Tag: kindertaal

Waarom praten volwassenen niet kinderachtig tegen elkaar?

Door Marc van Oostendorp

We wisten al lang dat mensen over de hele wereld geneigd zijn anders te praten als ze tegen kleinere kinderen praten. Ze doen dat zelfs allemaal op dezelfde manier: iedereen die zich over een wieg buigt praat vanzelf met een hogere stem en tegelijkertijd meer stembuigingen, en wat langzamer dan wanneer ze tegen volwassenen praten. Infant-directed speech (IDS) noemen taalkundigen dat.

Als mensen zoiets over de hele wereld van nature doen, ligt voor de hand om te denken dat zoiets een functie heeft. Vreemd genoeg wordt dat pas sinds een paar jaar serieus onderzocht. Het recente Utrechtse proefschrift van de taalkundige Mengru Han onderzoekt het voor het Chinees en het Nederlands. Lees verder >>

Nem slapen!

Door Marc van Oostendorp

Nene is vijf jaar, ze is geboren in Hongarije, en ze is net begonnen met Nederlands te leren. Ze begint met woorden die ze nuttig vindt. Hoewel ze best begrijpt wie ik bedoel als ik hondje en poesje zeg, vindt ze die woorden te raar om te herhalen. Die beestjes heten immers kutya en cica, en iedereen die ze kent begrijpt wat ze bedoelt. Er is dus geen reden om iets anders te zeggen.

Anders is dat met woorden waarmee ze een effect kan bereiken. Met aardbeien en appel verkrijgt ze sneller resultaat met dan met epen en alma en dat werd dan ook haar eerste actieve woord Nederlands; Skinner heeft toch niet helemaal voor niets geleefd. Zulke dingen gelden ook voor bepaalde abstractere concepten, zoals lekker, vies en mooi, die duidelijk kunnen maken waarom bepaalde zaken in de supermarkt wel of niet moeten worden aangeschaft. Iets wat heel abstract is, maar Nene heel snel heeft geleerd: het verschil tussen op (het eten is op) en klaar (ik ben klaar met eten).

Een tussenstatus heeft speeltuin; ze weet dat de volwassenen die haar begeleiden begrijpen als ze vraagt om de játszótér, en dus gebruikt ze dat woord, maar als die volwassenen in lopende spraak de Nederlandse versie gebruiken (‘Als ze dan zo graag wil, kunnen we misschien vanmiddag nog heel even naar een speeltuin hier in de buurt gaan’), reageert ze daar onmiddellijk op.

Zoals ze sowieso dingen duidelijk oppikt. Ze kijkt naar een aflevering van Peppa de Big, die haar grotendeels moet ontgaan, omdat hij over een planetarium gaat en allerlei termen bevat die ze nooit heeft gehoord. Maar zodra koekjes zegt, zegt Nene ook: koekjes.

Lees verder >>

Naar de bea

https://www.dekleinemarkies.nl/index.php/pedagogische-informatie/buiten-spelenDoor Maartje Lindhout

Hoe inventief kinderen soms kunnen zijn! En hoe ’n lak ze kunnen hebben aan de spelling die de grote mensen gebruiken en die ze zo belangrijk achten.

Mijn zusje is leidster op een buitenschoolse kinderopvang en laatst hoorde ze een kind daar zeggen: “Ik moest vanmiddag natuurlijk nog naar de bea.”

Lees verder >>

Peutertaalbeleid

Door Leonie Cornips

Tijdens het streektaalsymposium, georganiseerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Deventer, heb ik gepleit voor een taalbeleid voor peuterspeelzalen in Limburg. Hoe ben ik tot dit advies gekomen? (Groot)ouders vertellen: ‘Ons kind weigert sinds de peuterspeelzaal Limburgs te spreken, ook al houden we thuis Limburgs aan.’ Juist peuterspeelzalen, veel meer dan basisscholen, blijken het spreken van een regionale taal een halt toe te roepen. Ook elders in Europa is dat zo. Lees verder >>

28 oktober 2017: Kletskoppen, het eerste kindertaalfestival van Nederland

Hoe werkt dat eigenlijk, leren praten? Tijdens het Kletskoppen kindertaalfestival op zaterdag 28 oktober in Nijmegen leren kinderen het spelenderwijs. Een wetenschapsdag voor het hele gezin, vol leuke experimentjes, demonstraties en interactieve lezingen over kindertaal. Laat je verrassen door het veelzijdige taalonderzoek van de Radboud Universiteit en het Max Planck Institute for Psycholinguistics.

Tijdens Kletskoppen kunnen gezinnen met kinderen tot 12 jaar gebarentaal leren, een digitale papegaai woordjes bijbrengen, testen of ze een heuse Woorduitvinder zijn of op berenjacht gaan met een hoorspel.

Gebaren

Ouders kunnen al hun vragen stellen aan wetenschappelijke experts op het gebied van taalontwikkeling – over het meertalig opvoeden en mijlpalen in de taalontwikkeling bijvoorbeeld. En voor de allerjongsten zijn er voorlees- en knutselactiviteiten. Daarnaast zijn er ook activiteiten in het Engels: meertalige gezinnen zijn van harte welkom! Lees verder >>

Nederlandse papa, Duitse phapha

Door Marc van Oostendorp

Als je een Nederlands kind bent met een Nederlandse papa en Nederlandse vriendjes, maar ook een Duitse papa, wat zeg je dan tegen die tweede papa?

Ja, Papa.

Maar hoe spreek je dat uit? Het Nederlands en het Duits hebben licht verschillende p‘s, zoals ze ook licht verschillende b’s hebben. Wanneer je bijvoorbeeld pa zegt, moet je twee dingen doen: je sluit je lippen en laat de lucht even in je mond ophopen. Dan open je je lippen en ontstaat een kleine explosie. Dat is het eerste ding. Het tweede is dat je je stembanden moet gaan laten trillen om de a te kunnen vormen.  Lees verder >>

Taalcanon lanceert eerste animatiefilmpje: Hoe leert een kind zijn moedertaal?

Door Mathilde Jansen

Vandaag, op de Internationale Dag van het Kind, lanceert het taalcanonteam vol trots een animatiefilmpje over kindertaal. Het is het eerste filmpje in een reeks, bedoeld voor het voortgezet onderwijs. De filmpjes geven een korte introductie op een onderwerp uit de taalcanon, en kunnen gebruikt worden als opstapje voor een les over taal in de klas.

Wanneer begint een kind met het leren van taal? Hoe leert een kind woorden herkennen? En hoe kun je eigenlijk taalonderzoek doen met baby’s? Deze en meer vragen komen aan bod in het eerste filmpje dat de taalcanon lanceert in een reeks filmpjes voor het onderwijs. Tekenaar en animator Frank Landsbergen maakte de filmpjes in opdracht van de taalcanon. Lees verder >>

Baby’s die zinnen in woorden hakken

Door Marc van Oostendorp

Nooit worden we meer zulke sponzen als we in de eerste jaren van ons leven waren. Stel, je bent een paar maanden oud en je wil je moedertaal leren. Het lijkt misschien een goed idee om dan te beginnen met woorden, maar helaas spreken mensen eigenlijk nooit in losse woorden. Ze zeggen alles aan elkaar en je hoort dan bijvoorbeeld dingen als:

Wanneer je Turks spreekt, hoor je de woorden wel, maar dat komt omdat je die woorden al kent. Maar wie geen Turks kent, hoort alleen een lange stroom klanken. Hoe kun je nu bepalen waar  het ene woord begint en het andere ophoudt? Lees verder >>

Spelling als remmer van klankverandering?

Bedankjes voor de kinderen die deelnamen aan het onderzoek
Bedankjes voor de kinderen die deelnamen aan het onderzoek

Door Maartje Lindhout

In veel gebieden van het Nederlands gaat de z steeds meer als de s klinken en de v als de f. “Ik heb de son sien sakken in de see”, is een stereotype uiting van een Amsterdammer. Het verschil tussen de s en z en tussen de f en de v is wel eens groter geweest. In het zuiden van het land is dat verschil nog het meest aanwezig. Daar vind je ook nog een onderscheid tussen de (geschreven) ch en g. In Zuid-Holland, waar ik woon, is er zo goed als geen verschil meer tussen die klanken. Maar je schrijft ze dus nog wel anders! Over deze klankverandering wilde ik meer te weten komen. Sterker nog: hier wilde ik het scriptieonderzoek voor mijn master Taalwetenschappen over gaan doen.

Ik ging op onderzoek uit om te weten te komen hoe Zuid-Hollandse kinderen deze wrijfklanken precies aanleren. Hierbij wilde ik antwoord op de volgende vragen. Maken de kinderen überhaupt wel een onderscheid tussen de korte variant (v, z, g) en de lange variant (f, s, ch)? Zo ja, op welke leeftijden doen ze dat? En speelt de klankomgeving eigenlijk nog een rol? Lees verder >>

Kinderen denken dat een d een t is (maar niet andersom)

Door Marc van Oostendorp


Je hoort als kind je ouders praten, je hoort ze allerlei klanken maken, en dan is het je taak om uit te zoeken wat er wel of niet toe doet – welk van al die duizenden subtiele verschilletjes belangrijk zijn in je taal en welke niet.

De k in kier is bijvoorbeeld licht anders dan die in koer. Je bent je daar misschien niet van bewust, maar dat is omdat het verschil onbelangrijk is voor het Nederlands. (Je kunt het wel navoelen: in kier plaats je je tong meer vooraan in je mond dan wanneer je koer zegt.) Het verschil komt door het verschil tussen de ie en de oe: de k is altijd meer naar voren voor een ie (kiek, quiche) dan voor een oe (koek, coupe, koets). Dat betekent dat we in het Nederlands niet twee woorden van elkaar onderscheiden doordat de een een kier-k heeft en de andere een koer-k.

Chinese baby’s

Anders ligt dat bij de d en de t: doen en toen, dof en tof en das en tas verschillen van elkaar in alleen dat ene subtiele onderscheid. Daar moet je dus beter op letten. En kinderen moeten dat ook leren.

Hoe doen ze dat? Daarover weten we nu weer wat meer nu Suzanne van der Feest en Paula Fikkert er een groot artikel over hebben geplaatst in het nieuwe nummer van het prestigieuze tijdschrift Phonology.


Lees verder >>

Bért, Bèrt, Birt?

door Miet Ooms

Enkele dagen geleden kwam ik bij dit filmpje uit. We zien hier een jongetje dat uit alle macht duidelijk wil maken hoe je zijn naam moet uitspreken. Bèrt, met een open è, en niet Bért, met een meer gesloten e. Het werd volop gedeeld, en heel wat mensen vielen voor de overtuigingskracht van Bert (eigenlijk Mathiz, Berth is zijn familienaam) en zijn vriendje.
Lees verder >>

Mag ik achterlangs je?

Een kind vult de taal aan

Door Marc van Oostendorp

We zaten gisterenavond aan tafel, toen Daan, het vierjarige zoontje van mijn vrienden, zich begon te vervelen en besloot om over onze stoelen te lopen. Bij iedere verjaardagsgast waarschuwde hij ‘mag ik achterlangs je?’
Het was, met zoveel herhaling, moeilijk om géén taalobservatie te doen. Toch leverde niemand commentaar. Het wonder van de kindertaal had weer toegeslagen: de tamelijk ingewikkelde constructie achter je langs was vereenvoudigd tot het eenvoudiger achterlangs je. Thuisgekomen bleek Google me te kunnen vertellen dat achterlangs hem, achterlangs me en achterlangs ons alledrie ook wel geschreven worden. 
Het aantal zoekresultaten is weliswaar niet groot, maar meerdere treffers lijken me serieus en bovendien niet door vierjarigen geschreven. 

Lees verder >>

Waarom poes makkelijker is dan soep

Door Marc van Oostendorp

Psychologen denken dat de menselijke geest een simpel telraam is. Zoals in dit nieuwe artikel in PLOS waarin drie Franse psychologen ingaan op de vraag waarom kinderen woorden zoals poes eerder leren uitspreken dan woorden als soep.

Het artikel laat vooral zien waarom het een ramp is als we de taal overlaten aan de psychologen: ze willen er niets van begrijpen, ze willen alleen maar tellen.

Lees verder >>

Sapies doen

Nog even over het prachtige boek Een vogel in mijn buik dat Cornelis Verhoeven in 1975 schreef over de taalontwikkeling van zijn dochter Neeltje (die zichzelf Nena noemde). Verhoeven wist duidelijk niet veel van taalkunde. Vaak is dat heel verfrissend, maar soms zou je hem willen toeroepen: Het is wel degelijk te begrijpen, Kees! Gesteld natuurlijk dat je hem Kees zou mogen niemen.

Het aardige is namelijk dat Nena’s ontwikkeling in veel opzichten een modelgroei was, precies volgens het boekje. Een voorbeeld is het volgende fragment, dat Verhoeven schreef op 29 maart:

Lees verder >>

Nena (1,5 jaar): ‘Uiterst voedzaam’

“Ik weet niet of ik wel ooit voor iemand zoveel en een zo gedetailleerde belangstelling heb gehad als voor haar,” schreef Cornelis Verhoeven in 1975 over zijn anderhalf jaar oude dochter Neeltje. “Ik denk eigenlijk van niet en ik meen ook dat er geen aanleiding voor geweest is: kinderen vragen een indringender belangstelling dan volwassenen.”

In dat jaar maakte Verhoeven bijna dagelijks aantekeningen van de taalontwikkelingen van zijn dochter. Hij publiceerde het in misschien wel het ontroerendste taalboek dat ooit in het Nederlands verscheen, Een vogel in mijn buik. De taal van Nena.

Wie een kind ziet opgroeien kan zich alleen maar mateloos verbazen over de manier waarop het vakkundig en in korte tijd een woordenschat en een zinsbouw in de steigers zet, en ondertussen ook nog de details van de uitspraak onder de knie krijgt.

Lees verder >>

Wie wil er een ijsje? Ikken!

 

Over de nadruks-n en de opkomst van rare regels in taal

door Suzanne Aalberse

Als mijn dochters iets heel duidelijk willen maken, dan gebruiken ze de –n: “Bedoel je dit boek, neehee, dezeN!” “Wie wil er een ijsje? IkkeN!”, “Is Maaike je oom? Nee dat is mijn tanteN. “Meestal is het alleen na de sjwa (de –e), maar het kleintje kan de –n nog breder toevoegen, bijvoorbeeld: “dat is geen t-shirt dat is een truiN”. Ik vertelde over die extra –n’s het aan mijn collega Els Elffers en ze zei: o ja de nadruks-n die hadden mijn kinderen vroeger ook. De kinderen horen de –n vooral in nadrukscontexten. Op de crèche zeggen ze bijvoorbeeld: “Ga zittuh op je billuh.” Als dat niet gebeurt, wordt het verzoek herhaald: “Ik zei : ga zitteN op je billeN.” De normale uitspraak voor de kinderen is de uitspraak zonder -n (zie stukje Marc). Ze ervaren “zittuh” niet als een vorm die iets mist, maar “zitteN” als een woord met een toegevoegde klank die nadruk geeft. En voor hun kan die extra klank makkelijk toegevoegd worden en zo hebben ze een eigen nadruksuitgang gemaakt. Waarschijnlijk houden de kinderen op met de extra –n’s als ze goed kunnen lezen en schrijven en zien dat zitten wel op een –n eindigt en dezeniet.

Lees verder >>