Tag: Ida Gerhardt

In het net

Door Wiel Kusters

Chinese tekening

Dicht bij de waterzoom
onder een wilgeboom
twee vrienden witgebaard,
en op hun knieën staat
een schaakbord, zwart en wit.
De een verzet het paard,
de ander, tijdeloos, zit
te glimlachen. Hij denkt.
Verder de stroom af zwenkt
een net dat overgaat.

Een in zijn eenvoud én complexiteit bekoorlijk en intrigerend gedicht van Ida Gerhardt. Ik kwam het tegen in haar bundel De slechtvalk (1966). Het geschetste tafereel, dat naar de titel suggereert, geïnspireerd zal zijn door een (nog niet geïdentificeerde) tekening, heeft weinig uitleg nodig. Op de laatste een tot twee regels na misschien. Daarover wil ik dan ook iets opmerken. Lees verder >>

Het ritme van Ida Gerhardt

Door Marc van Oostendorp

Ida Gerhardt had een bijzonder gevoel voor het ritme van de taal – waarbij ze gebruik maakte van haar kennis van de geschiedenis van de Nederlandse dichtkunst en vooral van de klassieke dichtkunst. Maar waarbij ze die ook eigenzinnig inzette, zodat vrolijke ritmes bij haar ingetogen of zelfs somber klonken. Alles hierover in een zondagochtendcollege dat niet eens meer mini mag heten.

(Bekijk deze video op YouTube.)

Uitnodiging voor de Najaarsbijeenkomst van het Ida Gerhardtgenootschap

zaterdag 17 november 2018 te Bilthoven

(Bericht Ida Gerhard Genootschap)

Graag nodigen wij u uit voor de Najaarsbijeenkomst 2018 op zaterdagmiddag 17 november aanstaande in de aula van De Werkplaats Kindergemeenschap te Bilthoven. Opnieuw kunnen we samenkomen op een locatie die van belang is geweest voor werk en leven van Ida Gerhardt: de dichteres gaf van 1951-1963 klassieke talen aan deze door Kees Boeke opgerichte school. Docenten en leerlingen van De Werkplaats (aldaar medewerkers en werkers geheten) participeren vóór en achter de schermen in onze najaarsbijeenkomst, met name Mannus Goris, classicus, en Marian Kleverkamp, neerlandica. Het belooft een gevarieerde en dynamische bijeenkomst te worden.

De middag begint met een lezing over ritme en metrum in Gerhardts poëzie door Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en Academische Communicatie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en onder meer bekend van het tijdschrift Onze Taal. Hierna is er gelegenheid voor discussie.

Vervolgens houdt de dichter Ingmar Heytze, laureaat van de C.C.S. Crone-prijs, voormalig stadsdichter van Utrecht en oud-‘werker’ van De Werkplaats, een voordracht waarin hij reageert op de poëzie van Ida Gerhardt. Lees verder >>

Het is mijn prachtige, mijn hondse baan

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (168)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Tussenuur

Midwinterdag. – De geur van oude jassen,
de gang met kalken licht om in te dwalen;
een schateren – grindstorting– uit een klasse;
en dan hoort men de school weer ademhalen.

Dit is mijn land. Ik zal niet meer verkassen:
Dr. I.G.M. Gerhardt, oude talen.
Vergeef mij, God, mijn duizendvoudig falen.
Ik kon dit nimmer in mijn schema passen.

En rebelleerde.– Maar ik ben gezwicht:
Te sterk zag mij mijn werk in het gezicht.
Het is mijn prachtige, mijn hondse baan.

Waar staat van ‘wandelen voor Uw aangezicht?’
Een tussenuur. In deze geur, dit licht.
Het is mijn arbeid, en Gij ziet mij aan.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Behalve het zogeheten prozagedicht bestaat ieder gedicht uit een aanatal regels. Die regels organiseren de woorden in het gedicht in een structuur die parallel is aan die van de ‘gewone’ zinsbouw. Zeker in de twintigste eeuw begonnen dichters te spelen met spanning tussen de twee lagen: zinnen of zelfs zinsdelen liep over twee regels heen – het zogeheten enjambement.

Ida Gerhardt is daar nooit een groot liefhebber van geweest. Zij heeft juist effectief gebruik gemaakt van de kunst om de zin en de regel zoveel mogelijk te laten samenvallen. Lees verder >>

Godlof dat onkruid niet vergaat

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (167)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Lof van het onkruid

Godlof dat onkruid niet vergaat.
Het nestelt zich in spleet en steen,
breekt door beton en asfalt heen,
bevolkt de voegen van de straat.

Achter de stoomwals valt weer zaad:
de bereklauw grijpt om zich heen.
En waar een bom zijn trechter slaat
is straks de distel algemeen.

Als hebzucht alles heeft geslecht
straalt het klein hoefblad op de vaalt
en wordt door brandnetels vertaald:

‘gij die miljoenen hebt ontrecht:
zij kòmen – uw berekening faalt.’
Het onkruid wint het laatst gevecht.

(Ida Gerhardt, Vijf vuurstenen)

De regels van dit sonnet zijn korter dan in het genre gebruikelijk is: iedere regel heeft maar acht lettergrepen, in plaats van de gebruikelijke tien (sinds 1880) of twaalf (daarvoor). Dat is een vorm die om de een of andere reden – de geleerden zijn het niet eens over wat die reden mag zijn – meer hoort bij volkspoëzie. Lees verder >>

Wij gaan thans over tot de derde klas

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (166)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Eindvergadering

Terrarium. Verwaarloosd en geronnen
een gruwzaam leven in de dorre spleten;
het kruipen van de tijd geeft niets gewonnen
voor wie van moeheid niet te sterven weten.

De groene wanden zijn met slijm besponnen.
Er is geen water. Geen weet hoe zij heten.
Vertraagd zit een zijn eigen poot te vreten.
Twee zijn voorzichtig aan elkaar begonnen.

Genade, God, – o, laat mij toch ontwaken!
Verschrikkelijk is het rond dit groene laken.
‘Wij gaan thans over tot de derde klas.’

Sigaren staan in scharen en in kaken.
Aanzie toch, wat wij van elkander maken!
Suf hokt de ziel in een verdord karkas.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Wat mij weleens, hoe noem je dat, verfrissend zou lijken: wanneer iemand de vergadering oprecht enthousiast zou bezingen: een boek zou schrijven over de talloze mooie kanten die er ook zijn wanneer mensen bij elkaar komen en serieus praten over hun werk – als ze proberen hun werkzaamheden enigszins op elkaar af te stemmen, naar elkaar luisteren en gesterkt weer naar buiten gaan. Lees verder >>

Wie, zelfverblind, niet leest richt diep het letsel aan dat niet geneest

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (165)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Facultas medica

Hij die het mes en het lancet hanteert
kan onverschrokken zijn wanneer hij vreest
met heilige vrees. Het edelste, de geest,
wordt in dit uur beveiligd of gedeerd.

Zie het gelaat van wie zich niet verweert,
een open boek. Wie, zelfverblind, niet leest
richt diep het letsel aan dat niet geneest.
Hij heeft de adel van het ambt onteerd.

Gezegend die het weten van zijn grens
belijdt: zijn hand vertoont die vaste trek,
zijn ziel de schroom die adeldom verraadt.

Met instrumenten werkend aan een mens
opent hij nog de sluitklink van het hek
waardoor een ander naar de vrijheid gaat.

(Ida Gerhardt, De slechtvalk)

Dankzij internet weten we dat dit gedicht soms geïnterpreteerd wordt als een hulde aan de medische stand, of in ieder geval aan goede dokters. Dat het bijvoorbeeld geheel of gedeeltelijk wordt geciteerd als een medicus met pensioen gaat. Omdat het gedicht kennelijk een beetje ingewikkeld is, publiceerde een huisblaadje voor een geriatrische instelling in 2009 zelfs een ‘vertaling’: Lees verder >>

De geur van graan dat bloeit en stuift

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (164)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Het vers van Gorter

Het vers van Gorter heeft de geur van graan
dat bloeit en stuift: die reuk van hemels zoet
met erdoorheen het aardse evengoed:
dat zegt de tarwe en het brood al aan.

En koren geurt weer uit het brood vandaan.
Hij schreef vanuit die kringloop overvloed
– het waait ons uit de woorden tegemoet –
het vers dat in het zonlicht kan bestaan,

de volle dag trotseert. Het voedt als brood
en bloeit als koren, stuifmeelovertrild.
Het vers van Gorter: franke gulheid noodt

dat wie hier nadert toch de honger stilt
die hij verborg of nummer uit kon spreken.
Brood met de geur van graan. Gij moogt het breken.

(Ida Gerhardt, De ravenveer)

Uit oude psycholinguïstische experimenten weten we zo’n beetje hoe woorden in ons hoofd zijn opgeslagen: in netwerken. Ieder woord is verbonden aan ieder ander woord dat er in vorm of betekenis een beetje op lijkt. Wanneer je tegen iemand het woord vork zegt, kan hij daarna het woord lepel sneller herkennen dan het woord pekel; het is een kwestie van millieseconden, maar wel meetbaar. Dat geldt ook voor de vorm: wie net vork heeft gehoord, herkent vol sneller dan rijk.  Lees verder >>

Kon ik ze thuis ontslaan van mijn bestaan!

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (163)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Werkloosheid

Drie jaar nu al. Ik kom nog in ‘t gesticht.
Kon ik ze thuis ontslaan van mijn bestaan!
Mijn kleine zusje ziet me nauwelijks aan.
‘t Is of de meid het woord niet tot mij richt.

Ieder leeft op, als ik mijn hielen licht.
Het beste kon ik bij Van Nelle gaan.
Alleen: dan is het met m’n vak gedaan.
Voor leraar krijg ik een te oud gezicht.

Vanmorgen ben ik naar de kerk geweest.
‘God zal u, als op adelaarsvleugelen dragen.’
Maar ik heb zitten zweten als een beest.

Want steeds zag ik, toen de gemeente zong,
die werkeloze, die het raam uitsprong
en, van vier hoog, te pletter is geslagen.

Rotterdam, 1933, 1934, 1935

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Er zijn weinig gedichten in de Nederlandse poëzie die de martelende ellende van de werkeloosheid zo indringend beschrijven als dit sonnet van een leraar. Het wordt zelfs nog indringender door wat achtergrondkennis. Uit Mieke Koenens biografie weten we dat Ida Gerhardt de Sonnetten van een leraar schreef toen een collega van haar aan het gymnasium van Kampen zich van het leven had beroofd.  Lees verder >>

Bezie de kinderen niet te klein

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (162)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

 

Bezie de kinderen niet te klein:
Zij moeten veel verdragen –
eenzaamheid, angsten, groeiens pijn
en, onverhoeds, de slagen.

Bezie de kinderen niet te klein:
Hun eerlijkheid blijft vragen,
of gij niet haast uzelf durft zijn.
Dàn kunt ge ’t met hen wagen.

Laat uw comedie op de gang
– zij weten ’t immers tòch al lang! –
Ken in uzelf het kwade.

Heb eerbied voor wat leeft en groeit,
zorg dat ge het niet smet of knoeit. –
Dan schenk’ u God genade.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Toen ik nog jong was en onbezonnen, liep ik bijna iedere dag langs dit gedicht, net als tal van andere geleerden. Het was door een voormalig rector van de Leidse universiteit uitgekozen toen hij een gedicht op de muur van de Leidse letterenfaculteit mocht laten schilderen. Lees verder >>

Op de zuiv’re wel der eigen taal

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (161)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Vreugde in Holland

Vreugd is het in de grote wei te staan,
– water en bloei en lucht zo ver men ziet –
het oog speurt hoe de vogels over gaan
en wet zijn scherpte aan een vrij gebied.

Vreugd is het, om waar levend water vliet
te zwemmen, wijd de armen uit te slaan:
dan tint’len de gedachten – men geniet
hun sterke stroom zo vrij te voelen gaan.

En vreugd is in de liefde, gaaf en frank,
voor wie het hart zich koos tot zijn gezel,
de bloei der verten in elkanders ogen –

Maar schoonste vreugd, als dàn des harten dank
zó diep is, dat het op de zuiv’re wel
der eigen taal vanzelve wordt gebogen.

(Ida Gerhardt, Het veerhuis)

Ida Gerhardt was bijzonder gesteld op het woord wel, in ieder geval in de tijd waarin ze Het veerhuis schreef (dat in 1945 verscheen), want daar komt het woord regelmatig in voor. Het betekent volgens het WNT “plaats waar water onder druk vanuit diepere grondlagen naar de oppervlakte opstijgt en uit den bodem opborrelt”. In het Nederlands wordt dat woord om de een of andere reden nauwelijks nog gebruikt; het Engelse well voelt veel vertrouwder. Lees verder >>

Het mooiste werk: Grieks in het eerste jaar

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (160)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

A EN Ω

Lucas II 49

Het mooiste werk: Grieks in het eerste jaar.
Het Griekse alfabet staat op het bord.
‘Kijk, kinderen, Ψ: dat is een kandelaar.
Maak dat de Omega gaaf getrokken wordt.’

Behoed dit eerst beginnen voor gevaar;
dat niet het werk, nauwelijks ontkiemd, verdort.
-Zie, als het buiten vroege lente wordt,
liggen de kleine Griekse bijbels klaar.

Pasen: een jongen leest met heldere stem
van Jezus, twaalf jaar, in Jeruzalem;
en hoe hij voor de schriftgeleerden las.

En elk kind in de luisterende klas
Begrijpt het vragend: ‘Wist gij niet?’ van Hem,
die in de dingen van zijn Vader was.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Een van de aardigheden van dit gedicht is dat het begint met een uitleg van de letters Ψ en Ω, terwijl dat letters zijn die je helemaal niet nodig om de passage uit de bijbel te lezen die de jongen verderop voorleest, Lucas 2:49:

Καὶ εἴπεν πρὸς αὐτούς, Tί ὅτι ἐζητεῖτέ με; Οὐκ ᾒδειτε ὅτι ἐν τοῖς τοῦ πατρός μου δεῖ εἴναί με;
Maar hij zei tegen hen: waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?

Lees verder >>

Ik hard u, Holland, niet

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (159)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Afscheid van Holland

Twintig jaar vrijheid, twintig jaar verraad
aan het edelste. Ik hard u, Holland, niet
met dit gelaat, waarop geschreven staat:
ziehier die zich voor geld aan ieder biedt.

Het valt mij zwaar dat ik mijn land verlaat.
’t Ware tè zwaar als ik het nìet verliet:
gelijk een mens die van een mens weg gaat,
niet hardend dat hij hem ontluisterd ziet.

Ik had u lief en leerde u verachten,
Holland. Ik groeide op onder uw stem:
het water dat als kind mij wakker riep

wanneer het stormde onder Woudrichem.
Nòg gaan de wolken over het Hollands Diep.
Gij zijt mijn land, gij blijft in mijn gedachten.

(Ida Gerhardt, De ravenveer)

De dichter kan soms ten prooi vallen aan haar eigen stijlfiguren. Dat gebeurde Ida Gerhardt, geloof ik, in dit gedicht, dat ze in 1965 schreef – na twintig jaar vrijheid sind de Tweede Wereldoorlog dus, en kennelijk twintig jaar verraad, voor een herdenkingsnummer van MaatstafLees verder >>

Zij wonen samen in dit veilig land

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (158)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Portret Theodora van B.

De vrouw, die ordent in het ochtendlicht
bloemen, instrumentarium en boek,
tipt nog een droppel met een witte doek
en stelt de stoel, die stijgt zonder gewicht.

De morgenruiker houdt nog knoppen dicht.
De kamer wacht, gereed, het vroeg bezoek.
Het nadert, kaatseballend, om de hoek:
het kind komt binnen met een fris gezicht.

Er is bedrijvigheid. Het vult het glas
en zet zich ernstig in de goede stand.
Het wacht de handelingen die het kent.

Tussen zacht babbelen tikt het instrument.
Zij wonen samen in dit veilig land.
Het blonde kind. De vrouw in witte jas.

(Ida Gerhardt, uit De slechtvalk)

Een gedicht uitleggen is altijd ook het gedicht een beetje verpesten. In dit ‘portret’ van Theodora B, komt Theodora ogenschijnlijk alleen voor in de eerste paar regels en de laatste paar – althans, het is logisch om te veronderstellen dat zij ‘de vrouw’ is waar het daar om gaat. (In haar informatieve en mooie biografie legt Mieke Koenen uit dat Gerhardt haar tandarts zeer dankbaar was; en dat deze net overleden was.) Verder gaat het over de kamer, de bloemen en het kind, en dat alles op een onpersoonlijke manier (‘er is bedrijvigheid’). Die vrouw heet ‘de vrouw’ en omdat ze ook nog eens een witte jas aanheeft is ze een instantie. Lees verder >>

Tot eerlijkheid genezen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (157)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Woestijn

Geen enkel raam dat werkt. De tocht der buitendeur
tot in de laatste hoek der schilferige gangen.
En zwijg van de wc’s. – Een nameloze geur
blijft veertig weken aan de klamme muren hangen.

Lokalen, vaalgeworden platen: vochtvlek, scheur.
Flarden gordijnen schuiven langs verroeste stangen.
Orpheus – met inktmop-ogen – slaakt zijn laatste zangen.
De Gratiën, kromgetrokken, oefenen horreur.

Zet u niet op die stoel; ge valt, als Eli, dood:
tussen de zitting en de leuning geen synthese –
Steun op de tafel niet: hij heeft een manke poot.

Wat op de banken staat, moet ge vooral niet lezen.
– Trek recht uw rug en arbeid voor uw dagelijks brood.
Gij kunt, aan dèze tucht, tot eerlijkheid genezen.

(Ida Gerhardt, Sonnetten van een leraar)

Waarom zijn dichters, zijn mensen, zo geïnteresseerd aan de gelijkschakeling van het hoge en het lage? Lees verder >>

Waarom ψυχή ‘ziel’ én ‘vlinder’ was

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (156)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Psyche

Ik las de Phaedo met mijn vijfde klas
en in de tekst kwam het woord ψυχή voor:
ik legde, aan ’t nog kinderlijk gehoor,
uit waarom ψυχή ‘ziel’ én ‘vlinder’ was.

Terwijl ik nóg eens de passage las
was er ineens een ritseling, en een spoor
van glanzen kwam, van ’t raam, de ruimte door.
Er zat een grote vlinder voor ’t glas.

Het was een dagpauwoog. En ieder zag
de purperen gloed, die op zijn vleugels lag;
de ogen, waar het aetherblauw in brandt.

Ten laatste – hij zat rustig op de hand –
bracht hem een jongen weg. Onaangerand,
zei hij, was hij ontweken naar het blauw

(Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten)

Het woord ψυχή schrijf je in het Nederlands meestal als psyche.  Ida Gerhardt kiest er in dit gedicht (behalve in de titel) voor om het met Griekse letters te schrijven, maar het blijft aantoonbaar wel een Nederlands woord. In het Grieks staat er een accent op de tweede klinker, en belangrijker nog: die tweede klinker is lang. Het is daarom, even technisch, een jambisch woord, maar in de twee regels waarin het voorkomt staat het steeds op een plaats waardoor klemtoon op de eerste lettergreep hoort. Er staat ψυχή, maar om het te laten lopen moet je psyche lezen.

Er is met die psyche nog wel meer aan de hand. Volgens de Gerhardt-kenner Mieke Koenen gebruikte Plato de vlinder in zijn hele werk nooit als symbool voor de ziel: dat werd bij de Grieken pas later (na Aristoteles) een gebruikelijke metafoor. Het is dus op het eerste gezicht een overbodige uitleg die de dichteres aan haar ‘kinderlijk gehoor’ geeft.

Vandaar misschien de wonderlijke vorm van de vierde regel. Je zou eigenlijk uitleggen dat een lerares aan haar klas uitlegt dat ψυχή ‘vlinder’ en ‘ziel’ kan betekenen, maar in plaats daarvan verkondigt ze waarom dat zo is. Dat ene woord maakt de les ineens meer dan een eenvoudige taalles, het wijdt de leerlingen in een diepere waarheid in. Voor vlinder en ziel heeft het Grieks niet toevallig hetzelfde woord, er zit een waarom achter.

Aanvulling. Mieke Koenen meldt (via Facebook): Ook mooi om te weten: Gerhardt wilde de laatste regel niet afsluiten met een punt: om de oneindigheid van het blauw te tonen. Maar de zetters zetten er steeds weer een punt achter en op zeker moment gaf Gerhardt zich gewonnen

Die driftige en toch trage voetstap

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (155)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Sonnet voor mijn moeder

Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen,
Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant.
Wij horen in dit stormbevochten land
van kavels, tussen dijk en stroom geslagen.

Ik heb uw gang: die driftige en toch trage
voetstap, die onverzettelijke trant.
Uw harde hand herken ik in mijn hand,
onwrikbaar om de schrijfstift heengeslagen.

Machtig zijn wij, in liefde en in haat.
Gij hebt u doodgehaat, hatend het meest
uzelve, om de liefde die gij schond.

Ik ben genezen van het bitter kwaad.
En eer in stugheid, wie gij zijt geweest:
van mijn talent de donkere moedergrond.

(Ida Gerhardt, Het levend monogram, 1955)

Van alle stijlregels die gebroken kunnen worden is de stijlregel die zegt dat je geen woorden mag herhalen het duidelijkst een stijlregel die goede schrijvers regelmatig breken. Dit beroemde gedicht van Ida Gerhardt drijft er bijvoorbeeld op: de parallellie tussen het zwaar dragen de ik en het zwaar dragen van gij, van de hand van gij en de hand van ik, alsmede van beider liefde en haat. Lees verder >>

11 november 2018: Ida Gerhardt-symposium: Lucretius. De natuur en haar vormen

Ida Gerhardt. (Bron: WIkipedia)

Naar aanleiding van het Lucretius-proefschrift van Ida Gerhardt, 75 jaar geleden cum laude verdedigd aan de Universiteit Utrecht, organiseert het Ida Gerhardt genootschap in samenwerking met de VU (Mieke Koenen) en de UU (Keimpe Algra) een symposium. Dit symposium, met als titel Lucretius. De natuur en haar vormen, vindt op 11 november plaats in de Senaatszaal van het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht. Lees verder >>