Tag: Ilja Leonard Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer in kamer 17

Door Susanne Onel

Onderaan op bladzijde 16 van Ilja Pfeijffers roman Grand Hotel Europa wijst de majordomus Montebello aan het ik-personage Ilja Pfeijffer zijn kamer: nummer 17!

Waarom dit nummer? Een luguber grapje van de auteur? Het getal 17 is namelijk in Italië een ongeluksgetal, zoals 13 dat in Nederland is. Is het personage Ilja zo ongelukkig dat de schrijver hem in kamer nr 17 plaatst? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat auteur Pfeijffer dit kamernummer toevallig heeft gekozen.

Waarom is 17 voor Italianen een ongeluksgetal? In romeinse cijfers wordt zeventien geschreven als XVII. Dit kan gelezen worden als een anagram van VIXI (= ik heb geleefd; ik ben derhalve dood), dat zeer vaak op graftombes e.d. werd geschreven. Het getal 17 werd dus met de dood geassocieerd. 

Daarom waren – en zijn? – er in Italiaanse hotels geen kamers met nummer 17. Niettemin zet schrijver Pfeijffer zijn hoofdpersoon onverdroten in kamer 17.

Als dat maar goed gaat…

Ironie is niet het omgekeerde zeggen van wat je denkt

Ilja Leonard Pfeijffer als ironicus

Door Marc van Oostendorp

Het is een geleerd essay, dat Ilja Leonard Pfeijffer schreef over de ironie. Hij lardeert zijn betoog, Ondraaglijke lichtheid, – dat ongeveer tot strekking heeft dat de ironie een mooi stijlmiddel is maar dat het tot nihilisme voert wanneer je je hele leven ironisch gaat leven – met verwijzingen naar tal van geleerden uit binnen- en buitenland, uit vroeger tijd en uit het heden.

Pfeijffer presenteert die opvatting als een inzicht dat hij tot zijn eigen verrassing verworven zou hebben tijdens het schrijven van zijn essay. Oorspronkelijk was zijn bedoeling om voor de ironie te pleiten, maar uiteindelijk herzag hij zijn mening.

Dat kun je alleen maar interpreteren als een teken dat de schrijver zijn eigen oeuvre niet goed kent. Daar zitten weliswaar een paar door en door ironische boeken in – de gedachten gaan onwillekeurig uit naar Het ware leven. Een roman – maar toch ook vrijwel vanaf het begin oproepen om serieus te zijn. Bovendien is inmiddels misschien wel zijn bekendste gedicht Idylle 7. Dat gedicht richt zich weliswaar niet zozeer tegen de ironie, maar wel tegen moedwillige duisterheid – het probleem is in essentie hetzelfde: dichters verschuilen zich achter de ontworteling zoals essayisten achter de ironie. Het gedicht eindigt dan ook met de regels:

Lees verder >>

Vlogboek – Een woud van symbolen. Over Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer

‘Ik houd van betekenis. Ik wil als de heilige Augustinus verdwalen in een woud van symbolen.’

In deze video bespreekt Jörgen via een uitgebreide inleiding de roman Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer, die een opeenstapeling van symbolen bevat.

(Bekijk deze video op Youtube.)

Er wordt geciteerd uit:
Arie Storm – Een cosmetisch rapport van Ilja Leonard Pfeijffer (uit: De Revisor, jaargang 32, 2005) (https://www.dbnl.org/tekst/_rev002200501_01/_rev002200501_01_0023.php)
Arie Storm – Het horrortheater van de Nederlandse literatuur
Sander Bax – De literatuur draait door
Niña Weijers – Kamers antikamers
Maartje Wortel – Dennie is een star
Marja Pruis – 21 vragen aan… Niña Weijers (uit: De Groene Amsterdammer, 21 augustus 2019) (https://www.groene.nl/artikel/21-vragen-aan-nina-weijers)
Ilja Leonard Pfeijffer – Grand Hotel Europa

Muziek:
Sumina Studer – N. Paganini Caprice no. 5 (https://www.youtube.com/watch?v=0jXXWBt5URw)

Sonnet in een verkochte taal

Waarin de studie Nederlands aan de VU wordt opgeheven

Door Ilja Leonard Pfeijffer

Doordesemd spreken in je moedertaal
met elegantie van een palimpsest,
waarin uit elke tijd en elk gewest
nuance schemert als een godenmaal

van connotaties, is iets anders dan
te denken dat je best goed Engels spreekt
op krukken als je een verweekt, gebleekt
gesprekje voert, gespeend van elk elan.

In Nederland heeft men zijn taal verpatst
voor inschrijfgeld van uitheemse studenten.
Zorgvuldigheid en zwier zijn opgedoekt

om op zijn ordinairst en allerplatst
te cashen. Wie zijn taal denkt uit te venten,
heeft ook cachet en gratie afgeboekt.

Dit sonnet verschijnt vandaag in de NRC.

 

Ilja Leonard Pfeijffer als lezer van Judith Herzberg

Door Marc van Oostendorp

In zijn nieuwe roman Grand Hotel Europa probeert Ilja Leonard Pfeijffer misschien een domme fout van een paar jaar geleden goed te maken. In zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten nam hij toen geen enkel gedicht op van Judith Herzberg. Nu waren er meer bekende dichters die hij niet noemde, maar bij Herzberg gaf hij er ook een verklaring bij:

Bij Herzberg heb ik niets kunnen vinden wat ik goed genoeg vond.

Dat is natuurlijk onzin. Het is duidelijk dat Herzberg een heel ander register hanteert dan Pfeijffer: meer parlando bijvoorbeeld, en subtieler. Maar dat is iets anders dan “niet goed genoeg”, vooral omdat er im de bloemlezing wel andere subtiele parlando-gedichten staan. Lees verder >>

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer: gratis en bijna gratis

(Advertentie)

Voor het tijdschrift Onze Taal schreef Marc van Oostendorp een samenvatting van zijn bevindingen aangaande de taal van Ilja Leonard Pfeijffer. Dat artikel staat tot 15 maart gratis online op de website van Onze Taal.

Het boekje Waar wordt geschreeuwd is taal vacant kunt u ondertussen ook nog steeds bestellen bij uitgeverij De Weideblik. (Het kopen van zo’n boekje is, op een bepaalde manier, natuurlijk ook steun verlenen aan Neerlandistiek.)

Ilja Leonard Pfeijffer als klassiek schrijver

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (50 en slot)

Door Marc van Oostendorp

Vandaag verschijnt ‘Waar wordt geschreeuwd is taal vacant’ bij Uitgeverij De Weideblik.

Ilja Leonard Pfeijffer is hard op weg de Goethe van de eenentwintigste eeuw te worden. Zo iemand heeft de Nederlandse literatuur lange tijd niet gehad: iemand die zijn jeugd begint als rebel en langzaam maar zeker uitgroeit tot een instituut, dat zich ook kan permitteren genereus te zijn voor nieuwe generaties. Iemand die nog heel lang schrijft en zo een rijk geschakeerd oeuvre genereert. Lange tijd is de literatuur gedomineerd door ‘de Grote Drie’ en die waren alle drie te rebels voor die rol, al kwam Mulisch uiteindelijk het dichtst in de buurt. Het probleem met Mulisch is dat hij echter de belofte die hij als jonge man deed (dat hij een ‘wondergrijsaard’ zou blijken), geen gestand heeft gedaan en na De ontdekking van de hemel geen echt grote boeken meer schreef.

De persoon Ilja Pfeijffer heeft altijd iets voornaams gehad. Mensen die hem niet persoonlijk kenden, konden dat gemakkelijk voor arrogantie verslijten, al geloof ik dat de wederzijdse vrienden die wij hebben dat nooit zo hebben gezien. Naarmate iemand ouder wordt en een reputatie vestigt, valt dat voorname echter beter op zijn plaats. Hij heeft dan ook nog het voordeel dat hij in het buitenland woont, zodat de stroom geruchten over persoonlijk gedrag wat afknabbelt. En dat hij dankzij Stella hopelijk binnenkort eindelijk de eretitel ‘meest getrouwde man van Nederland’ – vacant sinds de dood van Simon Carmiggelt – kan overnemen. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Gerrit Komrij

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (49)

Door Marc van Oostendorp

Volgens sommigen is Ilja Leonard Pfeijffer eigenlijk een soort Komrij, en zij bedoelen dat dan niet als compliment. Recensent Johan Sonnenschein van de zeer geleerde website De Reactor maakte bijvoorbeeld onlangs onderscheid tussen twee tradities in de Nederlandse literatuur. Enerzijds is er de lijn Kloos-Bloem-Komrij, en de tweede die van Gorter-Lucebert-Mettes. En hij plaatste Pfeijffer in de eerste lijn.

Hoe dat nu precies zit, met die lijnen, wordt mij in ieder geval niet helemaal duidelijk uit Sonnenscheins beschouwing. Als eerste toelichting op het onderscheid geeft de recensent de volgende generalisatie:

Speurt de tweede de traditie [Gorter-Lucebert-Mettes] af op wat kan aansporen tot vernieuwing, de eerste beschouwt ‘leren’ via ‘geleerdheid’ als ‘belerend’: vieze begrippen die je autonomie aantasten [Kloos-Bloem-Komrij].

De aanhalingstekens suggereren dat Sonnenschein na uitvoerige literatuurstudie deze begrippen uit het werk van de genoemde auteurs heeft gehaald. Helaas ontbreken bronvermeldingen zodat minder geleerde beschouwers niet meteen kunnen vinden waar dat dan staat, dat Kloos of Komrij zo tegen geleerdheid waren. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als iemand die Center Parcs laat stikken

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (48)

Door Marc van Oostendorp

Ilja Leonard Pfeijffer is begonnen aan een nieuwe roman. Wat er precies in gebeurt, weet hij nog niet, maar in interviews vertelt hij wel al vrijelijk wat het thema zal zijn: toerisme. Neerlandistiek vloog voor u naar Genua om te vragen hoe dat zit.

‘Er zijn schrijvers’, zegt de schrijver in een koffiebar op een zonovergoten piazza, ‘die voor ze schrijven eerst het plot helemaal uitdenken en vormgeven in schema’s. Zo werk ik niet, ik wil niet van tevoren weten waar het verhaal naartoe gaat. Ik wil zelf verrast worden.’  Maar wat de thematiek wordt, heeft hij dus al wel bedacht: toerisme. (Ik had op deze plaats van jullie beeldscherm al eerder geanalyseerd dat dit een Pfeijfferiaans thema is en tot mijn onuitsprekelijke lezerstrots deed ik dat voor de schrijver overal ging vertellen dat hij een boek over toerisme zou gaan schrijven.)

‘Het is een belangrijk, actueel onderwerp’, zegt hij terwijl hij iemand toeknikt die verkleed als geisha langs de tafels gaat. ‘In steeds meer Europese steden hoor je klachten over toeristen. Tegelijkertijd heeft Europa die toeristen steeds meer nodig: we produceren zelf minder, we moeten het hebben van rijke Arabieren en Russen die ons komen bezoeken.) Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als ontwerper van de Mocaanse lettergreep

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (47)

Door Marc van Oostendorp

In Brieven uit Genua bericht Ilja Leonard Pfeijffer hoe hij in zijn jeugd een eigen land bedacht, Mocanië, met een eigen taal, het Mocaans. En hoe land en taal natuurlijk een eigen heldendicht nodig hadden:

Ik ontwierp een stichische, heterogene, zesvoetige versvorm van een trochee, een dactylus en een trochee met een vaste cesuur op dat punt, waarna dezelfde cadens wordt herhaald. Alsof je twee keer achter elkaar mijn volledige naam zou uitspreken. Maar daar had het niets mee te maken.

Hij geeft later ook voorbeelden van die versvorm, het begin van het epos Mö’cä’nïks His’tö’rï’ä van de nationale dichter Murnon:

Rë’löt, mï’se-gë, rë’löt nag iow ef’nï kle frë’hö.
Gë ä’frë’hö frï hy’rerr, frï’os, sä’ktoth frï lor’käg.
Gë ä’frë’hö frï ga’rerr, iow-hyr, kœr’nœ’se sä’tëm.

In zijn latere werk, zo heb ik in deze reeks al een aantal keer laten zien, is Pfeijffer ook begonnen zelf gedichten te schrijven die stichisch en zesvoetig zijn. Lees verder >>

Verschijnt binnenkort: Waar wordt geschreeuwd, is taal vacant. Over de taal van Ilja Leonard Pfeijffer

‘Het is zinnig om Ilja Leonard Pfeijffer in de eerste plaats als een taalvakman te zien, iemand die verbaast door zijn taalbeheersing, zijn elegantie, zijn precisie, en soms zijn geleerdheid. Het plezier bij Pfeijffer zit, ook voor zijn lezers, voor een belangrijk deel in de taal’, schrijft Marc van Oostendorp in Waar wordt geschreeuwd is taal vacant. In 50 hoofdstukken geeft hij in dit boek een caleidoscopisch beeld van de vele taalgedaanten die schrijver Ilja Leonard Pfeijffer aanneemt in de talrijke literaire genres die hij beoefent (gedichten, romans, verhalen, essays, toneel et cetera).

Waar wordt geschreeuwd is taal vacant.De taal van Ilja Leonard Pfeijffer verschijnt in het jaar dat Pfeijffer vijftig wordt. De teksten in dit boek zijn overwegend bewerkingen van vijftig teksten die Marc van Oostendorp eerder op het weblog www.neerlandistiek.nl heeft gepubliceerd. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Constantijn Huygens

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (46)

Door Marc van Oostendorp

Als Constantijn Huygens niet had bestaan, was hij door Ilja Leonard Pfeijffer bedacht. Er is vóór Pfeijffer geen Nederlandse dichter geweest met zoveel aandacht voor stedenschoon en de specifieke plaats waar hij was. Er is vóór Pfeijffer geen Nederlandse dichter geweest die het zo leuk vond zijn kennis van klassieke en andere talen tentoon te stellen. Er is vóór Pfeijffer geen Nederlandse dichter geweest die zoveel hield van een vrouw die Sterre heette (of Stella).

Het blijkt ook al uit Stemmen van Den Haag, de vertaling van Huygens’ Haga Vocalis die Pfeijffer samen met Frans Blom maakte (het is te downloaden van de site van Blom). Zoals hij de stratenplannen van Leiden bezingt in zijn vroegere gedichten, en die van Steppoli en Genua in zijn latere proza, zo kan hij in deze vertalingen alles kwijt over Den Haag: Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als winnaar van de Tzumprijs

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (45)

Door Marc van Oostendorp

De Tzum-prijs is de beste literaire prijs van Nederland. Niet alleen voor lezers: het is de enige prijs waarvan je altijd meteen de waarde van de inzending kunt overzien omdat geen oeuvre of boek wordt beloond, maar slechts een boek, maar ook voor schrijvers, omdat het anders dan al die oeuvre- en boekenprijzen de aandacht niet richt op de eeuwige thematiek, maar op de stijl zelf.

Ilja Leonard Pfeijffer is in de afgelopen 15 jaar de enige schrijver geweest die de prijs tweemaal won. In 2005 gebeurde dat met een zin uit het Grote Baggerboek:

Trekt ie daaropvervolgends z’n broek naar omlaag, gaat met die harige aars van hem boven de chili hangen en zet ie me daar toch z’n dikke darm open dat Noach kon fluiten naar berg Ararat.

In 2014 mocht hij de prijs opnieuw in ontvangst nemen met een zin uit La Superba:

Het was het witte uur na het middagmaal, de blanke pagina waarop hooguit iets met potlood wordt gekriebeld in geheimschrift, iets om onmiddellijk weer uit te gummen zodra de rolluiken omhoog worden getrokken en het leven opnieuw zwart op wit een aanvang neemt met bonnetjes, bestellingen en bezwaarschriften.

Grappig is dat deze twee zinnen stilistisch sterk van elkaar verschillen, terwijl ze thematisch overeenkomst vertonen. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als fotograaf

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (44)

Door Marc van Oostendorp

Piazza Matteotti. Foto: Ilja Leonard Pfeijffer

Het is moeilijk te zeggen wat de mogelijke relaties zijn tussen iemands geschriften en zijn foto’s. De foto’s die Ilja Leonard Pfeijffer sinds een tijdje op Instagram plaatst vallen bijvoorbeeld op door hun grote kleurigheid en door de scherpe lijnen: er wordt meestal niet één ding uitgelicht, maar je ziet alle details van alles. Je kunt dat natuurlijk proberen te verbinden aan de exuberantie van Pfeijffers stijl. Maar het kan ook aan het door hem gekozen Instagram-filter liggen.

Al kun je je dan vervolgens weer afvragen waarom de dichter de voorkeur heeft voor zo’n onrustig filter, zulke foto’s met “in roomboter gebakken beelden”.

Hoe dan ook zijn Pfeijffers foto’s meestal portretten. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als constructeur van het Centre Pompidou

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (43)

Door Marc van Oostendorp

Weinig recensenten konden nalaten om bij verschijnen van Brieven uit Genua deze passage te citeren:

En het belangrijkst is misschien nog dat Brieven uit Genua een nieuwe stap is, die is ingeleid met Het ware leven, een roman en voortgezet in La Superba, om al schrijvend de daad van het schrijven te thematiseren en de infrastructuur van het boek niet aan het zicht te onttrekken, maar op een schaamteloze manier opzichtig buitenom aan te leggen, zoals bij het Centre Pompidou in Parijs.’

Grappig is daarbij natuurlijk dat hier in het boek zelf staat hoe de infrastructuur van het boek moet zijn. (Op internet is een interviewtje te vinden waar de schrijver nog een stap verder gaat en zegt: “In La Superba heb ik de hele infrastructuur van het gebouw opzichtig aan de buitenkant aangebracht, zoals bij het Centre Pompidou in Parijs. In Brieven uit Genua laat ik de werkelijke bouwput zien met alle steigers en onafgewerkte constructies.”) Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als variationist

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (42)

Door Marc van Oostendorp

Als hij wil uitleggen waarom Plato behalve een bekend Grieks wijsgeer ook een briljante schrijver was, schrijft Ilja Leonard Pfeijffer in zijn boek De Antieken: “Het heeft veel te maken met diversiteit.  Plato beheerst alle registers. (…) Alle gesprekspartners in Feest vertellen hun verhaal over de liefde op een andere toon, in een andere stijl, die perfect is toegesneden op het personage.” Hij vertelt ook dat het lezen van Plato hem voor het eerst duidelijk maakte dat het Klassieke Grieks een échte taal was, die in het dagelijks leven gesproken werd en die de Atheners niet alleen maar elkaar als een puzzeltje opgaven.

Oog voor diversiteit lijkt het hoogste compliment dat Pfeijffer aan schrijvers te bieden heeft. Ook over de toneelschrijver Aristofanes zegt hij: “Zijn stijl is wendbaar en afwisselend. De vunzigste banaliteiten gaan samen met parodieën op de verheven stijl van het epos en de tragedie of op het jargon van juristen, priesters of redenaars.” Over Horatius: “In zijn Satiren, Epoden en Brieven weet hij pretentieloze spreektaal schijnbaar achteloos en volledig natuurlijk te draperen over de kunstmatige versvormen van de hexameter en de jambe. In Oden krijgt zijn taal een gepolijste perfectie. ”

Lees verder >>

Leest!

Door Fabian Stolk

Het lijkt me de ironie van de literatuursociologie dat juist het werk van Pierre Bourdieu modern letterkundigen (en anderen) het denkraam biedt waarbinnen ze kunnen verklaren dat een volkomen ondoordachte platitude als de lekenoprisping met betrekking tot de kwaliteiten van modern letterkundigen van ene meneer Pfeijffer klakkeloos met koeienletters in de Cultuurbijlage van de NRC d.d. 17-11-17 wordt afgedrukt. Net als eerder een of andere filosoof in de Volkskrant, plempt Pfeiffer zijn volstrekt ongefundeerde mening in de krant over wat een student ‘tegenwoordig’ in de opleiding Nederlands eigenlijk zou moeten worden onderwezen en wat hij (voor een student Nederlands gebruikt Pfeiffer alleen het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’, terwijl er nauwelijks nog jonge mannen Nederlands studeren) daarvoor in de plaats ‘tegenwoordig’ aan onzin zou krijgen voorgeschoteld. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als verkoper van onzin

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (pauzenummer)

Door Marc van Oostendorp

Ik dacht nog: laat ik die biografie van Jan Wolkers die Onno Blom heeft geschreven nu eens met de mantel der liefde bedekken. Het is zo’n proefschrift dat een zesje verdient, een moloch waarin een enorme hoeveelheid wetenswaardigheden wordt opgesomd – wie waar wanneer woonde, wie wat wanneer zei – zonder dat er veel lijn in wordt aangebracht, en alles in de stijl van een boek voor de opgroeiende jeugd. Een stijl die mij in ieder geval enigszins op de zenuwen werkt:

Jan vond in Leiden een nieuw baantje. Elke morgen moest hij zich melden in een atelier waar lampenkappen werden beschilderd met historische voorstellingen. Zorgvuldig moest hij oude prenten van zeeslagen overtrekken en inkleuren met waterverf. Dat atelier lag aan de Boerhaavelaan 24 en werd geleid door jonkheer mr. P.A.G. de Milly, graaf van Heiden Reinestein, tevens advocaat en procureur.

Het leek me zo’n proefschrift waarop men iemand uiteindelijk maar laat promoveren omdat het vast allemaal wel zo’n beetje klopt – al is het ook niet zo spannend opgeschreven,  al doet de auteur weinig moeite om écht nieuw licht op zijn onderwerp te laten schijnen en al klopt een en ander vaak ook niet veel meer dan ‘een beetje’. Op de wetenschappelijke zangberg mogen nu eenmaal ook een paar muizen wonen. Wat moet je daar verder over zeggen?

Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als zoon

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (41)

Door Marc van Oostendorp

In zijn proza is Ilja Leonard Pfeijffer een artistieke Suske: weliswaar omgeven door allerlei figuren (Wiske, ‘tante Sidonia’) met wie hij in een onduidelijke relatie staat, maar klaarblijkelijk zonder gezin. Wie de autobiografische passages van Pfeijffers oeuvre leest leest, kan wel vagelijk de contouren ontdekken van het Rijswijkse Brinta-gezin – vader, moeder, jongen, meisje – waaruit de schrijver voortkomt, maar erg precies worden zij nooit. Bovendien laten de personages, als ze een knip voor de neus waard zijn, geregeld merken dat ze geen belangstelling hebben voor het stichten van een eigen gezin.

Dat geldt alles ook voor de poëzie, die aan Jan en alleman gericht kan zijn –geliefden, vrienden, vijanden, onbekenden – maar nooit aan een familielid.

Des te opvallender is dat de relatie tussen ouder en kind in al het toneelwerk een prominente plaats inneemt. Alle grote toneelstukken (De eeuw van mijn dochter, Malpensa, Blauwdruk voor een nog beter leven, De advocaat, het zaterdag gepremièreerde Achter het huis) draaien op de een of andere manier om die relatie.  Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als uitspreker van de [k]

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (40)

Door Marc van Oostendorp

Een van de zaken die opvallen in de voordracht van Ilja Leonard Pfeijffer is hoe lang zijn k-klanken zijn, vooral aan het eind van woorden. Het lijkt me dat dit een van de karakteristieken is van zijn voordracht van poëzie – wanneer hij spontaan spreekt doet hij het niet.

Je hoort het bijvoorbeeld in sonnet 15 (dit is een link naar de website van Poetry, waar audiobestanden staan) van het bundeltje Giro giro tondo, dat integraal op de website van Poetry international staat. Het duidelijkst is het bij de k aan het eind van strik in:

Je vlocht de woorden tot een strik. Je lachte,

(Pfeijffer vergist zich vermoedelijk als hij mijn woorden zegt in plaats van de woorden.) De k strekt zich daar helemaal uit tot de volgende lettergreep. Eigenlijk zegt de dichter hier ongeveer: strik-kje lachte. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als plezierdichter

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (39)

Door Marc van Oostendorp

“Ik zou je adviseren”, schreef Ilja Leonard Pfeijffer over het light verse in Hoe word ik een beroemd schrijver, “om je verre te houden van dit genre, misschien afgezien van een verjaardagskaart voor je schoonmoeder of het gastenboek van het huwelijk van je ex.” De plezierdichter was “zoals een goochelaar of een jongleur met taal, die vermaakt en verbluft met een best wel moeilijk trucje”.

En dat zegt de dichter die regels schrijft als:

Exquis verwen ik zelf je body pangrammatisch

Een pangram is een zin waarin iedere lettervan het alfabet minstens één keer voorkomt. In de rest van de Idylle waarin dit staat komt overigens iedere letter minstens nóg een keer voor. Het heeft ook een soort iconische functie: de schrijver heeft alle letters van zijn toetsenbord nodig om de body van de geliefde ook maar enigszins recht te doen. Je zou kunnen zeggen dat het daarom niet alleen maar ‘een best wel moeilijk trucje’ is, maar een trucje met een functie. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als erik jan harmens

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (38)

Door Marc van Oostendorp

De dichter Pindaros, over wie Ilja Leonard Pfeijffer zijn proefschrift schreef, is op allerlei manieren becommentarieerd. Al in Alexandrinische tijden schreef men geleerde traktaten over bijvoorbeeld de vraag wie hij precies bedoelde als Pindaros ik schreef. Was dat dichter zelf? Of meer een algemene bard, of de stem van het volk? Of degene die hij bezong? Een recent overzichtsartikel over deze thematiek van Bruno Currie staat hier; dr. Pfeijffer heeft zelf aan de discussie bijgedragen met een korte monografie over de vormen voor de toekomende tijd in de eerste persoon in het werk van Pindaros.

Grappig in dit verband is dat de schrijver in zijn debuut een pastiche op Pindaros opnam (gepresenteerd als vertaling), waarin ook twee keer sprake is van een ik:

ook ik sprenkel klotsende woorden van blijdschap

(…) en is het niet eenvoudig verder te varen over onbevaarbare zee
aan de zuilen van herakles voorbij
hierheen zal ik niet leiden
leeg zou het zijn

De laatste regels vormen het einde van het gedicht. Omdat het hier een pastiche betreft wordt er aan het enorme repertoire aan mogelijke invullingen voor de eerste persoon die classici al hebben geïdentificeerd nog één toegevoegd: Pfeijffer. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Theocritus

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (37)

Door Marc van Oostendorp

Dat de bundel Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer krioelt van de verwijzingen naar het onomstotelijke feit dat de nacht komt en de winter evenzeer en dat het er ook anderszins allemaal weinig idyllisch aan toe gaat, dat moeten we, zeggen de geleerden, zien als een verwijzing naar de Griekse dichter Theocritus.

Maar hoezo doen die Idyllen dan denken aan het werk van Theocritus? In Brieven uit Genua zegt de schrijver zelf dat het een ‘hommage’ is aan die dichter, maar waarom is een hommage nodig? Hoewel Theocritus bekend staat als de uitvinder van het genre van de herderszang, komen in Pfeijffers Idyllen die herders slechts een keer voor, in de regel ‘Vertel me dat we liggen in het warme stro / en dat de wolken eenden dan wel herders zijn’. Dat lijkt me eerder een manier om degene die in de bundel op zoek gaat  naar herders in het gezicht uit te lachen (tenzij die persoon Nijhoff gelezen heeft).

We zijn nu op het punt in deze reeks aangekomen dat ik moet erkennen dat het eigenlijk geen doen is voor één man om alle aspecten van het werk Pfeijffer te bespreken. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als de man van Stella

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (36)

Door Marc van Oostendorp

Een lezer kan af en toe de indruk krijgen dat Ilja Leonard Pfeijffer misschien her en der in zijn oeuvre een ietsepietsie overdrijft. Op één punt is dat zeker niet het geval: als hij schrijft over zijn vriendin, over Stella.

Ik zag ze – om deze serie nog meer diepgang te geven – het afgelopen weekeinde in Genua. Ze pakten als het even kon elkaars hand, als ze wandelden van de lunch naar de galerie waar Stella werkt, of van die galerie naar het restaurant voor het avondeten. Of daarvoor. Of daarna. ‘Als ik ooit wegga uit Genua,’ zei Ilja. ‘is het als Stella ergens anders een baan zou vinden.’ Ze luisterden naar elkaar, ze lachten naar elkaar. Ik had nog nooit een muze gezien.  Lees verder >>