Tag: latijn

26 februari 2020, Leeuwarden: J.H. Halbertsma’s Fries-Latijnse Lexicon Frisicum (1872) vertaald

Door Anne Dykstra

Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) schreef het Lexicon Frisicum uitdrukkelijk niet voor de Friese bevolking. Toch wordt hij gezien als de founding father van de lexicografie van het moderne Fries. Daar valt wat voor te zeggen, want zijn postuum uitgegeven Lexicon Frisicum (1872) heeft uiteindelijk geleid tot het wetenschappelijke Wurdboek fan de Fryske taal (1984- 2011) van de Fryske Akademy, en daarmee tot allerlei andere woordenboeken die bij de Fryske Akademy zijn verschenen. 

Lees verder >>

Talen als magneten

Nogmaals Bellus Imago en knowing how

Door Marc van Oostendorp

De Brabantse fotoclub Bellus Imago verovert het internet! Na een melding op meldpunt taal (in het Latijn zou het bella imago zijn) schreef ik er maandag over en Jona Lendering van de Mainzer Beobachter dinsdag. Maar we zijn nog niet klaar, want onder Jona;’s stukje schreef iemand (‘Jeroen’):

Eens met de strekking, maar toch zie ik wel een verschil in je genoemde voorbeelden; het “verkeerde” Latijn van de foto-club bestaat uit twee bij elkaar horende woorden uit een vreemde taal. (…) Het zou een betere vergelijking zijn om -ik noem maar wat- een expert op een bepaald gebied aan te duiden als iemand met veel ‘knowing-how’.

Lees verder >>

Bellus imago

Door Marc van Oostendorp

Ik denk soms dat ik de enige ben die nog af en toe op Meldpunt Taal kijkt, maar dat is natuurlijk onzin, want als ik de enige was, was er voor mij ook niets te zien. En er verschijnen nog steeds regelmatig meldingen op. Misschien wel van steeds dezelfden, misschien van telkens anderen, omdat de meldingen anoniem zijn kun je dat niet zien. Maar er zijn pareltjes bij, inkijkjes in leven heel anders dan de mijne maar minstens even geobsedeerd door taal:

Lees verder >>

The Owl King, Or: A Seventeenth-Century Pun

Door Paul Hulsenboom

Do you like a good pun? I know I do, and people have been loving wordplay for centuries. Some time ago, I came across the following seventeenth-century example, which is not only amusing, but also relates to my research – albeit in a small way.

In 1640, the Dutch Protestant preacher Conradus Goddaeus published a Latin book entitled Laus Ululae, which translates as The Praise of the Owl. The work falls into the category of the so-called paradoxical encomium, or satirical eulogy, which became exceedingly popular following the success of Erasmus’s Moriae Encomium, The Praise of Folly. Illustrations adorning both the book’s frontispiece and the title page, moreover, show an owl looking into a mirror: a clear reference to the well-known tales of Till Eulenspiegel. In the Laus Ululae, Goddaeus (who used the pseudonym Curtius Jael) jokingly praises the owl and elaborately discusses the bird’s many traits and (sometimes strikingly human) virtues. P.C. Hooft gave the book a positive “review”, and its numerous reprints suggest that it was quite popular during the seventeenth century. It was also translated into Dutch (1664) and English (1727). Lees verder >>

J.H. Halbertsma’s Lexicon Frisicum (1872) wordt vertaald

Door Anne Dykstra

Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) wordt gezien als de founding father van de lexicografie van het moderne Fries. Daar valt wat voor te zeggen, want zijn postuum uitgegeven Lexicon Frisicum (1872) heeft uiteindelijk geleid tot het wetenschappelijke Woordenboek der Friese taal (1984-2011) van de Fryske Akademy, en daarmee tot allerlei andere woordenboeken die bij de Fryske Akademy zijn verschenen.

Toch schreef Halbertsma het Lexicon Frisicum uitdrukkelijk niet voor de Friese bevolking, maar voor een internationaal publiek van (taal)wetenschappers. Om zijn doelgroep te bereiken, heeft hij als metataal voor zijn woordenboek het Latijn gekozen, terwijl het Latijn als wetenschapstaal toentertijd eigenlijk al op zijn retour was. Lees verder >>

Variatie en verandering van het Latijn

Door Marc van Oostendorp

coverWe spreken in de Lage Landen misschien sinds 2500 jaar een taal die je Nederlands kunt noemen, of een voorloper van het Nederlands. Maar het Latijn wordt in onze streken ook al zo’n 2000 jaar gesproken. En natuurlijk, het is altijd een minderheidstaal geweest, maar lange tijd was het wel de taal van een minderheid die cultureel, economisch en politiek de dienst uitmaakte. Bovendien had je overal in Europa dergelijke elites.

Het boek Latijn. Cultuurgeschiedenis van een wereldtaal van Jan Bloemendal, onderzoeker aan het Huygens Instituut, geeft een redelijk handzaam en toegankelijk overzicht over de geschiedenis van de taal – van het allereerste begin, als de streektaal van Latium, het gebied rond Rome (het tegenwoordige Lazio) tot aan de huidige tijd, waarbij de nadruk overigens wel ligt op de periode vanaf 200 jaar voor het begin van onze jaartelling tot en met het Neolatijn van de Renaissance. Hij beschrijft hoe de taal een wereldtaal kon worden: niet eens zozeer doordat de Romeinen aan de veroverde gebieden die taal oplegden alswel doordat het voor de inwoners van die gebieden simpelweg handig was om met de overheersers over handel en recht te kunnen praten; hoe de taal bij het instorten van het (West-)Romeinse rijk als het ware onderdook in de kloosters en de kerken, maar daarmee ook de taal van de intellectuele elite werd. En hoe het tijdens de Renaissance het geluk had nu weer als de taal van de moderne tijd te worden beschouwd.

Lees verder >>

Vroeger spraken wij Latijn voor in de mond

Door Marc van Oostendorp

In de vroege middeleeuwen moet een grote groep mensen in het westen van ons taalgebied een (verbasterde) vorm van Latijn hebben gesproken. Dat beweert in ieder geval de Utrechtse hoogleraar Peter Schrijver in een nieuw boek. Pas toen daar in de loop van de tijd de stam van de Franken steeds machtiger werd, schakelden die mensen over op de taal van de machthebbers – en legden zo, omdat de westelijke dialecten heel belangrijk werden, de basis van het Nederlands. Met enige overdrijving kun je dus zeggen: het Nederlands is Germaans in Latijnse mond.

Schrijvers argumentatie is gebaseerd op een nauwkeurige vergelijking van de Nederlandse dialecten en hun Waalse tegenhangers net over de taalgrens. Die lijken volgens Schrijver meer op elkaar dan toevallig kan zijn. De talen moeten elkaar over en weer beïnvloed hebben – en dat diepgaander dan dat men aan weerszijden van de taalgrens eens wat van elkaar heeft overgenomen. De aanwijzingen zijn dat mensen hier vanuit hun Romaanse moedertaal dingen hebben meegenomen naar het Nederlands dialecten.

Een belangrijke stap in de argumentatie spelen woorden als step, zeug en vul.
Lees verder >>