Tag: grammatica

Een Galenus-dwaling in de grammatica

door Freek Van de Velde

Respect voor oude opvattingen, of voor de wetenschappers die met die opvattingen zijn komen aanzetten, kan een helder inzicht soms in de weg zitten. Aristoteles’ idee dat vrouwen minder tanden hadden dan mannen is lang onbetwist gebleven. Niemand dacht er blijkbaar aan ook eens in de mond van vrouwen en mannen te gaan kijken, en het aantal tanden te tellen. Misschien zat het tandbederf in de middeleeuwen daar wel voor iets tussen. Ook andere anatomische opvattingen zijn pas laat bijgesteld.

Lees verder >>

Overigens verboden toegang

Er is wat mij betreft nauwelijks een prettigere weekendinvulling denkbaar dan het maken van een flinke wandeling in de natuur. Zo maakte ik enige tijd terug een wandeling op de Veluwe, meer precies in het natuurgebied Planken Wambuis. Dit gebied is vrij toegankelijk op wegen en paden, met uitzondering van het rustgebied. Om de bezoekers te herinneren aan deze regels heeft de Vereniging Natuurmonumenten her en der bordjes geplaatst. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik doorgaans niet zo let op deze bordjes, maar nu viel mijn oog ineens op de mededeling links onderaan waar verwezen wordt naar een specifiek wetsartikel uit het Wetboek van Strafrecht. Deze mededeling luidt als volgt: Overigens verboden toegang artikel 461 W.V.S..

Lees verder >>

De weerbarstige grammatica’s van het 17e-eeuwse Standaardnederlands

door Machteld de Vos

Sinds januari ben ik bezig met mijn promotieonderzoek. Onder begeleiding van profs. Nicoline van der Sijs en Helen de Hoop onderzoek ik hoe de normen en regels voor het zich ontwikkelende Standaardnederlands in de 17e eeuw zijn verbreid en algemeen aanvaard zijn geraakt, aan de hand van een 17e-eeuws krantencorpus dat onlangs via crowdsourcing beschikbaar is gekomen.

Lees verder >>

Grammatica leren

Door Marc van Oostendorp

Terwijl ze allerlei andere dingen ook moeten leren, ontwikkelen jonge kinderen ook inzicht in de grammatica van hun taal. Hoe leren ze bijvoorbeeld het verschil tussen zelfstandig naamwoorden en werkwoorden? In ieder geval van een deel door goed te luisteren naar de vorm van die woorden, zo blijkt uit onderzoek.

Lees verder >>

Wie komt hun of hen te hulp?

Door Ton van der Wouden

Het Nederlands heeft al eeuwen geen derde naamval (datief) meer. Dat heeft de architecten van onze standaardtaal er in de zeventiende eeuw evenwel niet van weerhouden om een onderscheid te construeren tussen hem (4e naamval enkelvoud mannelijk) en hom (3e), en tussen hen (4e meervoud) en hun (3e). Hom heeft het niet gered, maar het opgelegde verschil tussen hun (indirect object) en hen (direct object en na voorzetsels) bestaat tot op de dag van vandaag. Niemand maakt spontaan het onderscheid, maar het heeft zich gaandeweg ontwikkeld tot een sociale markeerder die je kunt gebruiken om te laten merken dat je niet van de straat bent. Onze middelbare scholen zijn de erfgoedinstellingen die deze folklore bewaren en haar doorgeven aan de volgende generaties.

Lees verder >>

Nieuwe website: StreamGram

Wie waar ook ter wereld een lezing wil bijwonen over de theorie van de grammatica, hoeft daarvoor voortaan niet meer in het vliegtuig te stappen. Dat is de ambitie van de initiatoren van StreamGram, een nieuwe website dat zulke lezingen voortaan gratis streaming wil aanbieden. Bovendien moet zo een archief worden opgebouwd met lezingen uit het verleden.

StreamGram vindt u hier.

Grammaticaonderwijs leidt tot taalfouten door hypercorrectie

(Persbericht Radboud Universiteit)

Het aanleren van regels voor bepaalde grammaticaconstructies kan leiden tot het maken van fouten in andere grammaticaconstructies. Dit blijkt uit onderzoek onder ruim driehonderd middelbare scholieren door taalwetenschappers van de Radboud Universiteit dat op 6 februari verscheen in Applied Linguistics. De onderzoekers pleiten voor een andere aanpak van grammaticaonderwijs.

De onderzoekers keken naar de prestaties van meer dan 300 middelbare scholieren op het gebruik van ‘hun’ en ‘hen’ en ‘als’ en ‘dan’. ‘Onze eerste conclusie is dat leerlingen heel goed scoren op de constructies waaraan veel aandacht besteed wordt op school en in de samenleving. Zo werden er bijzonder weinig fouten gemaakt van het type “groter als” en ‘hun hebben”, aldus Ferdy Hubers, één van de betrokken onderzoekers. Wat vaker fout ging, waren zinnen met ‘hun’ als meewerkend voorwerp en ‘twee keer zo groot als’. Leerlingen kozen hier vaak voor respectievelijk ‘hen’ in plaats van ‘hun’ en ‘dan’ in plaats van ‘als’. Lees verder >>

Daarheen is fout! De nieuwe grammaticaregel 2018

Door Marc van Oostendorp

Jullie hebben de afgelopen weken niet gehoord van de jury van de Prijs voor de Nieuwe Taalregel 2018. Dat kwam natuurlijk doordat deze jury zo’n lastige taak had. Er zijn verschillende regels ingezonden die heel aanlokkelijk zijn en die we stuk voor stuk graag aan de Nederlandse grammatica zouden toevoegen. Ze zouden de Nederlandse taal niet alleen logischer maken, maar ook voldoende tegen het taalgevoel ingaan om ervoor te zorgen dat onze taal alleen nog geschikt is voor specialisten. (De regels zijn hier uitvoeriger uitgelegd.)

Uiteindelijk kan er natuurlijk maar één regel per jaar worden toegevoegd aan de Nederlandse taal. We hebben daarom een keus moeten maken. Voor de duidelijkheid: alleen regels die via onze website zijn ongezonden konden meedingen, regels die ons via sociale media bereikten, waren uitgesloten. Ontwerpers van succesvolle regels moeten zich wel zelf aan de regels houden!

Uiteindelijk waren er drie serieuze kandidaten. Ik noem eerst de twee die het op het nippertje niet gehaald hebben, bij wijze van troostprijs. Lees verder >>

Nee, dankjewel

Door Riny Huijbregts

Naar aanleiding van een onderzoek van N.J. Enfield (MPI, Nijmegen) en collega’s naar hoe, en hoe vaak, universele gevoelens van dankbaarheid en sociale reciprociteit in verschillende taalculturen worden uitgedrukt, merkt mede-auteur Mark Dingemanse in de wetenschapsbijlage van NRC (24 mei 2028) terecht op dat er ook andere dingen zijn om je druk over te maken dan het “in kaart brengen van grammaticale structuren.” Hij zegt letterlijk: “Maar het is net zo belangrijk om te begrijpen hoe taal in het echt gebruikt wordt.” Hier wordt gesteld dat inzicht in het “echte” gebruik van taal “net zo belangrijk” is als inzicht in grammaticale structuren.

Triple I

De keuze van de uitdrukkingen “echt” en “net zo belangrijk” is hier uiterst ongelukkig en geeft blijk van een haast onuitroeibaar dogmatisch denken dat taal gelijkstelt aan communicatie, of tenminste communicatie als primaire functie van taal aanwijst. Maar deze gedachte is volstrekt onjuist. Talige communicatie vooronderstelt taal en niet omgekeerd. Onderzoek naar structuur van taal heeft daarom intellectuele voorrang boven onderzoek naar het gebruik ervan. Lees verder >>

Over het ‘en passant’ toetsen van spelling en grammatica in het Centraal Eindexamen Nederlands

Door Michel Couzijn

Over het Centraal Eindexamen Nederlands wordt veel geklaagd. Over de teksten, over de vragen, over de beoordeling en nog zo wat. Sinds vorig jaar kunnen de klagers hun ongenoegen op een nieuw aspect richten: de aftrekregeling voor taalgebruik.

Het CE Nederlands toetst tekstbegrip – leesvaardigheid dus – plus een beetje argumentatieleer. Recent werd in de landelijke media de klacht geuit dat de opvatting van leesvaardigheid die aan het CE Nederlands ten grondslag ligt, weinig valide zou zijn. In de zin van: weinig relevant voor de leesvaardigheden die leerlingen in vervolgopleidingen en in het maatschappelijk leven tentoon moeten spreiden. Mede om die reden is bijvoorbeeld de ‘geleide samenvatting’ uit het hv-examen verdwenen.

Vorig jaar werd er een nieuw domein toegevoegd aan ‘wat het examen toetst’: schrijfvaardigheid. Nu ja, enkele aspecten daarvan, te weten spelling en grammatica. Omdat de noodzaak werd gevoeld leerlingen op dit vlak centraal de maat te nemen, zonder een aparte taaltoets in te voeren. Een poging om een apart CE Schrijfvaardigheid in te voeren, strandde onlangs op de gebrekkige validiteit daarvan. Lees verder >>

Juweeltjes uit de boekenkast

Door Robert Chamalaun

Een groot voordeel van verhuizen is dat het de ideale gelegenheid is eens kritisch door je eigen boekenkast te gaan. Aangezien ik onlangs verhuisd ben, werd ook ik gedwongen eens goed te kijken naar hetgeen ik in mijn boekenkasten had staan. Tijdens het inpakken stuitte ik op enkele juweeltjes, met helaas wel als gevolg dat ik aan het einde van de dag slechts enkele dozen ingepakt had.

Een van die boekjes is een taalboek met de welluidende titel ‘Door voortdurende herhaling tot kennis – Taalboek, bijzonder voor hen, die vreemde talen willen leeren’. In dit boek richt de auteur, C. Willems, een ‘Hoofd eener R.K. Jongensschool’, zich op ontleding en naamvallen.

Het exemplaar in mijn boekenkast is uitgegeven door A. Malcorps, uitgever te ’s-Hertogenbosch, helaas zonder vermelding van een jaartal. Lees verder >>

Pas verschenen: Nicolaas Hinlópen, Eerste trekken eener Nederduitsche spraekkonste

In de reeks Cahiers voor taalkunde is pas verschenen:

Nicolaas Hinlópen, Eerste trekken eener Nederduitsche spraekkonste. Uitgegeven en ingeleid door Roland de Bonth, Jan Noordegraaf en Gijsbert Rutten.

Nicolaas Hinlópen (1724-1793) was actief op het gebied van de Nederlandse taal- en letterkunde en een prominent lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. In de Leidse Universiteitsbibliotheek bevinden zich taalkundige teksten van Hinlópen, die aan een grammatica van het Nederlands werkte. Een deel van de teksten is overgeleverd in drukproeven, een ander deel in handschrift. Deze uitgave presenteert Hinlópens taalkundige teksten, waaraan een inleiding op de persoon Hinlópen en zijn neerlandistische activiteiten voorafgaat.

Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU & Münster: Nodus Publikationen. ISBN: 978-90-8880-032-0 / 978-3-89323-538-4. 102 blz. Prijs: € 12,50

Te verkrijgen bij: Stichting Neerlandistiek VU (info@jnoordegraaf.nl) en Nodus Publikationen (dutz.nodus@t-online.de).

Naar een herziening van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS)

Op 1 oktober 2015 is een meerjarig project van start gegaan waarin taalkundigen van twee Nederlandse  en twee Vlaamse universiteiten – de Radboud Universiteit (Nijmegen), de Universiteit Leiden, de Universiteit Gent en de Katholieke Universiteit Leuven – samen werk maken van een grondige update van de Algemene Nederlandse Spraakkunst, kortweg de ANS. Het project wordt in belangrijke mate gefinancierd door de Nederlandse Taalunie.

De ANS, waarvan de eerste editie in 1984 en de tweede herziene versie in 1997 verschenen is, beschrijft uitvoerig de grammatica van het hedendaagse Nederlands (woordsoorten, woordvorming, zinsdelen en zinsbouw). Dit boek is bedoeld als referentiewerk voor een breed publiek van  professionele en niet-professionele gebruikers binnen en buiten het taalgebied . Van dit Nederlandstalige naslagwerk is in 2002 een online gratis raadpleegbare versie beschikbaar gekomen, de E-ANS, die inhoudelijk identiek is aan de  gedrukte versie van 1997.

Is onze taal niet toe aan groot onderhoud?

Onverwachte taalvragen aan de Nationale Wetenschapsagenda (10)

Door Marc van Oostendorp

Zou het verschijnsel van het gezonken cultuurgoed ook in de natuurwetenschappen bestaan? Dat je inzichten moet bestrijden die honderd jaar geleden inderdaad gebruikelijk waren, maar dat inmiddels onder onderzoekers niet meer bestaan? Je hebt natuurlijk mensen die de evolutietheorie ontkennen, maar dat is toch wat anders – ik geloof niet dat zulke mensen dan in plaats daarvan lamarckianen zijn.

In de menswetenschappen is het schering en inslag: terwijl onderzoekers een bepaalde manier van kijken onderhouden, halen hun tijdgenoten hun schouders op over zoveel wereldvreemdheid. En als de onderzoekers erachter komen dat die manier van kijken inderdaad niet werkt, begint die oude manier van kijken door te sijpelen en wordt voortaan als de normale beschouwt.
En zo denken sommige mensen nog hetzelfde als zeventiende-eeuwers over taal, getuige vragen aan de Nationale Wetenschapsagenda als de volgende:

Hoe correct is deze zin?

Door Lucas Seuren

In een stripcolumn van de NRC vertelde Renske de Greef dat ze zich ergert aan mensen die hun waardering uitspreken via constructies als “hoe leuk is dat?” Een van de problemen die ze benoemt is dat mensen een taaltechnisch nogal kromme vraag gebruiken als uitroep. Uiteraard gaan mij bij dan gelijk radartjes draaien. Is het überhaupt een vraag? Is het inderdaad een merkwaardige taalconstructie? En gebruiken we vraagzinnen niet vaker als uitroep?

Laten we eerst eens kijken naar de grammatica. Op het eerste gezicht lijken we inderdaad te maken hebben met een vraagzin. Er staat namelijk een vraagwoord (hoe) vooraan de zin. Maar daar kan een kanttekening bij geplaatst worden, want het vraagwoord is gecombineerd met leuk; de twee functioneren als een eenheid in de zin. En de combinatie van een vraagwoord met een ander woord is een typische manier om in het Nederlands een uitroep vorm te geven – de ANS heeft het dan ook over uitroepende voornaamwoorden.
Wat gaaf is dat!
Wat een mooie auto rijdt daar!

Lachen jullie maar

door Gaston Dorren

In de gebiedende wijs laten we het onderwerp meestal weg, maar niet altijd, schrijft Hans Bennis in zijn boek Korterlands (net verschenen, met veel plezier gelezen). Voorbeeld: de zin Doe jij eens niet zo raar is even correct als Doe eens niet zo raar. Bennis noemt dat op bladzijde 144, in het kader van een hele redenering. Ik ruk het hier even uit zijn verband omdat het me aan het denken zette – dat doet Korterlands wel vaker.
Beide zinnen kloppen natuurlijk, maar het verraste me dat de schrijver in beide een gebiedende wijs ziet. Het feit dat doe qua vorm overeenkomt met een gebiedende wijs, met de stam van het werkwoord dus, bewijst op zich niets. In Doe jij dat graag? en Daarom doe jij dat graag ziet het werkwoord er ook uit als een gebiedende wijs, zonder het te zijn.
Toch denk ik dat Bennis gelijk heeft, en wel op grond van het enige Nederlandse werkwoord met een (gangbare) gebiedende wijs die niet hetzelfde is als de persoonsvorm gevolgd door jij, te weten zijn. Wees jij eens niet zo eigenwijs klinkt me grammaticaler in de oren dan Ben jij eens niet zo eigenwijs.
Lees verder >>

Nederlands voor taalhelden: een gemiste kans?

Alle eerstejaarsscholieren van het middelbaar onderwijs in Nederland en Vlaanderen hebben op 1 september 2014 een gratis taalboekje gekregen van de Nederlandse Taalunie: Nederlands voor Taalhelden. Volgens een bericht op de website vande Taalunie is het ‘niet bedoeld als leerboek, wel als naslagwerk. Het is getoetst aan het referentieniveau Nederlandse taal dat in Nederland voorgeschreven wordt voor de beoogde leeftijd en bij wat er in Vlaanderen in het secundair onderwijs aan taalkwesties moet worden behandeld. De terminologiekeuze is afgetoetst aan de Advieslijst Taalbeschouwelijke termen Nederlands.’ Verder lezen we dat het boekje dankzij de uitgevers Van Dale en Pelckmans gratis werd uitgedeeld aan 300.000 leerlingen ter gelegenheid van de start van het nieuwe schooljaar. Bovendien is het ook in de boekhandel verkrijgbaar voor 4,99 euro.


Ik ben geneigd om te zeggen: een toost op dit voortreffelijk initiatief! We leggen de lat hoog voor de talen, speciaal voor de moedertaal, en zijn dus blij met elke actie die daartoe wil bijdragen. Maar bij nader toezien is het toch wel een wat vreemde gang van zaken.
Lees verder >>

Doe mosz dich de naas poetse


Door Leonie Cornips

Ergens weten we wel dat we veel vaker zich of een vorm daarvan als me en je zeggen en andere typen zinnen daarmee maken dan in het westen gebruikelijk is. Het viel mij pas op toen ik Nederlandse Taalkunde studeerde in Amsterdam. Ik ging ervan uit dat ik Nederlands sprak omdat dialect thuis niet aanwezig was. Maar tijdens de colleges taalkunde bleek pas goed dat ik heel andere oordelen over zinnen had dan mijn medestudenten en de tekstboeken. Die boeken beweerden dat zinnen als ‘Hij kocht zich een flesje Coca-Cola’ geen Nederlandse zin zou zijn. Pas veel later las ik precies deze zin terug in een van de romans van W.F. Hermans.
Het Nederlands kent wel zich maar nog niet lang want het komt pas ergens tussen 1600 en 1700 voor het eerst voor. In het Amsterdams zei of schreef men ‘hij wast hem’ in de betekenis van ‘hij wast zich’. En ook nu zeggen oudere sprekers in Noord-Holland nog even makkelijk ‘hij wast hem’ terwijl ze ‘hij wast zich’bedoelen.
Een andere type zin waar iedereen tevergeefs in grammaticaboeken van het Nederlands naar zal zoeken is: ‘Doe mosz dich denaas poetse’ – opgetekend in Heerlen in 1884 – of ‘Je moet je de neus snuiten’. Ze kwamen vroeger in het Nederlands wel voor maar zijn verdwenen. Alleen in idiomatische uitdrukkingen leven ze voort: ‘Ik snoer hem de mond’ en ‘Hij hangt me de keeluit’.

Lees verder >>

Officiële opening Taalportaal.org


Op zaterdag 1 februari 2014 vindt tijdens de Grote Taaldag in Utrecht de officiële opening van Taalportaalplaats. De doelstelling van dit virtuele instituut is om alle bestaande kennis over de Nederlandse en Friese grammatica digitaal beschikbaar te maken voor een internationaal publiek.
De afgelopen drie jaar hebben onderzoekers van het Meertens Instituut, de Fryske Akademy, het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht samengewerkt aan een toegankelijke online grammatica van het Nederlands en het Fries. In een Wikipedia-achtige omgeving worden zowel de woordstructuur en de klankstructuur als de zinsstructuur van het Nederlands en het Fries beschreven. Het Taalportaal beschrijft hoe de hedendaagse grammatica van het Nederlands eruitziet, op basis van bestaande publicaties. Omdat de grammatica van het Nederlands verandert, zal de informatie in de toekomst up-to-date worden gehouden. In Zuid-Afrika zijn inmiddels uitgewerkte plannen om ook het Afrikaans, de dochtertaal van het Nederlands, toe te voegen.

Lees verder >>

Stramme fossielen

door Gaston Dorren
Dat het Nederlands nog wat kliekjes overheeft van de aanvoegende wijs, moge bekend verondersteld worden. Ik heb het over werkwoordsvormen als leve (de koning), zij (het) en ware (het niet).
Dat het hier om kleine restjes gaat, blijkt niet alleen uit de betrekkelijke zeldzaamheid van zulke vormen, als schaarse stipjes in een menigte van aantonende en gebiedende en onbepaalde wijzen. Er is nog een andere aanwijzing voor: ze worden vaak niet meer vervoegd.

Lees verder >>

Tussenwerpsels, P.C. Hooft en Van Dale Nederlands-Italiaans

Door Marc van Oostendorp

Het Italiaans was het Engels van de zeventiende eeuw: de taal die je leerde als je jong was en op de hoogte wilde zijn van de nieuwste ontwikkelingen in cultuur en wetenschap. Er waren dan ook veel vooraanstaande Nederlandse intellectuelen die de taal leerden.

Minne de Boer heeft de leerboeken en Italiaanse grammatica’s bestudeerd die indertijd hier gepubliceerd werden. Onlangs verscheen zijn boek Écrire la grammaire italienne aux Pays-Bas, waarin hij zijn onderzoek naar dit onderwerp verzamelde.

Centraal in het boek staat de fascinerende taalkundige Lodewijk Meyer en zijn Italiaansche spraakkunst (Italicæ Compendiosa Instituti). Dat boek was meer dan zomaar een leerboek; het was gebaseerd op een gedachte: dat je eerst moet begrijpen wat taal in het algemeen is voordat je een specifieke taal goed kon leren.

Precies vanwege dat idee is Meyers boek interessanter dan zomaar een leerboek.

Lees verder >>

Al dat gemaar

Over het verschil tussen functiewoorden en inhoudswoorden
Door Marc van Oostendorp
Een van de fundamentele splitsingen in de grammatica is die tussen inhoudswoorden en functiewoorden. De eerste groep zijn zelfstandig naamwoorden als dropje en baret, werkwoorden als sjoemelen en verfomfaaien en bijvoeglijk naamwoorden als enthousiast en gespikkeld. Het zijn, zoals de term suggereert, woorden met een duidelijke eigen inhoud. Bovendien groeit dit deel van de woordenschat iedere dag (ponypletter, konijnenfluisteraar, kabouternationalisme). 
De functiewoorden zijn bijvoorbeeld lidwoorden (de, het, een), voegwoorden (omdat) of hulpwerkwoorden (hebben, zullen, kunnen) met veel minder betekenis. De groep functiewoorden groeit niet of nauwelijks. De laatste dag dat het Nederlands een nieuw lidwoord verwierf ligt alweer enige tijd achter ons.

Taalkundigen gaan er vaak vanuit dat de grens tussen functie- en lexicale woorden heel scherp is. Maar volgens een nieuw artikel van Marijke De Belder en Jeroen van Craenenbroeck is de grens tussen functiewoorden en inhoudswoorden vaag.
Lees verder >>

Onze Taalfout

door Gaston Dorren
Het Nederlandse naamvalssysteem is ongeveer zo actueel en relevant als het Indisch koloniaal recht of dat klassieke kookboek, ‘Heerlycke recepten met dodovleesch en -eiers’. De naamvallen zijn (buiten de voornaamwoorden) niet alleen in onbruik geraakt; wat er nog van over is, wordt niet meer begrepen.
Ter illustratie, om niet te zeggen ten bewijze, wil ik hier het net verschenen meinummer van Onze Taalter tafel brengen (of ten tonele voeren). Jacco Snoeijer schrijft daarin dat deurwaarders ‘een warme band [hebben] met het multifunctionele voorzetsel te, bij voorkeur te gebruiken in de tweede naamval. Een willekeurige greep levert op: te eniger tijd, te gelegener tijd, ten verzoeke, ten titel (…).’

Lees verder >>