Tag: internet

Pionier mee!

Door Marc van Oostendorp

Het is bijna tien jaar geleden dat het Internet in Nederland voor privé-personen werd opengesteld: op 1 mei 1993 begon een groepje hackers het bedrijfje XS4ALL waar je een abonnement op Internet kon nemen. Naar eigen zeggen streefden de oprichters naar vijfhonderd klanten na een half jaar en hadden ze die vijfhonderd al aan het eind van de eerste dag.

Daarna is er van alles gebeurd. In het begin overheerste de scepsis: wie van het nieuwe medium hield, moest regelmatig tijdens verjaardagsfeestjes de vraag beantwoorden ‘of dat nou wat was, dat Internet’. Minstens tot 1998 kon je nog wel mensen ontmoeten die er niks in zagen, en die vol vertrouwen vertelden dat het allemaal iets was van voorbijgaande aard, dat het snel weer zou verdwijnen. Lees verder >>

Ondertussen op het Internet

Beste Ben,

“Iets meer dan een week geleden”, schreef ik in mijn eerste column voor Neder-L “opende NRC Handelsblad voor het eerst in zijn geschiedenis met een artikel over het Internet.”

Dat was in maart 1996. Zoals uit dit nummer blijkt, ben ik de enige columnist geweest die zelf stoutmoedig genoeg is geweest om zich aan jou op te dringen. Jij was toen al vier jaar bezig met Neder-L – dat toen nog geen website had, maar alleen via e-mail verstuurd werd – en ik kwam nog maar net kijken. Inmiddels leven we in een periode waarin het Internet alweer geen voorpaginanieuws meer is, maar tegelijk ook niet meer weg te denken is uit het leven van veel onderzoekers. Al is het maar vanwege e-mail. Ik ben inmiddels aan de veertigste aflevering van mijn column toegekomen. Een feit dat ik zo heugelijk vind dat ik binnen een half jaar drie verschillende nummers 40 gepubliceerd heb. (Eerdere nummers 40 waren: <http://www.neder-l.nl/bulletin/2001/12/011213.html> en <http://www.neder-l.nl/bulletin/2002/04/020433.html>.)

Inmiddels ben je tien jaar bezig, en is er behoorlijk wat veranderd. Bijvoorbeeld zijn allerlei onbevoegden zich gaan bemoeien met de spelling en het lidwoord van het woord ‘Internet’. (Ik heb je al jaren geleden beloofd deze zaak eens en voor altijd op te helderen in Neder-L.) Jij en ik en iedereen die er verstand van heeft schrijft al sinds jaar en dag ‘Internet’ en zes jaar geleden deed ook de NRC dat. ‘Internet’ is immers een eigennaam. Zo. Tot op een bepaald moment iemand bedacht dat ‘Internet’ net zoiets is als ‘televisie’, of dat het geen soortnaam is, of Joost mag weten wat voor waandenkbeeld er in het brein van die onverlaat naar boven kwam borrelen. Zo kwam dat woord met een idiote kleine letter in de woordenboeken en nu is dat zogenaamd de ‘correcte’ spelling. Dat er geen enkel zinnig argument is om het zo te doen, terwijl het tegelijkertijd het woordbeeld verstoort voor iedereen die óók Engels leest, tja, er bestaat nog steeds geen loket waarbij je daarover kan klagen.

Ik weet trouwens ook nog goed dat ik de eerste keer de uitdrukking ‘op Internet’ (of ‘op internet’) las en me verbaasde over de domheid van het bedrijf dat niet wist dat alle echte Internet-gebruikers ‘op _het _ Internet’ zeiden en schreven. Inmiddels is mijn kopij op dit punt al zo vaak ‘verbeterd’ dat ik zelf af en toe per ongeluk ook weleens spontaan het lidwoord vergeet.

Alleen in Neder-L kan ik de woorden nog altijd schrijven zoals ze echt horen te zijn: “op het Internet”. Elke keer vis je wel wat verschrijvingen uit mijn columns, voordat ze zelfs maar naar de rest van de redactie gaan, maar de dingen die juist zijn mogen van jou gelukkig blijven staan.

Wat is er verder veranderd? We hebben een paar dingen over het Internet geleerd. Bijvoorbeeld dat de ontwikkelingen er helemaal niet zo snel gaan. Ja, tussen het moment dat jij met Neder-L begon en ik met mijn column waren de ontwikkelingen even stormachtig. Eerst kwam het worldwide web op en daarna hadden we een tijdlang elke twee maanden een geheel nieuw browserprogramma met nog meer verbazingwekkende nieuwe mogelijkheden. Maar die technische storm hield snel na 1996 op: ik werk nu al ongeveer drie jaar met dezelfde versie van Internet Explorer zonder dat ik het gevoel heb dat ik iets mis.

Het is ook eigenlijk logisch dat de ontwikkelingen niet zo snel meer gaan. Er zijn nu zoveel mensen aangesloten op het netwerk, die krijg je nooit meer allemaal binnen korte tijd in beweging om een nieuw programma te installeren dat het mogelijk maakt om de nieuwste snufjes te bekijken. En als niemand die nieuwste snufjes kan bekijken, heeft het ook weinig zin ze nog aan je webpagina’s toe te voegen. En dus hebben de meeste mensen weinig reden om nieuwe programma’s binnen te halen. Het Internet is niet snel; het is traag.

De neerlandistiek is helemaal traag als het om dit soort ontwikkelingen gaat, maar dat konden we tien jaar geleden al weten. Toch is er al wel veel gebeurd, alles bij elkaar, in die tijd. Neder-L kreeg een website. Er zijn andere (gespecialiseerdere) elektronische tijdschriften gekomen, er wordt gewerkt aan digitale tekstenverzamelingen, grammatica’s, publieksvoorlichting en de verspreiding van vakinhoudelijke artikelen. Dat het meeste werk nog steeds gedaan wordt door een klein clubje mensen en dat de officiële instanties over het algemeen nog maar weinig tot stand hebben weten te brengen, dat nemen we maar even voor lief. Het is per slot van rekening feest. Het centrum van al die ontwikkelingen, de neerlandistiek op het Internet, is volgens mij altijd Neder-L gebleven. En de drijvende kracht achter Neder-L ben jij.

Gefeliciteerd!

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Neerlandistische tijdschriften op Internet: 2001 en daarna

Hoe staat het ervoor met de neerlandistiek op Internet? Het gaat volgens mij de goede kant op. Een handjevol pioniers klaagt al jaren dat het allemaal veel te traag gaat, maar langzaam begint er toch schot in te komen. Er is een heus centrum voor tekstedities, de DBNL, er is het onvolprezen Neder-L, en er zijn her en der toch al aardig wat onderzoeksgroepen die op zijn minst minimale informatie geven over hun eigen werk. Zoals het er nu uitziet is Neder-L over een jaar eindelijk niet meer het enige neerlandistische tijdschrift op Internet. Als alles goed gaat, komen er volgend voorjaar minstens drie bladen bij, die zich exclusief op het Internet richten:

  • Neerlandistiek.nl: een wetenschappelijk tijdschrift met langere wetenschappelijke en gereviewde artikelen onder redactie van vijf neerlandici (Bregje Holleman, Matthias Hüning, Johan Koppenol, Marc van Oostendorp, Thomas Vaessens) van verschillende disciplines en onder technisch beheer van het NIWI.
  • Vliegende Bladen: een tijdschrift met zeer korte beschouwingen en observaties over taalkundige en letterkundige artikelen — het soort stukjes dat in de taalkunde ‘squibs’ genoemd pleegt te worden. Dit tijdschrift zal vanaf dit voorjaar maandelijks moeten verschijnen, maakt deel uit van de Digitale Biblotheek van de Nederlandse Letteren en zal onder redactie staan van onder andere René van Stipriaan.
  • Taalschrift: de elektronische versie van het journalistieke magazine van de Taalunie zal (mogelijk onder een andere naam) ook dit voorjaar van start gaan. Hierin zullen vooral langere journalistieke stukken worden gepubliceerd.

De verschillende tijdschriften hebben precies verschillende doelstellingen. Bij elkaar (en in combinatie met enige bestaande websites voor het grote publiek, zoals http://www.onzetaal.nl/) kunnen ze de kern gaan vormen voor een nieuwe informatieinfrastructuur voor het hele vak — een infrastructuur die gebaseerd is op het Internet. Neder-L vormt van deze infrastructuur overigens de spil: het is het informatieblad, de snelste vorm van informatieverstrekking, die hopelijk ook steeds meer boeksignalementen en congresbesprekingen zal plaatsen en die bijvoorbeeld de lezers precies op de hoogte kan stellen van wat er in de bladen allemaal gebeurt. Een beetje neerlandicus leest Neder-L en maakt op basis daarvan zijn keuze uit de andere tijdschriften.

Het is geloof ik ook niet de bedoeling van deze drie nieuwe initiatieven om te concurreren met de bestaande tijdschriften. De redacties van al deze tijdschriften zijn nog huiverig voor Internetpublicatie, maar als ze over deze angst heen zijn, zijn ze van harte welkom om met hun elektronische zusters te praten. Wij, en waarschijnlijk ook de andere redacties, zullen ze graag voorzien van alle technische adviezen om ook elektronisch te gaan publiceren. Ik ben pas tevreden als Nederlandse Taalkunde, Nederlandse Letterkunde, TNTL, Madoc, Taal en Tongval, en al die andere bladen ook elektronisch raadpleegbaar zijn, en als ze allemaal tegelijkertijd kunnen worden doorzocht in één groot digitaal elektronisch archief.

Zelfs dan zijn we overigens nog niet klaar. De ideale wetenschappelijke infrastructuur voor het vak ziet er volgens mij veel eerder als volgt uit. Er is een grote centrale database waar iedereen die dat wil al zijn artikelen en boeken in een eenvoudige digitale vorm kan aanbieden (laten we voor het gemak zeggen: Word-bestanden met een minimale hoeveelheid opmaakcodes). Alle materiaal wordt in die grote database opgenomen. Er is geen enkele redactionele controle, wat betekent ook dat alles te vinden is, ook onzin en onbetrouwbare gegevens. Auteurs kunnen nieuwe versies van hun artikelen maken, maar bij grote revisies blijft de oude versie ook gearchiveerd.

Een mens kan niet alles lezen, een mens heeft behoefte aan een zeef die de goede van de minder goede artikels scheidt, en daarom blijven de tijdschriftredacties ook bestaan. Auteurs bieden hun werk nog steeds bij die redacties aan, althans, ze maken hen erop attent dat ze een artikel aan de database hebben toegevoegd. De redacties behandelen zo’n artikel vervolgens op de manier die hen goeddunkt: ze laten hem beoordelen door proeflezers, ze stellen wijzigingen voor, enzovoort. Pas als een artikel de vorm heeft die de redactie van het tijdschrift bevalt, verleent zo’n redactie haar goedkeuring aan het desbetreffende record in de database.

Tijdschriften kunnen vervolgens hun eigen webpagina inrichten waarin ze op gezette tijden lijsten publiceren met door hen goedgekeurde artikelen. Ze kunnen deze artikelen desgewenst ook op papier afdrukken, er een kaftje omheen doen, en deze naar hun abonnees sturen. Daarnaast blijven de artikelen ook in de database staan met een labeltje: goedgekeurd door de redactie van Nederlandse Letterkunde. Een artikel kan op deze manier ook door meerdere redacties worden goedgekeurd, en dus tot meerdere tijdschriften tegelijkertijd behoren.

Vooral voor de lezers van neerlandistische tijdschriften — en alle onderzoekers zijn natuurlijk ook lezers — biedt dit scenario grote voordelen. Als lezer kun je in de database zoeken op elk willekeurig onderwerp. Als dat onderwerp heel klein en specialistisch is, of als je alles over dat onderwerp wilt weten en daarbij het risico durft te nemen om onbetrouwbare informatie tegen te komen, kun je kiezen binnen de *hele* database. Wie bang is overspoeld te raken, of alleen de echt betrouwbare stukken wil zien, kan ervoor kiezen zijn zoekopdracht te laten filteren door de redactie van TNTL, of Taal en Tongval, of allebei deze tijdschriften.

Omdat alle informatie in deze database terechtkomt, heeft het weinig zin om dezelfde onderzoeksresultaten op verschillende manieren op te schrijven en deze aan verschillende tijdschriften aan te bieden. Auteurs kunnen en moeten zich er dus toe beperken die resultaten één keer op te schrijven, maar dan wel zo duidelijk mogelijk. De hoeveelheid overbodige artikelen kan daarmee hopelijk iets worden ingedamd.

We zijn nog lang niet zover. De algemene database voor het hele vak is waarschijnlijk nog ver weg en wordt in deze vorm bijvoorbeeld nog door de redactie van geen enkel papieren of elektronisch tijdschrift nagestreefd. Uiteindelijk zou dat volgens mij wel zo moeten. Ik ben bereid eraan te werken.

Marc van Oostendorp

Lang leve de leunstoel

Door Marc van Oostendorp

In de vakbladen smaalden onlangs sommige onderzoekers over de leunstoel als onderzoeksinstrument, dat volgens hen alleen in een ivoren toren paste. Leunstoeltaalkunde was een scheldwoord voor het soort theoretische taalkunde dat vooral de intuïties van een klein groepje moedertaalsprekers tot zijn data rekent. Echte wetenschappers deden veldwerk! Zij gingen de straten op, de laboratoria in, de wereld door!

Omgekeerd is er natuurlijk ook jarenlang gesmaald op die onderzoekers die zo dom waren de leunstoel te verlaten, maar langzamerhand wordt het volgens mij een beetje mal om nog verschil te maken tussen leunstoeltaalkunde en andere soorten onderzoek naar taal. De leunstoel wint ook in de minder hermeneutische takken van de taalkunde terrein. Je kunt tegenwoordig zo enorm veel gegevens met zoveel gemak bereiken zonder je leunstoel te verlaten, dat het verschil tussen die zogenaamde leunstoeltaalkunde en andere vormen van taalkunde wel moet vervagen: een theoreticus zou wel gek zijn als hij af en toe niet eens even snel een hypothese testte aan de hand van het corpus dat het Internet is; en iemand die dol is op gegevens hoeft zijn leunstoel ook niet meer uit. Lees verder >>

Uitslag kerstprijsvraag 1998

Door Marc van Oostendorp

Onlangs werd ook mij een baan aangeboden met een goed salaris, een lease-auto en een mobiele telefoon. De onbekende die me over deze baan aanschreef, werkte bij een bedrijf dat `erotische websites’ maakte. Het bedrijf zocht iemand die veel van zoekmachines wist om hen te helpen hun website `vindbaar’ te maken. Mijn correspondent had de indruk dat ik zo iemand was omdat ik wel over zoekmachines geschreven heb. Ik heb het aanbod maar niet aangenomen. Ik zoek nog verder naar een passende werkkring.

Gezien de rijkdom en roem die je met goed zoeken op Internet moeiteloos verwerven kunt, is het misschien een wonder dat er toch nog twee deelnemers aan de prijsvraag hebben deelgenomen. Waarom je talenten verspillen aan het winnen van een t-shirt als je met evenveel moeite in het bezit kunt komen van een driedelig pak?

De twee deelnemers waren allebei nog even goed ook: ze misten allebei 1 vraag. Dat was gelukkig niet dezelfde. Daarnaast lieten ze in de details van de beantwoording allebei af en toe een steekje vallen, maar daar was weinig verontrustends bij. De vergadering van de jury kon daarom dit jaar zeer kort zijn. Het enige punt van discussie was nog dat een van de inzenders een kamergenoot was van de juryvoorzitter: was het wel veroorloofd om zo iemand een prijs te geven? De voorzitter maakte echter spoedig een einde aan deze discussies door erop te wijzen dat de reglementen wel familieleden van Neder-L-redacteuren uitsluiten, maar geen kamergenoten. Lees verder >>

Siliconenborsten aan de top

Door Marc van Oostendorp

Een gerenommeerd liefhebber van woordenboeken heb ik wel eens horen vertellen dat hij het als kind leuk vond om stiekem vieze woorden op te zoeken in de naslagwerken in de boekenkast van zijn ouders. Aan het gesnuffel en gezoek naar verboden woordjes in deftige ingebonden boeken had hij een levenslange fascinatie voor taal overgehouden.

Zo’n verhaal prikkelt de fantasie. Dat zoeken naar verboden vruchten kan op Internet natuurlijk op een veel grotere schaal. Is dat geen manier om mensen voor het vak te interesseren? Door over seks te beginnen en dan langzaam maar zeker de aandacht om te buigen naar andere zaken? ‘Als we de klankrij van dat woord omdraaien krijgen we skes. Dat klinkt vreemd; liever zouden we sches zeggen. Hoe komt dat? Welnu,’

Peter-Arno Coppen heeft deze truc dit jaar al een paar keer toegepast in zijn reeks Linguïstische Miniatuurtjes. Dat leverde titels op als ‘Seks: Versnapering of pech?‘ en ‘Kut op Dirk, waar slaat dat op?‘. Werkt die truc ook? Dat is een vraag die op Internet gemakkelijk te beantwoorden is. Lees verder >>

Kerstprijsvraag 1997

Door Marc van Oostendorp

Vorig jaar organiseerde ik in Neder-L een kleine prijsvraag om uw elektronische geletterdheid te testen. Op het gebied van de neerlandistiek was al veel informatie op Internet te vinden; het leek me aardig om eens te zien in hoeverre de lezers van Neder-L die informatie ook daadwerkelijk konden opsporen.

We zijn nu een jaar verder. Neder-L heeft in dit jaar een eigen website gekregen, die steeds beter bezocht wordt. Ook allerlei andere (private en commerciële) instellingen zijn op het web gekomen. Alleen de overheid (de Taalunie) en de meeste universitaire vakgroepen willen er kennelijk nog steeds niet echt aan. Veel actuele serieuze wetenschappelijke informatie heb ik ook dit jaar niet kunnen vinden op de universitaire servers bij de voorbereiding van de prijsvraag. Lees verder >>

Zondagmorgen

Door Marc van Oostendorp

’s Zondags slaapt mijn vrouw uit. Ik maak dan een grote kop koffie verkeerd, smeer een volkorenboterham met kaas, en zet de computer van mijn vrouw aan. Zij is grafisch vormgever met haar bedrijf aan huis en daarom heeft ze zo’n mooi groot beeldscherm, waarop ik zondagmorgen altijd een paar internationale nieuwsbronnen lees. ‘Surfen’ is al een tijdlang niet meer het juiste woord voor wat ik dan doe — ik weet precies welke weblocaties ik opzoek. In plaats daarvan snuffel ik en lees.

Op de weblocatie van de Amerikaanse Library of Congress bijvoorbeeld. Sinds een paar weken is dit een de web-sites die ik steevast bezoek (samen met de goeie ouwe Linguist List en Neder-L natuurlijk). Ik raak er niet uitgekeken. Wat een schat aan informatie.

Je kunt er online op allerlei manieren zoeken in de catalogi van de bibliotheek van het Amerikaanse parlement – waar tientallen miljoenen titels uit de gehele wereld te vinden zijn. Je kunt er bovendien tal van andere naslagwerken naslaan met informatie over onder andere de Amerikaanse overheid, het bibliotheekwezen, auteursrechten over de hele wereld, en veel en veel meer. Lees verder >>

Digitaal schrijven

Door Marc van Oostendorp

Ik werd onlangs gegrepen door sombere gedachten over deze column. Wat ben ik toch een verschrikkelijke amateur. Ik doe maar wat. Een systeem zit er niet in, en hoe ik de lezers onder ogen durf te komen is welbeschouwd een raadsel.

Hoe moet je schrijven voor de digitale media? Daar wilde ik eindelijk wel eens wat meer over weten. Dus kocht ik twee boeken. Het eerste boek zag er zeer hip uit, was geschreven door redacteuren van een bekend modern tijdschrift van de Amerikaanse westkust, en beloofde tips te geven over het onderwerp waarin ik geinteresseerd was geraakt. Dit boek was helaas een miskoop. ‘Gebruik geen moeilijke woorden’, ‘Schrijf het woord ftp met kleine letters’. Wie graag dergelijke zinnen ontcijfert als ze in merkwaardige letters staan afgedrukt op bontgekleurd glimmend papier, zal misschien zijn voordeel kunnen doen met Wired Style. Wat mij betreft was het alleen maar een slecht stijlboek — een dat misschien wel ingaat op enkele modieuze kreten uit de digitale cultuur, maar niet echt op het onderwerp dat mij interesseerde: schrijven voor het scherm. Lees verder >>

Haymarket

Door Marc van Oostendorp

Tweeëneenhalf jaar geleden was ik voor het laatst te gast aan de Universiteit van Massachusetts. Net als nu woonde ik toen een paar maanden in Northampton. Een van de grootste genoegens werd destijds geboden door de ‘Haymarket’, een tweedehandsboekwinkel waar je ook koffie kon drinken. De sfeer was er op zijn minst informeel: meubilair en servies waren bij een opkoperij bij elkaar geraapt en de boeken waren voor een belangrijk deel marxistisch van inslag. Wie wilde kon de winkel binnenlopen, ergens gaan zitten, een boek van de planken pakken en lezen. Consumptie niet verplicht en als je een boek uit had kon je het ook weer terugzetten. Soms zaten er promovendi de hele dag achter hun laptop, die ze gratis aan het lichtnet konden aansluiten.
 
Helaas is er in die drie jaar een en ander veranderd. De Haymarket is geen boekwinkel meer. Althans, in naam verkoopt men er nog wel boeken, maar het aantal planken is tot het absolute minimum teruggebracht. Wat er staat lijkt weinig verkoopbaar en nodigt in ieder geval uit tot lezen. Nooit, nee nooit heb ik iemand een van die boeken zien pakken. De Haymarket is nu een koffiehuis met een paar boeken als decor.

Lees verder >>