Tag: Ilja Leonard Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer als taalhandelaar

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (35)

Door Marc van Oostendorp

In de inleiding tot zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten verandert dr. Ilja Leonard Pfeijffer ineens in een geleerde:

Niet alleen wat betreft de muzikaliteit maar ook in de keuze van communicatieve strategieën kan poëzie worden gedefinieerd als gemarkeerde taal. Om het uit te drukken in de termen die zijn geformuleerd door Paul Grice in zijn beroemde studie ‘Logic and Conversation’ uit 1975, doet poëzie in significant hogere mate dan proza of alledaagse conversatie een beroep op het principe van de coöperatie door de intentionele schending van de vier maximes van conversatie te hanteren als standaardstrategie van poëtische communicatie.

Pfeijffer werkt deze plompverloren mededelingen niet uit. Hij vertelt bijvoorbeeld niet wat die vier maximes dan zijn, doet in het vervolg of het alleen over ambiguïteit gaat, en hij gaat voorbij aan het feit dat Grice’ maximes eigenlijk niet geschonden kunnen worden. De Wikipedia-pagina over de maximes legt dat vrij duidelijk uit en ook hier op Neerlandistiek hebben we er – vooral dankzij Lucas Seuren – regelmatig aandacht aan besteed.

Het zit zo in elkaar. Lees verder >>

Ilja Pfeijffer als de Leonardo da Vinci van de Nederlandse politiek

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (34)

Door Marc van Oostendorp

Er wordt in het werk van Ilja Leonard Pfeijffer vrij veel geglimlacht. Je zou auteurs met elkaar moeten vergelijken in een big data-analyse om het uit te rekenen– en ik heb de indruk dat het geglimlach in de moderne vaderlandse verhalende letteren sowieso niet van de lucht is –, maar ik vermoed dat Pfeijffer een ereplaats zou krijgen in de galerij der risische kunsten.

Het hoogtepunt betreft een vrij onbekend werk, het feuilleton Minister Kwist dat Pfeijffer zo’n vijf jaar geleden in HP De Tijd publiceerde, en waarin een zekere Ernest Kwist minister was (van het ‘kleinste en minst belangrijke departement’) in het eerste kabinet Rutte (dat met gedoogsteun van Wilders, weten jullie nog). Iedere week vond Pfeijffer daarin een manier waarop deze Kwist eigenlijk verantwoordelijk was voor de talloze problemen in deze coalitie van die week. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als wereldvreemde snuiter

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (33)

Door Marc van Oostendorp

Beste Ilja,

Het spijt me dat ik je nu pas schrijf. Je kreeg een paar dagen geleden een brief waarin je werd gevraagd:“Voor wie wil je schrijven? Voor een wereldwijd publiek van tien bijziende autisten die vroeger op de kostschool te veel zijn gepest, of voor alle barmannen en serveersters van Nederland en België?”

Ik wil je ervan overtuigen dat je je niets moet aantrekken van die brief.

De auteur van dat epistel was je eigen ik, dr. Ilja Leonard Pfeijffer, maar dan uit het jaar 2014 – inderdaad, de verre toekomst. Hij zal de brief later publiceren in Brieven uit Genua, samen met de andere curieuze brieven die je af en toe van hem krijgt. Die tien bijzijnde autisten waar hij het over heeft, daar hoor ik dan juist weer bij. Ik ben een oudere versie van een vage kennis van je, al hebben we op dit moment in het geheel geen contact. Behalve dan dus via deze brief, maar die telt niet.

Een paar regels eerder in dezelfde brief had de oude Ilja mij en mijn collega’s al “wereldvreemde snuiters” genoemd, “met stof onder hun oksels wie het haar uit de oren groeit en die misschien wel geruite pyjama’s dragen die hun vrouw voor hen strijkt.” Met die lui verspilt jij volgens de oude Ilja “de beste jaren van je leven om uiterst geleerde en ultiem specialistische boeken en artikelen te schrijven die niemand anders kan begrijpen”. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als zo’n aapje

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (32)

Door Marc van Oostendorp

Op het eerste gezicht lijkt hij wat onhandig, de beeldspraak die Ilja Leonard Pfeijffer in zijn roman La superba gebruikt om de zeventigjarige Engelsman te beschrijven die iedere dag weer opduikt op een terras in Genua om er gin-tonic te drinken en anekdotes te vertellen:

Hij zat daar als een gepensioneerde cabaretier in afwachting van publiek. Als een slapend aapje in zo’n ouderwetse machine waar je een kwartje in moest gooien om ze wakker te maken en dan deden ze een liedje en een dansje.

Hoe zat hij daar nou? Als een gepensioneerde cabaretier of als een slapend aapje? Is het aapje soms een beeld voor het beeld van de cabaretier? Hij zat daar als een cabaretier die daar zat als een aapje? Lijken gepensioneerde cabaretiers op slapende aapjes? Heeft iemand weleens een slapende cabaretier gezien? Cabaretiers gaan toch altijd door?

Voor zulke verwarrende metaforiek draait de schrijver zijn hand niet om. Hij stopt daar ook niet: hoezo wordt naar dat aapje in de tweede helft van de zin ineens verwezen met het meervoudige ze? Zit die cabaretier daar dan niet juist in zijn eentje, maar temidden van andere gepensioneerde cabaretiers?

En dan: hoezo zit het een aapje in ‘zo’n’ en niet in ‘een machine’? Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als iemand die verantwoording aflegt

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (31)

Door Marc van Oostendorp

Waarom vertelt de verteller? Dat is in de wereldliteratuur lang niet altijd duidelijk. Een of andere instantie begint uit het niets het verhaal te doen van een vrouw die overspel pleegt en laat ons honderden pagina’s later weer alleen met een lijk en onze alledaagse beslommeringen. En zelfs als die persoon zichzelf in het verhaal betrekt en zich ik noemt, kun je je vaak afvragen: waarom is die persoon honderden pagina’s lang bezig een verhaal uit de doeken te doen? Waar hij zelfs helemaal niet zo gunstig uit naar voren komt?

Bij vertellers die aantoonbaar niet de waarheid spreken doet zich die vraag soms in verhevigde mate voor. Waarom liegt die verteller in ’s hemelsnaam? Wie wil hij eigenlijk iets op de mouw spelden?

Wellust

In het werk van Ilja Leonard Pfeijffer is van dit alles geen sprake. Er is in het proza altijd een reden waarom de verteller zijn verhaal vertelt, en die reden wordt meestal vrij expliciet gemaakt. De doodenkele keer dat het niet zo duidelijk is, zoals in De Griekse mythen, blijft de lezer zelfs enigszins verweesd achter omdat zich inderdaad de vraag voordoet: wie vertelt al deze verhalen en waarom?

Heel vaak is er in het proza bijvoorbeeld sprake van een rechtszaak. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als mannelijke leeuw met majestueuze manen

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (30)

Door Marc van Oostendorp

In een interessant essay in The New York Review of Books besprak de Ierse criticus Fintan O’Toole onlangs de geheime verlangens van Ernest Hemingway. Op het oog was hij de mannelijkste van alle Amerikaanse schrijvers – een auteur die niet terugschrok voor een vuurgevecht of het eigenhandig omleggen van een wild verscheurend beest.

Volgens O’Toole, en de biografen die hij in zijn stuk bespreekt, liet Hemingway echter af en toe via zijn personages zien wat hem écht obsedeerde: hij wilde graag een vrouw zijn. En een van de manieren voor Hemingways karakters om dit te bereiken was hun haar op vrouwenlengte te laten staan:

The he-man was at least in part imaginatively a she-man. It was already clear that Hemingway was drawn to the erotic potential of androgyny. In A Farewell to Arms, Frederic and Catherine discuss growing their hair to the same length so that they can be “the same one.” In the story “The Last Good Country,” Nick Adams’s sister cuts her hair off so she can be like him—“I’m a boy, too”—and Nick says, “I like it very much.” But The Garden of Eden took all of this much further. Catherine cuts her hair to match that of her husband David but she then becomes a boy, Peter, and David becomes a girl, also called Catherine.

Misschien begin ik na weken van onderdompeling overal Pfeijffer te zien, maar zeg nu eerlijk: lijkt het hier niet net alsof we een samenvatting van La Superba zitten te lezen,waarin Leonardo zich in de meest gruwelijke bochten dwingt om maar het mooiste meisje van Genua te kunnen worden? Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als kiezer tussen zij en ze

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (29)

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands heeft voor de derde persoon vrouwelijk twee persoonlijk voornaamwoorden: zij en ze. De eerste gebruik je bijvoorbeeld om contrast uit te drukken. In de zin ‘hij was heel moe maar zij wilde nog een stukje verder lopen’ zou ze raar zijn.

De vorm ze gebruik je juist als je verwijst naar iemand terwijl iedereen al weet over wie je het hebt: ‘De prinses liep rood aan. Ze had genoeg van alle gezeur.’ Daar klinkt zij juist weer raar. Zij gebruiken in plaats van ze betekent altijd dat er potentiële verwarring is, dat iemand anders dan de prinses zich aan het gezeur kon storen.

Maar zo zitten de zaken niet in elkaar in de alexandrijnen in Pfeijffers ‘heldendicht’ Van oorlog en liefdeDaarin vinden we regels als:

Maar de godin van twist viel niet te onderschatten,
vooral niet als de woede uit haar ogen spatte.
En zij was kwaad.

Zij verwijst hier naar de godin van twist, en we hebben hier dus een context die precies gelijk is aan de door mij geconstrueerde, en daarmee een beetje verwarrend: waarom zij? Is hier nog een andere vrouw in het spel die ineens kwaad is? Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als baas van de taal

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (28)

Door Marc van Oostendorp

Ooit, lang geleden, voordat zelfs de oudste onder ons jong was, behelsde de grammatica de taal van de beste schrijvers. Wie op school, pakweg, Latijn wilde leren schrijven, wilde dat leren volgens het model van de grote stilisten. Goed schrijven leerde je vooral door heel veel goede teksten te lezen; maar om de lessen van al dat gelees voor de jeugd handzaam samen te vatten, was er de grammatica.

In die tijd was er geen verschil tussen taalvoorschrift en taalbeschrijving: een grammaticus beschreef de sierlijkste taal en het sprak vanzelf dat je je daar naar wilde richten. Gaandeweg veranderde dat. De grote schrijvers en redenaars waren niet langer het model van de taalbeschrijving: dat werd de taal van ons allemaal – wetenschappelijk een minstens even interessant onderwerp. De taalkunde emancipeerde zich er door en werd een van de aantrekkelijkste wetenschappen die er zijn.

Af te schaffen

Maar de voorschriften bleven achter. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Michelinmannetje

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (27)

Door Marc van Oostendorp

‘Het geheel is gelardeerd met beschrijvingen van warme kleuren en recepten van eenvoudige, authentieke gerechten uit de onvolprezen Italiaanse cuisine.’
(Het ware leven. Een roman.)

De volgende gerechten worden genoemd in Het ware leven, een roman van Ilja Leonard Pfeijffer:

Hoofdstuk 1. Ciabatta. Abrikozen.

Hoofdstuk 2. Bonenpap.

Hoofdstuk 3. Vitello tonato. Risotto.

Hoofdstuk 4. Dennennaalden en paardenvijg. Varkens, bieten en aardappelen.

Hoofdstuk 5. Pannenkoeken met spek en stroop. Pannenkoeken naturel.

Hoofdstuk 6. Kroepoek. Lauwe bonenpap.

Hoofdstuk 7. Tapas. Dagsoep (courgette-crèmesoep en bisque van garnalen). Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als songschrijver

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (26)

Door Marc van Oostendorp

“Een goede songtekst,” poneert Ilja Leonard Pfeijffer in zijn zelfhulpgids Hoe word ik een beroemd schrijver?, “spreekt simpele, heldere taal. Je kunt je gewoon niet permitteren wat je je in een gedicht allemaal toestaat om te doen.” Pfeijffer heeft enig recht van spreken, omdat hij heeft bijgedragen aan twee cd’s van de zangeres en actrice Ellen ten Damme.

In die liedjes heeft Pfeijffer deze les over het algemeen zelf ter harte genomen. Afgezien van misschien sommige politieke columns is er geen deel van het oeuvre dat zoveel mensen zo moeiteloos zullen begrijpen als de liedjes:

Ze boeren, scheten, hebben geen manieren.
Ze roken niet, ze drinken niet, ze janken
en krijsen hopeloos als wilde dieren.
Toch moet je op je blote knieën danken
dat jij je aan het mooiste mag gaan wijden,
al zou je ze het liefst aan reepjes snijden.

Het raadsel is voor mij niet interessant.
Ik hoef niets nieuws. Ik ben al wie ik ben.
Ik hoef geen roze poep in luierland,
want ik ben tegen kinderen. Nou en?

Er zitten wel wat Pfeiffer-elementen in. Lees verder >>

Ilja Pfeijffer als romantischer Grieche

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (25)

Door Marc van Oostendorp

Het mooiste essay in Ilja Leonard Pfeijffers geruchtmakende bundel Het geheim van het vermoorde geneuzel is zonder enige twijfel dat over “Pindarus, Horatius en ‘der romantische Grieche'”. Anders dan de meeste andere opstellen in de bundel is het oorspronkelijk verschenen in een geleerd boek en dat merk je – niet zozeer doordat er moeilijke woorden in staan of geleerde verwijzingen, maar door de ernst. Hier wordt niet geschmierd of geëpateerd, hier zet een dertigjarige zeergeleerde dichter uiteen hoe hij denkt over de antieke vakgenoot op wie hij gepromoveerd is.

En daarmee natuurlijk hoe hij denkt over zichzelf en zijn eigen werk.

Lange tijd, laat Pfeijffer zien, is het beeld van Pindarus bepaald door Horatius. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Amerikaan

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (24)

Door Marc van Oostendorp

Ilja Leonard Pfeijffer is heel duidelijk een continentaal Europese schrijver. Hij toont weliswaar af en toe belangstelling voor Japanse filosofie: hij heeft de verdedigingskunst aikido beoefend, waarover hij ook een dichtbundel schreef, Doka. In zijn toneelstuk Malpensa is sprake van het boek voor samoerai Hagakure, en doorheen zijn hele werk zijn verwijzingen naar het boeddhisme te vinden. Maar het werk speelt zich onveranderlijk af in Europa, en ik kan me eigenlijk nauwelijks een roman van Pfeijffer voorstellen die zich in Japan zou afspelen.

De Engelstalige wereld is nog opvallender afwezig. Een deel van het oeuvre is enerzijds geschreven in het Engels: het wetenschappelijke werk, zoals zijn proefschrift Three Aeginetan Odes of Pindar en de korte monografie First Person Futures of Pindar. In Brieven uit Genua schept Pfeijffer op dat hij als hij had geweld vermoedelijk wel een academische betrekking in Engeland, in Londen, had kunnen krijgen; maar hij zegt dat hem dat niet aantrok, dat hij niet in Londen zou willen wonen. In La Superba is er een belangrijke rol weggelegd voor een zeer sympathieke Engelsman – Don –, maar die woont al decennia niet meer in zijn geboorteland, maar in Genua. Voor de Engelstalige ex pat-gemeenschap in Genua heeft de verteller dan weer bijzonder weinig sympathie: Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Genuaan

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (23)

Door Marc van Oostendorp

Ilja Leonard Pfeijffers oerboek heet Brieven uit Genua (2016). Dat beweert hij tenminste in zijn roman Brieven uit Genua: “Ik lieg niet.” Hij vertelt dat hij op zestienjarige leeftijd in het Rijswijkse huis van zijn ouders zijn eerste dichtbundel typte, en dit deze titel gaf: “Genua was in die tijd niets meer voor mij dan een plek in de Bosatlas, een welluidende naam, een symbolische stad in de verst denkbare verte. Dat ik daar ooit daadwerkelijk heen zou gaan, laat staan dat ik mij daar metterwoon zou vestigen, lag toen ik zestien was ver voorbij alles wat ik mij in mijn toch zo ziekelijk woekerende fantasie had kunnen voorstellen.”

Steppoli

Uit het boek blijkt dat Genua ook in de tijd tussen de twee boeken met de titel Brieven uit Genua een belangrijke rol speelde. Een van zijn grootste liefdes in Leiden, Chiara, kwam oorspronkelijk uit die stad en in Brieven uit Genua vertelt hij dat hij die stad af en toe met haar bezocht (en dat zij inmiddels in Nederland woont). Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Rus

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (22)

Door Marc van Oostendorp

Toen Ilja Leonard Pfeijffer geboren werd (in januari 1968), was de naam Ilja in Nederland net aan een opmars begonnen, die een piek zou kennen in de vroege jaren zeventig. Ik heb niet kunnen achterhalen waarom het een piek was. (Het verhaal gaat dat Pfeijffer zelf de naam kreeg naar een kinderboek Ilja de kleine ganzenridder, maar ik weet niet of dat boek zo populair was dat het ’t bredere succes van verklaren.) Het onderstaande grafiekje, dat weergeeft hoeveel jongens per jaar de naam kregen, vinden we in de Nederlandse voornamenbank (NVB).

 De naam is in Nederland overigens populairder als een meisjesnaam: er waren  volgens de NVB in 2014 651 jongens en mannen die Ilja heetten en 1401 meisjes en vrouwen. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Belg

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (21)

Door Marc van Oostendorp

Het tijdschriftdebuut van Ilja Leonard Pfeijffer, in het betreurde tijdschrift De Tweede Ronde, behelsde een gedicht over België, dat ook ‘belgië’ heette:

een bescheiden en niet al te moeilijk gedicht moet nog gezegd
over belgië waar in grijsgepleisterde huizen voorzichtig content
belgen wonen en waar veel in de grond zit zoals zweet
van vlaanderens mooiste een goed overspelig glas port
van nonkel père en beambten gevallen voor het vaderland

men zegt wel ik heb mijn twijfels over belgië
toch wil ik mij op grijze dagen belgië voelen en nergens iets aan
doen want ergens iets aan doen maakt het bijna altijd erger
aanstellerke met je gewroet wat koop je voor de hutsekluts
ga een bolleke pakken loop mak en romig over makkedam en ga horen
woorden uit het roomse boek het grijsboek uit de kroeg op de hoek

Het is natuurlijk opmerkelijk dat een periode waarin de dichter zich groots manifesteert als uitgesproken exponent van duistere poëtica’s, begint met een gedicht dat zichzelf ‘bescheiden’ en ‘niet al te moeilijk’ noemt. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als gelovige

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (20)

Door Marc van Oostendorp 

Wie aan Ilja Leonard Pfeijffer denkt, denkt niet in de eerste plaats aan God.

Godsdienstig kun je de meerderheid van zijn werk tot nu toe niet noemen. De naam van de Heer komt wel regelmatig voor, maar dan toch vooral in de zin van godvermehoeremejaartouwenteringverdomme en de hopelijk ooit klassieke verwensing ‘Neem toch een moeilijke godsdienst en leef naar de letter’.

Een heel enkele keer vlamt desalniettemin ook in het vroege werk een kortstondig verlangen naar God op, zoals in het gedicht dromende druilknol dat de eenzame dichter beschrijft, alleen achter zijn tv op Kerstavond:

ik braak
de moeder aller elegieën krampachtig
als ik spreek tegen god over de grote
witte telefoon ik zeg kwalijk kwalijk
kwalijk zal men mij het nemen

Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als meubelmaker

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (19)

Door Marc van Oostendorp

Er zijn maar weinig zo hartstochtelijke odes aan het schrijven, verstopt in praktisch advies, als Ilja Leonard Pfeijffers ‘zelfhulpboek’ Hoe word ik een beroemd schrijver? De titel is provocatief en misleidend – alsof je allerlei tips krijgt over hoe je met Oscar van Gelderen moet onderhandelen, met Heleen van Royen borrelen en met Mathijs van Nieuwkerk slijmen. En dan staat ook nog het silhouet van Harry Mulisch op de omslag.

Het boek begint ook nog eens misleidend, namelijk met de gebruikelijke klacht van de schrijver dat hem altijd maar gevraagd wordt door ‘matige interviewers’ waarom hij eigenlijk schrijft. (Ik lees misschien de verkeerde matige interviews, maar ik kan mij niet herinneren die vraag ooit ergens gesteld te hebben gezien, al ken ik wel heel veel klachten over die vraag.) Als antwoord zegt Pfeijffer bovendien wat iedereen volgens mij zegt na die nooit gestelde vraag: dat hij niet anders kan, dat het net zoiets is als ademhalen. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als ministekker

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (18)

Door Marc van Oostendorp

Afbeelding 1. Ministeckmodel, gebaseerd op een foto van Marco Okhuizen

Werkelijk ieder aspect van ministeck (meestal gespeld als ministek), iedere associatie die je met deze puzzelvorm kunt hebben, is inmiddels wel bezongen in het werk van Ilja Leonard Pfeijffer. Het gaat – even voor de jongeren – om een spel met kleine platte vierkante plastic vlakjes op pinnetjes die je in een groter raam kunt prikken om zo foto’s of andere plaatjes te maken (zie afbeelding 1).

In een betrekkelijk vroeg gedicht van Pfeijffer wordt het gebruikt om de activiteiten van de criticus negatief af te schilderen:

maar wie zelfs nog in zijn dromen min zit te plussen
ministekken met reële consequentietjes
blijft met dubbeltjes dammen

Ministekken is met andere woorden een onnozel soort gepriegel waarbij niets op het spel staat. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als dronkeman

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (17)

Door Marc van Oostendorp

Uit de jaren 2010-2013 stamt een klein en opmerkelijk puzzelstukje uit het oeuvre van Ilja Leonard Pfeijffer: dat van de nachtelijke YouTube-video’s. De suggestie is steeds: de dichter komt midden in de nacht naar huis, klapt nog even zijn laptop open en neemt een filmpje op dat ongeredigeerd op YouTube verschijnt.

Er zijn er een paar in het Italiaans, er is een korte minireeks waarin de dichter, naar eigen zeggen ‘stomdronken’, gedichten van anderen voorleest. En dan zijn er een paar filmpjes als deze, waarin de spreker voor de vuist weg in het Nederlands spreekt over literaire of maatschappelijke thema’s. ‘Stomdronken’ lijkt hij me in dit geval niet, maar wel behoorlijk aangeschoten (maar wat weet ik ervan). Zijn syntaxis is nog intact en hij articuleert nog precies genoeg om verstaanbaar te zijn. Er zijn een paar stukjes waar ik niet zeker weet wat hij zegt, maar dat komt eerder door de lage kwaliteit van de geluidsopname. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als bouwer van onze woordenschat

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (16)

Door Marc van Oostendorp

Er is in de taalwetenschap al lang discussie over de vraag of woorden wel bestaan.

Ja, mensen schrijven soms spaties, maar correspondeert dat wel met iets reëels in de taal? Met ‘reëel’ bedoelen taalkundigen dan: iets dat van nature in talen is gegroeid en niet het gevolg is van een of andere technologische beslissing. Iets dat bijvoorbeeld op een natuurlijke manier als eenheid in ons hoofd wordt opgeslagen. Kennen analfabeten woorden? Kinderen die hun moedertaal aan het leren zijn? Gebeurt er in onze hersenen iets aantoonbaars bijzonders als we een woord herkennen tijdens het luisteren?

Er zijn redenen genoeg om te twijfelen of woorden wel zo bijzonder zijn. Je zou bijvoorbeeld kunnen stellen dat een verschil tussen woorden en woordgroepen is dat bij woorden de relatie tussen vorm en betekenis volkomen willekeurig is. Dat boom ‘boom’ betekent, volgt niet uit de betekenis van bo en m, want die hebben geen betekenis (oom heeft wel betekenis, maar dat heeft niets met die van boom te maken). De betekenis van de woordgroep ‘die mooie boom’ is niet op dezelfde manier willekeurig: je kunt hem uitrekenen als je de betekenis van die, mooi en boom kent. Die betekenis is ‘compositioneel’, heet dat. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als schipper tussen nooit en nimmer

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (15)

Door Marc van Oostendorp

“Wie elke vorm van geloof miskent,” stelt Eugenie van Zanten in Ilja Leonard Pfeijffers roman Het ware leven, “kan nimmer in zichzelf geloven.” Van Zanten is een van de vertellers van het boek, een vrouw van middelbare leeftijd die vanwege een enigszins geëxalteerd streven zichzelf te ontdekken afreist naar Napels en in hoofdstuk 18 (waaruit deze zin komt) in gesprek raakt met een hoogleraar die haar tot dit soort apodictische uitspraken verleidt.

Iedere verteller in Het ware leven wordt gekarakteriseerd door zijn of haar taalgebruik. Het is daarom veelzeggend dat Eugenie af en toe nimmer gebruikt. Ze schrijft in het zelfde hoofdstuk ook nog “Zo iemand zal nimmer in staat zijn een mooi verhaal te maken van zijn leven” en heeft het later bijvoorbeeld over “il Capitano, de bluffende Spaanse huurling met zijn lange fallische neus en het zwaard aan zijn zijde waarmee hij nimmer zal vechten” en over iemand “die nimmer uit zijn rol zal vallen”. Een ander personage, Berelick, gebruikt het woord een enkele keer ook, als hij brieven schrijft aan Eugenie:  “Op zijn sterfbed heb ik gezworen nimmer te sterven als hij” schrijft hij bijvoorbeeld, die zin staat zelfs op twee verschillende plaatsen in het boek.

Je zou kunnen zeggen dat Eugenie zo’n beetje geheel in het woord nimmer besloten zit. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als gebruiker van het woord ‘gezellie’

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (14)

Door Marc van Oostendorp

In hoofdstuk 18 neemt de roman Het grote baggerboek van Ilja Leonard Pfeijffer een dramatische wending: de o zo keurige psychiater verkracht de vriendin van zijn patiënt de baggeraar, onder het voorwendsel dat zij door dit toe te staan haar man uit de gevangenis kan helpen.

De omslag wordt gemarkeerd doordat de psychiater nu ineens ook schuine praatjes begint uit te slaan, of eigenlijk doordat hij twee talen mengt, de grove taal van de baggeraar (‘Babsie, geil baggerinnetje van me met je soppende baggerkut, deze jongen gaat even romantisch in je huishouden met zijn zuigstang’) en de keurige taal van de macht (‘Je hebt het volste recht te besluiten je medewerking op te schorten, daar ben je geheel vrij in, hoe betreurenswaardig ik dat ook zou vinden, met name met het oog op de benarde situatie waarin je echtgenoot zich bevindt.’) Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als moderne sageschrijver ♥

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (13)

Door Marc van Oostendorp

Een van de minst begrepen boeken van Ilja Leonard Pfeijffer is Harde feiten. 100 romans (2011). Veel recensenten hebben gedacht dat het ging om een parodie, of een verzameling parodieën. Je kunt het immers niet serieus menen dat je romans kunt schrijven van minder dan 500 woorden. Een van de romans heeft zelfs een titel (‘Zelfportret van de dichter op negendertigjarige leeftijd’) die een woord (vijf lettergrepen) langer is dan de feitelijke roman (‘Gewoon. Maandag. Lekker treurig. Verder niets.’)

De mooiste bespreking van het boek werd op De Reactor gegeven door Hans Demeyer, die erop wees dat de verhalen in Harde feiten niet alleen maar verhaaltjes zijn, en niet alleen parodieën of stijloefeningen. Ze gaan ergens over: de machteloze manier waarop we aan het leven vorm en betekenis proberen te geven door er verhalen van te maken. Het grotere belang dat verhalen uiteindelijk hebben dan ‘harde feiten’. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als kabbalist

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (12)

Door Marc van Oostendorp

Wie een sonnet, een liefdessonnet, begint met de woorden ‘zal ik jou vergelijken’, doet de lezer onherroepelijk denken aan Shakespeare. Zeker als dat sonnet nummer 18 heeft in een cyclus, want het sonnet dat dit nummer heeft in het werk van de Zwaan van Avon begint met de regel ‘Shall I compare thee to a summer’s day?’

Welnu, gedicht 18  in Ilja Leonard Pfeijffers bundel Dolores begint als volgt:

zal ik jou vergelijken
met zenuwgasaanval op doordrekte loopgraven
van mijn rillend wachten en uitgesteld sterven?
verkrampter stuipstaar ik met starre ogen willoos
in de wolk van jouw slopende schoonheid

De retorische structuur van het gedicht volgt losjes die van Shakespeare’s sonnet: de vergelijking met een zomerdag voldoet niet, zij het dat de mislukking in Engeland veroorzaakt wordt doordat die dag niet mooi genoeg is, terwijl hij voor Pfeijffer juist nog niet voldoende gruwelen kent om echt op de vrouw te kunnen lijken. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als dichter zonder naam

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (11)
(Deze week een miniserie binnen onze serie waarin we nummer 18 in verschillende reeksen in Pfeijffers werk bespreken.)

Door Marc van Oostendorp

Ik ken weinig gedichten die zo overweldigend beginnen en zo onbeholpen eindigen als Idylle 18, uit de bundel Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer. Dat gedicht gaat over de reis van een Malinese asielzoeker die begint met fraaie fantasieën over hoe de wereld waarheen hij vertrekt eruit zal zien, en eindigt met een onnodige, doffe verdrinkingsdood in de Middellandse Zee.

Het slot heeft de kwaliteiten van een smartlap:

Want voor een neger is het illegaal te dromen.
En als je al halfdood bent, zal een visser komen
die als de dood is voor de wet. Wie negers redt,
wordt als een mensensmokkelaar zo vastgezet.
Gelukszoeker word ik genoemd in de annalen.
Ik wou dat ik het tot zover had mogen halen.
Ik wou bestaan. Ik had zo graag iets mogen mogen.
Maar nu zie ik voor altijd zee met dode ogen.

Het is alsof Mary Servaes nog leeft: Hij was maar een neger. (Ook in ander werk over dit thema, zoals het bijna gelijkluidende verhaal van Djiby P. Souley in La Superba, gebruikt Pfeijffer overigens neger op een manier die in Italië geloof ik inmiddels gebruikelijker is dan inmiddels in Nederland.) Het is alsof er inderdaad annalen bestaan waarin dit soort zaken worden bijgelegd. Het is alsof de beschreven ellende iedere wens om het nog literair op te schrijven heeft lamgeslagen. Lees verder >>