wat een heuse bias zou kunnen zijn: bundels die genomineerd worden, zijn afkomstig van een kleine groep uitgeverijen. Dankzij die bias valt er zelfs tot op grote hoogste iets te voorspellen: niet de namen van de bundels die genomineerd zullen worden, maar die van de uitgevers die op de titelpagina zullen staan. Tot bij de uiteindelijke bekroning laat de bias zich gelden. Wie er wint lijkt bepaald te worden door een rouleerschema.
Op Facebook plaatste Van ’t Hof dit geactualiseerde overzicht:

De hoogste ogen

door Gert de Jager


Ze zijn onzinnig, het resultaat van een consensus, een politiek compromis waarin rekening gehouden wordt met van alles en nog wat: leeftijd, sekse, een evenwichtig beeld van de verschillende stromingen, poëticale opvattingen, Vlamingen, Nederlanders. Op zijn hoogst één experimentele dichter. Altijd ook één dichter die echt goed te begrijpen valt.

Ze zijn van belang omdat ze tot aandacht en discussie leiden.

De verkoop van een bundel vertienvoudigt soms. Dichters die jarenlang de deur niet uitkwamen, hebben opeens optredens. Sommigen van hen kunnen 25.000 euro heel goed gebruiken.

Het simpele feit van waardering alleen al. Niets zo onzinnig – daar is het woord weer – als jarenlang schaven aan een bundel die nog geen twintig lezers vindt. Erg prettig als de particuliere rechtvaardiging van een bestaan minder particulier wordt. Lees verder >>