Tag: geschiedenis van de taalkunde

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 4

door Jan Stroop

Tekenaar De l’ Orme, juffrouw Francken, juffrouw Nieuwkerk, mijn vrouw en mijn zoontje, én de stoel van mevrouw Daan.

De afdeling Dialectologie telde eind 1966 vier vaste medewerkers: mevrouw Daan, hoofd van de afdeling, Henk Heikens en ik, beiden wetenschappelijk ambtenaar, en Reimer van der Schaaf, die de administratie deed. Af en toe kwam er ook wel eens een student wat werk verrichten. Daarnaast waren er twee dames die part time werkten: Juffrouw Francken, oud-onderwijzeres, die mevrouw Daan assisteerde bij haar werk aan de ANKO (de Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling) en ook dialectopnames maakte, en juffrouw Nieuwkerk, die correctiewerk deed.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 3

door Jan Stroop

Mijn zoontje op bezoek op ’t Dialectenbureau, op z’n eerste verjaardag, 26 oktober 1966; voor hem drie stapels fiches

Ik kreeg opeens een idee. Oom en tante woonden in een bovenhuis aan de Sarphatistraat, vlak bij de Muiderpoort. Ik had in ’t verleden vaak bij ze gelogeerd. En dat was altijd leuk geweest. Misschien zouden ze me nu wel tijdelijk onderdak willen geven. En dat bleek ’t geval te zijn. Probleem opgelost. Bovendien: de Sarphatistraat is op loopafstand van de Nieuwe Hoogstraat: je loopt de  Plantage Middenlaan af en dan ben je er praktisch al.

Lees verder >>

​Mijn leermeester

Door Marc van Oostendorp

Vandaag gaat Ben Hermans met pensioen, degene door wie ik fonoloog ben geworden, degene die er voor heeft gezorgd dat ik van de duizenden bloemen in het boeket van de wetenschappen heb gekozen voor de klankleer.

Ben is een geleerde die je niet snel vergeet,en die op vrijwel alle collega’s een onuitwisbare indruk heeft gemaakt. Vooral vanwege zijn enorme hartstocht. De manier waarop hij een lezing gaf en dan zo precies wilde uitleggen wat zijn nieuwe idee was dat hij niet voorbij de eerste van de acht pagina’s tellende hand-out kwam. (De manier waarop hij eens met een krijtje op het bord achter hem wilde schrijven, ware het niet dat er ijselijke kreten uit de zaal klonken, want dat bord was eigenlijk een oud schilderij.)  Zijn duidelijke meningen over politiek en godsdienst. Zijn identiteit die toen we allebei in Tilburg werkten heel Limburgs was en toen we in Amsterdam werkten veel Brabantser werd. Zijn enthousiasme voor eindeloze gesprekken. Lees verder >>

Zestig jaar kleurloze groene ideeën

Door Marc van Oostendorp

Dit jaar bestaat de beroemdste zin uit de taalkundige literatuur 60 jaar: ‘Colourless green ideas sleep furiously’. In 1957 verscheen Syntactic Structures, het boekje dat Noam Chomsky in één klap beroemd maakte.

Er verschijnt binnenkort een boek waarin een aantal syntactici het verschijnen van dat boekje vieren en sommige van die artikelen staan inmiddels her en der online. Bijvoorbeeld het artikel van de Amerikaan Robert Berwick over die ene zin.

Chomsky gebruikte die zin om twee dingen aan te tonen. In de eerste plaats dat er verschil is tussen vorm en betekenis. De zin betekent niets, of alleen maar onzin, maar hij is wel degelijk grammaticaal welgevormd. In dat opzicht verschilt hij van andere combinaties van dezelfde woorden:

  1. Colourless green ideas sleep furiously.
  2. Furiously sleep ideas green colourless.

Lees verder >>

De Cours besproken: 100 jaar later

Door Jan Noordegraaf

In 1991 was het vijfenzeventig jaar geleden dat de Cours de linguistique générale van Ferdinand de Saussure (1857-1913) in druk verscheen. Naar aanleiding daarvan werd in november van dat jaar onder het motto ‘75 jaar Cours’ aan de Vrije Universiteit in Amsterdam een symposium gehouden waarin ‘Saussuriaanse concepties’ ter discussie werden gesteld (cf. Forum der Letteren 33 (1992), 3-34). Het Nederlandse eeuwfeest van de Cours heb ik eerlijk gezegd gemist. Honderd jaar geleden verscheen de eerste Nederlandse recensie van de Cours de linguistique générale. In april 1917 namelijk werd in het tijdschrift Museum. Maandblad voor philologie en geschiedenis een bespreking van de Cours gepubliceerd door de Groningse hoogleraar Albert Kluyver (1858-1938). Deze neerlandicus, een oud-leerling van Matthias de Vries (1820-1892) en voormalig redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal, schetste daarin een beeld van een ‘voorloopig ontwerp van een boek dat de Saussure misschien nooit zou hebben afgemaakt’ (Museum 24, kol. 153-156). Men moet niet vergeten, merkte Kluyver op, ‘dat dit boek niet een geheel uitgewerkt systeem is, maar dat het slechts ongeveer aangeeft wat de Saussure in zijne colleges heeft gezegd’. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik)

Door Jan Stroop

Dat ik begin 1966 solliciteerde bij ’t Dialectenbureau kwam door mijn promotor, prof. Weijnen. Die was er steeds op uit om zijn afgestudeerden aan een baantje te helpen. En dat lukte hem aardig:  het hele Instituut voor Lexicologie in Leiden bijvoorbeeld zat er vol mee: Piet van Sterkenburg, Hans Heestermans en Fons Moerdijk. Allemaal West-Brabanders trouwens, net als ik. Omdat er in Leiden geen vacature was, zocht Weijnen elders een betrekking voor me. Zo ging dat toen. Weijnen kende Jo Daan natuurlijk, ze waren collega’s en ze zaten in dezelfde commissies, en zo hoorde hij van haar dat er op ’t Dialectenbureau in Amsterdam een vacature was ontstaan. “Dat lijkt me wel iets voor u, mijnheer Stroop (we vousvoyeerden nog)”. Je kon op zo’n suggestie moeilijk ‘nee’ zeggen, maar ik was al lang blij dat ik niet naar dat ’t Woordenboek hoefde, want dat leek me niets. Bovendien had Amsterdam me altijd al getrokken, ik was er regelmatig bij familie op vakantie geweest. Daar nu een baan te krijgen, dat was eigenlijk wel wat.

Voor ’t sollicitatiegesprek moest ik me vervoegen op ’t adres Nieuwe Hoogstraat 17. Lees verder >>

Jo Daan rond 1970: in eerste instantie wetenschapper

Door Marc van Oostendorp

Jo Daan rond 1970 Foto: collectie Meertens Instituut

Moet een dialectoloog zich inspannen om de Nederlandse dialecten te behouden? Dr. Jo Daan (1910-2006), hoofd van de afdeling Dialectologie van het latere Meertens Instituut – vond van niet. Vandaag is haar 107e geboortedag. In de jaarlijks verschijnende Mededelingen van het instituut voor dialectologie, volkskunde en naamkunde schreef ze in 1969 dat dialectologen “in eerste instantie wetenschappers” waren die zich bezig hielden met “het verzamelen en uitwerken van bandopnamen” om de “regionale en sociale dialecten” te leren kennen.

In een notendop gaf Daan daarmee haar programma.  Ja, ze was betrokken bij de sprekers van de dialecten die ze onderzocht. Maar ze was in de eerste plaats onderzoeker, die als belangrijkste doel had om de wetenschap vooruit te helpen, en die daarbij oog had voor de nieuwste technieken – de bandrecorder – en de nieuwste ontwikkelingen in de taalwetenschap – zoals de sociolinguïstiek, die zich minder bekommerde om geografische taalverschillen en meer om sociale.

Te vlug en te modern

Hoewel ze al rond de zestig was, kwam Daan tussen 1968 en 1973 aantoonbaar tot bloei. Ze had al sinds de jaren dertig voor P.J. (Piet) Meertens (1899-1985) gewerkt, maar waarschijnlijk werd het later naar hem genoemde instituut pas een aangename plaats voor haar toen hij met pensioen ging en werd opgevolgd door de naamkundige D.P. (Dick) Blok (1925). Lees verder >>

Toen de phonologie in de N.R.C. stond

Door Marc van Oostendorp

Ooit waren fonologen – ik ben een fonoloog, ik bestudeer de klanken van het Nederlands – de grote helden van de taalwetenschap. In de jaren twintig en dertig kon je als jonge ambitieuze taalkundige niets beter doen dan fonologie bestuderen. Dát was waar de nieuwe taalwetenschappelijke inzichten konden worden bestudeerd! Dát was waar alle groten van, bijvoorbeeld, de Nederlandse taalkunde zich op richten.

In 1939 werd daarom de Phonologische Werkgemeenschap opgericht. Omdat de administratie daarvan eerst werd gedaan door P.J. Meertens en later door Jo Daan, die hoofd dialectologie was op het instituut waarvan Meertens de directeur was, bevinden die archieven zich op het Meertens Instituut. Het is voor een taalkundige een ontroerend moment om zo’n map open te slaan en daar zoveel bekende namen te zien: Nicolaas van Wijk, Jac. van Ginneken, Berend van den Berg, Klaas Heeroma, P.J. Meertens en Jo Daan; Branco van Dantzig, de ‘moeder van de logopedie’, die een paar jaar later in Auschwitz zou worden vermoord. Lees verder >>

Pas verschenen: A Plank I Saved From a Shipwreck

De Nederlandse graecus Tiberius Hemsterhuis (1685-1766) is vooral bekend als de naamgever van de Schola Hemsterhusiana, waarvan onder anderen L.C. Valckenaer deel uitmaakte. Anders dan laatstgenoemde en andere discipelen liet hij weinig beschouwend taalkundig werk na. Een uitzondering is de Lectio publica de originibus linguae Graecae, maar ook die collegereeks werd bij Hemsterhuis’ leven niet uitgegeven. Het is aan de negentiende-eeuwse taalkundige Joost Hiddes Halbertsma te danken dat dit stukje gedachtengoed, een eeuw later, gepubliceerd is. Maar wat zag Halbertsma in dit werkje, dat in zijn tijd al op onderdelen achterhaald was? En wat beoogde hij met zijn commentaar hierop, dat niet echt een commentaar is? Hierover handelt het inleidende essay van Alpita de Jong in A Plank I Saved from a Shipwreck, de nieuwe tweetalige heruitgave van Halbertsma’s commentaar. Deze uitgave laat zich goed combineren met de recente, geannoteerde tekstuitgave van Hemsterhuis’ Lectio publica de originibus linguae Graecae (2015, herdruk 2017; zie hieronder). Lees verder >>

Schrijnens Handleiding honderd jaar

Door Michiel de Vaan

Honderd jaar geleden verscheen bij Sijthoff in Leiden de Handleiding bij de studie der Vergelijkende Indogermaansche Taalwetenschap, vooral met betrekking tot de Klassieke en Germaansche Talen. Het is een van de weinige Nederlandstalige handboeken van het Indo-Europees geweest, en een van de mijlpalen in de geschiedenis van de Nederlandstalige Indogermanistiek. Een beknopte voorganger was Uhlenbeck 1894, de voorlopig laatste representant van dit genre was Beekes 1990. Die heeft van zijn eigen boek vijf jaar later een Engelstalige versie gemaakt, en het valt niet te verwachten dat een nieuwe Nederlandstalige inleiding nog snel zal verschijnen. In die zin is het een kortlevend genre geweest. Alleen dat al is een reden om even aandacht te schenken aan het jubileum van Schrijnens Handleiding.

De Persoon

Schrijnen heeft op verschillende taalkundige terreinen zijn sporen verdiend. Aan de Indo-Europese taalkunde in het algemeen heeft hij de term “s-mobile” geschonken heeft, die nog steeds in gebruik is voor het verschijnsel dat veel Indo-Europese wortels soms met en soms zonder begin-s verschijnen, bijv. Latijn in teg-ō maar Grieks stég-ō ‘ik bedek’ (Schrijnen 1891, 1937). Verder was hij de eerste die officieel de “algemene taalwetenschap” tot leeropdracht kreeg: in Utrecht in 1921 als buitengewoon hoogleraar, in Nijmegen vanaf 1923 als ordinarius. Ook bemoeide hij zich intensief met de Nederlandse dialectologie, vooral met de Limburgse. Lees verder >>

In Memoriam Henk Schultink

Door Wim Klooster

Op 7 januari van dit jaar overleed Prof. dr. Henk (Hendrik) Schultink op 92-jarige leeftijd. De eerste keer dat ik hem zag moet zo’n 56, 57 jaar geleden zijn, toen ik de pre-candidaatscolleges van Reichling volgde, en hem dan altijd vooraan in de zaal aantekeningen zag zitten maken. Hij was toen assistent (zoals dat toen heette) van Reichling. In die periode was hij ook medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, een voortzetting van zijn Deens correspondentschap bij diezelfde krant. Zo kon hij betrekkelijk heet van de naald “kritische voorlichting geven uit de werkplaats der taalkunde”.  (Voor de lezer van vandaag geen lichte kost, meende J.J. Heldring in 2005 in in zijn rubriek ‘Dezer dagen’ in NRC Handelsblad, ietwat meewarig. “Ik vraag mij af of de huidige lezer er nog tijd en geduld voor zou hebben.”) Henk Schultinks kronieken werden in 2005 gebundeld uitgegeven onder de titel Van onze taalkundige medewerker, bezorgd door Cecile Portielje en Jan Noordegraaf.

Erg lang kan zijn assistentschap bij Reichling niet geduurd hebben, aangezien Henks plaats kort daarna werd ingenomen door Pieter Seuren, die later bij Henk zou promoveren. Henk had al een aanstelling als docent aan de Rijkuniversiteit Leiden, waar Uhlenbeck in de Algemene Taalwetenschap de scepter zwaaide, en bij wie hij in 1962 promoveerde op De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands. Onder taalkundigen, en zeker onder morfologen, kreeg zijn proefschrift grote bekendheid. Ook voor niet-morfologen werd sindsdien groen-groenig-groenerig een overbekende trits. Kort na zijn promotie werd hij datzelfde jaar hoogleraar Algemene Taalwetenschap aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Lees verder >>

Henk Schultink en Anne Frank. Uit een vooroorlogs verleden

Door Jan Noordegraaf

Op 7 januari j.l. overleed de Utrechtse emeritus hoogleraar Algemene Taalwetenschap Henk Schultink. Hij is 92 jaar oud geworden. De gang van zaken op het gebied van de neerlandistiek is hij altijd met belangstelling blijven volgen. Zo was hij vanaf 1963 lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

Enige tijd geleden werd ik door een bevriende oud-student geattendeerd op een foto die sommige Neerlandistieklezers waarschijnlijk wel kennen, maar die ik bij wijze van in memoriam vandaag toch nog eens naar voren haal. Over deze opname, die uit 1938 dateert, wilde ik Schultink nog wat nadere gegevens ontlokken, maar door omstandigheden kon mijn bezoek aan hem geen doorgang meer vinden. Het gaat om deze foto:

afs_a_afrank_iii_036

Lees verder >>

HB: DE FLM

Door Marc van Oostendorp

Afgelopen vrijdag nam Hans Bennis afscheid als directeur van het Meertens Instituut. Ter gelegenheid daarvan maakten Femke Niehof en ik een korte documentaire over hem: HB, met medewerking van veel bekende taalkundigen en neerlandici zoals Geert Booij, Marjo van Koppen, Frits van Oostrom en Gertjan Postma.

De film is natuurlijk ook interessant voor wie meer wil weten over de nieuwe algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie.

Ook Femke gaat trouwens helaas weg van het Meertens Instituut. Ze wordt per 1 januari adviseur wetenschapscommunicatie bij de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht. Ze halen daar (alweer) een groot talent binnen!

HB FLM from Meertens Instituut on Vimeo.

Linkse politiek en taalwetenschap

Door Marc van Oostendorp

imagesIn het begin begreep ik niet welk probleem de Britse antropoloog Chris Knight nu precies wilde oplossen in zijn nieuwe boek Decoding Chomsky. Wat viel er te decoderen? Ja, hij legt in het begin vrij duidelijk uit dat het gaat over een kwestie die anderen ook bezighoudt. Maar die kwestie heb ik ook nooit echt begrepen: hoe is het mogelijk dat Noam Chomsky beroemd is om twee soorten boeken: over taalwetenschap en over internationale politiek?

Ik zou zeggen: sommige mensen hebben nu eenmaal een brede belangstelling, en het is een beetje vreemd om dan per se te willen dat hun liefhebberijen met elkaar in verband staan. Ik kan bijvoorbeeld niet onverdienstelijk stamppot maken, maar men moet mij niet komen vragen wat er overkoepelend is aan mijn taalwetenschap en mijn hutspot. Ik maak ze allebei, dus ik ben het verband,dat is het hele antwoord, en het is ook mutatis mutandis het antwoord dat Chomsky geeft. Het enige verschil is dat hij zoveel energie, talent en concentratie heeft dat hij met allebei zijn belangstellingen wereldberoemd is geworden. Dat kun je op zichzelf dan weer een raadsel noemen, hoe komt iemand zo, maar daar gaat Knights boek niet over. Lees verder >>

De zoon van D.C. Hesseling. Een familiegeschiedenis

Door Jan Noordegraaf

hesselingDe Leidse hoogleraar D.C. Hesseling (15 juli 1859 – 6 april 1941) heeft weliswaar geen Nederlands gestudeerd, maar in de loop van zijn werkzame leven heeft hij zich ook intensief bezig gehouden met de neerlandistiek in de ruime zin van het woord. Meer dan twintig jaar lang was Hesseling bijvoorbeeld redacteur van het Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde. Eind september 1925 schreef hij een briefje aan de secretaris van de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, WNT-redacteur Reinier van der Meulen (1882-1972). Daarin liet hij weten dat hij ‘wegens toenemende doofheid’ ontslag wilde nemen als lid van de Commissie, die hem, ‘een dilettant’ op het gebied van de Nederlandse taal en letterkunde, altijd met ‘voorkomendheid’ tegemoet was getreden.

In taalkundige kringen geldt Derk Hesseling nog steeds als ‘de ontginner van alle Nederlandsche Creoliseringen’ – het woord is van Jac. van Ginneken. Lees verder >>

Mag je frisisten beledigen?

Door Marc van Oostendorp


Kun je je als taalwetenschapper ook met goed fatsoen mengen in taalpolitieke strijd? Voor de frisiste Tony Feitsma (1928-2009) was dit nauwelijks een vraag. Haar leven was gewijd aan het Fries en moet tot de nok gevuld zijn geweest met de Friese taal en de Friese letteren: vol onderzoek, maar ook vol strijd.

Over zo iemand kun je natuurlijk makkelijk een boek vullen en dat hebben vier frisisten onlangs dan ook gedaan: Wittenskip en beweging, waarin ze studies door deskundigen verzamelden over allerlei aspecten van het werk.

Het is een interessant boek, maar ook een beetje een gemiste kans.
Lees verder >>

De vergissing van Saussure?

Door Marc van Oostendorp

Dit jaar precies een eeuw geleden verscheen een van de invloedrijkste boeken uit de geschiedenis van de taalwetenschap: de Cours de linguistique générale (Cursus Algemene Taalwetenschap) van Ferdinand de Saussure (1857-1913).

Het boek verscheen postuum en bevat uitgewerkte collegeaantekeningen van de beroemde taalwetenschapper die bekend was geworden door zijn briljante reconstructies van onderdelen van het Indo-Europees en daarna jarenlang had gezwegen. In de cursus zette hij een nieuwe vorm van taalwetenschap uiteen.

Belangrijk was daarbij onder andere het verschil dat Saussure maakte tussen diachrone en synchrone taalwetenschap. De termen komen allebei van het Griekse chronos, tijd. Diachroon betekent min of meer ‘door de tijd heen’ en synchroon ‘gelijktijdig in de tijd’.

Lees verder >>

Ooggetuigeverslag van de sociolinguïstiek

Door Marc van Oostendorp


Afgelopen zomer ging een van de interessantste taalwetenschappers van onze tijd met pensioen. Vorige week werd hij dan ook 88: William Labov.  Vijftig jaar geleden – zijn proefschrift verscheen in 1966 als boek – heeft hij een enorme zwaai aan de taalwetenschap gegeven doordat hij liet zien dat niet iedere persoon net weer wat anders spreekt dan de ander, en dat iedere persoon ook in iedere omstandigheid weer net wat anders spreekt dan in de andere, maar dat er in die schijnbare chaos een fraaie orde zit, die je er met de juiste statistische technieken uit tevoorschijn kunt toveren. Zo werd de zogeheden variationele sociolinguïstiek geboren. (Ik schreef er vorig jaar een serietje over hier op Neder-L.)

Dat Labov bijna 90 is betekent dat zijn eerste generatie promovendi inmiddels ook al de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. En dat betekent weer dat er zoetjesaan teruggekeken gaat worden. Zoals in het nieuwe boek Making waves waarin de bekende Canadese sociolinguïste Sali Tagliamonte een soort ooggetuigeverslag geeft van de ontwikkelingen in het vak van de afgelopen 50 jaar.

Lees verder >>

Een taalkundige klassieker wordt 50 jaar

Door Marc van Oostendorp


Dit jaar vieren we de vijftigste verjaardag van een taalkundige klassieker: het boek Aspects of the Theory of Syntax van de Amerikaan Noam Chomsky. De auteur was op het moment dat hij dit boek schreef al de beroemdste taalkundige ter wereld, maar het is waarschijnlijk niet overdreven om te stellen dat hij in dit boek de belangrijkste lijnen van zijn werk uitzette – en vrijwel alle begrippen introduceerde waarvoor hij later beroemd zou worden.

Geoffrey Pullum – de best schrijvende Engelstalige taalgeleerde van onze tijd – wijdde al een leuke serie blogposts <hier en hier> aan het boek dat zo’n saaie naam draagt (‘het soort titel dat je op een wiskundeproefschrift zou plakken waarin je wat stellingen bij elkaar gooit zonder overkoepelend thema of boodschap’) maar dat desalniettemin ‘drie of vier vakgebieden op hun kop zette’.

Lees verder >>

Becanus’ tomeloze geestdrift voor de geesteswetenschappen

Door Marc van Oostendorp

Johannes Goropius Becanus wordt in inleidende colleges taalwetenschap wel ingezet om even lekker te lachen. Deze zestiende-eeuwse geleerde had immers voorgesteld dat Adam en Eva in het paradijs Nederlands gesproken hadden, dat het Nederlands dus de oudste en de meest eerbiedwaardige taal was, waar andere talen slechts verbasteringen van waren?

Over vier jaar wordt het vijfhonderdste geboortejaar van deze bespotte allround-intellectueel – behalve taalonderzoeker was hij in ieder geval ook nog een gezien arts en historicus – gevierd. Uitgeverij Verloren lijkt nu in te zetten op een soort Becanus-revival en geeft maar liefst twee boeken uit over hem: een biografie van Eddy Frederickx en Toon Van Hal, en een bloemlezing uit Becanus’ twee belangrijkste overgeleverde werken, de Origines Antwerpianae en de Opera.

Toon Van Hal lijkt in zijn biografie – een herschreven en uitgebreide versie van een onuitgegeven werk van Eddy Frederickx – een enkele keer in te zetten op een soort eerherstel voor Becanus, maar dat lukt maar ten dele.
Lees verder >>

Wat er rond 1864 verdween

Door Marc van Oostendorp

Zodadelijk vertrek ik naar Antwerpen, waar vanmiddag de conferentie Woorden in beweging plaatsvindt, ter gelegenheid van het feit dat Van Dale 150 jaar bestaat.

Die eerste Van Dale werd samengesteld door Calisch en Calisch in 1864. Dat waren roerige tijden voor de Nederlandse taal: vooraanstaande wetenschappers en schrijvers begonnen haar ineens op een heel andere manier te behandelen en te beschouwen. Zelf schreven de samenstellers dat de taal “niet ten onregte bij een gebouw [wordt] vergeleken, waaraan het volk sedert zijne wording arbeidt”, maar dat begon in die tijd net een achterhaalde opinie te worden.
Lees verder >>

De wereld zou nog best wat filologie kunnen gebruiken

Door Marc van Oostendorp

 

De Westerse geesteswetenschappen begonnen allemaal met verbazing over hoe verschillend de mensen zijn. De Grieken hadden twee boeken die ze enorm bewonderden en dagelijks lazen, de Ilias en de Odyssee. Die waren echter in een wonderlijke mengeling van Griekse dialecten geschreven – een mengeling die, net als de inhoud van de boeken, bovendien in de loop der eeuwen natuurlijk steeds ouderwetser werd. De Romeinen werden machtig in het rijk waarin minstens één andere taal en cultuur een belangrijke rol speelde: de Griekse, en ze moesten dus een manier vinden om met al die verschillende soorten Grieks die je alleen al in Homeros vond om te gaan, én een manier om de verschillen tussen het Latijn en het Grieks te begrijpen.

In zijn boek Philology. The forgotten origins of the humanities laat de Amerikaanse historicus James Turner zien hoe de filologie ontstond uit verbazing over die variatie, en pogingen om dat andere begrijpelijk maken, en hoe de traditionele geesteswetenschappen – taalkunde, letterkunde, geschiedenis – uit die filologie ontstonden.

De verandering van filologie van één taal naar filologie van meer talen werd in de Renaissance nog eens overgedaan.
Lees verder >>

Boekaankondiging Neerlandistiek in beeld

Op 31 mei 2013 verschijnt Neerlandistiek in beeld, dat gaat over de ontwikkeling van het universitaire vak ‘Nederlands’. Met wisselend accent bestaat het al ruim twee eeuwen uit de vakgebieden letterkunde, taalkunde en taalbeheersing. Hoezeer die vakgebieden in de loop der tijd ook uit elkaar zijn gegroeid en zelf weer in specialismen verdeeld geraakt zijn, de interesse in taal en taalgebruik is gemeenschappelijk gebleven.

Ruim veertig vakgenoten belichten in dit boek de geschiedenis van hun specialisme: welke onderzoeksvragen zijn er gesteld, welke methoden van onderzoek zijn er gevolgd en welke perspectieven hebben oudere benaderingen mogelijk nog steeds te bieden. Vooropstaat een essay van Jan Noordegraaf, die de eenheid van het vak ‘Nederlands’ in historisch perspectief plaatst. Het boek is samengesteld om bij zijn afscheid van de Vrije Universiteit Amsterdam zijn grote verdiensten te markeren voor het onderzoek van de geschiedenis van de neerlandistiek.

Lees verder >>

Pas verschenen: Honderd jaar taalwetenschap

Onlangs verscheen de bundel Honderd jaar taalwetenschap. Artikelen aangeboden aan Saskia Daalder bij haar afscheid van de Vrije Universiteit, onder redactie van Theo Janssen & Jan Noordegraaf. Het boek is een uitgave van de Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam & Nodus Publikationen, Münster (ISBN 978-90-8880-028-3 / 978-3-89323-771-5), en telt 170 pagina’s. De prijs is 17,50 euro (excl. verzendkosten).

Lees verder >>