Tag: Klankencyclopedie van het Nederlands

Klankencyclopedie van het Nederlands (18): [m]

[m] De [m]-klank maak je met je lippen op elkaar, waardoor de lucht uit de longen niet naar buiten kan stromen en het zachte verhemelte omlaag zodat het geluid wel door de neus naar buiten kan. (Vanwege die laatste karakteristiek wordt de [m] een neusklank of nasaal genoemd.)

In heel veel talen is het woord voor ‘mama’ zoiets als mama. Dat heeft te maken met de vorm van de kindermond.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (17): [h]

[h] De [h] maak je door je keel tijdens het uitademen een beetje dicht te knijpen, waardoor de lucht tegen de wand schuurt. Dat licht schurende geluid is de [h].

De [h] is lastig te horen, zeker na een klinker. Het betrekkelijk zachte geluid wordt gemakkelijk overstemd door andere klanken. Dat is de reden waarom hij in het Nederlands alleen gebruikt wordt voor een beklemtoonde klinker. Wanneer je een woord als aha ziet, weet je dat de tweede a beklemtoond is. Er zijn geen Nederlandse woorden die klinken als béhen, póher of luiher, en zulke woorden zullen ook niet zo gemakkelijk ontstaan.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (16): [z]

 [z] De [z] maak je op vrijwel dezelfde manier als de [s]: met het puntje van de tong omhoog vernauw je de holte waar de lucht uit longen doorheen stroomt. De lucht gaat daardoor wervelen. Het verschil tussen [s] en [z] is dat je bij het maken van de laatste klank ook je stembanden nog laat trillen – dat kun je makkelijk controleren door ssss….zzzzz…..ssss…..zzzz te zeggen en daarbij je vingers op je adamsappel te leggen. Bij de zzzz voel je een getril dat je niet voelt tijdens de ssss.

De [s] en de [z] zijn een bijzonder paar.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (14): [ɣ]

[ɣ] De [ɣ] maak je door de achterkant van je tong op te tillen tot hij dichtbij het zachte verhemelte komt – niet dichtbij genoeg om de uitstromende genoeg helemaal te blokkeren (dan maak je een [k]), maar dichtbij genoeg om de lucht flink te laten wervelen. Dat wervelgeluid levert de [ɣ] op, de klank die in het schrift meestal wordt weergegeven met de letter .

Althans, strikt genomen is ook nog nodig dat je de stembanden laat trillen tijdens het uitspreken van die klank. Dat lukt alleen wanneer je je tong niet al te ver naar achteren plaatst. Je krijgt dan een zachte g, zoals het volgende filmpje laat zien:
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (13): [i]

[i] De [i] maak je door de voorkant van je tong op te tillen – zo hoog dat het puntje bijna het verhemelte vlak achter de tanden raakt. De [i] is daarom een van de drie punten van de klinkerdriehoek – de andere zijn de [a] en de [u]. (In het eerstgenoemde stukje vertel ik nog wat meer over de klinkerdriehoek.)

Als je na een [i] een andere klinker plaatst, voeg je als spreker van het Nederlands een [j] in: p[ij]ano, Ch[ij]os, p[ij]oen. Die [j]-klank lijkt heel sterk op de [i], en is eigenlijk niet veel anders dan een nog nét iets engere vernauwing die ook nog iets korter duurt.

Er is een uitzondering: wanneer er twee [i]’s naast elkaar staan, komt er geen [j] tussen. De kroongetuige daarvoor is het woord Shiiet: dat wordt niet uitgesproken als Sh[ij]iet. Waarom is dat?
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (12): [p]

[p] De [p] maak je door je lippen op elkaar te houden en daarmee de naar buiten stromende lucht tegen te houden. Wanneer je je lippen uiteindelijk loslaat, komt de lucht er met een plofje uit. Aan dat plofje herkent de luisteraar dat je een [p] gezegd hebt. 

De [p] is waarschijnlijk de minst opmerkelijke van alle Nederlandse spraakklanken. Er lijkt in de afgelopen eeuwen weinig aan veranderd, en hij is ook in de Nederlandse dialecten nogal uniform. Bovendien wordt de [p] niet veel anders uitgesproken of hij nu aan het begin, het midden of het eind van het woord staat. De [p] komt ook in vrijwel alle talen voor – het Arabisch is een van de weinige uitzonderingen.

 

Waarom is de [p] zo saai? Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (11): de [ŋ]

[ŋ] De [ŋ] (geschreven ) maak je door de achterkant van je tong tegen je verhemelte te houden (op dezelfde plaats waar je een [k] zou maken) zodat de lucht er niet door kan. Door tegelijkertijd de doorgang naar je neusholte open te houden, stroomt de lucht door de neusgaten naar buiten.

De [ŋ] kan van alles niet. Aan het begin van een woord staan bijvoorbeeld: er is geen Nederlands woord dat met die klank begint (ngal of zoiets).

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (10): de [y]

[y] De [y] (in onze spelling geschreven als u, zoals in nu) is een klinker halverwege de [i] (ie) en [u] (oe). Dat blijkt uit de manier waarop je hem maakt: plaats je tong alsof je een [i] gaat zeggen (dat wil zeggen, de voorkant van je tong omhoog), maar plaats je lippen in de vorm van de [u] (dat wil zeggen, tuit ze een beetje). Dan zeg je automatisch een [y].

Er is iets lastigs aan die combinatie. Het tuiten van je lippen heeft een effect op de klankkwaliteit die vergelijkbaar is met het optillen van de achterkant van je tong, niet de voorkant. De [u] (tuiten en achterkant tong) en de [i] (niet tuiten en voorkant) zitten daarom allebei precies goed in de mond. De meeste talen van de wereld hebben daarom zowel een [i] als een [u].
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (9): de [t]

[t] Vlak achter de boventanden loopt een richeltje. Je kunt het makkelijk voelen met je tong: het verhemelte loopt heel even min of meer gelijkvloers voor het snel omhoog gaat. De [t] maak je door met je tongpunt op dat richeltje de luchtstroom even af te sluiten voor je het met een plofje loslaat.

De [t] is in één opzicht de minst bijzondere medeklinker van het Nederlands: het lijkt erop dat het dé medeklinker is die alle talen op de wereld hebben. Sommige talen maken geen verschil tussen een [k] en een [t] – het Hawaïaans is er mogelijk een voorbeeld van – maar ook in die talen klinkt de compromisklank tussen [k] en [t] in wel degelijk [t]-achtig.

Tegelijk is de [t] in sommige opzichten juist heel bijzonder.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (8): [ʋ]

[ʋ] De [ʋ] is het symbool voor de Nederlandse manier om een w uit te spreken: met de boventanden op de lippen – een beetje als de [v], maar dan zonder dat de lucht tot wrijving wordt gebracht. Bijna overal elders spreekt men de w anders uit: met beide lippen, als een soort korte oe (oeapperen). Het fonetische symbool daarvoor is [w]. Ook niet-Nederlandse variëteiten van het Nederlands – het Surinaams- en Vlaams-Nederlands – en zuidelijke dialecten in Nederland hebben allemaal de [w].

We maken het mensen die Nederlands willen leren ook niet makkelijk: de [f], de [v] en de [ʋ] liggen heel dicht bij elkaar. Je kunt een buitenlandse student eenvoudig tot wanhoop drijven door wee, vee, fee te zeggen en die persoon te verzekeren dat dit heus drie verschillende woorden zijn. Het werkt nog extra goed als je er een andere Nederlander bijhaalt die de woorden inderdaad alle drie uit elkaar blijkt te kunnen houden.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (7): de [v]

[v] De [v]-klank maak je door je boventanden op kleine afstand boven je onderlip te houden. De lucht die uit de longen geperst wordt, kan daardoor niet vrij naar buiten stromen: de luchtdeeltjes beginnen te wervelen en daardoor ontstaat het kenmerkende ruisende geluid. De [v] lijkt hierin veel op de [f]. Het voornaamste verschil is, op het eerste gehoor, in de stembanden: die trillen tijdens het uitspreken van de [v], maar niet van de [f].

Omdat het Nederlands een voorkeur heeft voor stemloze klanken aan het eind van het woord, zijn er geen woorden die op een [v]-klank eindigen (zie ook het lemma over de [b]): we zeggen lieve maar lief, lijven maar lijf, en weven maar weef).
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (6): De [b]

[b] De [b] maak je door de lucht die uit je longen komt even tegen te houden met je lippen terwijl je je stembanden laat trillen. Dan laat je je lippen los en de lucht komt vrij.

Zo’n klank is lastig te maken aan het eind van het woord. Misschien is dat de reden dat de [b] maar zelden op die plaats staat. Als het al zo is, dan altijd na een korte klinker, om redenen die we niet kennen: eb, web, drab, slob. Hij wordt daar overigens als een [p] uitgesproken, maar dat hij toch echt een [b] is blijkt in het meervoud (ebben, webben, enzovoort).

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (5): De [e]

[e] De [e] ( als in steek) zit als klinker halverwege de [a] (, waarbij je mond helemaal open staat) en de [i] (, met je mond veel meer gesloten). Als je je mond langzaam van een [a] naar een [i] laat overgaan, hoor je ergens halverwege een [e] (en iets eerder de [ɛ] van pet en iets later de [ɪ] van pit).

In 1994 publiceerden drie taalkundigen een artikel over een computerprogramma dat bij onbekende Nederlandse woorden kan voorspellen waar de klemtoon ligt. In het Frans is dat simpel: klemtoon ligt altijd op de laatste lettergreep. In het Nederlands moet je voor veel woorden uit je hoofd leren om dat te kunnen onthouden: de op laatste lettergreep (chocola)? De voorlaatste (pyama)? De eerste (horeca)? Een voorleescomputer kan voor iedere woord natuurlijk opzoeken op welke lettergreep de klemtoon hoort te liggen, maar wat nu als een woord niet in dat woordenboek staat?
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (4): de [l]

[l] De klank [l] maak je door de punt van je tong vlak achter je tanden te zetten, en dan de lucht links en rechts van dat puntje naar buiten te laten stromen, terwijl je stembanden trillen.
Wat je met de grote lap tongvlees doet dat achter dat puntje zit, kan variëren. Je kunt het helemaal optillen – dan krijg je wat wel een dunne l genoemd wordt. Je kunt hem ook laten hangen, en dan krijg je een dikke l.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (1): [u]

Vanaf vandaag presenteert Neder-L af en toe en met onregelmatige tussenpozen afleveringen van de Klankencyclopedie van het Nederlands: we gaan alle klinkers en medeklinkers van onze taal stuk voor stuk behandelen. Omdat ik geen idee heb welke systematiek ik zou moeten volgen om een volgorde te bepalen, doe ik dat ook willekeurig. Daar gaan we. Ik schrijf de klankvorm van klinkers en medeklinkers in het Internationaal Fonetisch Alfabet op tussen vierkante hakken [a]; de corresponderende spelling schrijf ik cursief. In de loop van de tijd zal ik hyperlinks toevoegen van de ene klank naar de andere, maar deze eerste keer valt er natuurlijk nog niks te linken.)


[u] De [u]-klank (oe) komt in twee vormen: lang en kort. Voor een [r] (r) is de [u] langer dan voor een andere klank: boer heeft een langere oe dan boek, boet, boef of boei. Alleen in sommige Franse leenwoorden (rouge) maken sommige Nederlanders ook zo’n lange [uː].

Lees verder >>