Tag: internet

Een toekomst zonder verleden

Deze lente vieren we plechtig dat vijftien jaar geleden het literaire tijdschrift De Opkamer werd opgericht door de (toenmalige) romanschrijver en (tegenwoordige) fotograaf Hans van der Kamp. De Opkamer was het eerste Nederlandse literaire tijdschrift op het internet. Het was mooi vormgegeven en beloofde de stem van een nieuwe generatie te worden. Hoewel het internet nog door sommige mensen als een hype werd beschouwd, gingen Van der Kamp en de zijnen laten zien wat voor letterkundige mogelijkheden er open lagen.

De Opkamer is inmiddels nog maar moeilijk te vinden. Alleen bij het Amerikaanse Internet Archive, de enige echte bron voor de Internet-archeoloog, kun je nog een editie uit 1996naslaan, en vandaaruit nog wat van de oude inhoud terugvinden, maar je wordt ook daar vooral getrakteerd op foutmeldingen. Een spin-off van De Opkamer, de in een soortgelijke smaakvolle stijl vormgegeven website met erotische kunst Amea, is nog wel altijd actief.

Over De Opkamer lezen we niets in het nieuwe nummer van Vooys. Tijdschrift voor letteren (jaargang 27, nummer 4), dat vrijwel geheel gewijd is aan een ‘dossier Nieuwe Media’. De literatuur op het internet heeft vooralsnog nauwelijks verleden, slechts een beetje heden en een heleboel toekomst.

Anders schrijven

Toch komt het verleden wel aan bod in Vooys. Interessant is bijvoorbeeld de bijdrage van Carolien van den Berg, die in 2001 een scriptieschreef over hypertekstfictie en voor deze gelegenheid terugkeerde naar de Amerikaanse hypertekstroman The Unknown (van William Gillespie, Frank Marquart, Scott Reberg en Dirk Stratton, 1998). Hypertekst, dat was tien jaar geleden de toekomst van de literatuur op het internet: verhalen waarbij je als lezer zelf kon bepalen in welke volgorde je de verschillende brokstukjes tot je nam. Van den Berg vertelt dat er aan het eind van de jaren negentig schrijvers en literatuurwetenschappers opstonden die nadachten over onder andere de vraag hoeveel invloed een lezer kon krijgen en hoe beeld en geluid in een verhaal verwerkt moesten worden.

“Ik vermoed dat deze bloeiperiode ophield naarmate internet meer ingeburgerd raakte,” besluit Van den Berg. Dat klinkt curieus, maar is vermoedelijk wel waar: de internetliteratuur moet het vooralsnog hebben van de kracht van het nieuwe, van het almaar verder pionieren. Zodra iemand een manier gevonden heeft om de huidige technologie in te zetten, is die technologie alweer achterhaald. Volgend jaar komt er misschien iPad-literatuur, die speciaal geschikt is om gelezen te worden op de nieuwste gadget van Apple – maar over tien jaar is die iPad-literatuur dan misschien nergens meer te vinden.

De digitale lezer

Een soortgelijk gevoel komt op bij het artikel over elektronische poëzie van de dichter Arnoud van Adrichem en de hoogleraar Jan Baetens. Er wordt nu toch al lang gepraat over de opkomst van ‘e-poëzie’, “de ideologie van het ‘nieuwe’ […] viert hoogtij”, maar “veel gedichten op internet zijn niet meer dan de dubbels van bestaande poëzie in drukvorm, die de mogelijkheden van de nieuwe communicatietechnologie onbenut laten.” Van Adrichem en Baetens wijzen op een andere ontwikkeling die met veel minder gedruis en programmatische bombarie omgeven is: “Het gehele literaire bedrijf – van schrijvers tot editors, van uitgevers tot critici en van verkopers tot lezers — is ondertussen volledig opgenomen in de digitale cultuur.”

Ik denk dat dit inderdaad uiteindelijk een onvergelijkbaar belangrijker ontwikkeling zal blijken te zijn dan alle experimenten met Flash en hypertekst en het vermengen van beeld en tekst bij elkaar: het simpele feit dat je boeken digitaal kunt krijgen.

Vooral denk ik dat de digitale revolutie belangrijker is voor de lezer dan voor de schrijver. Sinds een paar maanden heb ik een e-reader, en ik heb daar inmiddels bijna duizend boeken op verzameld, die ik dus iedere dag overal mee naar toesleep. De meeste van die boeken zijn rechtenvrije klassiekers, maar ik heb ook een handjevol boeken gekocht via de elektronischeboekwinkel, en omdat je als pionier nu eenmaal alles moet proberen ook een paar recente Amerikaanse romans illegaal gedownloaded. Dat verandert de ervaring van het lezen — voorbij is de tijd dat je een boek maar uitleest omdat het nu eenmaal het enige is dat je op een lange reis bij je hebt. Voorbij is de tijd dat je als je een nieuw boek wilt, ofwel afhankelijk bent van de verschrikkelijke keuze die de Selexyz-boekhandelketen voor je maakt, of een paar dagen moet wachten tot je bestelling van Amazon binnenkomt. Alles wat je lezen wil is altijd voorhanden.

Anders lezen

Het is als met muziek. Bij mijn weten is er weinig ‘internetmuziek’ voorhanden, die gebruik maakt van de mogelijkheden van het medium. Maar ondertussen is de muziekbeleving van zo’n beetje iedereen in de westerse wereld grondig veranderd. Wie diep in de nacht ineens de behoefte krijgt om naar een bepaald muziekstuk te luisteren, kan onmiddellijk aan die behoefte voldoen.

Ik weet niet hoe atypisch ik ben, maar voor mijn eigen leesgedrag betekent dit vooralsnog een paar dingen. In de eerste plaats is mijn behoefte aan het ‘nieuwe’ afgenomen: waarom zou je je zorgen maken over de nieuwe Erwin Mortier of Jonathan Safran Foer als er zo enorm veel andere bestanden zijn die ook nog allemaal gelezen moeten worden, en die bovendien precies even ver weg zijn. En in de tweede plaats ben ik geloof ik toch wat onrustiger gaan lezen. Waar het precies aan ligt, weet ik niet, maar korte verhalen en poëzie bevallen me vooralsnog beter van een elektronisch scherm dan dikke romans.

In het Engelstalige artikeltje van Samuel Vriezen wordt een andere fascinerende consequentie van het internet besproken: omdat dichters ook lezers zijn, en ook lezers van het internet, kunnen ze zich ineens door de hele wereld laten beïnvloeden: “If, once upon a time, Nijhoff could hold that Dutch poetry was among the world’s finest, we can today only excuse him on the grounds that he had no internet access.” Verwijzend naar de Finse dichter Leevi Lehto roept Vriezen op tot een globalisering van de Nederlandse literatuur: dichters moeten zich in elke taal die ze tot hun beschikking hebben uitdrukken, en zich daarbij niet uit het veld laten slaan door het feit dat hun taalgebruik misschien afwijkt van dat van moedertaalsprekers.

Tien stellingen

Het fraaiste artikel in de nieuwe Vooys vind ik dan ook dat van Peter Boot van het Huygens Instituut, die in ‘tien stellingen over de ideale digitale bibliotheek’ precies uiteenzet waar we naartoe zouden moeten: zo’n bibliotheek zou alles wat er geschreven of gedrukt is moeten bevatten, het zou op allerlei manieren doorzoekbaar en leesbaar moeten zijn, enzovoort. Boots ideale bibliotheek is er wel vooral een voor de onderzoeker, maar ook over de gewone lezer heeft hij wel wat te zeggen: “Idealiter […] kan de gebruiker zelf aangeven welke onderdelen van de tekst worden getoond. Wil ik een middeleeuws toneelstuk lezen met of zonder de woordverklaring? Heb ik behoefte aan regelnummers? Wil ik, in de uitgave van een briefwisseling, de brieven van beide correspondenten gezamenlijk, of die van elk afzonderlijk?” Het is precies die macht die de lezer vooralsnog lijkt te willen — veel meer dan zelf te bepalen hoe hij binnen één en dezelfde ‘hypertekst’ navigeert, wil hij de hele wereld, van zoveel bestaande teksten zien als een grote hypertekst.

In dat grote web van teksten horen misschien ook tijdschriften, zoals Vooys. Toen ik een recensie-exemplaar kreeg aangeboden, vroeg ik om een elektronisch exemplaar; dat bleek niet te bestaan — al wilde de redacteur van dienst me best wat Word-bestanden toesturen. Het digitale lezen en het digitale schrijven zijn alvast begonnen; nu het digitale uitgeven nog.

Carnaval der burgerrecensenten

‘Voor virtuoos proza moeten we niet op het net zijn’. Zo, die zit en daar kunt u het mee doen. Ga toch weg van dit vermaledijde beeldscherm waar u naar zit te staren. Neem liever een goed boek, of een krant, of desnoods een reclamefolder, als u tenminste op zoek bent naar virtuoos proza.

Het citaat waar ik mee begon, komt ook al niet uit een boek, maar uit een stukje dat de romanschrijver Herman Stevens een paar maanden geleden op zijn weblog heeft gezet. Stevens had een artikel in NRC Handelsblad geschreven tegen wat hij ‘burgerrecensenten’ noemde — ongediplomeerden die op internet boekbesprekingen publiceren. Een paar dagen later had een zekere Daan Stoffelsen daarop gereageerd. Stoffelsen werkt bij Recensieweb, een website waarop dat soort recensies over moderne Nederlandse letterkunde worden geplaatst. De NRC wilde kennelijk Stevens’ antwoord waaruit dit citaat kwam niet meer hebben. Dus had hij het uitgerekend op het verfoeide internet gezet.

Wat beweegt iemand om een dergelijk stuk te schrijven? Het heeft op het oog weinig zin om ten strijde te trekken tegen de burgerrecensenten. Wie zal zich ervan laten weerhouden om op een website te verkondigen wat hij van Tirza en Mim vindt doordat hij Stevens’ stukje gelezen heeft? We zullen moeten afwachten wat een en ander gaat betekenen voor de toekomst van de letterkunde, maar de opkomst van de lezer die op internet vertelt wat hij of zij ervan vindt is een feit.

  Erg groot is de wereld van de burgerrecensenten overigens nog niet, althans niet in het Nederlandstalige deel van het internet. In de Engelstalige wereld bloeit het fenomeen inmiddels volop en vind je zelfs duidelijke subgenres. Populair zijn bijvoorbeeld de internet-dagboeken van lezers die fanatiek het ene boek na het andere verslinden en daar op internet verslag van uitbrengen. De weblog ‘So Many Books’ (‘the agony and ecstacy of a reading life’) is daar een mooi en erudiet voorbeeld van, geschreven door een zekere Stefanie die ooit een doctoraal in de Engelse letteren haalde en nu ergens in Minneapolis bij een helpdesk werkt, als ik het allemaal goed begrijp. In haar vrije tijd leest ze Emerson en Proust en Homerus, en ongeveer elke dag schrijft ze daarover.

Een consequentie van dat dagelijkse ritme is dat ze vrijwel nooit recensies schrijft. Ze leest de ene dag bijvoorbeeld een stukje in de Odyssee en vertelt dan wat haar indrukken van dat stukje zijn; een paar dagen later gaat ze er pas mee door. Als het boek uit is, geeft ze nog wel een soort eindoordeel, maar eigenlijk worden de hele tijd allerlei boeken door elkaar besproken — zoals in het leven van de lezer zelf.

Een ander interessant subgenre is dat van de aan een speciale schrijver gewijde weblog. Op het AustenBlog wordt bijvoorbeeld iedere dag melding gemaakt van de laatste nieuwtjes rondom de razend populaire negentiende-eeuwse schrijfster Jane Austen: wat er in allerlei kranten over haar staat op internet, waar nieuwe elektronische edities van haar werk te vinden zijn, wat we moeten denken van de nieuwste verfilming. Een ander voorbeeld is ShakespeareGeek, waarop een zekere Duane niet alleen soortgelijke nieuwtjes over de Engelse toneelschrijver geeft, maar ook regelmatig vertelt over welke versregels zijn driejarige dochtertje nu weer uit haar hoofd blijkt te kennen.

Het echte leesdagboek en de gespecialiseerde schrijversweblog bestaan bij mijn weten in het Nederlands niet. Er zijn er een paar die in de buurt van het eerste komen. Die dagboeken komen opvallend genoeg eerder van boekverzamelaars dan van lezers; onder Nederlandse webloggers bestaat nog steeds een grote openlijk beleden liefde voor de bibliofiele legende Boudewijn Büch. Een voorbeeld is ‘Boekengek’ die op 5 september 2007 omstandig verslag uitbrengt van zijn problemen met AlItalia, als hij probeert veel te zware koffers met boeken in te checken. Een ander voorbeeld is ‘Bibliofilos’ (er zijn veel pseudoniemen in deze wereld) die de afgelopen jaren eerst als hostess op het Griekse eiland Kreta heeft gewerkt en daarna als telefoniste bij uitgeverij Prometheus. Vooral haar avonturen in de eerste functie waren van een soort waar je weinig over leest in de krant: hoe ze de hotels afging om van de portiers de Nederlandstalige boeken te krijgen die gasten hadden laten liggen. Inmiddels werkt Bibliofilos overigens voor een uitzendbureau, we blijven haar volgen.

  Degenen die meer over hun lezen schrijven, pakken het (jammer genoeg) wat traditioneler aan. Ze schrijven recensies van boeken die ze uitgelezen hebben, zij het dat deze recensies in doorsnee een stuk korter zijn dan wat je in de boekenbijlage vindt. Sommigen van deze webloggers lezen zich overigens door gigantische stapels heen. De Nederlander IJsbrand van den Berg zet bijvoorbeeld bijna iedere dag een stukje op zijn Boeklog over weer een nieuw boek; naar eigen zeggen is wat hij bespreekt dan nog maar een fractie van wat hij werkelijk leest. In Vlaanderen is er een man die zelfs twee weblogs weet te vullen met zijn gelees. Onder de naam Achille van den Branden (ontleend aan een personage in een boek van Tom Lanoye) schrijft ook hij een paar keer per week een uitvoerige bespreking van een boek — van Plato tot Jeff Geeraerts; onder de naam Prins van Denemarken plaatst hij iedere dag een fragment van een boek; waarbij aangetekend moet worden dat die boeken vaak een paar dagen later door Van den Branden besproken worden.

Daarnaast zijn er de websites van de collectieven. Recensieweb heb ik hierboven al genoemd. Boekgrrls is er ook zo een, al is dit meer een discussieplatform of een elektronische leesclub dan een echte recensiewebsite (‘Een mooie bespreking. Ik heb dit boek ook gelezen. Het verhaal fascineerde me maar in het einde vond ik de tragiek te sterk aangezet.’) Van dat soort discussieplatforms zijn er overigens ook meerdere op het internet te vinden; zelfs de NRC, de krant waarin Herman Stevens’ oorspronkelijke klacht verscheen, heeft er een.

  Traditionelere recensies verschijnen dan weer op onder andere Poëzierapport, een website van Philip Hoorne, Patricia Lasoen, Chrétien Breukers, Cees van der Pluijm, Alain Delmotte, Catharina Blaauwendraad, Paul Rigolle, Ronald Ohlsen en Yves Joris. Sommigen onder hen zijn redelijk bekende dichters; gezamenlijk zorgen ze voor een bont overzicht van wat er zoal aan dichtkunst verschijnt in Nederland.

Daarmee komen we op zo’n genre dat dicht tegen het leeslog aanzit, en dat in Nederland een relatief grote populariteit heeft: dat van het dichtersweblog. Het is moeilijk van dit genre een overzicht bij te houden, omdat er de hele tijd nieuwe worden opgericht, coalities worden aangegaan, transfers worden gesloten, enzovoort. Toch zijn er wel enkele constanten aan te wijzen. Zo is er de website Rottend Staal, een krant die door de dichter Bart FM Droog wordt uitgegeven vanaf het zelfgemaakte waddeneiland Epibreren. De krant heeft een tijdje stilgelegen, maar biedt de laatste maanden ineens weer iedere dag nieuws uit de fascinerende wereld van de vaderlandse dichtkunst. Droog heeft trouwens ook nog een privé-weblog op de website van de Volkskant.

Ik heb overigens geen idee wat het verschil verklaart tussen de poëzie en het proza: bij de eerste zijn het vooral de makers die weblogs voeren, poëzielezers vind je nauwelijks. Bij het laatste genre zijn het dan weer vooral de lezers die je overal op het internet tegenkomt. En ook daar weer: geen idee wat het verschil verklaart.

In de loop van de tijd zijn die boekbloggers of leesloggers, een standaardwoord is er nog niet voor, me lief geworden. Wat een plezier spat er eigenlijk af van weblogs als Moet je lezen!, Lezen is leuk!, Boekenwurm en pleeg (van een verpleegster) en Bibliothecaris in Blog. De stijl waarin die lezers hun liefde voor het lezen uitdrukken is misschien wat onbeholpen, en zelfs hun boekenkeuze is heus niet altijd de mijne, maar dat je zoveel onbekommerd plezier kunt hebben aan telkens weer een nieuw boek — ook dat is een geluid dat je niet vaak verneemt in de boekenbijlage.

  Ook sommige recensenten die wel in de kranten schrijven, plaatsen hun stukken overigens op internet. Herman Stevens doet dat bijvoorbeeld zelf, Arie Storm (Het Parool), Ed Schilders (de Volkskrant) en Max Pam (HP/De Tijd). Je ziet meteen dat het heel andere stukken zijn dan elders op het web verschijnen: beter geschreven, beter geïnformeerd, beter doordacht. Toch kun je je afvragen wat de toekomst van dit soort stukken nog is. Recensies in de krant hebben allerlei functies die uiteindelijk best door de websites kunnen worden overgenomen: het signaleren van nieuwe boeken bijvoorbeeld, en zelfs het geven van een indruk wat die boeken precies te melden hebben.

Er zal altijd wel een markt zijn voor verdieping, voor artikelen die meer achtergrond geven dan zo’n stukje op het internet, maar de vraag is of de krantenrecensie die verdieping wel biedt. Dan denk je toch eerder aan een wat grootser essay. En voor het echte virtuoze proza kun je uiteindelijk toch nog steeds op een plaats het best terecht. Niet op het net, niet in de krant, maar in de boeken.

Marc van Oostendorp

De mooiewoordenindustrie

Toen ik anderhalf jaar geleden met een kraampje op de open dag van het Meertens Instituut stond, wist ik niet wat ik daarmee zou aanrichten. Een keer in de zoveel jaar doet het instituut mee met de zogenoemde wetenschapsdag en stelt de poorten open voor wat we het grote publiek noemen. Dat bestaat overigens voor een aanzienlijk deel uit vrienden, familie en bekenden van medewerkers van het instituut, maar dat maakt de dag er vooral gezelliger op.

Mijn kraampje stond bij de ingang van het instituut, en ik liet de bezoekers niet naar binnen gaan zonder dat ze hun ‘mooiste woord’ op een strook papier hadden geschreven. Ik had trouwens ook via internet en het tijdschrift Onze Taal zo’n oproep gedaan. Het was het onschuldige jaar 2003, lang voordat een vloedgolf van mooiewoordenwedstrijden ons land zou treffen. Het NIPO, de VRT, de Volkskrant, de Stichting Drentse Taol, de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, de Limburger, Omrop Fryslân: iedereen ging naarstig op zoek naar het mooiste woord in zijn eigen taal.

Nu kun je op verschillende manieren op zoiets reageren. Je kunt er bijvoorbeeld je schouders over ophalen. Of je kunt je er mateloos aan ergeren, zoals Ewoud Sanders deze week deed in NRC Handelsbladdie deze mooiewoordentsunami de ‘ergerlijkste taalgebeurtenis van 2004’ noemde:

al dat geneuzel over het mooiste Nederlandse woord. Gemakzuchtige na-aperij van die Duitse wedstrijd, die ook volslagen onzinnig was (winnaar Habseligkeiten). Als mooiste Nederlandse woorden zijn onder meer aangedragen: vrijen (winnaar bij de Volkskrant), geboorte, geborgenheid, geluk, God, liefde, naastenliefde, respect, saamhorigheid, vakantie en vrijheid.Wat een zoetsappigheid bij elkaar! Het effect zal voor iedereen anders zijn, maar persoonlijk krijg ik na te veel poezelige aaiwoorden zin in een stevige kneukfilm.

Bij mij was het effect inderdaad geheel anders: het riep de koopmansgeest in me wakker. Er zijn nu zoveel gegevens over wat mensen mooie woorden vinden, daar moet een munt uit te slaan zijn. Bijvoorbeeld door een automatische analyse te maken van nieuwe merknamen, om te zien hoezeer ze zullen aanslaan. Door ouders voor te lichten over de schoonheid van de naam van hun boreling. (‘Hoe mooier de naam van uw zoon of dochter, des te meer rijkdom, voorspoed en mooie vrouwen hij of zij in zijn of haar leven tegemoet zal zien. U gunt uw kind toch ook het allerbeste?’) Of door schrijvers en dichters de weg naar roem en succes te garanderen.

Dus ging ik aan de slag. Dit voorjaar heb ik mensen via een website een testje laten doen. Ze kregen daarbij steeds paren van twee woorden voorgelegd, en moesten een van de twee aanwijzen als het mooiste. Die woorden werden elke keer willekeurig gekozen uit lijsten van mooie én lelijke woorden die mensen hadden opgestuurd. In totaal hebben 2020 mensen meegedaan aan deze test: ze hebben allemaal een andere versie van het formulier gezien.

Omdat die mooie woorden zo’n rage waren, ben ik door journalisten sufgezeurd om de resultaten van die test. Vandaag, op de laatste dag van het mooiewoordenjaar 2004 geef ik ze dan eindelijk, via Neder-L, aan de openbaarheid prijs:

sales 0.04
webstek 0.08
bier 0.10
communicatie 0.12
beters 0.13
kostenplaatje 0.14
gulp 0.15
penhouder 0.15
afwerkplek 0.16
puber 0.16
verdapperen 0.17
goor 0.18
Poldernederlands 0.22
bark 0.23
werkdruk 0.24
slaapgestoorden 0.25
grauw 0.30
tegel 0.31
doei 0.32
vochtig 0.33
schaapachtig 0.38
toko 0.41
neiging 0.44
karwijzaad 0.46
avondrood 0.48
schreeuw 0.49
substantieel 0.49
kroonjuweel 0.50
implementeren 0.51
rataplan 0.52
burger 0.53
barnsteen 0.53
paarlemoer 0.54
emelt 0.55
schoorvoetend 0.57
epibreren 0.59
ereprijs 0.59
dommelen 0.59
bekken 0.63
snoeshaan 0.64
inseinen 0.65
onthutst 0.66
jatten 0.67
kachel 0.68
prijken 0.74
rollebollen 0.75
pandoer 0.76
kerstengeltje 0.76
schorriemorrie 0.78
wulps 0.84
prevelen 0.84
elfenbankje 0.86
genegen 0.86
paaien 0.88
kwakkelen 0.90
adelborst 0.90


U moet deze cijfers als volgt lezen: als men voor het woord sales kon kiezen, deed men dit in 4% van de gevallen. Werd het woord kwakkelen als een van de twee mogelijkheden gegeven, dan koos men in 90% van de gevallen voor dit woord (alle woorden werden ongeveer even vaak aangeboden.) Volgens deze test zijn adelborst en kwakkelen dus het mooist, en saleshet minst mooi.

De reden waarom ik deze gegevens aan de openbaarheid prijsgeef, is dat ik achteraf denk dat ik er toch niet zo rijk mee zal worden als ik had gehoopt. Er valt weinig systeem in te ontdekken, of althans, weinig systeem dat niet zo voor de hand ligt dat het moeilijk is om er patent op aan te vragen.

Bij mijn eerste onderzoeken kwam desalniettemin naar voren als het woord dat het vaakst werd genoemd als ‘het mooiste’. Ik had daar een hele theorie bij bedacht, die moest uitleggen waarom de klanken in dat woord het zo mooi maakten. Die theorie — die ik terugvoerde op Roman Jakobson — behelsde dat klanken voor in de mond (labiale en coronale medeklinkers, voorklinkers) mooier zullen worden gevonden dan achterklinkers en velaire medeklinkers.

Over die theorie kunnen we nu kort zijn. Door het bovenstaande lijstje wordt hij weerlegd. Voor- en achterklinkers, en verschillende soorten medeklinkers staan willekeurig verspreid in deze lijst. Sterker nog, kwakkelen bestaat bijna alleen uit achterklanken en sales alleen uit voorklanken. Uit de klanken valt niks af te leiden.

Toch moet er wel systeem inzitten, anders zouden sommige woorden niet bijna altijd verliezen terwijl sommige andere woorden bijna altijd winnen. Je zou verwachten dat alle woorden een kanspercentage rond de 50 hadden, maar dat is kennelijk niet het geval. Bovendien is het linkerrijtje vrijwel gelijk aan het lijstje woorden dat oorspronkelijk was ingezonden als ‘lelijk’, terwijl het rechterrijtje bijna helemaal bestaat uit woorden die als ‘mooi’ waren ingezonden. (Opvallendste uitzondering is het ‘mooie’ woord verdapperen dat bijna helemaal onderaan eindigde.)

Wie de lijsten met lelijke en mooie woorden vergelijkt, kan zich natuurlijk wel iets voorstellen bij het ‘mooi’ en ‘lelijk’. Sales was bij voorbaat kansloos, omdat het een Engels leenwoord is waarvoor iedereen het Nederlandse alternatief kent (uitverkoop): hoe het woord ook klinkt, het kan nooit winnen. Zoiets geldt ook voor doei, dat nu eenmaal sociaal gestigmatiseerd is. De woorden in de rechterkolom zijn aan de andere kant bijna allemaal ‘exclusieve’ woorden.

Die exclusiviteit blijkt bijvoorbeeld als we alle woorden opzoeken met Google (achter elk woord staat nu het aantal treffers op 30 december 2004).

communicatie 302000
bier 198000
sales 186000
burger 123000
implementeren 38300
neiging 36900
goor 35600
werkdruk 26400
webstek 23500
doei 21100
vochtig 20200
kachel 19900
tegel 16600
bekken 16100
substantieel 15700
beters 14700
schreeuw 14600
puber 13300
toko 11700
dommelen 7650
grauw 7160
jatten 6120
kostenplaatje 4880
prijken 4200
bark 4050
genegen 3960
schoorvoetend 3710
gulp 3010
paaien 2700
barnsteen 2350
rataplan 2330
avondrood 2280
ereprijs 2210
onthutst 1940
epibreren 1280
kroonjuweel 1240
schaapachtig 1190
rollebollen 998
kwakkelen 950
wulps 904
karwijzaad 864
pandoer 834
penhouder 758
schorriemorrie 741
prevelen 736
afwerkplek 645
snoeshaan 559
adelborst 532
Poldernederlands 442
elfenbankje 394
inseinen 384
paarlemoer 369
kerstengeltje 209
emelt 113
slaapgestoorden 53
verdapperen 38

In de webversie van dit artikel heb ik de woorden die in de ‘verkeerde’ kolom staan blauwgekleurd: 9 van de 28 hoogstfrequente woorden worden ‘mooi’ gevonden, en 9 van de 28 laagstfrequente woorden zijn ‘lelijk’. Dat betekent dat iets meer dan tweederde van alle woorden volgens deze methode juist geclassificeerd wordt. Wat zeldzaam is, is mooi. Dat geldt voor woorden, en het geldt kennelijk ook voor mooiewoordentesten: als je er te veel van krijgt, komen er stukjes in de krant van mensen die liever naar kneukfilms kijken. Volgens de Google-test staat kneukfilms overigens tussen ‘slaapgestoorden’ en ‘verdapperen’.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Google-roem

Wilt u ook eens op de televisie uw mening geven over de nieuwe spelling? Ja hè, lezer, dat lijkt u wel wat. Of op zijn minst wilt u geïnterviewd worden door De Twentsche Courant Tubantia. Of desnoods iets vertellen voor de Utrechtse studentenradio. Ik bied hulp: begin een website, en zet daar uw artikelen op. Of anders foto’s van uw collega’s, of wat opruiende teksten tegen de Nederlandse Taalunie. Rijkdom en roem worden uw deel.

Het is mijn strategie nu alweer een jaar of acht. Ik wilde leren om een website te maken, en het materiaal dat het makkelijkst voorhanden was, had ik zelf geschreven. Googlebestond nog niet, maar er waren al wel zoekmachines zoals AltaVista en HotBot (tot mijn verbazing merk ik dat zelfs die laatste nog steeds bestaat; zou er nog iemand zijn die er wel eens iets in opzoekt? Ach, de gelukkige dagen toen ik die website ontdekte. Voorbij.) Daar meldde ik mijn pagina’s aan, en wachtte wat er ging gebeuren.

Die zoekmachines werden toen in de journalistiek nog niet algemeen gebruikt. Alleen journalisten die over computers schreven tikten wel eens wat in. Nu kwam dat goed uit, want omdat de taalkunde mij niet wilde hebben, schreef ik toen zelf als freelancer zelf over computers en over internet. Het curieuze is dat sommige van de stukjes die ik toen schreef nog steeds elke dag ettelijke malen worden geraadpleegd door deze of gene, hoewel de meeste volkomen achterhaald zijn. Ik heb bijvoorbeeld in 1997 een artikeltje geschreven over Europese kranten op het web dat meldt dat het Algemeen Dagblad ‘nog niet’ op internet staat en verder allerlei links bevat naar websites die allang niet meer bestaan. Dat stukje is deze maand (september 2004) ongeveer 150 keer nageslagen. Sowieso bestaat vrijwel de hele top-10 van mijn privé-website (die sinds vier jaar op het adres www.vanoostendorp.nl te vinden is) vrijwel uitsluitend uit stukjes die ik meer dan zeven jaar geleden geschreven heb over technologie die iedereen inmiddels vergat (u kunt die top-10 zien op de statistiekpagina van mijn website: www.vanoostendorp.nl/statistiek.php.

Toch worden recentere stukjes ook wel gelezen. Dat merk ik door de telefoontjes van de pers. Vroeger had een beetje journalist, zo stel ik me voor, een goede rolodex waarin hij namen had van deskundigen die over allerlei onderwerpen iets kunnen vertellen. Tegenwoordig heeft zo’n journalist Google, en als hij een itempje wil maken over het gebruik van dialect in de reclame, tikt hij ‘dialect reclame’ in en ontdekt vanzelf wie de expert is op dat gebied: http://www.google.com/search?hl=en&ie;=UTF-8&q;=dialect+reclame+&btnG;=Google+Search. Niet omdat die zelfbenoemde expert er nu zoveel van weet, maar omdat hij er jaren geleden iets over op het internet heeft gezet.

Die roem blijft overigens niet beperkt tot de journalisten. Een collega-neerlandicus vertelde me onlangs dat geen enkel artikel van hem zo vaak werd geciteerd als een artikel in het roemruchte tijdschrift Neerlandistiek.nl. Ook steeds meer vakgenoten gaan nu eenmaal af en toe op zoek op het internet, en de kans dat ze op een artikel stuiten dat in een sjiek internettijdschrift als het genoemde verschijnt is groter dan de kans dat iemand na vijf jaar uw artikel nog vindt als het is begraven in de jaargangen van een papieren periodiek.

Het kan een paar jaar duren, dus op het moment dat u dit leest, is het waarschijnlijk 2011, lezer. Misschien bent u een journalist die een itempje moet maken over Google-roem. Stuur mij maar een mailtje, dan vertel ik u er alles over, deskundig als ik ben op ook dit gebied. Misschien bent u ook wel een vakgenoot. Dan lijkt het me hoog tijd dat u nu ook eens een eigen website neemt.

Marc van Oostendorp.

Is er nog wat gebeurd in de wereld tijdens mijn afwezigheid? Nieuwjaarsrede over het Nederlandse weblog

Door Marc van Oostendorp

In het enigszins beduimelde geschiedenisboek van het Nederlandstalige Internet schrijven we 2003 bij als het jaar waarop het weblog doorbrak. Het bestond al een jaar of vijf, maar dit jaar werd het ineens door de websites van de grote media ontdekt als hét publicatiemedium van het internet: NRC Handelsblad begon aarzelend aan een weblog (door internetredacteur Marie-José Klaver, die er eerder op persoonlijke titel al een schreef) en de Volkskrant breidde de zijne uit. Wim de Bie maakte bekend dat zijn weblog op de website van de VPRO zo’n tachtigduizend bezoekers per dag trekt.

Hoe is het allemaal zover gekomen? Het weblog dat zich erop beriep ‘het eerste (soort van)’ te zijn, heette Alt0169 – naar de toetscombinatie die je op een Windows-computer moet indrukken om een copyright-teken te krijgen. Het werd vooral geschreven door een beeldend kunstenaar die zich soms de kolonel noemde, maar in het werkelijk leven Jeroen Bosch heet. Bosch begon zijn weblog in de zomer van 1999 en beëindigde hem, tot verdriet van een paar duizend lezers, drie jaar later, in de zomer van 2001.

Achteraf is Alt0169 makkelijk te classificeren als behorend tot de eerste generatie. Een belangrijk deel van de aantrekkingskracht bestond uit de vele, vele links naar alle uithoeken van het internet, waar de bizarste dingen te vinden bleken te zijn. Die kolonel moest dag en nacht aan het surfen zijn. Bovendien waren zijn stukjes goed en met ironie en taalgevoel geschreven. In de loop van een paar jaar creëerde hij een eigen jargon, met woorden als kneiter(goed voorbeeld), omkatten (vormgeving van een website veranderen) en het Utrechtse stadje U. Het was vaak ook behoorlijk flauw, of nee, hoe noem je dat, melig:

Tip van de dag: schrijf nooit naar huis, je bent er al.

Bonustip van de dag: als je dan toch naar huis wilt schrijven, mail dan. Scheelt een postzegel.

De kolonel bepaalde veel van de wetten van het nieuwe genre: de stukjes waren kort, de toon was opgeruimd, en er waren veel links. Maar zo bezien waren er al wat voorgangers geweest op het Nederlandstalige Internet, al publiceerden die niet per se op het web. Van 1995 tot 1998 stuurde de Internet-journalist Francisco van Jole elke werkdag een nieuwsbrief via e-mail de wereld in, de Daily Planet, die binnen enkele jaren enkele tienduizenden abonnees kreeg. Die nieuwsbrief was feitelijk een weblog via de e-mail. Van Jole is daarmee te zien als de feitelijke vader van het weblog wat dan meteen mooi de haatliefdeverhouding verklaart die alle Nederlandse webloggers met hem lijken te hebben.

Of Alt0169.com de allereerste was, valt niet meer na te gaan. Het was in ieder geval de eerste met een relatief groot succes (in de loop van zijn bestaan besteedden bijna alle landelijke kranten wel aandacht aan het verschijnsel weblog, en altijd werd Alt0169 erin genoemd). Het was ook al snel niet meer de enige. Bijvoorbeeld kwam het wat onbehouwener en puberale Retecool erbij, dat trouwens nog steeds welgemoed doorgaat met virtueel puberen en daarmee een interessante bron van hedendaags taalgebruik vormt:

Old Skool gamen blijft de bom. Thrustar (een slicke uitvoering van de C64 game thrust) heerst de pan uit.

Een andere vroege Nederlandse weblogger was Tonie van Ringelenstijn. Hij was, achteraf gezien, degene die vooropliep bij de feitelijke doorbraak van het weblog: degene die het weblog als journalistiek instrument ontdekte. Hij was student op een school voor de journalistiek en schreef in zijn vrije tijd zijn weblog vol met observaties over het nieuws. Als er iets gebeurde (11 september), en je wilde op internet achtergrondinformatie vinden, ging je eerst bij Tonie kijken omdat hij de beste bronnen al bij elkaar verzameld had. Hij was er dan ook dag en nacht mee bezig:

“Thuis gekomen na een bezoek aan een Utrechtse kroeg en een lange terugreis zou een normaal mens zijn nest opzoeken. (Dank aan Ton B. en Roland P. voor het bier en snel voedsel) Mijn eerste gedachte was is er nog wat gebeurd in de wereld tijdens mijn afwezigheid?”

Bij de tweede generatie webloggers – hoeveel generaties kun je proppen in vier jaar? Geduld! – werd het persoonlijke belangrijker, en de link minder belangrijk. Zij maakten weblogs die autonoom waren, weinig of geen direct verband hielden met de rest van het wereldwijde web. Je zou hun producten op een cd-rom kunnen zetten, of zelfs in een boek kunnen afdrukken, zonder dat daarmee veel verloren zou gaan behalve dan de actualiteit van het voortdurend bijgewerkte weblog. Soms waren dat soort weblogs volkomen onbegrijpelijk voor buitenstaanders, en soms gingen ze gebukt onder literaire pretenties. Webloggers van deze generatie schrijven hun dagboek op het internet, of produceren korte verhaaltjes. Een voorbeeld van de eerste categorie is Merel Roze; een voorbeeld van de tweede is – wederom – Francisco van Jole, die enkele jaren geleden de eerste fragmenten publiceerden van wat later zijn roman Blink zou worden, en nu bezig is (zij het niet erg frequent) met een serie over het ‘tv-loze’ bestaan, die misschien ook nog weleens uitmondt in een boek.

Overigens vallen in mijn ogen ook een aantal andersoortige weblogs onder deze generatie: weblogs die niet alleen weinig of geen links bevatten, maar ook weinig of geen tekst. Interessante (en tamelijk extreme) voorbeelden hiervan zijn Tekenlog, waarop de kunstenaar Marcel van Eeden elke dag een tekening plaatst, en de website van Thomas Schlijper, een persfotograaf die elke dag een fraaie foto publiceert die hij op die dag gemaakt heeft. Ook deze weblogs zijn autonoom, maar wel voortdurend bijgewerkt. De charme van een goed tweedegeneratieweblog zit er vooral in dat je het idee hebt dat je een ander mens van dag tot dag volgt.

Dat dit jaar er alweer een nieuwe generatie – de derde, maar hierna houd ik er dan ook echt mee op – zou opstaan, bleek toen Van Ringelenstijn begin dit jaar stopte met zijn privé-weblog omdat hij het te druk had en binnen enkele maanden opdook als — waarschijnlijk betaalde – weblogger van het tijdschrift Quote. (Ik geloof niet dat hij er nog langer actief is, trouwens.)

De derde generatie webloggers schrijft zijn weblogs namelijk voor geld, en op websites van traditionele media. Bij de VPRO heeft bijvoorbeeld niet alleen Wim de Bie een eigen weblog, maar ook Wim Brands, dichter en presentator van het radioprogramma De Avonden. De weblogs van de kranten heb ik hierboven al genoemd; een ander voorbeeld is dat sinds de verkiezingscampagne van begin dit jaar sommige politici verslag van hun werkzaamheden doen in de vorm van een weblog. Een voorbeeld is minister Zalm die, al sinds de vorige verkiezingen bijna elke werkdag verslag doet van zijn werk. Dat is niet altijd even meeslepende lectuur – maar dat een bewindsman z’n gedetailleerd inkijkje geeft in zijn doen en laten, heeft iets sympathieks, vind ik.

Ook ons aller staatssecretaris Annette Nijs van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen schrijft een weblog. Zij werd enkele maanden geleden scherp aangevallen op enkele inderdaad wat knullige typefouten; sindsdien heeft zij haar frequentie wat verlaagd en schijnen haar teksten gecorrigeerd te worden. Die correcties gaan dan in ieder geval niet over de wat onbeholpen schrijfstijl:

19 december

Deze week een hectische week achter de rug. Het plan voor Toelatingsbeleid was uitgelekt en dan staat er plotseling een cameraploeg van RTL Nieuws voor je neus. Een aantal commentaren van andere partijen, zoals de LSVb, waren al bekend, dus heb ik in lijn met het regeerakkoord een korte reactie gegeven.

Vandaag de Ministerraad achter de rug en kun kan ik er vrijuit over praten. De strekking van het plan is om een aantal experimenten uit te voeren […]

Met het uitlekken van dit plan zie je de reflex: kan niet, mag niet, toegankelijkheid komt in gevar. Logisch, aangezien dit onderwerp al jarenlang een taboe is in Nederland. Jammer, want in Nederland moeten we ook topkwaliteit kunnen leveren en het is mijn stellige overtuiging dat zoiets kan mét behoud van de toegankelijkheid.

De vraag is nu natuurlijk: waar is de wetenschap? Ook voor onderzoekers lijkt het weblog immers een prachtige medium te zijn: een manier om een dagelijks inkijkje te geven in je werk, om elke dag vanuit je eigen invalshoek commentaar te geven op het nieuws, om mogelijk een groep te bereiken die je er bijvoorbeeld van wilt overtuigen om bij je te komen studeren, of om je subsidie te geven.

In de zomer van 2004 vieren we de vijfde verjaardag van het Nederlandse weblog – zullen er rond die tijd ook neerlandistische weblogs bestaan? In de taalwetenschap bestaan er al een paar, in ieder geval in het buitenland. De fraaiste is ongetwijfeld Language Log, waarop een team van vooraanstaande Angelsaksische taalkundigen met heel verschillende specialisaties (mensen als Mark Liberman, Geoffrey Pullum en Sally Thomason) dagelijks speels en wervend laat zien hoe mooi en veelzijdig het vak is. Elke dag is er wel een aardige observatie, een kleine analyse, een poging om aan te tonen dat de New York Timesof Nature recentelijk taalkundige onzin hebben gedebiteerd.

Soms worden de berichtjes ook gebruikt om onderzoek te doen:

Hey fellow bloggers and assorted fans: a question, taking advantage of this wonderful tool called the internet. A question: can you identify for me languages that have neither 1) inflections nor 2) tones used to distinguish lexical items or encode grammar?

Wat zou het prachtig zijn als je zoiets ook had voor de neerlandistiek – een weblog waar je dagelijks berichten, oproepen en observaties vindt uit alle hoeken en gaten van het vak. Een soort Neder-L, maar dan van dag tot dag bijgehouden, met afbeeldingen van handschriften en syntactische analyses (en wat mij betreft komt er nog steeds twee keer in de maand dan een samenvatting voor de abonnees die een en ander via e-mail willen ontvangen). Die website wordt het dagboek van een kleine gemeenschap van vakgenoten, dat voorgoed laat zien hoe onterecht het is dat ons onderzoek zo weinig de krant haalt, en dat de lezer meesleurt in een interessante en aantrekkelijke manier om de wereld te bekijken: de onze. De vakgroep Nederlands die het aandurft om zo’n weblog te beginnen, voorspel ik een gouden toekomst.

Pionier mee!

Het is bijna tien jaar geleden dat het Internet in Nederland voor privé-personen werd opengesteld: op 1 mei 1993 begon een groepje hackers het bedrijfje XS4ALL waar je een abonnement op Internet kon nemen. Naar eigen zeggen streefden de oprichters naar vijfhonderd klanten na een half jaar en hadden ze die vijfhonderd al aan het eind van de eerste dag.

Daarna is er van alles gebeurd. In het begin overheerste de scepsis: wie van het nieuwe medium hield, moest regelmatig tijdens verjaardagsfeestjes de vraag beantwoorden ‘of dat nou wat was, dat Internet’. Minstens tot 1998 kon je nog wel mensen ontmoeten die er niks in zagen, en die vol vertrouwen vertelden dat het allemaal iets was van voorbijgaande aard, dat het snel weer zou verdwijnen.

Die mensen liepen dan wel een beetje achter, want al in 1995 of 1996 kwam precies het omgekeerde sentiment in de mode: het Internet was De Toekomst. En de toekomst had een gouden randje, iedereen wilde deelhebben aan die toekomst. Wie van het nieuwe medium hield, moest zich af en toe inspannen om tijdens verjaardagsfeestjes de overspannen verwachtingen van de anderen wat te temperen.

Eigenlijk liepen ook die mensen op hun beurt achter, want al in 1995 hoorde ik voor de eerste keer een uitgever beweren dat ‘de hype nu wel voorbij was’. Inmiddels leven we alweer een tijdje in een periode van scepsis. Ja, e-mail is wel leuk, en ja, af en toe zoekt iedereen wel eens wat op het Internet op, maar veel meer dan een speeltje is het toch eigenlijk niet. Er valt geen geld te verdienen op dat netwerk en dus hoeven we het, zeker in tijden waarin het economisch minder gaat, niet erg serieus te nemen. Het enthousiasme lijkt getemperd.

Het wordt tijd, kortom, voor een nieuwe liefdesverklaring.

In bijna elk huis in de westerse wereld staat een computer met een Internet-aansluiting. Achter ieder van die computers kan elk moment van de dag iemand plaatsnemen om op zoek te gaan naar informatie. De grote uitgeverijen en mediabedrijven gaan die informatie er niet op zetten, dat is nu wel duidelijk. Maar er zijn op zijn minst twee groepen die dat wel doen: wetenschappers (met subsidie van de overheid) en particulieren (zonder dat ze aan wie dan ook verantwoording hoeven af te leggen).

Het Internet groeit nog steeds, of in ieder geval: het waardevolle archief van miljoenen documenten over allerhande onderwerpen groeit nog elke dag. Op het gebied van ons vak biedt het net naar mijn schatting nu toch wel de informatie van een redelijk adequate handbibliotheek voor een neerlandicus met een redelijk brede belangstelling. Het aardige van die bibliotheek is echter dat iedereen erin mag snuffelen en dat dit ongetwijfeld af en toe ook gebeurt. Zo komen allerlei mensen met ons prachtvak in aanraking. Wie dat wil, kan vanachter zijn eigen bureau al redelijk op de hoogte raken met de stand van zaken in het vak en met vrijwel alle werken uit de canon van de klassieke Nederlandse literatuur.

En wat opwindend is: er valt nog zo ontzettend veel te doen, dat iedereen kan meedoen. We staan eigenlijk pas aan het begin van een lang pad dat wat mij betreft naar een duidelijk doel leidt: een Internet waarop de hele klassieke Nederlandse literatuur staat in auteursrechtenvrije edities, waarop je je bij wijze van spreken van de grond af aan via zelfstudie kunt verdiepen in het hele vak middels digitale inleidingen, handboeken en specialistische studies on line, waarop je meteen de laatste nieuwtjes op het gebied van taal en letteren kunt vinden, waarop je onmiddellijk alle informatie kunt vinden over elke geleerde van je gading (de ervaring leert nu wel dat je die geleerden in ieder geval niet moet vragen die pagina’s zélf te onderhouden; de paar pagina’s die deze of gene ooit enthousiast begonnen is liggen er over het algemeen nu dor en droog bij).

Als ik nu student Nederlands was, wist ik het wel. Iedereen die dat wil kan nu onmiddellijk aan de slag op het net: het is nog steeds tijd om te pionieren. De structuur van het Nederlandstalige Internet is wel dusdanig goed dat je met behulp van een paar zoekmachines en misschien een mailtje aan deze of gene binnen een middagje hebt vastgesteld welke onderwerpen er allemaal nog niet zijn afgedekt op het wereldwijde netwerk van computers. Een eigen website heb je vervolgens binnen de kortste keren in elkaar gezet.

En er valt zoveel te doen. Neem nu het Project Laurens Janszoon Coster. Ooit was het de grootste verzameling klassieke Nederlandstalige teksten op Internet, maar die functie is inmiddels wel overgenomen door de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren, die bovendien edities van een veel hoger niveau kan leveren. Dat wil echter niet zeggen dat Coster per se verloren is, want er valt nog veel te doen. De edities bij de DBNL zijn bijvoorbeeld per definitie nogal deftig en plechtstatig: met sommige teksten valt veel meer te doen. Bovendien kun je zo een eigen bloemlezing maken (in de vorm van een pagina met becommentariëerde links uit de verzameling van de DBNL en Coster en wat er verder nog op Internet rondzwerft. En ten slotte zijn er nog tienduizenden teksten waar ook de professionals van de DBNL voorlopig nog niet aan toe zouden kunnen komen.

Het werk is bevredigender dan het schrijven van ‘alleen maar een scriptie’: je merkt dat mensen over de hele wereld ineens gebruik kunnen maken van de informatie die je ze biedt. Het vraagt bovendien inventiviteit en creativiteit, maar geeft je bovendien het plezier dat je echt kunt bijdragen aan een prachtig ideaal: een virtuele bibliotheek. Het netwerk is bovendien zo jong dat er nog steeds prettig weinig echt vastligt: er valt nog steeds van alles te ontdekken aan de beste manier om iets op het Internet te presenteren. Over vijftig jaar zal ook de huidige periode gezien worden als de pionierstijd van het Internet. Pionier mee!

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Ligografie:

  • Geschiedenis XS4ALL, http://www.xs4all.nl/overxs4all/geschiedenis/index.html
  • Project Laurens Jz. Coster, http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/
  • Ondertussen op het Internet

    Beste Ben,

    “Iets meer dan een week geleden”, schreef ik in mijn eerste column voor Neder-L “opende NRC Handelsblad voor het eerst in zijn geschiedenis met een artikel over het Internet.”

    Dat was in maart 1996. Zoals uit dit nummer blijkt, ben ik de enige columnist geweest die zelf stoutmoedig genoeg is geweest om zich aan jou op te dringen. Jij was toen al vier jaar bezig met Neder-L – dat toen nog geen website had, maar alleen via e-mail verstuurd werd – en ik kwam nog maar net kijken. Inmiddels leven we in een periode waarin het Internet alweer geen voorpaginanieuws meer is, maar tegelijk ook niet meer weg te denken is uit het leven van veel onderzoekers. Al is het maar vanwege e-mail. Ik ben inmiddels aan de veertigste aflevering van mijn column toegekomen. Een feit dat ik zo heugelijk vind dat ik binnen een half jaar drie verschillende nummers 40 gepubliceerd heb. (Eerdere nummers 40 waren: <http://www.neder-l.nl/bulletin/2001/12/011213.html> en <http://www.neder-l.nl/bulletin/2002/04/020433.html>.)

    Inmiddels ben je tien jaar bezig, en is er behoorlijk wat veranderd. Bijvoorbeeld zijn allerlei onbevoegden zich gaan bemoeien met de spelling en het lidwoord van het woord ‘Internet’. (Ik heb je al jaren geleden beloofd deze zaak eens en voor altijd op te helderen in Neder-L.) Jij en ik en iedereen die er verstand van heeft schrijft al sinds jaar en dag ‘Internet’ en zes jaar geleden deed ook de NRC dat. ‘Internet’ is immers een eigennaam. Zo. Tot op een bepaald moment iemand bedacht dat ‘Internet’ net zoiets is als ‘televisie’, of dat het geen soortnaam is, of Joost mag weten wat voor waandenkbeeld er in het brein van die onverlaat naar boven kwam borrelen. Zo kwam dat woord met een idiote kleine letter in de woordenboeken en nu is dat zogenaamd de ‘correcte’ spelling. Dat er geen enkel zinnig argument is om het zo te doen, terwijl het tegelijkertijd het woordbeeld verstoort voor iedereen die óók Engels leest, tja, er bestaat nog steeds geen loket waarbij je daarover kan klagen.

    Ik weet trouwens ook nog goed dat ik de eerste keer de uitdrukking ‘op Internet’ (of ‘op internet’) las en me verbaasde over de domheid van het bedrijf dat niet wist dat alle echte Internet-gebruikers ‘op _het _ Internet’ zeiden en schreven. Inmiddels is mijn kopij op dit punt al zo vaak ‘verbeterd’ dat ik zelf af en toe per ongeluk ook weleens spontaan het lidwoord vergeet.

    Alleen in Neder-L kan ik de woorden nog altijd schrijven zoals ze echt horen te zijn: “op het Internet”. Elke keer vis je wel wat verschrijvingen uit mijn columns, voordat ze zelfs maar naar de rest van de redactie gaan, maar de dingen die juist zijn mogen van jou gelukkig blijven staan.

    Wat is er verder veranderd? We hebben een paar dingen over het Internet geleerd. Bijvoorbeeld dat de ontwikkelingen er helemaal niet zo snel gaan. Ja, tussen het moment dat jij met Neder-L begon en ik met mijn column waren de ontwikkelingen even stormachtig. Eerst kwam het worldwide web op en daarna hadden we een tijdlang elke twee maanden een geheel nieuw browserprogramma met nog meer verbazingwekkende nieuwe mogelijkheden. Maar die technische storm hield snel na 1996 op: ik werk nu al ongeveer drie jaar met dezelfde versie van Internet Explorer zonder dat ik het gevoel heb dat ik iets mis.

    Het is ook eigenlijk logisch dat de ontwikkelingen niet zo snel meer gaan. Er zijn nu zoveel mensen aangesloten op het netwerk, die krijg je nooit meer allemaal binnen korte tijd in beweging om een nieuw programma te installeren dat het mogelijk maakt om de nieuwste snufjes te bekijken. En als niemand die nieuwste snufjes kan bekijken, heeft het ook weinig zin ze nog aan je webpagina’s toe te voegen. En dus hebben de meeste mensen weinig reden om nieuwe programma’s binnen te halen. Het Internet is niet snel; het is traag.

    De neerlandistiek is helemaal traag als het om dit soort ontwikkelingen gaat, maar dat konden we tien jaar geleden al weten. Toch is er al wel veel gebeurd, alles bij elkaar, in die tijd. Neder-L kreeg een website. Er zijn andere (gespecialiseerdere) elektronische tijdschriften gekomen, er wordt gewerkt aan digitale tekstenverzamelingen, grammatica’s, publieksvoorlichting en de verspreiding van vakinhoudelijke artikelen. Dat het meeste werk nog steeds gedaan wordt door een klein clubje mensen en dat de officiële instanties over het algemeen nog maar weinig tot stand hebben weten te brengen, dat nemen we maar even voor lief. Het is per slot van rekening feest. Het centrum van al die ontwikkelingen, de neerlandistiek op het Internet, is volgens mij altijd Neder-L gebleven. En de drijvende kracht achter Neder-L ben jij.

    Gefeliciteerd!

    Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

    Neerlandistische tijdschriften op Internet: 2001 en daarna

    Hoe staat het ervoor met de neerlandistiek op Internet? Het gaat volgens mij de goede kant op. Een handjevol pioniers klaagt al jaren dat het allemaal veel te traag gaat, maar langzaam begint er toch schot in te komen. Er is een heus centrum voor tekstedities, de DBNL, er is het onvolprezen Neder-L, en er zijn her en der toch al aardig wat onderzoeksgroepen die op zijn minst minimale informatie geven over hun eigen werk. Zoals het er nu uitziet is Neder-L over een jaar eindelijk niet meer het enige neerlandistische tijdschrift op Internet. Als alles goed gaat, komen er volgend voorjaar minstens drie bladen bij, die zich exclusief op het Internet richten:

    • Neerlandistiek.nl: een wetenschappelijk tijdschrift met langere wetenschappelijke en gereviewde artikelen onder redactie van vijf neerlandici (Bregje Holleman, Matthias Hüning, Johan Koppenol, Marc van Oostendorp, Thomas Vaessens) van verschillende disciplines en onder technisch beheer van het NIWI.
    • Vliegende Bladen: een tijdschrift met zeer korte beschouwingen en observaties over taalkundige en letterkundige artikelen — het soort stukjes dat in de taalkunde ‘squibs’ genoemd pleegt te worden. Dit tijdschrift zal vanaf dit voorjaar maandelijks moeten verschijnen, maakt deel uit van de Digitale Biblotheek van de Nederlandse Letteren en zal onder redactie staan van onder andere René van Stipriaan.
    • Taalschrift: de elektronische versie van het journalistieke magazine van de Taalunie zal (mogelijk onder een andere naam) ook dit voorjaar van start gaan. Hierin zullen vooral langere journalistieke stukken worden gepubliceerd.

    De verschillende tijdschriften hebben precies verschillende doelstellingen. Bij elkaar (en in combinatie met enige bestaande websites voor het grote publiek, zoals http://www.onzetaal.nl/) kunnen ze de kern gaan vormen voor een nieuwe informatieinfrastructuur voor het hele vak — een infrastructuur die gebaseerd is op het Internet. Neder-L vormt van deze infrastructuur overigens de spil: het is het informatieblad, de snelste vorm van informatieverstrekking, die hopelijk ook steeds meer boeksignalementen en congresbesprekingen zal plaatsen en die bijvoorbeeld de lezers precies op de hoogte kan stellen van wat er in de bladen allemaal gebeurt. Een beetje neerlandicus leest Neder-L en maakt op basis daarvan zijn keuze uit de andere tijdschriften.

    Het is geloof ik ook niet de bedoeling van deze drie nieuwe initiatieven om te concurreren met de bestaande tijdschriften. De redacties van al deze tijdschriften zijn nog huiverig voor Internetpublicatie, maar als ze over deze angst heen zijn, zijn ze van harte welkom om met hun elektronische zusters te praten. Wij, en waarschijnlijk ook de andere redacties, zullen ze graag voorzien van alle technische adviezen om ook elektronisch te gaan publiceren. Ik ben pas tevreden als Nederlandse Taalkunde, Nederlandse Letterkunde, TNTL, Madoc, Taal en Tongval, en al die andere bladen ook elektronisch raadpleegbaar zijn, en als ze allemaal tegelijkertijd kunnen worden doorzocht in één groot digitaal elektronisch archief.

    Zelfs dan zijn we overigens nog niet klaar. De ideale wetenschappelijke infrastructuur voor het vak ziet er volgens mij veel eerder als volgt uit. Er is een grote centrale database waar iedereen die dat wil al zijn artikelen en boeken in een eenvoudige digitale vorm kan aanbieden (laten we voor het gemak zeggen: Word-bestanden met een minimale hoeveelheid opmaakcodes). Alle materiaal wordt in die grote database opgenomen. Er is geen enkele redactionele controle, wat betekent ook dat alles te vinden is, ook onzin en onbetrouwbare gegevens. Auteurs kunnen nieuwe versies van hun artikelen maken, maar bij grote revisies blijft de oude versie ook gearchiveerd.

    Een mens kan niet alles lezen, een mens heeft behoefte aan een zeef die de goede van de minder goede artikels scheidt, en daarom blijven de tijdschriftredacties ook bestaan. Auteurs bieden hun werk nog steeds bij die redacties aan, althans, ze maken hen erop attent dat ze een artikel aan de database hebben toegevoegd. De redacties behandelen zo’n artikel vervolgens op de manier die hen goeddunkt: ze laten hem beoordelen door proeflezers, ze stellen wijzigingen voor, enzovoort. Pas als een artikel de vorm heeft die de redactie van het tijdschrift bevalt, verleent zo’n redactie haar goedkeuring aan het desbetreffende record in de database.

    Tijdschriften kunnen vervolgens hun eigen webpagina inrichten waarin ze op gezette tijden lijsten publiceren met door hen goedgekeurde artikelen. Ze kunnen deze artikelen desgewenst ook op papier afdrukken, er een kaftje omheen doen, en deze naar hun abonnees sturen. Daarnaast blijven de artikelen ook in de database staan met een labeltje: goedgekeurd door de redactie van Nederlandse Letterkunde. Een artikel kan op deze manier ook door meerdere redacties worden goedgekeurd, en dus tot meerdere tijdschriften tegelijkertijd behoren.

    Vooral voor de lezers van neerlandistische tijdschriften — en alle onderzoekers zijn natuurlijk ook lezers — biedt dit scenario grote voordelen. Als lezer kun je in de database zoeken op elk willekeurig onderwerp. Als dat onderwerp heel klein en specialistisch is, of als je alles over dat onderwerp wilt weten en daarbij het risico durft te nemen om onbetrouwbare informatie tegen te komen, kun je kiezen binnen de *hele* database. Wie bang is overspoeld te raken, of alleen de echt betrouwbare stukken wil zien, kan ervoor kiezen zijn zoekopdracht te laten filteren door de redactie van TNTL, of Taal en Tongval, of allebei deze tijdschriften.

    Omdat alle informatie in deze database terechtkomt, heeft het weinig zin om dezelfde onderzoeksresultaten op verschillende manieren op te schrijven en deze aan verschillende tijdschriften aan te bieden. Auteurs kunnen en moeten zich er dus toe beperken die resultaten één keer op te schrijven, maar dan wel zo duidelijk mogelijk. De hoeveelheid overbodige artikelen kan daarmee hopelijk iets worden ingedamd.

    We zijn nog lang niet zover. De algemene database voor het hele vak is waarschijnlijk nog ver weg en wordt in deze vorm bijvoorbeeld nog door de redactie van geen enkel papieren of elektronisch tijdschrift nagestreefd. Uiteindelijk zou dat volgens mij wel zo moeten. Ik ben bereid eraan te werken.

    Marc van Oostendorp

    Lang leve de leunstoel

    In de vakbladen smaalden onlangs sommige onderzoekers over de leunstoel als onderzoeksinstrument, dat volgens hen alleen in een ivoren toren paste. Leunstoeltaalkunde was een scheldwoord voor het soort theoretische taalkunde dat vooral de intuïties van een klein groepje moedertaalsprekers tot zijn data rekent. Echte wetenschappers deden veldwerk! Zij gingen de straten op, de laboratoria in, de wereld door!

    Omgekeerd is er natuurlijk ook jarenlang gesmaald op die onderzoekers die zo dom waren de leunstoel te verlaten, maar langzamerhand wordt het volgens mij een beetje mal om nog verschil te maken tussen leunstoeltaalkunde en andere soorten onderzoek naar taal. De leunstoel wint ook in de minder hermeneutische takken van de taalkunde terrein. Je kunt tegenwoordig zo enorm veel gegevens met zoveel gemak bereiken zonder je leunstoel te verlaten, dat het verschil tussen die zogenaamde leunstoeltaalkunde en andere vormen van taalkunde wel moet vervagen: een theoreticus zou wel gek zijn als hij af en toe niet eens even snel een hypothese testte aan de hand van het corpus dat het Internet is; en iemand die dol is op gegevens hoeft zijn leunstoel ook niet meer uit.

    In een artikeltje in Nederlandse Taalkunde hebben Ton van der Wouden en ik vorig jaar een paar soorten onderzoek op een rijtje gezet die je vorig jaar al kon uitvoeren met het toenmalige Internet. Maar sindsdien is dat corpus alweer op een interessante manier gegroeid. Niet alleen is het aantal geschreven woorden dat via zoekmachines als Altavista (http://www.altavista.com/) en Ilse (http://www.ilse.nl/) te vinden is, sterk gestegen, maar bovendien beginnen er nu ook steeds meer gesproken woorden via Internet raadpleegbaar te raken. Dat komt vooral doordat de Nederlandse (publieke) omroepen steeds meer programma’s via het net aanbieden. Sinds een tijdje zijn zelfs alle programma’s van de VPRO via de website van die omroep te beluisteren: http://www.omroep.nl/vpro/. Oude programma’s worden gearchiveerd en zo ontstaat langzaam maar zeker een interessant nieuw corpus.

    Natuurlijk is dat corpus nu nog klein en uiterst primitief. Omdat er geen transcripties zijn, zijn al die bestanden bijvoorbeeld nog helemaal niet doorzoekbaar. Van taalkundige of andere tags is al helemaal geen sprake en de publieke omroep is dus nog lang geen concurrent voor het Corpus Gesproken Nederlands. Toch zijn er volgens mij nu ook al fascinerende dingen te observeren.

    Neem nu het radioprogramma De Avonden, een soort literair-cultureel tijdschrift dat vijf dagen in de week verschijnt. In dat programma worden interviews met schrijvers uitgezonden. Ook met buitenlandse schrijvers en dat veroorzaakt een zeer merkwaardig en bij mijn weten nooit eerder geobserveerd verschijnsel, dat wel iets weg heeft van code-switching maar op essentiële punten toch ook weer anders is.

    Voorbeelden van wat ik bedoel kunt u vinden in de afleveringen van De Avonden van 4 en 5 mei 1999. In allebei die afleveringen wordt in het tweede uur een Engelstalige auteur geïnterviewd door de Nederlandse presentator Wim Brands. De sfeer van die interviews is intiem: in een kleine studio zitten interviewer en geïnterviewde met elkaar te praten over het net in het Nederlands vertaalde boek. De hoofdtaal van de interviews lijkt Engels maar af en toe, en soms middenin een zin, schakelt Brands ineens over om zijn gedachte af te maken in het Nederlands. De functie en de reden van die taalwisselingen zijn wat mij betreft over het algemeen volkomen raadselachtig en zouden het onderwerp kunnen zijn van een aardig onderzoekje. Je krijgt de indruk dat er systeem in zit maar wat dat dit systeem precies is, kan ik niet achterhalen. Het is in ieder geval niet mogelijk om het hele gesprek te volgen zonder dat je zowel Nederlands als Engels kent. De geïnterviewde schrijver moet af en toe volkomen in het duister tasten over de onverwachte wendingen en de luisteraar die geen Engels spreekt zal al helemaal snel de draad kwijt raken. Terwijl je zou denken dat dergelijke een dergelijke luisteraar, omdat de interviews gehouden worden naar aanleiding van Nederlandse vertalingen van deze Engelse boeken.

    Neem het gesprek dat Brands op 5 mei voerde met de Schotse schrijver Magnus Mills. De negende minuut vertelt Mills een uitgebreid verhaal over hoe hij vroeger als hekkenbouwer werkte. Hij merkte dat het bouwen van hekken nogal eentonig werk is en dat het veel herhaling in zich had. “That’s,” zegt hij aan het einde van dat lange verhaal, “why there’s a lot of repetition in the book.”

    Dan gebeurt het (op 9 minuut 40). “Yeah,” zegt Brands, “That’s true. Hij zegt, daarom zitten er zoveel herhalingen in dat boek, het is alleen maar herhaling, herhaling, that’s what you remember of those days also.” Dan mag Mills weer verder vertellen. Waarom Brands nu juist alleen deze mededeling over die herhalingen vertaalt en niets zegt over het voorafgaande, veel interessantere verhaal, blijft in nevelen gehuld. De luisteraar die alleen Nederlands verstaat vraagt zich af waarom er nu zoveel herhalingen in het boek zitten; degene die het voorafgaande verhaal verstaan heeft, zal “that’s why there’s a lot of repetition in the book” waarschijnlijk ook wel verstaan hebben.

    Het gesprek gaat er vervolgens over de gesprekken die Mills als hekkenbouwer ’s avonds in de pub voerde met zijn collega’s. Er werd weinig gepraat en sommige hekkenbouwers dronken heel veel, maar Mills zegt dat hij zelf niet veel dronk, omdat hij zijn geld wilde sparen om als de 3 kilometer hek klaar waren bijvoorbeeld een motor te kopen. Zijn collega’s zegt hij, hadden dan niets: ze hadden 6 maanden lang hard gewerkt en aan het eind van die periode hadden ze niets gespaard.

    We zijn dan iets meer dan een minuut verder (10.50) in de conversatie en weer pleegt Brands een Nederlandstalige interruptie, die het verhaal min of meer samenvat, maar over het sparen van Mills of het niet-sparen van zijn collega’s zegt hij niets. Ook hier is de portee van de interruptie dus onduidelijk uit het oogpunt van de eentalige Nederlander. Degene die ervan afhankelijk is, mist een cruciaal gedeelte van het gesprek. Dan zegt Brands: “Er wordt niet veel gepraat, dat geldt ook voor de mannen in het boek, Tim en Ritchie, die zeggen ook niet zo veel.” Hij vertelt dan een aantal details over het werk van deze mannen overdag (“knap zwaar werk”). Dat Nederlandstalige betoog sluit dan als volgt: “’s Avonds gaan ze naar de kroeg, drinken, zwijgen, knikken naar elkaar. That’s it. When did you get the idea to write a novel about fencers?” En vervolgens gaat het gesprek weer verder in het Engels. Hier gebeurt dus in zekere zin het omgekeerde: That’s it vat het voorafgaande samen, maar het voorafgaande heeft de geïnterviewde niet verstaan, en de hypothetische luisteraar die geen Engels verstaat, heeft niets aan dit signaal dat hiermee Brands’ eigen bijdrage is afgerond.

    Nogmaals, er zou een aardig onderzoekje te doen zijn naar deze merkwaardige taalwisselingen. De geschiedenis ervan is denk ik vrij duidelijk: zij wortelt in het gebruik van radiojournalisten om af en toe de antwoorden van hun geïnterviewde voor de luisteraar die de taal van het interview niet verstaat. Maar die functie heeft het helemaal verloren. De vraag is nu: waarom worden sommige dingen wel in het Nederlands gezegd of vertaald, en andere niet?

    Mijn eerste idee is het volgende. Brands voert een interview met een schrijver die een boek in het Engels geschreven heeft en als een goed radiopresentator vist Brands vooral naar de eventuele autobiografische achtergronden van dat boek. Over die autobiografie gaat het interview eigenlijk en om dat de beklagenswaardige schrijver nu eenmaal geen Nederlands verstaat, stelt Brands uit beleefdheid zijn vragen in het Engels. Soms valt Brands dan ineens een parallel op met het boek dat de schrijver. Het heeft uiteraard weinig zin om de schrijver op deze parallellen te wijzen. De enige die er belang bij heeft dat Brands dit vertelt is de luisteraar. Die spreekt, neemt Brands aan, Nederlands.

    Nu is er met Nederlanders en het Engels iets vreemds aan de hand. Er wordt altijd gezegd dat een groep Nederlanders altijd meteen overschakelt op het Engels zodra een buitenlander zich bij die groep voegt. Dat is denk ik waar. Maar het is evenzeer waar dat die groep Nederlanders, in ieder geval in mijn ervaring, onmiddellijk terugschakelt naar het Nederlands als die buitenlander weer verdwijnt. De eerste twee Nederlanders die onder elkaar Engels spreken zonder dat er een niet-Nederlandstalige in de buurt is, moet ik nog tegenkomen.

    Brands’ wisselingen zijn het gevolg van het feit dat hij tegelijkertijd een gesprek voert met een buitenlander en aan de luisteraar iets wil uitleggen over die buitenlander. Omdat die buitenlander ongetwijfeld de uitleg aan de luisteraar niet zo interessant zal vinden, voert Brands in metaforische zin een kringgesprek waarbij de anderstalige zich af en toe even verwijdert.

    Om deze eerste hypothese te testen, is natuurlijk onderzoek op een groter corpus nodig. De VPRO bouwt aan dat corpus en iedereen kan dat vanuit zijn leunstoel volgen.

    Marc van Oostendorp
    oostendorp@rullet.leidenuniv.nl
    Marc van Oostendorp en Ton van der Wouden. 1998. Corpus Internet. Nederlandse Taalkunde 3, pp. 347-361. URL: http://www.ned.univie.ac.at/ned-tk/digitaal-04.htm

    Uitslag kerstprijsvraag 1998

    Onlangs werd ook mij een baan aangeboden met een goed salaris, een lease-auto en een mobiele telefoon. De onbekende die me over deze baan aanschreef, werkte bij een bedrijf dat `erotische websites’ maakte. Het bedrijf zocht iemand die veel van zoekmachines wist om hen te helpen hun website `vindbaar’ te maken. Mijn correspondent had de indruk dat ik zo iemand was omdat ik wel over zoekmachines geschreven heb. Ik heb het aanbod maar niet aangenomen. Ik zoek nog verder naar een passende werkkring.

    Gezien de rijkdom en roem die je met goed zoeken op Internet moeiteloos verwerven kunt, is het misschien een wonder dat er toch nog twee deelnemers aan de prijsvraag hebben deelgenomen. Waarom je talenten verspillen aan het winnen van een t-shirt als je met evenveel moeite in het bezit kunt komen van een driedelig pak?

    De twee deelnemers waren allebei nog even goed ook: ze misten allebei 1 vraag. Dat was gelukkig niet dezelfde. Daarnaast lieten ze in de details van de beantwoording allebei af en toe een steekje vallen, maar daar was weinig verontrustends bij. De vergadering van de jury kon daarom dit jaar zeer kort zijn. Het enige punt van discussie was nog dat een van de inzenders een kamergenoot was van de juryvoorzitter: was het wel veroorloofd om zo iemand een prijs te geven? De voorzitter maakte echter spoedig een einde aan deze discussies door erop te wijzen dat de reglementen wel familieleden van Neder-L-redacteuren uitsluiten, maar geen kamergenoten.

    Alles bij elkaar zijn er dit jaar twee prijswinnaars van de kerstprijsvraag: Age Rotshuizen en Ton van der Wouden. Zij krijgen allebei een t-shirt. Meneer Rotshuizen, meldt u zich in dit verband nog een keer bij de juryvoorzitter. Het e-mailadres waarvandaan u uw inzending stuurde, genereert een foutmelding als wij het proberen te bereiken.

    Marc van Oostendorp
    Oostendorp@rullet.leidenuniv.nl

    De vragen en de antwoorden

    1. Noem een schrijver van wie in de tentoonstelling ‘Gaan waar de woorden gaan’ de stem te horen en een borstbeeld te zien is. Antwoord:
    Simon Carmiggelt
    Vindplaats:
    http://www.letmus.nl/bax.html
    Toelichting:
    Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet je natuurlijk weten dat deze tentoonstelling te zien is in het Letterkundig Museum. Van der Wouden wijst erop dat deze informatie te vinden is In het archief van Neder-L. Vervolgens is met een van de standaardzoekmachines of een index op Nederlandse musea het Internet-adres van het Letterkundig Museum snel gevonden. Enig zoekwerk op deze site levert al snel een pagina met informatie over de tentoonstelling op waar een foto te zien is “van een bezoekster die een telefoonhoorn aan haar oor heeft, voor een tekstbord met daarop de naam Carmiggelt en naast een borstbeeld van Simon Carmiggelt” in de woorden van Van der Wouden.

    2. Welk tekstformaat zal gebruikt worden in de elektronische editie van de ANS?
    Antwoord:
    HTML
    Vindplaats:
    http://www.ned.univie.ac.at/ned-tk/digitaal-03.htm
    Toelichting:
    Bijdragen aan de onvolprezen rubriek DigiTaal van Nederlandse Taalkunde worden online geplaatst. Een van deze bijdragen behelst de elektronische ANS. Daarin wordt deze kwestie aan de orde gebracht. Van der Wouden is kennelijk een trouwe lezer van deze rubriek, maar Rotshuizen wist hem helaas niet te vinden.

    3. Wat was in de zeventiende eeuw een Carreldoek?
    Antwoord:
    Een soort van Seildoek, sijnde het stijfste
    Vindplaats:
    http://pc-78-120.udac.se:8001/WWW/Nautica/Etymology/Winschooten(1681).html
    Toelichting:
    Beide deelnemers vonden deze pagina door ‘carreldoek’ in te voeren bij HotBot (http://www.hotbot.com/)

    4. Op welke leeftijd beginnen kinderen hun eerste lettergrepen te produceren?
    Antwoord:
    Rond het eerste levensjaar
    Vindplaats:
    (bijvoorbeeld) http://www.cyberear.com/foss/praten.htm
    Toelichting:
    Bovenstaand Internet-adres met een tamelijk eenduidig antwoord werd gevonden door Rotshuizen. Van der Wouden kwam met een uitvoerige en onduidelijke beschouwing gebaseerd op de kindertaalrubriek van Maaike Verrips bij Ouders Online (http://www.ouders.nl/ltaal.htm). In eerste instantie wilde de jury deze redenering niet goedkeuren, maar de juryvoorzitter wees erop dat elke verwijzing naar het prijzenswaardige initiatief van Verrips een bonuspunt oplevert. Met dit argument ging de jury uiteindelijk accoord.

    5. In welke stad woont de dichteres Jo Govaerts?
    Antwoord:
    Londen.
    Vindplaats:
    http://home.luna.nl/~poetry/part/37/index.html,
    Toelichting:
    Te vinden met de gebruikelijke zoekmachines.

    6. P. van Haps schreef een brief van ‘Antonia’ aan ‘Theodoor’. In welk jaar deed hij dat?
    Antwoord:

    Vindplaats:

    Toelichting:
    Op de een of andere manier is er iets misgegaan bij de formulering van deze vraag. Over de genoemde brief is in het geheel geen informatie te vinden op Internet, zo hij al bestaat. P. van Haps schreef in 1705 diverse brieven, waaronder een brief van ‘Antonia’ en een brief ‘aan Theodoor’, maar een brief ‘van Antonia aan Theodoor’ was er waarschijnlijk niet bij. Dit alles is na te lezen op http://www.let.LeidenUniv.nl/Dutch/Latijn/NH01.html of http://www.let.LeidenUniv.nl/Dutch/Latijn/NH02.html.
    Deze pagina’s waren door de inzenders gevonden. Hun antwoorden zijn goedgerekend.

    7. Wat was de titel van de lezing van Veerle Fraeters tijdens het International Medieval Congres in Leeds, in juli 1998?
    Antwoord:
    The Middle Dutch Translation of Tabula Chemica: An Amalgam of Alchemy and Religion, a Blend of Prose and Verse.
    Vindplaats:
    http://www.let.uu.nl/nederlands/nlren/VLUG98.htmlof http://www.leeds.ac.uk/imi/imc/imc98/main.htm
    Toelichting:
    Het eerste adres (waarin ‘Congres’ wordt gespeld met 1 s) werd gevonden door Rotshuizen, het tweede (waarin ‘Congres’ 2-en telt) door Van der Wouden.

    8. Wie deed dit jaar de volgende uitspraak: ‘Knuvelder is veertig jaar meegegaan. Als wij dat halen, mogen we al heel blij zijn. Langer kan zo’n concept niet standhouden.’
    Antwoord:
    prof. dr. A.M. Musschoot
    Vindplaats:
    http://www.taalunie.org/_/publicaties/taalschrift/ts98_2_2.html
    Toelichting:
    Van der Wouden kwam niet verder dan: “Ik vermoed Arie-Jan Gelderblom of iemand anders uit de kring van de nieuwe Nederlandse Literatuurgeschiedenis, maar ik heb het nog niet kunnen vinden.” Dit kon de jury niet goedrekenen. Rotshuizen dacht kennelijk ook in eerste instantie aan Gelderblom en hij trok de juiste conclusie: met het programma MetaCrawler (http://www.metacrawler.com/) zocht hij op “Gelderblom Knuvelder” en vond het interview met Gelderblom en Musschoot op de website van de Taalunie.

    9. Welke uitgever zal de nieuwe editie van het Verzameld Werk van Willem Elsschot uitgeven?
    Antwoord:
    Querido
    Vindplaats:
    http://www.knaw.nl/chi/index-ned/lopende/onderzoek-fr.htm
    Toelichting:
    Het antwoord op deze vraag moest wel bij het Huygens Instituut te vinden zijn.

    10. Vertaal in het Haags: ‘Knuvelder is veertig jaar meegegaan. Als wij dat halen, mogen we al heel blij zijn. Langer kan zo’n concept niet standhouden.’
    Antwoord:
    Knuvelde^ah is veigtig j^ah meigegaan. Als w`e dat halen, m^augen we al heil bl`e z`en. Lang^ah ken zo’n concept nie standhouden of Knuveld^ah is veigtig jaar meig^uhgaan. Als w`e dat hal^uh, mog^uh w^uh al heil bl`e z`en. Lang^ah ken zo’n concept nie standhoud^uh.
    Vindplaats:
    http://users.bart.nl/~cjmdbr/haags.htm
    Toelichting:
    Het genoemde Internet-adres bevatte tot voor kort een programmaatje dat teksten ‘vertaalde’ van het Standaardnederlands in het Haags. Merkwaardig genoeg leverde dat bij de twee inzenders kennelijk verschillende transcripties op. Het programma is ondertussen helaas alweer verdwenen, zodat de jury niet heeft controleren wat het juiste antwoord was.

    11. Welke simpele logische fout zit er volgens professor Nerbonne in het PRO-theorema?
    Antwoord:
    “Equivocatie” – waarin een cruciale term ambigu wordt gebruikt: “governed” wordt anders gebruikt voor anaforen dan voor pronomina.
    Vindplaats:
    http://odur.let.rug.nl/~nerbonne/oratie
    Toelichting:
    Het was kennelijk geen probleem om Nerbonne in Groningen te vinden en vervolgens zijn oratie door te lezen.

    12. Welk literair genre beoefende Eelckje van Bouricius?
    Antwoord:
    Dichtkunst
    Vindplaats:
    http://www.leidenuniv.nl/host/mnl/tntl/bkort.htmlof http://www.leidenuniv.nl/host/mnl/tntl/114/114-4/index.html
    Toelichting:
    Op de website van de Maatschappij staat op een aantal plaatsen te lezen dat in TNTL 114/4 een artikel verscheen met als titel ‘Eelckje van Bouricius: een zeventiende-eeuwse dichteres in de marge van de literaire wereld’. Beide deelnemers vonden een van deze pagina’s en trokken hieruit de terechte conclusie dat Van Bouricius aan dichtkunst deed.