Tag: Henriëtte Roland Holst – Van der Schalk

De machten die de liefde nog omkluistren


Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (140)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind – dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de groote zaligheid beginnen
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren
als in kleine schelpen de groote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten:
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

(Henriëtte Roland Holst - Van der Schalk)

Een van de succesvolste aspecten van de twintigste eeuwse syntactische theorie zal denk ik achteraf het werk zijn dat gaat over het gebruik van voornaamwoorden (ik schreef er eerder deze week al over): hoe komt het dat in de zin 'Jan dreigt Piet om hem te slaan' hem over Piet gaat (als je het over Jan wil hebben moet je zichzelf gebruiken) terwijl 'Jan denkt dat Piet hem wil slaan' hem juist over Jan gaat (als je het pver Piet wil hebben moet je zichzelf gebruiken.)  Het verschil heeft te maken met slaanhem gaat over iemand die niet het onderwerp is van slaan, en anders gebruik je zichzelf. Lees verder >>

Een gulp van den kostbaren levenswijn

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (139)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Begeerlijkheid, ’t willen proeve’ alle dingen,
dat is nu een van de erge gevaren :
de machtigste onder de belemmeringen
die versperren de weg naar ’t leven, ’t ware.

Een gulp van den kostbaren levenswijn
zwelgen we haastig en verstrooid naar binnen
en weer een, en weer een: ’t hart en de zinnen
blijve’ even dorstig, als waar ’t drinken schijn.

We moeten leeren, verlokking weerstaan,
en wat zich ons opdringt, leere’ af te weren :
hoe luid het schreeuwt, wij nemen het niet aan.
Wij moeten ons tot d’oude wijsheid keeren :
van haar, hoe door het àl te vele, leeren.
met evenwichtig hart te gaan.

Henriëtte Roland Holst – van der Schalk

Ik weet ook wel dat jullie de laatste tijd iedere zaterddagochtend met een rood potlood in de vingers klaar zitten om Henriëtte Roland Holst te beschimpen om haar gebrekkige metriek. Schande! Dat zijn toch geen jamben meer!

Ik vind dat jullie je daarin vergissen. Natuurlijk krijg je regels als de eerste van het bovenstaande sonnet niet in een jambische vorm geperst: Lees verder >>

Het geloof dat vlammend splijt den harden rots

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (138)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De maning stijgt uit diepe wezens-gronden:
‘Ga uit, zeg het geloof dat vlammend splijt
den harden rots van waanzin en van zonde
die ons van de blauwende verten scheidt.

Ja, zeg wat gij in uw hart hebt gevonden
aan zoete, lang-gepuurde zekerheid;
doe zoo mijn wil, van mij die door de monden
der menschen spreekt in die trompet ‘de tijd’.

Ik ga, o Stem. Als een kind aan de hand
van moeder gaat: in gewillig vertrouwen
en zonder omzien, vast in uw gena.

Ach levens-plannen, die van ’t klein verstand
maar maaksels zijt…… d’ oneindigheden bouwen
en wij zijn de steenen…… ik ga, ik ga.

(Henriëtte Roland Holst – van der Schalk)

Er zijn mensen die denken dat iedere taalverandering alleen maar tot enorme verwarring voert. Omdat ik bekend sta als een pleitbezorger van verandering – ik ben dat niet, ik denk dat het net zo weinig zin heeft om ervoor als om ertegen te pleiten, het gebeurt toch wel – komen mensen dan af en toe wijsneuzig dingen tegen me zeggen als dat lijden en leiden nu eenmaal heel verschillende dingen zijn. Of: ‘taal is leuker als je denkt’. Lees verder >>

Dat wrijten, al die kloven, al die scheuren

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (137)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Ge weet toch hart, die tegenstrijdigheden
dat wrijten, al die kloven, al die scheuren
zijn enkel door het onvolmaakt gebeuren
der liefde in ons hart en onze leden.

Ge weet toch dat zij d’eenheid is volstreden
van droom en daad? Het wonderlijk opbeuren
van ’t hart in beide? ’t menglen hunner kleuren
tot een puur licht van ongebroken vrede?

In ons hart vloeit de liefde traag en klein;
daarom, spinnen w’ een droom, blijft geen kracht over
voor daad; drinken we zijn schuimenden wijn

dan duistert van ons weg het droomgetoover.
Was liefde algroot in ons, om ons zou zijn
droomschoone daad, als zon-doorvloten loover.

(Henriëtte Roland Holst – Van der Schalk)

Dit gedicht hoort in iedere bloemlezing, vind ik. In de eerste plaats vanwege de krachtige tweede regel, met dat geheimzinnige en tegelijkertijd zo sprekende wrijten – waarom lees je dat woord nou nooit eens op Twitter of in De Telegraaf? Als je het in Google intikt, krijg je alleen ‘bedoelt u soms written?’ Lees verder >>

Zachte hoop die langs mijn wangen strijkt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (136)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Ook ik ben omstreeks ’t midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen
omhoog, en geen hemelsche oogen zagen
neer op mij, vanwaar hoog’re klaarte blauwt
m’in teed’re zorg omwakend, en met stage
stralen heffend naar waar men waarheid schouwt.

Mij leidt geen gids, als het eigen gemoed,
mij schoort geen steun, dan d’enk’le trouwe handen
die mij opbeuren als de kracht bezwijkt;
mij sterkt geen afgezant uit beet’re landen
dan soms het ruischen, als een vleugel doet,
van zachte hoop die langs mijn wangen strijkt.

Henriëtte Roland Holst (1869-1952)

De beste manier van lezen is, zoals bekend, jezelf dwingen hetzelfde nog een keer te zeggen in een ander taal en dan proberen alle stijlmiddelen na te volgen. Voor wie het talent daartoe ontbreekt is er ook een op één na beste manier: een vertaling naast het origineel leggen.  Lees verder >>

Het diepste leven is een schuwe hinde

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (135)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Het diepste leven is een schuwe hinde
die vlucht voor geraas en luide gezichten;
wie haar heerlijkheid voor zich wil òplichten
doen, moet met de stilte zich vaak verbinden.

De eenzaamheid moet worden zijn beminde
en voor de lokkingen mag zij niet zwichten
der wereld, maar in ’t hooge hout der dichte
gepeinzen, zijn wel van lafenis vinden.

Laat dan, verzadigd van innerlijk schouwen
hij, vast in heel zijn ingetogen loopen
vernieuwd, tot de menschen glimlachend gaan

om wat hij won deemoedig hun t’ ontvouwen;
maar ’t pad der stilte blijf’ hem altijd open
en hij zwerve daar nimmer ver vandaan.

Ik weet niet of er veel over hindes wordt gesproken buiten sonnetten. Ik weet ook niet of iemand een Nederlands sonnet kan lezen dat begint met een hinde en waarbij hij niet even aan Jan der Noot denkt en diens bewerking van een sonnet van Petrarca: Lees verder >>

Inwondig leven

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (134)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Over de heldere gedachte

Woorden zijn de oogen van de gedachte
en doen ons haar inwondig leven kond;
zij ontsluiten haar aard en of er grond
bestaat diens gebrekkigheid te verachten
dan of zij deugd’lijk blijkt, te weten: rond,
dat is: in zich volkomen; zaad en krachten
bevattend om uit haar nieuwe geslachten
te doen ontstaan; tot op haars harten grond

zoo helder en doorzichtig zijnde dat
men in de diepte hare kern ziet schijnen
gelijk een kleinood in kristal gevat
en mak’lijk als langs weidsche trappen van
paleizen dalende, in haar verdwijnen
en haar fundamenten bereiken kan.

(Henriëtte Roland Hols – Van der Schalk)

Als woorden echt de oogen van de gedachte zijn, hoe zit het dan met de zetfout? Het staat er echt zo, in dit sonnet van Henriëtte Roland Holst <een facsimile bij Het Geheugen van Nederland>: inwondig leven.  Lees verder >>

O, makkers, ’t pad gaat stijgend

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (133)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Hoe de menschen samengaan in de dagen der jeugd, en waardoor zij scheiden.

Opgetogen gingen de jongelingen
al wier gedachten in hun oogen welden,
eendrachtig, met harten, die niet ontstelden
over de afwijkende zielsverbeeldingen
in de oogen der and’ren, die hen verzelden,
want elks eigene droomen en verwachtingen
hingen tusschen hem en alle and’re dingen
zooals een nevel hangt over de velden.

Zoo ging ‘t, tot waar de weg als kruis zich scheidde.
Toen sprak er een ‘O, makkers, ’t pad gaat stijgend:
nu moed, den bergen toe’. En de and’re ‘ik dacht’
dat ge als wij dien stroom volgen woudt langs weiden.
Toen wendde zich de derde, droef en zwijgend
en eenzaam verdwenen zij in den nacht.

De beroemdste regels van Henriëtte Roland Holst komen waarschijnlijk uit haar vertaling van De internationale, hét socialistische strijdlied: Lees verder >>

Plekkend beschenen witte heerlijkheden

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (132)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Schemering is het doodgaan en vertrekkend
begeven van dingen die zijn gegleden
meê met den dag, en steunde’ als vertrouwdheden,
en ware’ als scheidingen, wegen behekkend.

Plekkend beschenen witte heerlijkheden
van dag den morge’, en onbevreesd zich trekkend
was daaraan op ’t hart dat nu is zich rekkend
uit, wanhopig, naar de vreemde leegheden

van den avond en zijn gemaskerd gezicht; –

maar de dingen die hem zullen behooren
houden hun oogen nog zoo vragend gericht, –
en de verledenheên hebben verloren
hun glans, en liggen van al hun bekoren
leeggeloopen, met een verdrietig gezicht. –

“Behalve de woorden”, schreef de criticus Albert Verwey over dit sonnet van Henriëtte Roland Holas, “hebben ook de voetmaten en de rijmen dat losse gekregen dat hen geschikt maakt tot onmiddellijke weergave van gewaarwording.”

Het sonnet trekt zich inderdaad niet al te veel aan van heel strenge eisen die sommigen zouden kunnen stellen aan ‘voetmaat’: Lees verder >>

Diep natuur-gebeuren

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (131)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Land-arbeider

Gij die gebogen over d’ aard, haar geuren
insnuift, en meedraagt door uw stoplig haar,
u zoent de zon op ’t lijf, windbeten kleuren
uw vel, wolkentranen dringen tot waar

uw wezen wortelt. Door heel ’t ronde jaar
leit ge aan d’ ingang van diep natuur-gebeuren
als aan diep woud: uit haar geluiden beuren
uw zinnen veel gemijmer, wijsheid-zwaar.

Maar nog omhullen wolligtrage dampen
uw brein, zooals boven drassigen grond
de nevels staan in troebelwitte meeren.

O hef het hoofd op! over d’ aardsche kampen
strijkt reinigend een sterke en ruime wind:
hij blaast de nevels voor zich uit als veeren.

(Henriëtte Roland Holst – Van der Schalk)

Het woord gebeuren is geloof ik alweer weg. Het was een woord waaraan je je zo’n jaar of dertig geleden vreselijk kon ergeren, het soort woord dat de managers van die tijd de hele tijd zeiden. Mijn vrienden en ik gebruikten het ook wel voor de grap met elkaar: ‘het poëziegebeuren’. En het piepgebeuren van Koos Koets natuurlijk: Lees verder >>

Der zachtheid kindren, eeuwig goed en rein

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (130)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Die helden zijn het niet, wier streelend spreken
mensche’-oogen met de zachtste tranen vult,
wen eind’loos geve’ in zachtmoedig geduld
’t verharde in hun komt als mei-regen weeken.

’t Zijn zij, die hun hart opendoen en leken
daaruit in andrer, waar ’t mede is gevuld,
die òp-leve’, als een hart door hen vervuld
van liefde ontbloeit, en zonder dat bezweken
aan weggedronge’ en niet-verstane pijn.

En, schoon wetend welke wijsheid leert leven
leedloos, willen zij tòch niet anders zijn:
’t leed is hun lief, als liefde ’t heeft gegeven.

Zij schreien vaak, maar blijve’ in ’t harde leven
der zachtheid kindren, eeuwig goed en rein.

Lees verder >>

Gene beginnen hoopvol een vergeefsche reis

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (129)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Waarom is gene verdwenen? Wat mankeerde eraan zodat we nu niet meer kunnen zeggen deze gaan naar school en gene blijven thuis? Het was toch vreselijk handig om dat te kunnen doen, en is op dit moment toch niet minder nodig dan het ooit was? Waarom is het dan in onbruik geraakt? We zouden dan nog sonnetten zo strak kunnen opbouwen als Henriëtte Roland Holst deed:

Deze tijden, met heftige gebaren
hebben de walmende lichten gedoofd,
die de menschen beschenen, die voorheen waren,
nu zijn ze walm-bevrijd en licht-beroofd.

Met aarzelen besteden ze hun jaren,
zwaar valt de keuze aan het bestoken hoofd:
’t oude is een gapend pakhuis, leeg van waren,
en vormloos vaag, wat zelf zich ’t nieuwe looft.

En déze schuilen nog met hun gedachten
in ’t sidderend bouwvallige paleis,
dat uitgewoond werd door vele geslachten.

En géne, die droom-oogen maakten wijs
de verre wolke’ een land vol wondren te achten
beginnen hoopvol een vergeefsche reis.

Lees verder >>

Hun woorden valle’ in holen van mij

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (128)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Het is een belangrijke, maar makkelijk te verwaarlozen functie van taal: de onderlinge verbondenheid van mensen uitdrukken. In de taalkunde wordt de functie vaak verbonden aan het werk van Robin Dunbar, die meende dat taal voor de mens was wat vlooien is voor de chimpanzee – laten zien dat je bij elkaar hoort. Toen de mens in relatief grote groepen ging leven, lukte dat niet meer door bij alle andere mensen aan de huid te gaan zitten plukken. Dus werd de roddel uitgevonden – het ultieme sociale cadeautje dat je iemand kunt geven. En voor roddelen heb je taal nodig.

 Maar eigenlijk doet het er niet eens toe wát iemand zegt, en zelfs áls iemand iets zegt, kan de taal die verbindende functie toch ineens verliezen. Zoals Henriëtte Roland Holst – Van der Schalk schreef in een sonnet dat Over onderlinge vervreemding en verlatenheid heette (Roland Holst was een meesteres van de titel): Lees verder >>

Mijn de makkelijke en onbenepen wellende sprakingen (of niet)

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (127)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

‘Bewust moeizaam geformuleerd’ noemde de literatuurhistoricus Jacqueline Bel de beginregels van dit sonnet van Henriëtte Roland Holst – Van der Schalk, aan het begin van haar debuut Sonneten en gedichten in terzinen geschreven. Ze wilde er volgens Bel mee laten weten dat ze genoeg had van “de gemakkelijke taal” van Kloos en Van Deyssel, maar “moeizaam geformuleerde [alweer], naar binnen gekeerde verzen.”

Niet mijn de makkelijke en onbenepen
wellende sprakingen, niet d’ongestoorde
gebaren die glijen gelinde door de
ruime atmosfeer: lustig zeilende schepen.

Niet mijn van joelende en brood-dronken woorden
frazig gepraal, als wapperende reepen
feestelijk doek – en niet mijn de gegrepen
handen, de heftige oogen, de verstoorde

gedragingen, alle die òn-bereiklijk.
Maar mijn de magistrale en als kalmatie
werkende aandacht, mijn het heusch bejegene’
en volge’ in willige overgang – en rijklijk
mijn ’t straffe tegenstribb’le’ en stugge tegen-
houden van ’t ongewilde in serieuse statie.

Lees verder >>