Tag: kunsttalen

Taalcanon lanceert animatiefilmpje: Kun je een nieuwe taal maken?

Vandaag lanceert het taalcanonteam een animatiefilmpje over kunsttalen. Het is het zesde filmpje in een reeks, bedoeld voor het voortgezet onderwijs. De filmpjes geven een korte introductie op een onderwerp uit de taalcanon, en kunnen gebruikt worden als opstapje voor een les over taal in de klas.

Veel kinderen bedenken een eigen taaltje met vooral zelfverzonnen woorden. Maar er zijn ook volwassenen die nieuwe talen maken, inclusief klankleer en grammatica. Denk maar aan Zamenhof, de bedenker van het Esperanto, of Tolkien, die kunsttalen bedacht voor verschillende volkeren in het fictieve Midden-aarde. Maar waarom doen mensen dat? Deze vraag staat centraal in het zesde filmpje dat de taalcanon lanceert in een reeks filmpjes voor het onderwijs. Tekenaar en animator Frank Landsbergen maakte de filmpjes in opdracht van de taalcanon. Het filmpje is gebaseerd op het gelijknamige artikel van Marc van Oostendorp: Kun je een nieuwe taal maken?

Lees verder >>

Creatief met taal voor 2032-leerlingen

Door Marianne Boogaard

Volgens Platform-2032 is ‘toekomstgericht onderwijs’ onderwijs waarin leerlingen in de eerste plaats kennis en vaardigheden opdoen door creatief en nieuwsgierig te zijn. Vorige week besloot de Tweede Kamer om de curriculumherziening volgens die 2032-plannen in enigszins aangepaste vorm te laten doorgaan. Nederlands is een van de eerste onderdelen uit het curriculum waarvoor een ontwikkelteam van leraren, schoolleiders en diverse soorten experts aan de slag gaat met het omschrijven van de bouwstenen voor de uiteindelijke eindtermen, kerndoelen en referentieniveaus. Lees verder >>

Talen maken in een ideale wereld

Door Marc van Oostendorp


In mijn ideale wereld zou er natuurlijk veel meer aandacht zijn voor taal. De radio en de tv zouden iedere dag enkele programma’s hebben over taal: een uur op prime time voor de nieuwste taalwetenschappelijke ontdekkingen – want daarvan waren er in de ideale wereld iedere dag een paar –, een half uur voor de nieuwste gedichten en korte verhalen, een kwartier voor de nieuwe woorden van de dag, 7,5 minuut voor de Michiel de Vaan van de ideale wereld voor de etymologie van een woord. Je kon ook met vrijwel iedereen vreemdeling in een bushoekje een conversatie over die onderwerpen beginnen.

Op iedere straathoek was een taalcafé gevestigd, waar je binnen kon gaan en een vreemde taal oefenen. Tijdens verkiezingen zouden politici, een beetje populistisch, prat gaan op hun uitgebreide talenkennis. De cursussen, de populaire boeken, de middelbare en hogere opleidingen op allerlei taalkundig gebied waren niet aan te slepen.


Lees verder >>

Drie talen in het laboratorium van de werkelijkheid

Door Marc van Oostendorp

Wat is een taal? Is het vooral een woordenboek en een grammatica – iets dat je kunt opsluiten in een bandje? Of is het vooral iets dat behoort tot een taalgemeenschap? En wie kan het ’t best voor het zeggen hebben in een taal? Het ongeorganiseerde zootje sprekers van die taal, of liever taalwetenschappers en andere deskundigen?

De geschiedenis heeft een experiment gedaan om de antwoorden op die vraag te vinden, laat de Spaanse socioloog Roberto Garvia zien in zijn nieuwe boek: aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw kwamen er een taalbewegingen op die pleitten voor kunstmatige internationale hulptalen. De drie grootste van die bewegingen – de voorstanders van respectievelijk het Volapük, het Esperanto en het Ido – hadden heel verschillende ideeën over wat een taal eigenlijk was. Uit het verloop van die strijd kunnen we veel afleiden van hoe een taal werkt, hoe we een taal kunnen maken en beïnvloeden, en wie de baas is van de taal.

Paus

Het Volapük was de eerste.
Lees verder >>

Taalkundigen voor de filmindustrie

Door Marc van Oostendorp  

Op zeker moment breekt voor ieder van ons het moment aan om op zoek te gaan naar geld voor onderzoek. Er staan steeds weer getalenteerde jonge mensen op die dingen willen onderzoeken en voor wie er geen banen zijn. En dus moeten we projecten schrijven. En omdat er zoveel mensen projecten schrijven, zijn de kansen klein dat een project gehonoreerd wordt. En dus moeten we nog meer projecten schrijven.

Daarbij worden de hoepels waar je doorheen moet springen dan ook nog eens van tijd tot tijd veranderd. Sinds een paar jaar vergroot je je kansen op succes aanmerkelijk wanneer je onderzoek aansluit bij een van de door de regering aangewezen topsectoren van het Nederlandse bedrijfsleven.
Lees verder >>

Zoals een Romeins legionair

Sommige dichters vinden het hun taak om zo onbegrijpelijk mogelijk te schrijven, maar weinigen gaan daarin zo ver als Gonçalo Neves. Veertien jaar lang heeft hij gedichten geschreven in het Esperanto, om tot de conclusie te komen dat die taal hem toch niet mooi genoeg is. Nu is hij overgestapt op het Ido, een kunsttaal die van het Esperanto is afgeleid en waarschijnlijk niet meer dan enkele tientallen sprekers heeft over de hele wereld. Van wie het maar de vraag is of ze van poëzie houden.

Het eerste boekje over het Esperanto werd gepubliceerd in 1887. Dat boekje bevatte behalve een grammaticale schets en een woordenlijst ook enkele literaire proeven: vertalingen en zelfs enkele oorspronkelijke gedichten, allemaal van de hand van L.L. Zamenhof, de auteur van de taal. Zamenhof vond dat een taal niet kon bestaan zonder literatuur en deed ook zijn best om te laten zien dat zijn taal als literaire taal kon worden gebruikt. Hij vertaalde in de loop van zijn leven onder andere het complete Oude Testament, alle sprookjes van Andersen en enkele stukken van Shakespeare met dat doel.

Niet iedereen was het met hem eens. Er waren taalkundigen — de beroemde Deen Otto Jespersen bijvoorbeeld — die vonden dat een taal niet door een relatieve taalkundige amateur als Zamenhof (een oogarts) kon worden gemaakt. Dat de taal als voertuig van literatuur moest dienen vonden ze vaak onzin: de taal moest vooral dienen als voertuig voor de wetenschap, de handel, de internationale politiek. Poëzie was een frivoliteit. Bovendien zagen ze rond 1907 dat het Esperanto nog steeds niet de grote doorbraak had gemaakt, en volgens hen lag dat aan de taalkundige tekortkomingen die ze in het Esperanto zagen (de taal gebruikte een accusatief! en het woord voor ‘student’ was ‘studanto’ in plaats van het veel wetenschappelijker ‘studento’!

Dus begonnen in 1907 een groepje mensen, voornamelijk geleerden als de voornoemde Jesperse en de wiskundige Couturat een eigen ‘verbeterd’ Esperanto, dat ze ‘Ido’ noemden. Ido betekent ‘nakomeling’ in het Esperanto.

Het probleem van het Ido was nu vooral dat het veel mensen aantrok die dol waren op het bedenken van steeds nieuwe ‘verbeteringen’ in de taal. Dat betekende dat de beweging snel versplinterde, want over de verschillende ‘verbeteringen’ konden de Idisten het onderling vaak niet eens worden. Jespersen publiceerde bijvoorbeeld een boekje Novial (Nieuwe International Auxiliary Language) met een geheel eigen versie kunsttaal die misschien niemand geleerd heeft. Bovendien: doordat de Idisten zo druk bezig waren hun taal te verbeteren, kwamen ze er niet echt toe te bouwen aan een taalgemeenschap of een literatuur, zoals de Esperantisten dat wel hadden gedaan. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is de Esperanto-beweging weliswaar niet groot, maar nog steeds redelijk levendig (een redelijke schatting is dat er honderdduizend actieve gebruikers zijn op de wereld), terwijl het Ido tot enkele jaren geleden steeds verder gemarginaliseerd raakte.

Toen gebeurde er iets. De meeste mensen hebben het niet zo in de gaten, maar de komst van het internet heeft van alles betekend voor kunsttaalbewegingen zoals dat van de Idisten. Ineens werd het financieel mogelijk om het handjevol liefhebbers in hun zelfgemaakte diaspora te organiseren, met elkaar te laten praten in nieuwsgroepen, elektronische krantjes uit te geven. Ineens werd het mogelijk om het Ido (en ook allerlei andere kleine idealistische kunsttalen) een wereldwijd podium te geven.

Gonçalo Neves maakt daar dankbaar gebruik van. Hij had het Ido ontdekt en gebruikte voortaan een Ido-nieuwsgroep om zijn eerste dichterlijke pogingen te publiceren en te laten toetsen. Waarom toch dat Ido? Neves schrijft er zelf over (in zijn brochure ‘Nia justifiko’ – Onze rechtvaardiging; ik geef eerst mijn vertaling, maar citeer het daaronder voor de aardigheid in het Ido):

“Om eerlijk te zijn is het de moeite helemaal niet waard om Ido te leren vanwege zijn huidige beweging (die heel minimaal is) en zelfs niet voor zijn huidige literatuur (die zeer mager is), maar alleen vanwege het gigantische esthetische plezier die de taal toestaat, en vanwege de hoop dat te zijner tijd zeer waardevolle schrijvers de schoonheid en de voordelen van het Ido zullen ontdekken en hem zullen gebruiken als krachtig cultureel instrument.”
“Se oni volas sincera opiniono, tote ne valoras la peno lernar Ido pro lua nuna movemento (qua es tre mikra) e mem ne pro lua tilnuna literaturo (qua es tre magra), ma nur pro la grandega estetikal plezuro quan grantas la linguo, e pro l’espero ke ultempe tre valoroza skripteri deskovros la beleso ed avantaji di Ido ed uzos ol kom potenta instrumento di kulturo.”

Op dit moment is Neves bezig een vertaling uit te geven van het grote gedicht ‘O guardador de rebanhos de Fernando Pessoa’.

  Zoals gezegd, er zijn meer dichters die er eer in leggen onbegrijpelijk te zijn, maar Neves gaat wel heel ver. Het Ido ligt nog steeds vrij dicht bij het Esperanto en kun je praktisch als een dialect van die taal beschouwen, maar Esperantisten zullen geen Ido lezen. Het heeft iets heel ontroerends, natuurlijk, deze keuze voor de absolute schoonheid, voor een taal die je nu eenmaal mooi vindt, al kan niemand hem lezen.

Het thema van de Ido-dichter is overigens het onderwerp van een aardig Esperanto-gedicht, ‘La lasta’ van L.N. Newell. In mijn onvolmaakte vertaling:

    DE LAATSTE

In vriendschap opgedragen aan een Idistische dichter

Zoals een Romeinse legionair zingt
Eenzaam op wacht bij de laatste landsgrens
Vol goede moed op zijn post,
Barbaren slaan thuis alles stuk;

Zoals op het dode land doodsgezangen
Zingt voor zijn naasten de laatste mens
De sneeuwvlokjes dwarrelen stil,
De blinde wanorde komt snel:

Zo zing jij je lied, laatste Idist,
Bedroefd om een wereld, die zomaar de taal
Vergat waar jij zo van hield
Trouw dichtertje, wees gegroet!

L.N. Newell (1902-1968)

---

LA LASTA

Dedichita amike al Idista poeto

Kiel soldato kantas romana,
Sola che l' lasta landlim' forgesita,
Kuragha che sia posteno
Dum detruas patrujon barbaroj;

Kiel sur morta tero mortkantas
Siajn amatojn lasta homido,
Sub negheroj silente shvebantaj,
Atendante la blindan hhaoson:

Tiel Idisto lasta vi kantas
Morne al mondo, kiu forgesis
La lingvon de vi amegatan.
O poeto fidela, saluton!

L.N. Newell (1902-1968)

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Verwijzingen:

  • Gonçalo Neves. ‘Nia justifiko. Esayo pri la existo-yuro di Ido’. Editerio Sudo; Lisboa, 2002.
  • Gonçalo Neves. ‘Servi la Arton kaj Belon.’ La Ondo de Esperanto 2002.4.
  • http://www.esperanto.org/Ondo/90-lode.htm
  • Ido-discussielijst: http://groups.yahoo.com/group/idolisto/
  • Leibniz in de Bijlmer

    Door Marc van Oostendorp

    Sommige zeventiende-eeuwse wetenschappers waren ontevreden met de bestaande talen, die rommelig in elkaar staken, vol kronkels zaten en waarin de structuur van het woordenboek geen enkel verband hield met de structuur van de werkelijkheid; als je de woorden alfabetisch rangschikte kwamen er woorden naast elkaar te staan die geen enkel verband met elkaar hielden.

    Ze lieten het er niet bij zitten. Ze bedachten nieuwe, ‘filosofische’, talen die gemakkelijk te leren zouden zijn en waarmee wetenschappers in heel Europa op een efficiënte manier konden communiceren. Een van hen, Gottfried Wilhelm von Leibniz, dacht zelfs dat zo’n filosofische taal een instrument zou kunnen zijn om het denken aanzienlijk te verbeteren: wat de microscoop was voor het oog, was een verbeterde taal voor het rationele denken en zoals de formule ‘a2 + a3‘ in zekere zin makkelijker te begrijpen en in gedachten te manipuleren is dan ‘de som van het kwadraat van een getal en de derdemachtswortel van datzelfde getal’, zo zou de juistheid of onjuistheid van zinnen in de armetierige bestaande talen zoals het Latijn veel gemakkelijker kunnen worden aangetoond als ze werden omgezet in een filosofische taal. Lees verder >>