Tag: Klankencyclopedie van het Nederlands

Driejoek

Door Marc van Oostendorp


Toen ik onlangs de door mijzelf geproduceerde, geregisseerde én gecaterde kaskraker Huh! The Movie online zette, dwaalden ook jullie gedachten onwillekeurig natuurlijk af naar het bijna gelijknamige artikel Ha! Een analyse van de Utrechtse fonologen Wim Zonneveld en Mieke Trommelen uit 1997 (helaas niet online, voor zover ik zien kan).

Die analyse behelst huiselijk gezegd dat de h-klank in het Nederlands geen echte medeklinker is maar een begin stukje van de klinker. Ze proberen daarmee allerlei eigenaardigheden van de h te verklaren, zoals dat hij altijd vóór een klinker staat (ha!) en nooit erna (ah spreek je niet uit met een h).

Het belangrijkste argument heeft te maken met de invoeging van [j] en [w]. Na een ie of een ee voegen we in het Nederlands vrij gemakkelijk een [j] in, en na een oe of oo een [w]

  • di[j]eet, The[j]o, dou[w]ane, bo[w]a constrictor.

Kerstcadeautje: Klankencyclopedie als elektronisch boek

Het onderstaande is de inleiding tot een versie van de Klankencyclopedie van het Nederlands, die ik de lezers van Neder-L hierbij aanbied als gratis elektronisch boek (in epub-formaat en in mobi-formaat; de laatste met dank aan Matthias Hüning), om te lezen op uw tablet of e-reader.
Door Marc van Oostendorp

Iedere menselijke taal is een legodoos. Je zou je logischerwijs kunnen voorstellen dat ieder woord een geheel eigen klank heeft: ‘man’ is HOEST, ‘kust’ is FLUIT en ‘vrouw’ is KLAPT-IN-HANDEN, en zo maak je zinnen als HOEST FLUIT KLAPT-IN-HANDEN. Maar in werkelijkheid werkt geen enkele taal zo, en worden alle woorden gemaakt met een beperkt aantal verschillende blokjes: de klinkers en de medeklinkers van die taal.

De Klankencyclopedie van het Nederlands was een serie blogposts die in 2012-2013 schreef voor het elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek Neder-L. Ik wilde laten zien dat je over iedere klinker en iedere medeklinker van onze taal wel iets kunt zeggen.
Ik voeg die stukjes hier samen in een elektronisch boek, dat ik namens Neder-L aanbied als kerstcadeautje. 

Klankencyclopedie van het Nederlands (41 en slot): [ʘ]

Door Marc van Oostendorp 

 [ʘ] De [ʘ] maak je door je lippen te tuiten, ze in het midden tegen elkaar aan te zuigen, en ze los te laten.

Die klank wordt doorgaans niet tot het Nederlands gerekend, al maken vrijwel alle Nederlandstaligen hem vermoedelijk wel af en toe (drie keer achter elkaar, wanneer ze elkaar begroeten), en wordt hij zelfs wel geschreven, namelijk als mensen onder een brief xxx schrijven.

Waarom hoort die klank dan toch niet tot het Nederlands?
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (40): [iː, yː, uː]

Door Marc van Oostendorp


[iː, yː, uː] Het Nederlands heeft geen echt lange klinkers. Althans, de [a] in baad is bijvoorbeeld wel systematisch langer dan de [ɑ] in bad, maar die klinkers verschillen ook nog op een andere manier van elkaar: als je de [ɑ] lang aanhoudt, krijg je niet automatisch een [a].

Dat ligt iets anders voor de [iː, yː, uː]. De [i] in bier is wel degelijk alleen maar langer dan die in biet; zoals de [y] in buur langer is dan die in buut, en de [u] in boer langer dan die in boek. Het verlengingsteken [ː] dient om dat weer te geven: [biːr, byːr, buːr].

Die verlengde klinkers vinden we altijd voor de r, althans als de klinkers zelf beklemtoond zijn en helemaal aan het eind van het woord staan:
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (39): [au]

Door Marc van Oostendorp


[au] De [au] is samen met de [ɛi] en de [ʌy] een van de drie tweeklanken van het Nederlands. In zo’n tweeklank, of diftong, zit altijd beweging: in het geval van de [au] begin je met de kaak omlaag (zoals bij de [a]), en eindig je met de kaak nogal ver omhoog en je lippen gerond (zoals bij de [u]).

Door een uit te spreken, laat je bovendien horen dat je weet hoe of het moet. Nu moet de encyclopedist toegeven dat hij het zelf niet zo heel goed weet: hoor je auto nu uit te spreken als [oto] of als [auto]? En hoe zit het met automaat (ik zeg [o]), tautologie (ik zeg [au]), autocraat (ik zeg [au]), autist (ik zeg meestal [au])?


Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (38): [ɛi]

Door Marc van Oostendorp

[ɛi] De [ɛi] is de tweeklank die Jan Stroop beroemd heeft gemaakt: het pièce de résistance van het Poldernederlands. In die variëteit van het Nederlands worden de tweeklanken allemaal wat grootser gearticuleerd. Een tweeklank is altijd in beweging: hij begint met een wat opener mond dan dat hij eindigt. In de Poldernederlandse uitspraak is vooral de opening aan het begin nog wat groter, en daardoor klinkt die klank daar als een [ai].

We vieren dit jaar ongeveer de vijftiende verjaardag van het Poldernederlands. In het voorjaar van 1998 verscheen Stroops eerste artikel. De dialectoloog Siemon Reker had al in 1993 over het verschijnsel gegeven, maar Stroop gaf het zijn naam. Sindsdien maakte de variëteit zijn opmars.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (37): het hoedpatroon

Door Marc van Oostendorp


De klinkers en medeklinkers van een taal spreken we min of meer na elkaar uit: wie mama zegt, zegt eerst een m, dan een a, enzovoort. Er is wel wat overlap – vooral de eerste a wordt een beetje nasaal omdat hij tussen twee m’s staat – maar de belangrijkste ordening van deze klanken is er toch een van: het een na het ander.

Toch kunnen we tijdens het praten best verschillende dingen tegelijk doen. Terwijl iemand de zakelijke boodschap overbrengt, kun je aan haar ook best horen hoe oud ze is en hoe deftig, of ze blij of boos is, of dodelijk vermoeid, en nog allerlei andere dingen meer. Ook die dingen brengt ze over met haar spraakorganen.

Een gesproken zin heeft een heleboel laagjes. Behalve klinkers en medeklinkers is ook de zinsmelodie er een: de toon waarop je praat gaat omhoog en omlaag.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (36): [ʌy]



Door Marc van Oostendorp

[ʌy] De [ʌy] (ui) maak je door je lippen te ronden, de voorkant van je tong op te heffen, en je mond in een beweging van een stand die redelijk open is naar tamelijk gesloten mondvorm.

Wat is de moeilijkst te maken klank van het Nederlands voor buitenlanders? Het is lastig te bepalen, maar de [ʌy] zou in geval van een competitie waarschijnlijk hoge ogen gooien. Klanken als de [ɣ] en de [x] bijvoorbeeld  (g en ch), die ook wel genoemd worden, komen in allerlei andere talen wel voor. Maar de precieze coördinatie die er nodig is voor de [ʌy] is, is behoorlijk uniek. (De klank in feuille in het naburige Frans komt er het dichtst bij in de buurt, maar is toch net anders.)

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (35): [ɡ]


Door Marc van Oostendorp

[ɡ] Is de [ɡ] een Nederlandse medeklinker? Je maakt die klank precies zoals de [k], maar je laat ondertussen je stembanden trillen. Hij klinkt in woorden als zakdoek ([zɑɡduk]) en, in de uitspraak van Engelsen maar ook van veel Nederlanders, aan het begin van goal en go ahead eagles.

Is dat genoeg om hem tot het Nederlands te rekenen? Ooit is de [ɡ] massaal uitgestorven in onze taal.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (34): [ʃ, ʒ, ɲ, ɕ]

Door Marc van Oostendorp

[ʃ, ʒ, ɲ, ɕ] We zijn nu in de Klankencyclopedie aangekomen bij de klanken waarover je zou kunnen discussiëren: horen ze eigenlijk wel bij de standaard-klankverzameling van het Nederlands? Horen we aan het begin van sjouwen wel een enkele klank [ʃ], of het toch eerder [sj]? En zit er in beige een [ʒ], of is het [zj]? Is het [oraɲə] of [oranjə]? Die t en j in katje wordt die niet eerder uitgesproken als [kɑɕə]?

Wat is het verschil tussen [ʃ] en [s]?
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (33): [ø]

Door Marc van Oostendorp

[ø] De [ø] maak je door je lippen te ronden en de achterkant van je tong op te tillen – zoals je doet bij de [y], maar met de tong wat minder hoog.

Een van de wonderlijkste en mooiste eigenschappen van de Nederlandse [ø] is dat we hem spellen met eu. Dat is een goede manier van schrijven, wanneer je de theorie volgt die stelt dat klinkers als kleuren zijn.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (32): [ə]


door Marc van Oostendorp
] De [ə], de laatste klinker van mode, is de meest inhoudsloze klank van het Nederlands en tegelijk de klank waar waarschijnlijk het meest over geschreven is, en waar ook het meest over te vertellen valt. (Hier is een Engelstalig wetenschappelijk overzichtsartikel dat ik een jaar of tien geleden over de sjwa schreef.)

Neem alleen de naam van de klank: sjwa, een naam waar de klank zelf niet inzit. De naam komt uit de studie van het (bijbelse) Hebreeuws, waar het stond voor een klinker die soms werd ingevoegd tussen twee medeklinkers, min of meer op de manier waarop wij dat nog steeds doen in heləp en Marəc. In het Hebreeuws klonk die klinker overigens waarschijnlijk eerder als een [e] dan als een [ə].

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (31): [r]


door Marc van Oostendorp
[r] De r kun je als spreker van het Nederlands op heel veel verschillende manieren maken. Dat is een van de vele raadselen die deze klank omgeven, want al die verschillende manieren hebben heel weinig met elkaar te maken. Hoezo kunnen we dan eigenlijk zeggen dat het toch om een en dezelfde klank gaat? 
Er is de r die je maakt door je tongpunt te laten trillen, en de r die je maakt door je huig te laten trillen. Er is de Sacha de Boer-r, die je maakt door je tong achterin je mond tot een propje te maken, en de Leidse r waarbij je je tong helemaal omkrult. Er is de r die tot een soort j geworden is mooi weej, en er is de r waarvan bijna niets meer te horen is (dat is waah).

Het wonderlijke is: voor zover we weten had heel Europa een paar eeuwen geleden slechts een manier om de r uit te spreken: de tongpunt-r. Er waren natuurlijk wel wat mensen met een spraakgebrekje die die r niet konden maken, zoals er nu mensen zijn die de s niet goed kunnen zeggen omdat ze slissen.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (30): [f]



door Marc van Oostendorp
[f] De f maak je door je boventanden iets boven je onderlip te houden en door het spleetje dat zo ontstaat de lucht naar buiten te persen. Er ontstaat zo een ruisachtig geluid en de [f] wordt daarom ook wel een ruisklank genoemd.  
Veel woorden met een f, werden vroeger met ph geschreven (philosooph). Het gaat daarbij vaak om woorden uit het Grieks. Dat heeft iets met de uitspraak te maken: een p maak je ook met je lippen en een h is een soort ruisgeluid in de keel. Een f is dus een soort mengeling van de klank van de p en die van de h. Woorden die ooit als een p gevolgd door een h werden uitgesproken, kwamen zo aan de f klank: een ‘slordige’ uitspraak die we nu al eeuwen met ons meeslepen.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (29): [ɔ]


door Marc van Oostendorp

] De klinker [ɔ] maak je met geronde lippen en de achterkant van de tong een beetje omhoog, zij het minder hoog dan bij de [u] (oe) en ook dan de [o] (oo). Het is de klinker die je (in een lange vorm, [ɔː]) hoort in boor en, bij sommige sprekers, in een woord als bok.

Een van de weinige echte discussies over standaarduitspraak gaat over deze klinker: is het ‘standaard-Nederlands’ om hok en bok met dezelfde klinker uit te spreken, of juist om onderscheid tussen deze twee te maken? Op het leesplankje van Hoogeveen waren de woorden hok en bok allebei opgenomen omdat ze verschillende klinkers zouden hebben. Veel sprekers uit de Randstad maken niet of nauwelijks verschil en – wat belangrijker is – horen geen verschil als anderen het wel maken. Gezaghebbende taalkundigen hebben dan ook gezegd dat het verschil ‘ongemerkt’ uit de standaardtaal verdwenen is.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (28): [ɛ]


door Marc van Oostendorp

] De [ɛ] (van wet) maak je een mond die vrijwel helemaal open is, behalve dat de voorkant van je tong een beetje omhoog gaat: het is een [e] (van weet) met de tong een beetje naar beneden, of de [a] (van water) met de tong iets meer omhoog. Dat is allemaal millimeterwerk, maar voor het oor van een Nederlandstalige klinkt het gigantisch.

Zoals de [ɛ] soms net wat langgerekter is. In een aantal (Franse) leenwoorden, bijvoorbeeld, zoals frêle, beige en (voor veel mensen) au pair. En voor sommige jonge (Nederlandse, Randstedelijke) sprekers voor alle woorden waar die [ɛ] voor een [r] staat:
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (27): [ʔ]

door Marc van Oostendorp

[ʔ] De [ʔ] is een van de minst opvallende medeklinkers. Je merkt bijna niet dat hij er is. Het is, bijvoorbeeld, de medeklinker die klinkt tussen de e en de a in het woord be[ʔ]ademen. Je maakt hem door heel even de stembanden toe te knijpen. Er hoopt zich dan wat lucht achter die stembanden op, die vrij komt met een plofje.

Wanneer je een camera’tje bij een proefpersoon door de neus in de keel naar beneden laat gaan om de stembanden te filmen, zie je dit:
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (26): [k]

door Marc van Oostendorp

[k] De [k] maak je met de rug van je tong. Je houdt die tegen het zachte verhemelte, zodat de lucht even niet naar buiten kan stromen. Wanneer je los laat, komt de lucht met een kleine explosie vrij. De klank die zo ontstaat, dat is de [k].

Dat is te zeggen, het hangt er vanaf. Wanneer je goed luistert of vooral wanneer je goed voelt aan je tong, zijn er minstens twee manieren om die [k] te zeggen.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (24): De [ɑ]

[ɑ] De [ɑ] (van slap) lijkt in veel opzichten op de [a] van slaap. Anders dan de spelling suggereert zit dat verschil nog niet eens in de eerste plaats in de relatieve lengte, al is de [a] inderdaad doorgaans wat langer dan de [ɑ]: het verschil zit hem vooral in de plaats van de tong. Bij allebei de klinkers ligt die vrij plat onderin je mond, maar wanneer je de [ɑ] uitspreekt, til je de achterkant een klein beetje op.

Dat de twee klinkers zo veel op elkaar lijken, betekent ook dat ze gemakkelijk elkaars rol kunnen overnemen.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (23): [j]

[j] De [j] wordt op vrijwel precies dezelfde manier uitgesproken als de [i]. Het voornaamste verschil is dat de [j] wat korter is.

De [j] onderhoudt dan ook een bijzondere relatie met die [i]. Wanneer er een klinker onmiddellijk na een [i] komt, voegt zich onwillekeurig een [j] in: piano wordt pi[j]ano (zie verder het lemma over de [i]). Soms wordt de i in dit soort gevallen zo snel uitgesproken dat hij tot een [j] wordt: pjano.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (22): [o]

[o] De [o] maak je door je lippen te ronden en je tong iets op te tillen – niet zo hoog dat je een [u] krijgt, maar toch hoog genoeg dat je geen [ɔ] maakt.

In de krochten van het internet woedt al minstens vijftien jaar een discussie over de vraag of deze klinker niet eigenlijk zou moeten worden opgeschreven als [oʷ]. (Hier staat bijvoorbeeld een discussie uit 1997 over dit belangwekkende onderwerp, die teruggrijpt op een nog oudere discussie.) Veel mensen spreken inderdaad aan het eind van ho en po een kort w’tje uit.

Moeten we dan daarom zeggen dat de [o] eigenlijk een tweeklank is?

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (21): [ɪ]

[ɪ] De [ɪ], de klinker van pit, maak je door de voorkant van je tong licht op te tillen. Dat moet heel nauwkeurig gemikt worden: de klinker moet iets hoger dan voor de [e] (ee) en iets minder hoog dan voor de [i] (ie).

De ee en de ie zijn allebei zogenoemde lange klinkers, terwijl de [ɪ] kort is. Nu rijst de belangrijke vraag: is de [ɪ] een korte versie van de ee of van de ie. De spelling suggereert: dat laatste. Maar de spelling is natuurlijk in dit soort zaken niet per se een goede raadgever.

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (20): [n]

[n] De [n] maak je door het punt je van je tong op te tillen en tegen het harde verhemelte te houden terwijl ondertussen de lucht uit de longen door je neus naar buiten stroomt en je stembanden trillen.

Over de [n] is altijd van alles te doen, bijvoorbeeld bij Neder-L. Het is een uitermate beweeglijke medeklinker. Hij verdwijnt vrij gemakkelijk (jongen kun je in veel variëteiten van het Nederlands uitspreken zonder slot-n), maar hij verschijnt ook vrij gemakkelijk (in sommige dialecten kun je dingen zeggen als dat wilde-n-ik net zeggen, met een extra n).

Tegelijkertijd is de n ook de kameleon onder de medeklinkers.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (19): [ʏ]

[ʏ] Mensen kunnen het over bijna alles oneens zijn. Bijvoorbeeld over wat precies het symbool moet zijn voor de klinker in woorden als hut en stuk. Er zijn minstens drie scholen: sommige mensen schrijven [hɶt], anderen [hʌt] en ik behoor tot de (meerderheids-)school die [hʏt] schrijft.

Je maakt die klinker door je lippen te ronden, de voorkant van de tong een beetje omhoog te tillen (niet te veel, dan krijg je de klinker uit Ruud). Bovendien moet je hem niet te lang aanhouden om niet te eindigen bij de [ø] van leuk. De klinker is daarmee in zekere zin de ingewikkeldste om te maken – hij komt ook niet in veel talen voor.
Lees verder >>