Tag: kindertaal

Kinderen denken dat een d een t is (maar niet andersom)

Door Marc van Oostendorp


Je hoort als kind je ouders praten, je hoort ze allerlei klanken maken, en dan is het je taak om uit te zoeken wat er wel of niet toe doet – welk van al die duizenden subtiele verschilletjes belangrijk zijn in je taal en welke niet.

De k in kier is bijvoorbeeld licht anders dan die in koer. Je bent je daar misschien niet van bewust, maar dat is omdat het verschil onbelangrijk is voor het Nederlands. (Je kunt het wel navoelen: in kier plaats je je tong meer vooraan in je mond dan wanneer je koer zegt.) Het verschil komt door het verschil tussen de ie en de oe: de k is altijd meer naar voren voor een ie (kiek, quiche) dan voor een oe (koek, coupe, koets). Dat betekent dat we in het Nederlands niet twee woorden van elkaar onderscheiden doordat de een een kier-k heeft en de andere een koer-k.

Chinese baby’s

Anders ligt dat bij de d en de t: doen en toen, dof en tof en das en tas verschillen van elkaar in alleen dat ene subtiele onderscheid. Daar moet je dus beter op letten. En kinderen moeten dat ook leren.

Hoe doen ze dat? Daarover weten we nu weer wat meer nu Suzanne van der Feest en Paula Fikkert er een groot artikel over hebben geplaatst in het nieuwe nummer van het prestigieuze tijdschrift Phonology.


Lees verder >>

Bért, Bèrt, Birt?

door Miet Ooms

Enkele dagen geleden kwam ik bij dit filmpje uit. We zien hier een jongetje dat uit alle macht duidelijk wil maken hoe je zijn naam moet uitspreken. Bèrt, met een open è, en niet Bért, met een meer gesloten e. Het werd volop gedeeld, en heel wat mensen vielen voor de overtuigingskracht van Bert (eigenlijk Mathiz, Berth is zijn familienaam) en zijn vriendje.
Lees verder >>

Mag ik achterlangs je?

Een kind vult de taal aan

Door Marc van Oostendorp

We zaten gisterenavond aan tafel, toen Daan, het vierjarige zoontje van mijn vrienden, zich begon te vervelen en besloot om over onze stoelen te lopen. Bij iedere verjaardagsgast waarschuwde hij ‘mag ik achterlangs je?’
Het was, met zoveel herhaling, moeilijk om géén taalobservatie te doen. Toch leverde niemand commentaar. Het wonder van de kindertaal had weer toegeslagen: de tamelijk ingewikkelde constructie achter je langs was vereenvoudigd tot het eenvoudiger achterlangs je. Thuisgekomen bleek Google me te kunnen vertellen dat achterlangs hem, achterlangs me en achterlangs ons alledrie ook wel geschreven worden. 
Het aantal zoekresultaten is weliswaar niet groot, maar meerdere treffers lijken me serieus en bovendien niet door vierjarigen geschreven. 

Lees verder >>

Waarom poes makkelijker is dan soep

Door Marc van Oostendorp

Psychologen denken dat de menselijke geest een simpel telraam is. Zoals in dit nieuwe artikel in PLOS waarin drie Franse psychologen ingaan op de vraag waarom kinderen woorden zoals poes eerder leren uitspreken dan woorden als soep.

Het artikel laat vooral zien waarom het een ramp is als we de taal overlaten aan de psychologen: ze willen er niets van begrijpen, ze willen alleen maar tellen.

Lees verder >>

Sapies doen

Nog even over het prachtige boek Een vogel in mijn buik dat Cornelis Verhoeven in 1975 schreef over de taalontwikkeling van zijn dochter Neeltje (die zichzelf Nena noemde). Verhoeven wist duidelijk niet veel van taalkunde. Vaak is dat heel verfrissend, maar soms zou je hem willen toeroepen: Het is wel degelijk te begrijpen, Kees! Gesteld natuurlijk dat je hem Kees zou mogen niemen.

Het aardige is namelijk dat Nena’s ontwikkeling in veel opzichten een modelgroei was, precies volgens het boekje. Een voorbeeld is het volgende fragment, dat Verhoeven schreef op 29 maart:

Lees verder >>

Nena (1,5 jaar): ‘Uiterst voedzaam’

“Ik weet niet of ik wel ooit voor iemand zoveel en een zo gedetailleerde belangstelling heb gehad als voor haar,” schreef Cornelis Verhoeven in 1975 over zijn anderhalf jaar oude dochter Neeltje. “Ik denk eigenlijk van niet en ik meen ook dat er geen aanleiding voor geweest is: kinderen vragen een indringender belangstelling dan volwassenen.”

In dat jaar maakte Verhoeven bijna dagelijks aantekeningen van de taalontwikkelingen van zijn dochter. Hij publiceerde het in misschien wel het ontroerendste taalboek dat ooit in het Nederlands verscheen, Een vogel in mijn buik. De taal van Nena.

Wie een kind ziet opgroeien kan zich alleen maar mateloos verbazen over de manier waarop het vakkundig en in korte tijd een woordenschat en een zinsbouw in de steigers zet, en ondertussen ook nog de details van de uitspraak onder de knie krijgt.

Lees verder >>

Wie wil er een ijsje? Ikken!

 

Over de nadruks-n en de opkomst van rare regels in taal

door Suzanne Aalberse

Als mijn dochters iets heel duidelijk willen maken, dan gebruiken ze de –n: “Bedoel je dit boek, neehee, dezeN!” “Wie wil er een ijsje? IkkeN!”, “Is Maaike je oom? Nee dat is mijn tanteN. “Meestal is het alleen na de sjwa (de –e), maar het kleintje kan de –n nog breder toevoegen, bijvoorbeeld: “dat is geen t-shirt dat is een truiN”. Ik vertelde over die extra –n’s het aan mijn collega Els Elffers en ze zei: o ja de nadruks-n die hadden mijn kinderen vroeger ook. De kinderen horen de –n vooral in nadrukscontexten. Op de crèche zeggen ze bijvoorbeeld: “Ga zittuh op je billuh.” Als dat niet gebeurt, wordt het verzoek herhaald: “Ik zei : ga zitteN op je billeN.” De normale uitspraak voor de kinderen is de uitspraak zonder -n (zie stukje Marc). Ze ervaren “zittuh” niet als een vorm die iets mist, maar “zitteN” als een woord met een toegevoegde klank die nadruk geeft. En voor hun kan die extra klank makkelijk toegevoegd worden en zo hebben ze een eigen nadruksuitgang gemaakt. Waarschijnlijk houden de kinderen op met de extra –n’s als ze goed kunnen lezen en schrijven en zien dat zitten wel op een –n eindigt en dezeniet.

Lees verder >>