Tag: internet

Taal, internet en identiteit

Eindelijk een goed boek over internettaal

Door Marc van Oostendorp

Ik ben altijd wat sceptisch geweest over iedereen die beweert wat te kunnen zeggen over de eigenaardigheden van internettaal. Alles op internet verandert voortdurend, er zijn bovendien miljarden mensen bij betrokken die zich helemaal niet allemaal van elkaar bewust zijn en dus ieder hun eigen conventies volgen, wat weten we ervan. Twee jaar geleden schreef ik hier nog letterlijk dat ik dacht dat het ‘te vroeg was voor een boek over emoji’.

Maar nu denk ik dat niet meer. Dankzij het boek Because Internet van de jonge Canadese ‘internet-taalkundige’ Gretchen McCulloch. Eindelijk iemand die goed naar de taal op het internet gekeken heeft! Eindelijk iemand die erover heeft nagedacht!

Lees verder >>

Het weblog als genre: vier karakteristieken

Door Marc van Oostendorp

Het wordt een jubileum dat vermoedelijk niemand viert: het Nederlandse weblog viert deze zomer zijn twintigjarig bestaan. Ik schreef in 2003 op Neder-L (de voorloper van Neerlandistiek, maar indertijd nog geen blog) dat in dat jaar het blog was doorgebroken, en toen was het genre nog bijzonder hip. Vijf jaar geleden vierde ik hier het vijftienjarig bestaan en was de glans er al een beetje vanaf. Wie staat er nu nog stil bij deze heuglijke gebeurtenis?

Het Wikipedia-artikel over het weblog ziet er hopeloos verouderd uit, en lijkt sinds ongeveer 2009 nauwelijks meer inhoudelijk bijgewerkt. Vorig jaar plaatste iemand nog een waarschuwing dat het artikel als het zo verwaarloosd was eigenlijk niet meer in de encyclopedie paste, maar het belangrijkste dat sindsdien lijkt te zijn gebeurd is dat die waarschuwing weer is weggehaald.

We mogen dus wel stellen dat de hype voorbij is. Er is in Nederland ook maar één echt beroemd blog is, Geen Stijl. Afgelopen vrijdag verblijden ze Neerlandistiek met een paar honderd extra bezoekers, door in hun lijstje met links naar foto’s van schaars geklede vrouwen ook een link naar een artikel op onze site te plaatsen. Eerder die week wisten ze enige politieke ophef te genereren door een geheim ‘intern rapport’ van Forum voor Democratie over voormalig penningmeester Otten naar buiten te brengen.

Lees verder >>

‘U hoeft niet te doen alsof u bekende Nederlanders kent.’ De Internet Poëzieprijs 1998

Iemand moet ooit de geschiedenis van de Nederlandse literatuur op internet schrijven. In dit artikel doet pionier Hans van der Kamp een voorzet en beschrijft het wedervaren van de Internet Poëzieprijs, twintig jaar geleden.

Door Hans van der Kamp

In 1997 ontstond bij Piet Wesselman, beheerder van een website met links naar Nederlandstalige literatuur, het idee om een Internet Poëzieprijs uit te schrijven. Hij zocht samenwerking met De Opkamer, het eerste tijdschrift voor Nederlandstalige literatuur op het Internet.

Die samenwerking lag voor de hand omdat De Opkamer redelijk veel grote namen aan boord had en bovendien had het tijdschrift een forum dat de Open afdeling heette waar iedereen zonder tussenkomst van de redactie bijdragen kon plaatsen. Een idee dat ik als hoofdredacteur van de uitgave vaak heb betreurd, omdat de Open afdeling regelmatig de server overbelastte en veel tijd besteed moest worden aan het sussen van verhitte discussies op het platform. Wanneer drie of vier mensen immers tegelijk een commentaar plaatsten, dan crashte de forumsoftware. Lees verder >>

Facebook voor wetenschappelijke verheldering en toenadering

Door Marc van Oostendorp

Wat leuk is van aan deze tijd leven: de internetrevolutie van nabij mogen bekijken. Ik ben net oud genoeg om al voor ze begon het een en ander te hebben meegemaakt, en de kleine 25 jaar dat ze nu voortduurt sta ik nog steeds af en toe te kijken van wat er allemaal veranderd.

Nu dan weer de manier waarop wetenschappers met elkaar communiceren. Toen ik student was, bestonden er vier manieren: het wetenschappelijke artikel in een tijdschrift of een boek; het gefotokopieerde manuscript, dat de geleerden aan elkaar stuurden via de post; de discussie van collega’s op de gang en bij het koffie-apparaat; en ditto tijdens congressen. Lees verder >>

Taalkundigen zijn betere sociologen

Door Marc van Oostendorp

De Gents-Tilburgse geleerde Jan Blommaert begint zijn recente uitbundige lofzang op de sociolinguïstiek met enkele kritische noten. Volgens hem hebben zijn collega’s soms te weinig ambities. Ze zien zichzelf vooral als ijverige verzamelaars van gedetailleerde gegevens over hoe de taal in de wereld om ons heen varieert en verandert, ze passen daarop geavanceerde en intelligente technieken toe. Maar ze proberen te weinig om de sociologie te beïnvloeden met de rijke inzichten die het onderzoek naar taal te bieden heeft.

Sociolinguïsten zijn natuurlijk ook een soort sociologen – en wel sociologen die een object bestuderen dat zich betrekkelijk gemakkelijk laat vangen. Lees verder >>

Aan de wieg van het web

Door Ton Harmsen

049OlivettiEerder deze week schetste Frits van Oostrom in de vijfentwintigste Bert van Selmlezing, getiteld Van geletterd naar gepixeld, de ontwikkelingen in de digitale neerlandistiek sinds het overlijden van Van Selm in 1991. Van Oostrom heeft gelijk als hij zegt dat het initiatief voor het digitaliseren van Nederlandse literatuur van de universiteiten (de leerstoelen Nederlands) moet uitgaan: daar zit de motivatie en de expertise. Het is prachtig dat deze mening nu in het openbaar gezegd is door een neerlandicus naar wie geluisterd wordt. Laten de academische neerlandici er wat mee doen: data verzamelen en op een handzame en aantrekkelijke manier publiek maken. Daarvoor zijn ideeën en technieken nodig, die in samenspraak tussen de neerlandici ontwikkeld worden en vervolgens komt het aan op facta non verba. We zijn te weinig zichtbaar, zegt Van Oostrom. Ik denk dat er een academisch digitaal literatuurplein moet komen, waar we in één oogopslag kunnen zien wat er aan neerlandistiek in Nijmegen, Groningen en Utrecht gebeurt.

Voor de studie van de zeventiende eeuw zou het een zegen zijn. Teksten zijn op die manier gemakkelijk te vinden, kosteloos in te zien en zo nodig eenvoudig te corrigeren. Zo moet het gaan: redacties met frisse ideeën en heel veel medewerkers, veel studenten, die aanvullingen en verbeteringen aandragen. Een internet dat van ons allemaal is, waaraan wij allemaal ons steentje bijdragen en waarvoor wij onze verantwoordelijkheid nemen.

Lees verder >>

Personagebank online


Vanaf vandaag is de Personagebank online: een crowd-sourced database van personages uit Nederlandstalige romans, ontwikkeld door neerlandici aan de Universiteit Utrecht.
Via crowdsourcing verzamelt de Personagebank eigenschappen van romanpersonages uit Nederlandstalige romans. De ‘crowd’ levert informatie aan en kan actuele verhoudingen in de open database zien. Zo geven lezers antwoord op de vraag: ‘Hoe divers is de Nederlandstalige roman?’
De Personagebank werd ontwikkeld door studenten Nederlands aan de Universiteit Utrecht, o.l.v. dr. Saskia Pieterse.  Het project komt voort uit een onderzoek naar diversiteit en representatie in de Nederlandstalige roman en is een experiment met publieksparticipatie in letterkundig onderzoek.
Iedereen kan meedoen door gegevens van romanpersonages op te geven via dit formulier.

Zie: de Personagebank

Het einde van de website

Door Marc van Oostendorp

Af en toe moet ik mezelf er even aan herinneren dat ik in een spannende tijd leef – de tijd van de internetrevolutie. Vrijwel alles wat er in mijn leven veranderd is in de afgelopen twintig jaar en dat geen rechtstreeks verband houdt met het feit dat ik vroeger jong en enthousiast was en nu vergrijsd en verbitterd, komt door het internet.

Dat ik geld uit de muur kan halen. Dat ik iedere dag, inclusief dagen in het weekeinde, ruim vijftig brieven kan beantwoorden. Dat ik ook als ik op reis ben duizenden boeken bij me heb, en er nog veel meer kan opzoeken. Dat degene wiens deadline ik overschrijd, makkelijk kan controleren dat ik wel tijd heb voor andere dingen.

Staat van dienst

Bij dat internet hoort, zolang ik me er op begeef, ook dat mensen zeggen dat ‘de hype nu wel voorbij is’, dat we binnenkort weer normaal gaan doen, en terugkeren tot het oude. We gaan weer gewoon papieren boeken lezen, vinyl luisteren, via een vaste lijn bellen, travelercheques op reis meenemen.
Het zijn niet de onverstandigste mensen die het zeggen.
Lees verder >>

Lancering elektronische Woordenbank van de Nederlandse Dialecten (eWND)


Het Meertens Instituut lanceert op 16 juni een nieuwe databank: de elektronische Woordenbank van de Nederlandse Dialecten (eWND) (http://www.meertens.knaw.nl/ewnd). Het doel van de eWND is om zoveel mogelijk dialectwoordenboeken digitaal beschikbaar en doorzoekbaar te maken.
De eWND bevat een alsmaar groeiend aantal oude en modernere Nederlandse dialectwoordenboeken. Alle bestaande woordenboeken zijn aan elkaar gekoppeld via de Standaardnederlandse vorm. Zo zijn aan de Deventer dialectwoorden ‘achterwark’, ‘agósî’ en ‘tnegentig’ de vernederlandsingen ‘achterwerk’, ‘negotie, (handel)’ en ‘negentig’ toegevoegd. Op deze manier kunnen gebruikers van de eWND alle dialectopgaven van een bepaalde Standaardnederlandse vorm tegelijkertijd vinden, zonder dat ze de afzonderlijke dialectvormen hoeven te kennen. Door deze koppeling krijgt men gemakkelijk zicht op de verbreiding van dialectwoorden, -klanken, -vervoegingen en -verbuigingen (zoals meervoudsvormen en verkleinvormen) over het Nederlandse taalgebied. Via de eWND kan men het taalgebruik uit verschillende regio’s met elkaar vergelijken en doordat de woordenbank zowel oude als jonge dialectwoordenboeken bevat, komen veranderingen aan het licht die dialecten in de loop van de tijd hebben doorgemaakt.

Lees verder >>

Web: Dagwoord – een jaar lang aftellen

Het afscheid van Siemon Reker als hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de RUG wordt begeleid met een dagelijkse column over taal, meer in het bijzonder telkens over een woord. Half maart volgend jaar vindt dat afscheid plaats en in de aanloop daar naartoe wil Reker op werkdagen betrekkelijk lukraak een Gronings boek uit de kast pakken en op basis hiervan in een korte tekst de vinger leggen bij één woord daaruit. De column wordt op verzoek gratis per mail toegezonden aan wie zich daarop heeft geabonneerd. www.rug.nl/let/bgtc
De rubriek gaat DAGWOORD heten, de eerste aflevering zal op maandag 2 maart aanstaande verschijnen. Met inachtneming van vakanties e.d. zullen er naar verwachting ruim 200 Dagwoorden verstuurd worden en dagelijks op de website geplaatst van het Bureau Groninger Taal en Cultuur.

’t Mestreechts is online


Door Leonie Cornips

Onlangs is in het Theater aan het Vrijthof de website gelanceerd van de Dictionair vaan de Mestreechter Taolin aanwezigheid van zo’n negenhonderd belangstellenden. De Maastrichtenaar Roger Weijenberg heeft deze website ingericht en visueel vormgegeven. De naam Dictionairis veel te bescheiden want wat er op deze site te zien valt, is veelomvattender dan een woordenboek doet vermoeden. De website herbergt een dynamische databank van het Maastrichts met diverse taalkundige onderdelen: grammatica, fonologie naast spelling en uitspraak. Zo krijgt een bezoeker allerlei informatie over vormeigenschappen van een zelfstandig naamwoord. Als ik in het Nederlands het woord ‘huis’ intik, krijg ik onmiddellijk te zien dat ‘huis’ in het Maastrichts ‘hoes’ is (naast ‘brak’ en ‘pand’) en hoe ik het moet uitspreken. Ik leer ook dat ‘hoes’ als meervoud de vormen ‘hoezer’ en ‘hoeze’ heeft en als verkleinvorm ‘huiske’. Informatie over de zinsbouw (syntaxis) is er ook. ‘Hoes’ neemt als bepaald lidwoord ‘’t’ (’t hoes), als onbepaald  e/’n’ (‘e hoes of ‘n hoes) en het betrekkelijk voornaamwoord ‘wat’ dat in het Nederlands ‘dat’ is: ‘’t Hoes wat ze höbbe gekoch ligk in Mestreech’. Bovendien vertelt de website mij dat de etymologie van het woord ‘hoes’ blijkend uit de oudste bronnen uit het jaar 893 (verzameld door taalkundige Flor Aarts) ‘hus’ is. Handig voor Sinterklaas is dat hij in het Maastrichts kan rijmen: ‘hoes’ rijmt volgens de website op loes, moes en thoes. 

Lees verder >>

Kokosnoten en internet

Door Marc van Oostendorp


Soms voel ik me net een kokovorist, zo iemand van honderd jaar geleden die van een idealist heeft gehoord dat alle mensen alleen maar kokosnoten moeten eten, en dat de wereld dan een veel gelukkiger oord wordt. En die deze verheven ideologie decennialang in praktijk brengt. En die dan, na al die jaren, ontdekt dat zelfs de idealisten van weleer inmiddels allang aardappelen en biefstuk eten.

Wat de kokosnoot is voor de kokovorist, is het internet voor mij. Ongeveer twintig jaar geleden werd het ‘wereldwijde netwerk van computers’ (zo noemde je dat toen wanneer je er een stukje over schreef, want sommige mensen hadden er nog nooit van gehoord) opengesteld voor particulieren, en ik werd al heel snel gegrepen door de idealen die eraan vast zaten. Gratis kennis voor iedereen die er belangstelling voor heeft! Onbeperkte uitwisseling van informatie! Ieder belangstellingsgebied, hoe klein ook, kan onbeperkt communiceren!

Heimelijk geloof ik nog steeds in die idealen.
Lees verder >>

Stem vóór boeken

Door Bart FM Droog
Stemmen is altijd goed. Daarom is het des te beter dat de PZC, ook bekend als de Provinciale Zeeuwse Courant, de Publieksprijs PZC 2014 in het leven geroepen heeft. Publiek van binnen en buiten Zeeland mag een stem uitbrengen op één van de ruim zeventig ‘Zeeuwse’ boeken die tussen  juli 2013 en juli 2014 verschenen zijn. Onder die boeken deze twee dichtbundels:
Wim HofmanLaat ons drinken. Liverse, Dordrecht, 2013 – klik op:
http://pzc.wegenerweb.nl/cultuur/
boekenprijs2014/slide47.php#top


André van der Veeke
Poldergeest. Liverse, Dordrecht, 2014 – klik op:
http://pzc.wegenerweb.nl/cultuur/
boekenprijs2014/slide59.php#top

Als medeorganisator van eerdere publieksprijzen voor dichtbundels en een Dichter des Vaderlandsverkiezing heb ik wel één opmerking bij deze  internetverkiezing.

De PZC meldt: ‘Meer dan één keer stemmen heeft geen zin: dubbele stemmen worden genegeerd.’ Dat maakt me erg nieuwsgierig naar hoe de PZC stemmen van  mensen met meerdere e-mailadressen en pseudoniemen uit de stembus gaat filteren – want ik weet wat voor lastige en tijdrovende zaak dat is. 

Een ivoren toren in het drijfzand

Door Marc van Oostendorp


Een foto waarop je naakt op een campingtafel danst schijn je nooit meer van internet af te krijgen, maar alle andere documenten zakken als je niet uitkijkt langzaam weg in het digitale drijfzand. Waar zijn de weblogs van vorig jaar? Deze week heeft iemand mijn oude stukjes voor Neder-L zoveel mogelijk opgespoord: de stukjes van voor 2010, toen dit een weblog werd, om ze aan de archieven van deze website toe te voegen. Dat bleek geen sinecure en is ook nog niet voor alle stukjes gelukt. Sommige dingen zijn misschien wel voorgoed opgelost in de nevelen van de tijd, en dat is misschien maar goed ook.

In ieder geval heb ik daarom zelf weer wat oude stukjes gelezen. Ik schrijf hier sinds 1996 over het internet en de neerlandistiek. Dat is al 18 jaar! Dat betekent dat alles al een keer gebeurd is; maar omdat het allemaal in het drijfzand zakt van het internet, weet niemand het meer.

Wie herinnert zich nog het rapport Een digitale bibliotheek voor de geesteswetenschappen dat Erik Viskil in 2000 schreef voor NWO?
Lees verder >>

Officiële opening Taalportaal.org


Op zaterdag 1 februari 2014 vindt tijdens de Grote Taaldag in Utrecht de officiële opening van Taalportaalplaats. De doelstelling van dit virtuele instituut is om alle bestaande kennis over de Nederlandse en Friese grammatica digitaal beschikbaar te maken voor een internationaal publiek.
De afgelopen drie jaar hebben onderzoekers van het Meertens Instituut, de Fryske Akademy, het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht samengewerkt aan een toegankelijke online grammatica van het Nederlands en het Fries. In een Wikipedia-achtige omgeving worden zowel de woordstructuur en de klankstructuur als de zinsstructuur van het Nederlands en het Fries beschreven. Het Taalportaal beschrijft hoe de hedendaagse grammatica van het Nederlands eruitziet, op basis van bestaande publicaties. Omdat de grammatica van het Nederlands verandert, zal de informatie in de toekomst up-to-date worden gehouden. In Zuid-Afrika zijn inmiddels uitgewerkte plannen om ook het Afrikaans, de dochtertaal van het Nederlands, toe te voegen.

Lees verder >>

De terugkeer van siliconenborsten

Door Marc van Oostendorp


Vijftien jaar geleden was het makkelijker om een hit te scoren op het internet [een wereldwijd netwerk van computers, red.] dan nu. Je hoefde alleen maar over seks te schrijven.

Ik onderhield indertijd de relatief nieuwe website van Onze Taal, en schreef een keer in de maand voor Neder-L. Een van mijn stukjes heette Siliconenborsten aan de top. Ik vertelde erin hoe volkomen serieuze columns op Neder-L binnen de kortste keren tot de top-10 doordrongen als er woorden als kut of schandjongens (jaja) in voorkwamen. Het populairste taaladvies bij Onze Taal ging over de spelling van siliconenborsten (het had als voordeel dat het woord er op allerlei manieren gespeld in stond). Het aloude opzoeken van vieze woorden was ook tot het nieuwe medium doorgedrongen. Mijn eigen stukje scoorde, met al deze woorden, binnen de kortste keren ook hoge ogen in de hitlijsten.

Zo is het allang niet meer. Maar er zijn wel alternatieven.

Lees verder >>

Ruim duizend 17de- en 18de-eeuwse brieven online

Alledaags taalgebruik van Nederlandse zeelieden en thuisblijvers

Op 5 september is een verzameling van ruim duizend 17de-en 18de-eeuwse brieven online beschikbaar gekomen via http://brievenalsbuit.inl.nl. De brieven zijn geschreven tussen Nederlanders in verre oorden, waaronder zeelieden, en thuisblijvers. De verzameling brieven is interessant voor historici en taalkundigen, omdat het een schat aan informatie bevat over alledaags taalgebruik uit die tijd.
In het project Brieven als Buit zijn onder leiding van prof. dr. Marijke van der Wal de brieven taalkundig onderzocht aan de Universiteit Leiden. Daar is de collectie ook handmatig overgetikt (getranscribeerd) door vrijwilligers. Op het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) is vervolgens allerlei taalkundige informatie toegevoegd, zoals spelling en woordsoort. Die informatie maakt de teksten beter te doorzoeken. Vanaf nu is de gehele taalkundig bewerkte collectie online beschikbaar. Lees verder >>

Passionate lanceert nieuw literair platform


Vanaf vandaag is Passionate Platformonline, een initiatief van literair-culturele organisatie Passionate Bulkboek (bekend van onder meer Passionate Magazine, schrijfwedstrijd Write Now!, het Geen Daden Maar Woorden Festival en de Dag van de Literatuur). Passionate Platform wil een plek zijn waar de literair geÏnteresseerde terecht kan om primaire en secundaire literatuur in al haar verschijningsvormen te ontdekken. Naast interviews, verhalen, strips, poëzie en recensies, is er veel ruimte voor multimedia en uitgebreid aandacht voor jong literair talent. De inhoud wordt verzorgd door een vaste redactie, ondersteund door gastredacteuren en -bloggers.

Lees verder >>

Risico nemen om te leren

Kanttekeningen bij online onderwijs

Door Marc van Oostendorp 

Kunnen studenten voortaan thuis blijven omdat we alle colleges gaan opnemen en via YouTubes uitstralen naar de wereld? Zodat zij thuis kunnen blijven zitten en ernaar kijken en ons dan kunnen e-mailen met hun vragen, die we dan op Blackboard kunnen beantwoorden? Of dit alles, maar dan met nog net wat geavanceerdere technieken?

Wanneer die vragen gesteld worden – en ze worden de laatste tijd veel gesteld – moet ik altijd even aan de Amerikaanse filosoof Hubert Dreyfus (1929) denken. Dreyfus is een van de grootste critici van het online leren. Tegelijkertijd veroverde hij de wereld al een jaar of vijf geleden met een aantal cursussen over fenomenologie (jaja) via iTunes.

Lees verder >>

Een toekomst zonder verleden

Deze lente vieren we plechtig dat vijftien jaar geleden het literaire tijdschrift De Opkamer werd opgericht door de (toenmalige) romanschrijver en (tegenwoordige) fotograaf Hans van der Kamp. De Opkamer was het eerste Nederlandse literaire tijdschrift op het internet. Het was mooi vormgegeven en beloofde de stem van een nieuwe generatie te worden. Hoewel het internet nog door sommige mensen als een hype werd beschouwd, gingen Van der Kamp en de zijnen laten zien wat voor letterkundige mogelijkheden er open lagen.

De Opkamer is inmiddels nog maar moeilijk te vinden. Alleen bij het Amerikaanse Internet Archive, de enige echte bron voor de Internet-archeoloog, kun je nog een editie uit 1996naslaan, en vandaaruit nog wat van de oude inhoud terugvinden, maar je wordt ook daar vooral getrakteerd op foutmeldingen. Een spin-off van De Opkamer, de in een soortgelijke smaakvolle stijl vormgegeven website met erotische kunst Amea, is nog wel altijd actief.

Over De Opkamer lezen we niets in het nieuwe nummer van Vooys. Tijdschrift voor letteren (jaargang 27, nummer 4), dat vrijwel geheel gewijd is aan een ‘dossier Nieuwe Media’. De literatuur op het internet heeft vooralsnog nauwelijks verleden, slechts een beetje heden en een heleboel toekomst.

Anders schrijven

Toch komt het verleden wel aan bod in Vooys. Interessant is bijvoorbeeld de bijdrage van Carolien van den Berg, die in 2001 een scriptieschreef over hypertekstfictie en voor deze gelegenheid terugkeerde naar de Amerikaanse hypertekstroman The Unknown (van William Gillespie, Frank Marquart, Scott Reberg en Dirk Stratton, 1998). Hypertekst, dat was tien jaar geleden de toekomst van de literatuur op het internet: verhalen waarbij je als lezer zelf kon bepalen in welke volgorde je de verschillende brokstukjes tot je nam. Van den Berg vertelt dat er aan het eind van de jaren negentig schrijvers en literatuurwetenschappers opstonden die nadachten over onder andere de vraag hoeveel invloed een lezer kon krijgen en hoe beeld en geluid in een verhaal verwerkt moesten worden.

“Ik vermoed dat deze bloeiperiode ophield naarmate internet meer ingeburgerd raakte,” besluit Van den Berg. Dat klinkt curieus, maar is vermoedelijk wel waar: de internetliteratuur moet het vooralsnog hebben van de kracht van het nieuwe, van het almaar verder pionieren. Zodra iemand een manier gevonden heeft om de huidige technologie in te zetten, is die technologie alweer achterhaald. Volgend jaar komt er misschien iPad-literatuur, die speciaal geschikt is om gelezen te worden op de nieuwste gadget van Apple – maar over tien jaar is die iPad-literatuur dan misschien nergens meer te vinden.

De digitale lezer

Een soortgelijk gevoel komt op bij het artikel over elektronische poëzie van de dichter Arnoud van Adrichem en de hoogleraar Jan Baetens. Er wordt nu toch al lang gepraat over de opkomst van ‘e-poëzie’, “de ideologie van het ‘nieuwe’ […] viert hoogtij”, maar “veel gedichten op internet zijn niet meer dan de dubbels van bestaande poëzie in drukvorm, die de mogelijkheden van de nieuwe communicatietechnologie onbenut laten.” Van Adrichem en Baetens wijzen op een andere ontwikkeling die met veel minder gedruis en programmatische bombarie omgeven is: “Het gehele literaire bedrijf – van schrijvers tot editors, van uitgevers tot critici en van verkopers tot lezers — is ondertussen volledig opgenomen in de digitale cultuur.”

Ik denk dat dit inderdaad uiteindelijk een onvergelijkbaar belangrijker ontwikkeling zal blijken te zijn dan alle experimenten met Flash en hypertekst en het vermengen van beeld en tekst bij elkaar: het simpele feit dat je boeken digitaal kunt krijgen.

Vooral denk ik dat de digitale revolutie belangrijker is voor de lezer dan voor de schrijver. Sinds een paar maanden heb ik een e-reader, en ik heb daar inmiddels bijna duizend boeken op verzameld, die ik dus iedere dag overal mee naar toesleep. De meeste van die boeken zijn rechtenvrije klassiekers, maar ik heb ook een handjevol boeken gekocht via de elektronischeboekwinkel, en omdat je als pionier nu eenmaal alles moet proberen ook een paar recente Amerikaanse romans illegaal gedownloaded. Dat verandert de ervaring van het lezen — voorbij is de tijd dat je een boek maar uitleest omdat het nu eenmaal het enige is dat je op een lange reis bij je hebt. Voorbij is de tijd dat je als je een nieuw boek wilt, ofwel afhankelijk bent van de verschrikkelijke keuze die de Selexyz-boekhandelketen voor je maakt, of een paar dagen moet wachten tot je bestelling van Amazon binnenkomt. Alles wat je lezen wil is altijd voorhanden.

Anders lezen

Het is als met muziek. Bij mijn weten is er weinig ‘internetmuziek’ voorhanden, die gebruik maakt van de mogelijkheden van het medium. Maar ondertussen is de muziekbeleving van zo’n beetje iedereen in de westerse wereld grondig veranderd. Wie diep in de nacht ineens de behoefte krijgt om naar een bepaald muziekstuk te luisteren, kan onmiddellijk aan die behoefte voldoen.

Ik weet niet hoe atypisch ik ben, maar voor mijn eigen leesgedrag betekent dit vooralsnog een paar dingen. In de eerste plaats is mijn behoefte aan het ‘nieuwe’ afgenomen: waarom zou je je zorgen maken over de nieuwe Erwin Mortier of Jonathan Safran Foer als er zo enorm veel andere bestanden zijn die ook nog allemaal gelezen moeten worden, en die bovendien precies even ver weg zijn. En in de tweede plaats ben ik geloof ik toch wat onrustiger gaan lezen. Waar het precies aan ligt, weet ik niet, maar korte verhalen en poëzie bevallen me vooralsnog beter van een elektronisch scherm dan dikke romans.

In het Engelstalige artikeltje van Samuel Vriezen wordt een andere fascinerende consequentie van het internet besproken: omdat dichters ook lezers zijn, en ook lezers van het internet, kunnen ze zich ineens door de hele wereld laten beïnvloeden: “If, once upon a time, Nijhoff could hold that Dutch poetry was among the world’s finest, we can today only excuse him on the grounds that he had no internet access.” Verwijzend naar de Finse dichter Leevi Lehto roept Vriezen op tot een globalisering van de Nederlandse literatuur: dichters moeten zich in elke taal die ze tot hun beschikking hebben uitdrukken, en zich daarbij niet uit het veld laten slaan door het feit dat hun taalgebruik misschien afwijkt van dat van moedertaalsprekers.

Tien stellingen

Het fraaiste artikel in de nieuwe Vooys vind ik dan ook dat van Peter Boot van het Huygens Instituut, die in ‘tien stellingen over de ideale digitale bibliotheek’ precies uiteenzet waar we naartoe zouden moeten: zo’n bibliotheek zou alles wat er geschreven of gedrukt is moeten bevatten, het zou op allerlei manieren doorzoekbaar en leesbaar moeten zijn, enzovoort. Boots ideale bibliotheek is er wel vooral een voor de onderzoeker, maar ook over de gewone lezer heeft hij wel wat te zeggen: “Idealiter […] kan de gebruiker zelf aangeven welke onderdelen van de tekst worden getoond. Wil ik een middeleeuws toneelstuk lezen met of zonder de woordverklaring? Heb ik behoefte aan regelnummers? Wil ik, in de uitgave van een briefwisseling, de brieven van beide correspondenten gezamenlijk, of die van elk afzonderlijk?” Het is precies die macht die de lezer vooralsnog lijkt te willen — veel meer dan zelf te bepalen hoe hij binnen één en dezelfde ‘hypertekst’ navigeert, wil hij de hele wereld, van zoveel bestaande teksten zien als een grote hypertekst.

In dat grote web van teksten horen misschien ook tijdschriften, zoals Vooys. Toen ik een recensie-exemplaar kreeg aangeboden, vroeg ik om een elektronisch exemplaar; dat bleek niet te bestaan — al wilde de redacteur van dienst me best wat Word-bestanden toesturen. Het digitale lezen en het digitale schrijven zijn alvast begonnen; nu het digitale uitgeven nog.

Carnaval der burgerrecensenten

‘Voor virtuoos proza moeten we niet op het net zijn’. Zo, die zit en daar kunt u het mee doen. Ga toch weg van dit vermaledijde beeldscherm waar u naar zit te staren. Neem liever een goed boek, of een krant, of desnoods een reclamefolder, als u tenminste op zoek bent naar virtuoos proza.

Het citaat waar ik mee begon, komt ook al niet uit een boek, maar uit een stukje dat de romanschrijver Herman Stevens een paar maanden geleden op zijn weblog heeft gezet. Stevens had een artikel in NRC Handelsblad geschreven tegen wat hij ‘burgerrecensenten’ noemde — ongediplomeerden die op internet boekbesprekingen publiceren. Een paar dagen later had een zekere Daan Stoffelsen daarop gereageerd. Stoffelsen werkt bij Recensieweb, een website waarop dat soort recensies over moderne Nederlandse letterkunde worden geplaatst. De NRC wilde kennelijk Stevens’ antwoord waaruit dit citaat kwam niet meer hebben. Dus had hij het uitgerekend op het verfoeide internet gezet.

Wat beweegt iemand om een dergelijk stuk te schrijven? Het heeft op het oog weinig zin om ten strijde te trekken tegen de burgerrecensenten. Wie zal zich ervan laten weerhouden om op een website te verkondigen wat hij van Tirza en Mim vindt doordat hij Stevens’ stukje gelezen heeft? We zullen moeten afwachten wat een en ander gaat betekenen voor de toekomst van de letterkunde, maar de opkomst van de lezer die op internet vertelt wat hij of zij ervan vindt is een feit.

  Erg groot is de wereld van de burgerrecensenten overigens nog niet, althans niet in het Nederlandstalige deel van het internet. In de Engelstalige wereld bloeit het fenomeen inmiddels volop en vind je zelfs duidelijke subgenres. Populair zijn bijvoorbeeld de internet-dagboeken van lezers die fanatiek het ene boek na het andere verslinden en daar op internet verslag van uitbrengen. De weblog ‘So Many Books’ (‘the agony and ecstacy of a reading life’) is daar een mooi en erudiet voorbeeld van, geschreven door een zekere Stefanie die ooit een doctoraal in de Engelse letteren haalde en nu ergens in Minneapolis bij een helpdesk werkt, als ik het allemaal goed begrijp. In haar vrije tijd leest ze Emerson en Proust en Homerus, en ongeveer elke dag schrijft ze daarover.

Een consequentie van dat dagelijkse ritme is dat ze vrijwel nooit recensies schrijft. Ze leest de ene dag bijvoorbeeld een stukje in de Odyssee en vertelt dan wat haar indrukken van dat stukje zijn; een paar dagen later gaat ze er pas mee door. Als het boek uit is, geeft ze nog wel een soort eindoordeel, maar eigenlijk worden de hele tijd allerlei boeken door elkaar besproken — zoals in het leven van de lezer zelf.

Een ander interessant subgenre is dat van de aan een speciale schrijver gewijde weblog. Op het AustenBlog wordt bijvoorbeeld iedere dag melding gemaakt van de laatste nieuwtjes rondom de razend populaire negentiende-eeuwse schrijfster Jane Austen: wat er in allerlei kranten over haar staat op internet, waar nieuwe elektronische edities van haar werk te vinden zijn, wat we moeten denken van de nieuwste verfilming. Een ander voorbeeld is ShakespeareGeek, waarop een zekere Duane niet alleen soortgelijke nieuwtjes over de Engelse toneelschrijver geeft, maar ook regelmatig vertelt over welke versregels zijn driejarige dochtertje nu weer uit haar hoofd blijkt te kennen.

Het echte leesdagboek en de gespecialiseerde schrijversweblog bestaan bij mijn weten in het Nederlands niet. Er zijn er een paar die in de buurt van het eerste komen. Die dagboeken komen opvallend genoeg eerder van boekverzamelaars dan van lezers; onder Nederlandse webloggers bestaat nog steeds een grote openlijk beleden liefde voor de bibliofiele legende Boudewijn Büch. Een voorbeeld is ‘Boekengek’ die op 5 september 2007 omstandig verslag uitbrengt van zijn problemen met AlItalia, als hij probeert veel te zware koffers met boeken in te checken. Een ander voorbeeld is ‘Bibliofilos’ (er zijn veel pseudoniemen in deze wereld) die de afgelopen jaren eerst als hostess op het Griekse eiland Kreta heeft gewerkt en daarna als telefoniste bij uitgeverij Prometheus. Vooral haar avonturen in de eerste functie waren van een soort waar je weinig over leest in de krant: hoe ze de hotels afging om van de portiers de Nederlandstalige boeken te krijgen die gasten hadden laten liggen. Inmiddels werkt Bibliofilos overigens voor een uitzendbureau, we blijven haar volgen.

  Degenen die meer over hun lezen schrijven, pakken het (jammer genoeg) wat traditioneler aan. Ze schrijven recensies van boeken die ze uitgelezen hebben, zij het dat deze recensies in doorsnee een stuk korter zijn dan wat je in de boekenbijlage vindt. Sommigen van deze webloggers lezen zich overigens door gigantische stapels heen. De Nederlander IJsbrand van den Berg zet bijvoorbeeld bijna iedere dag een stukje op zijn Boeklog over weer een nieuw boek; naar eigen zeggen is wat hij bespreekt dan nog maar een fractie van wat hij werkelijk leest. In Vlaanderen is er een man die zelfs twee weblogs weet te vullen met zijn gelees. Onder de naam Achille van den Branden (ontleend aan een personage in een boek van Tom Lanoye) schrijft ook hij een paar keer per week een uitvoerige bespreking van een boek — van Plato tot Jeff Geeraerts; onder de naam Prins van Denemarken plaatst hij iedere dag een fragment van een boek; waarbij aangetekend moet worden dat die boeken vaak een paar dagen later door Van den Branden besproken worden.

Daarnaast zijn er de websites van de collectieven. Recensieweb heb ik hierboven al genoemd. Boekgrrls is er ook zo een, al is dit meer een discussieplatform of een elektronische leesclub dan een echte recensiewebsite (‘Een mooie bespreking. Ik heb dit boek ook gelezen. Het verhaal fascineerde me maar in het einde vond ik de tragiek te sterk aangezet.’) Van dat soort discussieplatforms zijn er overigens ook meerdere op het internet te vinden; zelfs de NRC, de krant waarin Herman Stevens’ oorspronkelijke klacht verscheen, heeft er een.

  Traditionelere recensies verschijnen dan weer op onder andere Poëzierapport, een website van Philip Hoorne, Patricia Lasoen, Chrétien Breukers, Cees van der Pluijm, Alain Delmotte, Catharina Blaauwendraad, Paul Rigolle, Ronald Ohlsen en Yves Joris. Sommigen onder hen zijn redelijk bekende dichters; gezamenlijk zorgen ze voor een bont overzicht van wat er zoal aan dichtkunst verschijnt in Nederland.

Daarmee komen we op zo’n genre dat dicht tegen het leeslog aanzit, en dat in Nederland een relatief grote populariteit heeft: dat van het dichtersweblog. Het is moeilijk van dit genre een overzicht bij te houden, omdat er de hele tijd nieuwe worden opgericht, coalities worden aangegaan, transfers worden gesloten, enzovoort. Toch zijn er wel enkele constanten aan te wijzen. Zo is er de website Rottend Staal, een krant die door de dichter Bart FM Droog wordt uitgegeven vanaf het zelfgemaakte waddeneiland Epibreren. De krant heeft een tijdje stilgelegen, maar biedt de laatste maanden ineens weer iedere dag nieuws uit de fascinerende wereld van de vaderlandse dichtkunst. Droog heeft trouwens ook nog een privé-weblog op de website van de Volkskant.

Ik heb overigens geen idee wat het verschil verklaart tussen de poëzie en het proza: bij de eerste zijn het vooral de makers die weblogs voeren, poëzielezers vind je nauwelijks. Bij het laatste genre zijn het dan weer vooral de lezers die je overal op het internet tegenkomt. En ook daar weer: geen idee wat het verschil verklaart.

In de loop van de tijd zijn die boekbloggers of leesloggers, een standaardwoord is er nog niet voor, me lief geworden. Wat een plezier spat er eigenlijk af van weblogs als Moet je lezen!, Lezen is leuk!, Boekenwurm en pleeg (van een verpleegster) en Bibliothecaris in Blog. De stijl waarin die lezers hun liefde voor het lezen uitdrukken is misschien wat onbeholpen, en zelfs hun boekenkeuze is heus niet altijd de mijne, maar dat je zoveel onbekommerd plezier kunt hebben aan telkens weer een nieuw boek — ook dat is een geluid dat je niet vaak verneemt in de boekenbijlage.

  Ook sommige recensenten die wel in de kranten schrijven, plaatsen hun stukken overigens op internet. Herman Stevens doet dat bijvoorbeeld zelf, Arie Storm (Het Parool), Ed Schilders (de Volkskrant) en Max Pam (HP/De Tijd). Je ziet meteen dat het heel andere stukken zijn dan elders op het web verschijnen: beter geschreven, beter geïnformeerd, beter doordacht. Toch kun je je afvragen wat de toekomst van dit soort stukken nog is. Recensies in de krant hebben allerlei functies die uiteindelijk best door de websites kunnen worden overgenomen: het signaleren van nieuwe boeken bijvoorbeeld, en zelfs het geven van een indruk wat die boeken precies te melden hebben.

Er zal altijd wel een markt zijn voor verdieping, voor artikelen die meer achtergrond geven dan zo’n stukje op het internet, maar de vraag is of de krantenrecensie die verdieping wel biedt. Dan denk je toch eerder aan een wat grootser essay. En voor het echte virtuoze proza kun je uiteindelijk toch nog steeds op een plaats het best terecht. Niet op het net, niet in de krant, maar in de boeken.

Marc van Oostendorp

De mooiewoordenindustrie

Toen ik anderhalf jaar geleden met een kraampje op de open dag van het Meertens Instituut stond, wist ik niet wat ik daarmee zou aanrichten. Een keer in de zoveel jaar doet het instituut mee met de zogenoemde wetenschapsdag en stelt de poorten open voor wat we het grote publiek noemen. Dat bestaat overigens voor een aanzienlijk deel uit vrienden, familie en bekenden van medewerkers van het instituut, maar dat maakt de dag er vooral gezelliger op.

Mijn kraampje stond bij de ingang van het instituut, en ik liet de bezoekers niet naar binnen gaan zonder dat ze hun ‘mooiste woord’ op een strook papier hadden geschreven. Ik had trouwens ook via internet en het tijdschrift Onze Taal zo’n oproep gedaan. Het was het onschuldige jaar 2003, lang voordat een vloedgolf van mooiewoordenwedstrijden ons land zou treffen. Het NIPO, de VRT, de Volkskrant, de Stichting Drentse Taol, de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, de Limburger, Omrop Fryslân: iedereen ging naarstig op zoek naar het mooiste woord in zijn eigen taal.

Nu kun je op verschillende manieren op zoiets reageren. Je kunt er bijvoorbeeld je schouders over ophalen. Of je kunt je er mateloos aan ergeren, zoals Ewoud Sanders deze week deed in NRC Handelsbladdie deze mooiewoordentsunami de ‘ergerlijkste taalgebeurtenis van 2004’ noemde:

al dat geneuzel over het mooiste Nederlandse woord. Gemakzuchtige na-aperij van die Duitse wedstrijd, die ook volslagen onzinnig was (winnaar Habseligkeiten). Als mooiste Nederlandse woorden zijn onder meer aangedragen: vrijen (winnaar bij de Volkskrant), geboorte, geborgenheid, geluk, God, liefde, naastenliefde, respect, saamhorigheid, vakantie en vrijheid.Wat een zoetsappigheid bij elkaar! Het effect zal voor iedereen anders zijn, maar persoonlijk krijg ik na te veel poezelige aaiwoorden zin in een stevige kneukfilm.

Bij mij was het effect inderdaad geheel anders: het riep de koopmansgeest in me wakker. Er zijn nu zoveel gegevens over wat mensen mooie woorden vinden, daar moet een munt uit te slaan zijn. Bijvoorbeeld door een automatische analyse te maken van nieuwe merknamen, om te zien hoezeer ze zullen aanslaan. Door ouders voor te lichten over de schoonheid van de naam van hun boreling. (‘Hoe mooier de naam van uw zoon of dochter, des te meer rijkdom, voorspoed en mooie vrouwen hij of zij in zijn of haar leven tegemoet zal zien. U gunt uw kind toch ook het allerbeste?’) Of door schrijvers en dichters de weg naar roem en succes te garanderen.

Dus ging ik aan de slag. Dit voorjaar heb ik mensen via een website een testje laten doen. Ze kregen daarbij steeds paren van twee woorden voorgelegd, en moesten een van de twee aanwijzen als het mooiste. Die woorden werden elke keer willekeurig gekozen uit lijsten van mooie én lelijke woorden die mensen hadden opgestuurd. In totaal hebben 2020 mensen meegedaan aan deze test: ze hebben allemaal een andere versie van het formulier gezien.

Omdat die mooie woorden zo’n rage waren, ben ik door journalisten sufgezeurd om de resultaten van die test. Vandaag, op de laatste dag van het mooiewoordenjaar 2004 geef ik ze dan eindelijk, via Neder-L, aan de openbaarheid prijs:

sales 0.04
webstek 0.08
bier 0.10
communicatie 0.12
beters 0.13
kostenplaatje 0.14
gulp 0.15
penhouder 0.15
afwerkplek 0.16
puber 0.16
verdapperen 0.17
goor 0.18
Poldernederlands 0.22
bark 0.23
werkdruk 0.24
slaapgestoorden 0.25
grauw 0.30
tegel 0.31
doei 0.32
vochtig 0.33
schaapachtig 0.38
toko 0.41
neiging 0.44
karwijzaad 0.46
avondrood 0.48
schreeuw 0.49
substantieel 0.49
kroonjuweel 0.50
implementeren 0.51
rataplan 0.52
burger 0.53
barnsteen 0.53
paarlemoer 0.54
emelt 0.55
schoorvoetend 0.57
epibreren 0.59
ereprijs 0.59
dommelen 0.59
bekken 0.63
snoeshaan 0.64
inseinen 0.65
onthutst 0.66
jatten 0.67
kachel 0.68
prijken 0.74
rollebollen 0.75
pandoer 0.76
kerstengeltje 0.76
schorriemorrie 0.78
wulps 0.84
prevelen 0.84
elfenbankje 0.86
genegen 0.86
paaien 0.88
kwakkelen 0.90
adelborst 0.90


U moet deze cijfers als volgt lezen: als men voor het woord sales kon kiezen, deed men dit in 4% van de gevallen. Werd het woord kwakkelen als een van de twee mogelijkheden gegeven, dan koos men in 90% van de gevallen voor dit woord (alle woorden werden ongeveer even vaak aangeboden.) Volgens deze test zijn adelborst en kwakkelen dus het mooist, en saleshet minst mooi.

De reden waarom ik deze gegevens aan de openbaarheid prijsgeef, is dat ik achteraf denk dat ik er toch niet zo rijk mee zal worden als ik had gehoopt. Er valt weinig systeem in te ontdekken, of althans, weinig systeem dat niet zo voor de hand ligt dat het moeilijk is om er patent op aan te vragen.

Bij mijn eerste onderzoeken kwam desalniettemin naar voren als het woord dat het vaakst werd genoemd als ‘het mooiste’. Ik had daar een hele theorie bij bedacht, die moest uitleggen waarom de klanken in dat woord het zo mooi maakten. Die theorie — die ik terugvoerde op Roman Jakobson — behelsde dat klanken voor in de mond (labiale en coronale medeklinkers, voorklinkers) mooier zullen worden gevonden dan achterklinkers en velaire medeklinkers.

Over die theorie kunnen we nu kort zijn. Door het bovenstaande lijstje wordt hij weerlegd. Voor- en achterklinkers, en verschillende soorten medeklinkers staan willekeurig verspreid in deze lijst. Sterker nog, kwakkelen bestaat bijna alleen uit achterklanken en sales alleen uit voorklanken. Uit de klanken valt niks af te leiden.

Toch moet er wel systeem inzitten, anders zouden sommige woorden niet bijna altijd verliezen terwijl sommige andere woorden bijna altijd winnen. Je zou verwachten dat alle woorden een kanspercentage rond de 50 hadden, maar dat is kennelijk niet het geval. Bovendien is het linkerrijtje vrijwel gelijk aan het lijstje woorden dat oorspronkelijk was ingezonden als ‘lelijk’, terwijl het rechterrijtje bijna helemaal bestaat uit woorden die als ‘mooi’ waren ingezonden. (Opvallendste uitzondering is het ‘mooie’ woord verdapperen dat bijna helemaal onderaan eindigde.)

Wie de lijsten met lelijke en mooie woorden vergelijkt, kan zich natuurlijk wel iets voorstellen bij het ‘mooi’ en ‘lelijk’. Sales was bij voorbaat kansloos, omdat het een Engels leenwoord is waarvoor iedereen het Nederlandse alternatief kent (uitverkoop): hoe het woord ook klinkt, het kan nooit winnen. Zoiets geldt ook voor doei, dat nu eenmaal sociaal gestigmatiseerd is. De woorden in de rechterkolom zijn aan de andere kant bijna allemaal ‘exclusieve’ woorden.

Die exclusiviteit blijkt bijvoorbeeld als we alle woorden opzoeken met Google (achter elk woord staat nu het aantal treffers op 30 december 2004).

communicatie 302000
bier 198000
sales 186000
burger 123000
implementeren 38300
neiging 36900
goor 35600
werkdruk 26400
webstek 23500
doei 21100
vochtig 20200
kachel 19900
tegel 16600
bekken 16100
substantieel 15700
beters 14700
schreeuw 14600
puber 13300
toko 11700
dommelen 7650
grauw 7160
jatten 6120
kostenplaatje 4880
prijken 4200
bark 4050
genegen 3960
schoorvoetend 3710
gulp 3010
paaien 2700
barnsteen 2350
rataplan 2330
avondrood 2280
ereprijs 2210
onthutst 1940
epibreren 1280
kroonjuweel 1240
schaapachtig 1190
rollebollen 998
kwakkelen 950
wulps 904
karwijzaad 864
pandoer 834
penhouder 758
schorriemorrie 741
prevelen 736
afwerkplek 645
snoeshaan 559
adelborst 532
Poldernederlands 442
elfenbankje 394
inseinen 384
paarlemoer 369
kerstengeltje 209
emelt 113
slaapgestoorden 53
verdapperen 38

In de webversie van dit artikel heb ik de woorden die in de ‘verkeerde’ kolom staan blauwgekleurd: 9 van de 28 hoogstfrequente woorden worden ‘mooi’ gevonden, en 9 van de 28 laagstfrequente woorden zijn ‘lelijk’. Dat betekent dat iets meer dan tweederde van alle woorden volgens deze methode juist geclassificeerd wordt. Wat zeldzaam is, is mooi. Dat geldt voor woorden, en het geldt kennelijk ook voor mooiewoordentesten: als je er te veel van krijgt, komen er stukjes in de krant van mensen die liever naar kneukfilms kijken. Volgens de Google-test staat kneukfilms overigens tussen ‘slaapgestoorden’ en ‘verdapperen’.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Google-roem

Wilt u ook eens op de televisie uw mening geven over de nieuwe spelling? Ja hè, lezer, dat lijkt u wel wat. Of op zijn minst wilt u geïnterviewd worden door De Twentsche Courant Tubantia. Of desnoods iets vertellen voor de Utrechtse studentenradio. Ik bied hulp: begin een website, en zet daar uw artikelen op. Of anders foto’s van uw collega’s, of wat opruiende teksten tegen de Nederlandse Taalunie. Rijkdom en roem worden uw deel.

Het is mijn strategie nu alweer een jaar of acht. Ik wilde leren om een website te maken, en het materiaal dat het makkelijkst voorhanden was, had ik zelf geschreven. Googlebestond nog niet, maar er waren al wel zoekmachines zoals AltaVista en HotBot (tot mijn verbazing merk ik dat zelfs die laatste nog steeds bestaat; zou er nog iemand zijn die er wel eens iets in opzoekt? Ach, de gelukkige dagen toen ik die website ontdekte. Voorbij.) Daar meldde ik mijn pagina’s aan, en wachtte wat er ging gebeuren.

Die zoekmachines werden toen in de journalistiek nog niet algemeen gebruikt. Alleen journalisten die over computers schreven tikten wel eens wat in. Nu kwam dat goed uit, want omdat de taalkunde mij niet wilde hebben, schreef ik toen zelf als freelancer zelf over computers en over internet. Het curieuze is dat sommige van de stukjes die ik toen schreef nog steeds elke dag ettelijke malen worden geraadpleegd door deze of gene, hoewel de meeste volkomen achterhaald zijn. Ik heb bijvoorbeeld in 1997 een artikeltje geschreven over Europese kranten op het web dat meldt dat het Algemeen Dagblad ‘nog niet’ op internet staat en verder allerlei links bevat naar websites die allang niet meer bestaan. Dat stukje is deze maand (september 2004) ongeveer 150 keer nageslagen. Sowieso bestaat vrijwel de hele top-10 van mijn privé-website (die sinds vier jaar op het adres www.vanoostendorp.nl te vinden is) vrijwel uitsluitend uit stukjes die ik meer dan zeven jaar geleden geschreven heb over technologie die iedereen inmiddels vergat (u kunt die top-10 zien op de statistiekpagina van mijn website: www.vanoostendorp.nl/statistiek.php.

Toch worden recentere stukjes ook wel gelezen. Dat merk ik door de telefoontjes van de pers. Vroeger had een beetje journalist, zo stel ik me voor, een goede rolodex waarin hij namen had van deskundigen die over allerlei onderwerpen iets kunnen vertellen. Tegenwoordig heeft zo’n journalist Google, en als hij een itempje wil maken over het gebruik van dialect in de reclame, tikt hij ‘dialect reclame’ in en ontdekt vanzelf wie de expert is op dat gebied: http://www.google.com/search?hl=en&ie;=UTF-8&q;=dialect+reclame+&btnG;=Google+Search. Niet omdat die zelfbenoemde expert er nu zoveel van weet, maar omdat hij er jaren geleden iets over op het internet heeft gezet.

Die roem blijft overigens niet beperkt tot de journalisten. Een collega-neerlandicus vertelde me onlangs dat geen enkel artikel van hem zo vaak werd geciteerd als een artikel in het roemruchte tijdschrift Neerlandistiek.nl. Ook steeds meer vakgenoten gaan nu eenmaal af en toe op zoek op het internet, en de kans dat ze op een artikel stuiten dat in een sjiek internettijdschrift als het genoemde verschijnt is groter dan de kans dat iemand na vijf jaar uw artikel nog vindt als het is begraven in de jaargangen van een papieren periodiek.

Het kan een paar jaar duren, dus op het moment dat u dit leest, is het waarschijnlijk 2011, lezer. Misschien bent u een journalist die een itempje moet maken over Google-roem. Stuur mij maar een mailtje, dan vertel ik u er alles over, deskundig als ik ben op ook dit gebied. Misschien bent u ook wel een vakgenoot. Dan lijkt het me hoog tijd dat u nu ook eens een eigen website neemt.

Marc van Oostendorp.

Is er nog wat gebeurd in de wereld tijdens mijn afwezigheid? Nieuwjaarsrede over het Nederlandse weblog

Door Marc van Oostendorp

In het enigszins beduimelde geschiedenisboek van het Nederlandstalige Internet schrijven we 2003 bij als het jaar waarop het weblog doorbrak. Het bestond al een jaar of vijf, maar dit jaar werd het ineens door de websites van de grote media ontdekt als hét publicatiemedium van het internet: NRC Handelsblad begon aarzelend aan een weblog (door internetredacteur Marie-José Klaver, die er eerder op persoonlijke titel al een schreef) en de Volkskrant breidde de zijne uit. Wim de Bie maakte bekend dat zijn weblog op de website van de VPRO zo’n tachtigduizend bezoekers per dag trekt.

Hoe is het allemaal zover gekomen? Het weblog dat zich erop beriep ‘het eerste (soort van)’ te zijn, heette Alt0169 – naar de toetscombinatie die je op een Windows-computer moet indrukken om een copyright-teken te krijgen. Het werd vooral geschreven door een beeldend kunstenaar die zich soms de kolonel noemde, maar in het werkelijk leven Jeroen Bosch heet. Bosch begon zijn weblog in de zomer van 1999 en beëindigde hem, tot verdriet van een paar duizend lezers, drie jaar later, in de zomer van 2001.

Achteraf is Alt0169 makkelijk te classificeren als behorend tot de eerste generatie. Een belangrijk deel van de aantrekkingskracht bestond uit de vele, vele links naar alle uithoeken van het internet, waar de bizarste dingen te vinden bleken te zijn. Die kolonel moest dag en nacht aan het surfen zijn. Bovendien waren zijn stukjes goed en met ironie en taalgevoel geschreven. In de loop van een paar jaar creëerde hij een eigen jargon, met woorden als kneiter(goed voorbeeld), omkatten (vormgeving van een website veranderen) en het Utrechtse stadje U. Het was vaak ook behoorlijk flauw, of nee, hoe noem je dat, melig:

Tip van de dag: schrijf nooit naar huis, je bent er al.

Bonustip van de dag: als je dan toch naar huis wilt schrijven, mail dan. Scheelt een postzegel.

De kolonel bepaalde veel van de wetten van het nieuwe genre: de stukjes waren kort, de toon was opgeruimd, en er waren veel links. Maar zo bezien waren er al wat voorgangers geweest op het Nederlandstalige Internet, al publiceerden die niet per se op het web. Van 1995 tot 1998 stuurde de Internet-journalist Francisco van Jole elke werkdag een nieuwsbrief via e-mail de wereld in, de Daily Planet, die binnen enkele jaren enkele tienduizenden abonnees kreeg. Die nieuwsbrief was feitelijk een weblog via de e-mail. Van Jole is daarmee te zien als de feitelijke vader van het weblog wat dan meteen mooi de haatliefdeverhouding verklaart die alle Nederlandse webloggers met hem lijken te hebben.

Of Alt0169.com de allereerste was, valt niet meer na te gaan. Het was in ieder geval de eerste met een relatief groot succes (in de loop van zijn bestaan besteedden bijna alle landelijke kranten wel aandacht aan het verschijnsel weblog, en altijd werd Alt0169 erin genoemd). Het was ook al snel niet meer de enige. Bijvoorbeeld kwam het wat onbehouwener en puberale Retecool erbij, dat trouwens nog steeds welgemoed doorgaat met virtueel puberen en daarmee een interessante bron van hedendaags taalgebruik vormt:

Old Skool gamen blijft de bom. Thrustar (een slicke uitvoering van de C64 game thrust) heerst de pan uit.

Een andere vroege Nederlandse weblogger was Tonie van Ringelenstijn. Hij was, achteraf gezien, degene die vooropliep bij de feitelijke doorbraak van het weblog: degene die het weblog als journalistiek instrument ontdekte. Hij was student op een school voor de journalistiek en schreef in zijn vrije tijd zijn weblog vol met observaties over het nieuws. Als er iets gebeurde (11 september), en je wilde op internet achtergrondinformatie vinden, ging je eerst bij Tonie kijken omdat hij de beste bronnen al bij elkaar verzameld had. Hij was er dan ook dag en nacht mee bezig:

“Thuis gekomen na een bezoek aan een Utrechtse kroeg en een lange terugreis zou een normaal mens zijn nest opzoeken. (Dank aan Ton B. en Roland P. voor het bier en snel voedsel) Mijn eerste gedachte was is er nog wat gebeurd in de wereld tijdens mijn afwezigheid?”

Bij de tweede generatie webloggers – hoeveel generaties kun je proppen in vier jaar? Geduld! – werd het persoonlijke belangrijker, en de link minder belangrijk. Zij maakten weblogs die autonoom waren, weinig of geen direct verband hielden met de rest van het wereldwijde web. Je zou hun producten op een cd-rom kunnen zetten, of zelfs in een boek kunnen afdrukken, zonder dat daarmee veel verloren zou gaan behalve dan de actualiteit van het voortdurend bijgewerkte weblog. Soms waren dat soort weblogs volkomen onbegrijpelijk voor buitenstaanders, en soms gingen ze gebukt onder literaire pretenties. Webloggers van deze generatie schrijven hun dagboek op het internet, of produceren korte verhaaltjes. Een voorbeeld van de eerste categorie is Merel Roze; een voorbeeld van de tweede is – wederom – Francisco van Jole, die enkele jaren geleden de eerste fragmenten publiceerden van wat later zijn roman Blink zou worden, en nu bezig is (zij het niet erg frequent) met een serie over het ‘tv-loze’ bestaan, die misschien ook nog weleens uitmondt in een boek.

Overigens vallen in mijn ogen ook een aantal andersoortige weblogs onder deze generatie: weblogs die niet alleen weinig of geen links bevatten, maar ook weinig of geen tekst. Interessante (en tamelijk extreme) voorbeelden hiervan zijn Tekenlog, waarop de kunstenaar Marcel van Eeden elke dag een tekening plaatst, en de website van Thomas Schlijper, een persfotograaf die elke dag een fraaie foto publiceert die hij op die dag gemaakt heeft. Ook deze weblogs zijn autonoom, maar wel voortdurend bijgewerkt. De charme van een goed tweedegeneratieweblog zit er vooral in dat je het idee hebt dat je een ander mens van dag tot dag volgt.

Dat dit jaar er alweer een nieuwe generatie – de derde, maar hierna houd ik er dan ook echt mee op – zou opstaan, bleek toen Van Ringelenstijn begin dit jaar stopte met zijn privé-weblog omdat hij het te druk had en binnen enkele maanden opdook als — waarschijnlijk betaalde – weblogger van het tijdschrift Quote. (Ik geloof niet dat hij er nog langer actief is, trouwens.)

De derde generatie webloggers schrijft zijn weblogs namelijk voor geld, en op websites van traditionele media. Bij de VPRO heeft bijvoorbeeld niet alleen Wim de Bie een eigen weblog, maar ook Wim Brands, dichter en presentator van het radioprogramma De Avonden. De weblogs van de kranten heb ik hierboven al genoemd; een ander voorbeeld is dat sinds de verkiezingscampagne van begin dit jaar sommige politici verslag van hun werkzaamheden doen in de vorm van een weblog. Een voorbeeld is minister Zalm die, al sinds de vorige verkiezingen bijna elke werkdag verslag doet van zijn werk. Dat is niet altijd even meeslepende lectuur – maar dat een bewindsman z’n gedetailleerd inkijkje geeft in zijn doen en laten, heeft iets sympathieks, vind ik.

Ook ons aller staatssecretaris Annette Nijs van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen schrijft een weblog. Zij werd enkele maanden geleden scherp aangevallen op enkele inderdaad wat knullige typefouten; sindsdien heeft zij haar frequentie wat verlaagd en schijnen haar teksten gecorrigeerd te worden. Die correcties gaan dan in ieder geval niet over de wat onbeholpen schrijfstijl:

19 december

Deze week een hectische week achter de rug. Het plan voor Toelatingsbeleid was uitgelekt en dan staat er plotseling een cameraploeg van RTL Nieuws voor je neus. Een aantal commentaren van andere partijen, zoals de LSVb, waren al bekend, dus heb ik in lijn met het regeerakkoord een korte reactie gegeven.

Vandaag de Ministerraad achter de rug en kun kan ik er vrijuit over praten. De strekking van het plan is om een aantal experimenten uit te voeren […]

Met het uitlekken van dit plan zie je de reflex: kan niet, mag niet, toegankelijkheid komt in gevar. Logisch, aangezien dit onderwerp al jarenlang een taboe is in Nederland. Jammer, want in Nederland moeten we ook topkwaliteit kunnen leveren en het is mijn stellige overtuiging dat zoiets kan mét behoud van de toegankelijkheid.

De vraag is nu natuurlijk: waar is de wetenschap? Ook voor onderzoekers lijkt het weblog immers een prachtige medium te zijn: een manier om een dagelijks inkijkje te geven in je werk, om elke dag vanuit je eigen invalshoek commentaar te geven op het nieuws, om mogelijk een groep te bereiken die je er bijvoorbeeld van wilt overtuigen om bij je te komen studeren, of om je subsidie te geven.

In de zomer van 2004 vieren we de vijfde verjaardag van het Nederlandse weblog – zullen er rond die tijd ook neerlandistische weblogs bestaan? In de taalwetenschap bestaan er al een paar, in ieder geval in het buitenland. De fraaiste is ongetwijfeld Language Log, waarop een team van vooraanstaande Angelsaksische taalkundigen met heel verschillende specialisaties (mensen als Mark Liberman, Geoffrey Pullum en Sally Thomason) dagelijks speels en wervend laat zien hoe mooi en veelzijdig het vak is. Elke dag is er wel een aardige observatie, een kleine analyse, een poging om aan te tonen dat de New York Timesof Nature recentelijk taalkundige onzin hebben gedebiteerd.

Soms worden de berichtjes ook gebruikt om onderzoek te doen:

Hey fellow bloggers and assorted fans: a question, taking advantage of this wonderful tool called the internet. A question: can you identify for me languages that have neither 1) inflections nor 2) tones used to distinguish lexical items or encode grammar?

Wat zou het prachtig zijn als je zoiets ook had voor de neerlandistiek – een weblog waar je dagelijks berichten, oproepen en observaties vindt uit alle hoeken en gaten van het vak. Een soort Neder-L, maar dan van dag tot dag bijgehouden, met afbeeldingen van handschriften en syntactische analyses (en wat mij betreft komt er nog steeds twee keer in de maand dan een samenvatting voor de abonnees die een en ander via e-mail willen ontvangen). Die website wordt het dagboek van een kleine gemeenschap van vakgenoten, dat voorgoed laat zien hoe onterecht het is dat ons onderzoek zo weinig de krant haalt, en dat de lezer meesleurt in een interessante en aantrekkelijke manier om de wereld te bekijken: de onze. De vakgroep Nederlands die het aandurft om zo’n weblog te beginnen, voorspel ik een gouden toekomst.