Tag: geschiedenis van de taalkunde

Gelaat, gebaar en klankexpressie

Neerlandistiek van 100 jaar geleden

Door Marc van Oostendorp

“Wat zou de wetenschap spoedig een hooge vlucht nemen als wij eris een genie zagen opstaan, dat weer eens alle vakken samen beheerschte met zijn éénig denkhoofd!” Er is maar één persoon in de geschiedenis van de neerlandistiek geweest die zulke zinnen kon schrijven: de Nijmeegse hoogleraar Jac. van Ginneken (1877-1945).

Lees verder >>

als je weet waar ik ben zoek me dan

In memoriam Wim Klooster (1935-2019)

Door Guido Leerdam

Op 15 september overleed Wim Klooster, emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam, op 84-jarige leeftijd, na een kort ziekbed. In de verschillende obits zijn kwalificaties te lezen als “beminnelijk”, “bedachtzaam” (toen hij tijdens college eens – naar de smaak van het gehoor te – lang peinsde over een vraag werd even overwogen of er niet een dokter gebeld moest worden), “taalbeschouwelijk”, en ze zouden met gemak kunnen worden aangevuld met andere, als subtilist, taalmethodist, en het objectiefst: generativist (al zou dat toen, maar ook nu, aan hem de nodige op aarzelende toon uitgesproken tenminste’s en nota bene’s hebben ontlokt).

Lees verder >>

De oorsprong van vreugde: Om triest van te worden!

Een 19e-eeuwse discussie over een kwaadaardig woord

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Brief van Franck aan Cosijn

Van een woord als vreugde kun je alleen maar vrolijk worden, toch? De negentiende-eeuwse taalwetenschappers die hebben bijgedragen aan het eerste etymologisch woordenboek van het Nederlands dachten daar heel anders over. De Duitse filoloog Johannes Franck die deze taak ten deel was gevallen kwam er gauw achter dat de klus veel problemen en frustraties met zich meebracht. Eén van de woorden die hem de meeste moeite kostte was het woord vreugde. Gelukkig kon hij rekenen op de assistentie van zijn Nederlandse collega Pieter Jacob Cosijn, met wie hij brievenlang gediscussieerd heeft over dit “böse wort” (zie ook het eerste artikel van dit drieluik).

Lees verder >>

De oorsprong van het woord gewoon: Om gek van te worden

Een 19e-eeuwse discussie over een zonderling woord

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Titelpagina van Francks etymologische woordenboek

Geen gewoner woord dan het woord gewoon, maar waar komt het eigenlijk vandaan, en wat heeft het te maken met wonen en wennen? Verrassend genoeg zijn deze vragen niet gemakkelijk te beantwoorden. Sterker nog: de opsteller van het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands, Johannes Franck (Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal 1884-1892), had het niet bepaald makkelijk met dit lemma. Dit blijkt uit de ongepubliceerde laat-negentiende-eeuwse briefwisseling tussen hem en zijn collega Pieter Jacob Cosijn, een voormalig redacteur van het WNT en hoogleraar Oudgermaans en Angelsaksisch in Leiden.

Lees verder >>

Etymologische discussies, 19e-eeuwse roddels en een geheime baard

Achter de schermen bij het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Johannes Franck (op latere leeftijd) en Pieter Jacob Cosijn (met baard)

Historische taalwetenschap en etymologie klinkt als een vrij braaf vakgebied, maar ook in deze discipline kan het een slagveld zijn. Etymologen hebben regelmatig tegengestelde meningen en dit levert vaak onenigheid op. Zo ook in de late negentiende eeuw toen het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands in de steigers stond. 

Ruim een eeuw geleden zag dit woordenboek, met de volledige titel Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (1884-1892), het daglicht. Het was geschreven door een Duitse taalwetenschapper genaamd Johannes Franck die eerder verantwoordelijk was voor een grammica van het Middelnederlands (Mittelniederländische Grammatik 1883). Francks woordenboek was het eerste Nederlandse etymologische overzichtswerk dat op wetenschappelijke methoden gebaseerd was, maar werd door de tijdgenoten met veel kritiek en de nodige controverse ontvangen. Een jarenlange briefwisseling tussen Franck en een bevriende Nederlandse collega, Pieter Jacob Cosijn, geeft een uniek kijkje achter de schermen bij de totstandkoming van het woordenboek en het etymologische wapengekletter tussen de twee geleerden.

Lees verder >>

In memoriam Wim Klooster (1935-2019)

Door Hans Broekhuis, Joop van der Horst, Henk Verkuyl

het universum zal steeds wijder gapen
je wendt je tot de arts de lieve heer
’t is al laat ventje
we gaan slapen
Levensloop (fragment)
Uit: Wim Klooster, Een kwestie van tijd (2019)

Wim Klooster ontvangt de Reina Prinsen Geerligsprijs (1955). Bron: Wikipedia

Wim als taalkundig neerlandicus 

Wim Kloosters carrière als taalkundig neerlandicus beslaat een periode van ruim 60 jaar. Hij zal bij velen vooral bekend zijn als de schrijver, samen met Remmert Kraak, van het in 1968 verschenen boek Syntaxis, dat gezien kan worden als de grote wegbereider voor de generatieve taalkunde in Nederland (zie het interview in Onze Taal uit 1999, waarin de auteurs terugblikken op de totstandkoming van het boek). Anders dan veel andere generatief taalkundigen is Klooster zich blijven bezighouden met de vele andere aspecten van de neerlandistiek en heeft hij zich ook in tal van artikelen en als voorzitter van de Landelijke Vereniging van Neerlandici (nu opgegaan in de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek) ingezet voor de belangen van de Neerlandistiek als geheel.

Lees verder >>

Het Louise Kaiser Instituut

Door Marc van Oostendorp

Louise Kaiser (zelfportret, 1949)

Romanschrijvers hebben later hun best gedaan van het Meertens Instituut een toonbeeld van saaiheid te maken, maar het begon met een persoonlijk drama. In een recent artikel in Nederlandse Taalkunde geeft de biograaf van P.J. Meertens, Theo van der Meer, nieuw inzicht in dat drama.

De contouren ervan waren bekend. Het ging in de jaren twintig en dertig niet goed met het dialectonderzoek in Nederland en Vlaanderen. Waar aanpalende taalgebieden grote en gedetailleerde atlassen hadden van taalverschijnselen, was het bij ons armoe troef. Een groep geleerden, waaronder G.G. Kloeke (1887-1963), misschien wel de grootste dialectonderzoeker die Nederland ooit heeft gekend, wilde daar een einde aan maken door een Dialectenbureau op te zetten dat in een aantal jaar tijd een goede atlas zou produceren.

Lees verder >>

Louise Kaiser zingt ‘A’. Een miniatuurconcert van Louise Kaiser.

Door Elise ’t Hart

In het audio archief van het Meertens Instituut zit een grote hoeveelheid bijzondere opnames van Louise Kaiser. Een deel van deze collectie is opgenomen op wasrollen. Steeds wanneer Kaiser een opname startte op wasrol, zong ze een ‘A’. Ik heb de ‘A’s verzameld en achter elkaar geplakt, een miniatuurconcert is het resultaat.

Louise Kaiser (1891-1973) was de eerste vrouwelijke lector van de UvA. Kaiser geldt als een pionier in de fonetiek. In haar onderzoeksmethoden was zij haar tijd vooruit. Zo experimenteerde zij met geluidsapparatuur en maakte zij als eerste in haar vakgebied gebruik van grote aantallen proefpersonen.

(Beluister deze opname op SoundCloud)

Lambert ten Kate en het Maleis

Door Jan Noordegraaf

Een oudere generatie neerlandici heeft tijdens de studie ongetwijfeld de naam van de Amsterdammer Lambert ten Kate (1674-1731) leren kennen. Deze veelzijdige geleerde was onder meer de auteur van de Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake (1723), een taalkundig werk dat veel invloed heeft gehad, niet alleen in de achttiende eeuw, maar ook later. ‘Ik weet niet beter of ’t is byna alles nieuw en onverhandelt, en, zo ’t mij toegeleek, van ’t gewigtigste in onze Taelkunde en in die van alle onze Taelverwanten, zo Hoogduitschers als Engelschen, Zweden en Deenen’, schrijft Ten Kate in een brief uit 1729. De laatste decennia zijn in de vakliteratuur allerlei aspecten van leven en werk van Ten Kate aan de orde geweest, zoals de BNTL wel laat zien. Toch blijft Ten Kate telkens weer verrassen. Dat blijkt wel uit een recent artikel van VU-taalwetenschapper Lourens de Vries over George Henrik Werndly’s Maleische Spraakkunst uit de eige schriften der Maleiers opgemaakt (1736), een boek dat binnen de neerlandistiek niet helemaal ongezien is gebleven. De studie van De Vries, ‘Newton goes East: natural philosophy in the first Malay grammar (1736) and the first Malay Bible (1733)’, is verschenen in een tijdschrift dat niet iedere neerlandicus frequent onder ogen komt. Ik signaleer daarom kort enkele punten uit het artikel van De Vries over de relatie Ten Kate – Werndly. Lees verder >>

Methodoloog met een hart

Door Marc van Oostendorp

Volgens mij ken ik Roeland van Hout al meer dan 25 jaar. Ik was net begonnen als promovendus aan het Center for Language Studies – toen nog een samenwerking van de Tilburgse en de Nijmeegse universiteiten. Dat CLS had de lovenswaardige regel dat in de taalkunde gepromoveerden over álle takken van de taalwetenschap evenveel moesten weten als een in die richting afgestudeerde.

Ik moest daarom onder andere mijn sociolinguïstiek bijspijkeren.

Roeland heeft me daarin ingeleid, al weet ik niet meer precies wat ik moest doen. Ja, een boek van Labov lezen, geloof ik, maar ik weet niet eens meer welk boek dat dan was. Ik herinner me vooral het gesprek dat we hadden, de een beetje plagerige toon over het feit dat ik ‘generatieve fonologie’ ging doen, mijn een beetje plagerige toon over de taalvariatie in New York en Nijmegen. Lees verder >>

Onderzoek zonder Facebook, hoe ging dat eigenlijk?

De geschiedenis van de collectie Nederlands in de Verenigde Staten in tien vragen.

Door Douwe Zeldenrust

Recent is aan het Meertens Instituut onder leiding van Nicoline van der Sijs het onderzoeksproject ‘Vertrokken Nederlands’ gestart. De onderzoekers zetten tegenwoordig digitale technieken in en gebruiken Facebook voor de contacten met de informanten. Dat ging in de jaren ’60 van de vorige eeuw, toen Jo Daan onderzoek deed en resten Nederlands in het buitenland vast wilde leggen, wel anders. Zij vertrok met een bandrecorder voor enkele maanden naar de Verenigde Staten en kwam terug met meer dan 100 opnames. De geluidsbanden en ook de bijbehorende documenten met daarin onder andere een reisverslag, zijn onderdeel van de collecties van het Meertens Instituut. De geschiedenis van die collectie is in tien vragen te reconstrueren.

Jo Daan (rechts) in Amerika (1966). Op de voorgrond staat een van de audioapparaten die Jo Daan gebruikte..

Lees verder >>

René de Saussure en het woord

Door Marc van Oostendorp

René de Saussure

Ferdinand de Saussure  (1857-1913) was een van de beroemdste taalwetenschappers van zijn tijd, iemand die als jonge twintiger al enige verbazingwekkende ontdekkingen op zijn naam had staan. Toen hij hoogleraar in Genève werd, werd hij dan ook af en toe overstelpt met uitnodigingen. En één keer stuurde hij zijn broer, René.

Het was een uitnodiging van een groep esperantisten. Die taal stond in die tijd, rond de eeuwwisseling, sterk in de belangstelling onder intellectuelen. Door moderne technologie als de trein en de telegraaf was de wereld aan het eind van de negentiende eeuw een stuk kleiner geworden en daardoor de taalproblemen een stuk voelbaarder. Zouden zulke problemen ook niet technologisch kunnen worden opgelost, met een taal die gemaakt was om zo transparant mogelijk te zijn?

De esperantisten organiseerden een congres in Genève en dachten dat ze de steun van een beroemde taalkundige wel konden gebruiken, maar Ferdinand stuurde dus zijn broer. Lees verder >>

In memoriam Morris Halle (1923-2018)  

 Door Marc van Oostendorp

Morris Halle in 2011. Foto: Michael Yoshitaka Erlewine (Wikipedia).

Morris Halle, de Lets-Amerikaanse taalkundige die gisteren op 94-jarige leeftijd overleed, was geen gemakkelijke man. Hij was altijd, onvermoeibaar, bezig om gaten in andermans argumentatie te schieten, en het maakte hem daarbij niet uit of die ander nu zelf een beroemdheid was of een volkomen beginner. Of het nu de feiten waren die niet klopten of de analyse die hem niet aanstond: Halle stond op en gaf met een stem die veel collega’s kunnen nadoen en nog veel meer collega’s soms in een nachtmerrie horen, ongezouten commentaar.

Dat niet-gemakkelijke heeft hem ver gebracht. Zo werd hij, samen met Noam Chomsky, de auteur van een van de belangrijkste boeken van de fonologie (mijn specialisatie) aller tijden: de Sound Pattern of English. De fonologie was een generatie eerder, door de zogeheten structuralisten, waaronder Halle’s leermeester Roman Jakobson, tot hét model van de wetenschappelijke beoefening van de moderne taalwetenschap gemaakt. Het was die status door Chomsky’s werk uit de jaren vijftig en zestig verloren aan de syntaxis. Door de Sound Pattern kwam de fonologie weer terug in de belangstelling, als een zuster van de syntaxis.

Bovendien lieten Chomsky en Halle zien dat er zelfs achter ogenschijnlijk chaotische domeinen zoals de spelling en de klemtoon van het Engels, door de structuralisten niet veel bestudeerd, een elegant systeem verborgen zat. Dat heeft voor zover ik kan zien bijvoorbeeld ook geen enkele fonoloog van het Nederlands onberoerd gelaten: sinds de late jaren zestig heeft aantoonbaar ieder werk over de klanken van het Nederlands iets meegepikt van de Sound Pattern. Lees verder >>

Database Geschiedenis Nederlandse Taalkunde (DAGENTA) gelanceerd

Door Nicoline van der Sijs

Tijdens de Grote Taaldag, gisteren, is de Database Geschiedenis Nederlandse Taalkunde (DAGENTA) gelanceerd. DAGENTA is een database in opbouw. De nu gelanceerde collectie is gebaseerd op het papieren archief van oude taalkundige werken dat Geert Dibbets, bijzonder hoogleraar Geschiedenis van de Nederlandse grammatica in West-Europese context, had achtergelaten aan de Nijmeegse universiteit. Student-assistent Bo Grisel heeft, onder leiding van Marten van der Meulen en Nicoline van der Sijs, de bibliografische gegevens van dit archief ingevoerd in een database, en bij de meeste titels de tekst van het complete werk als doorzoekbare pdf toegevoegd. Daarvoor is ze nagegaan of er inmiddels een digitale versie van het werk voorhanden is, bijvoorbeeld bij Googlebooks; was dat niet het geval, dan is de papieren versie uit het archief gescand. De website is ontwikkeld door het Humanities Lab van de Nijmeegse letterenfaculteit.

In figuur 1 staat hoe de werken over de tijd zijn verspreid. Het grootste aantal van de werken blijkt afkomstig uit de tweede helft van de 18e eeuw. 

Figuur 1. Spreiding over de tijd

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 11

door Jan Stroop

De verhuizing naar de Keizersgracht bracht een ingrijpende verandering met zich mee in ’t koffiegebeuren. Aan de Hoogstraat was dat nauwelijks een ’gebeuren’ geweest: de koffie werd door de conciërge rondgebracht en geserveerd. In ’t nieuwe gebouw werd koffiedrinken een gezamenlijke aangelegenheid. De tweede hal kreeg de functie van ‘koffieruimte’. Twee keer sochtends  verzamelden de medewerkers van de drie afdelingen zich daar. Ze konden hun koffie ophalen aan een doorgeefluik, dat in ’t verleden dienst gedaan had als loket; bedenk onze nieuwe behuizing  Keizersgracht was een voormalig bankgebouw.

Smiddags was er collectieve thee. Één keer maar.  Daar kwamen altijd maar een paar mensen.

Lees verder >>

In memoriam voor Johan Taeldeman (23.12.1943 – 31.10.2017).

Mens van goede wil, schatbewaarder van de Nederlandse taal

Door Georges de Schutter en Frans Hinskens

Johan Taeldeman werd geboren in het kerkdorpje Kleit, aan de oostelijke kant van de provinciegrens tussen West- en Oost-Vlaanderen. Zijn vader was arbeider in een plaatselijk bedrijf, zijn moeder huisvrouw zoals het in die tijd betaamde. Hij had een broer en een zuster.

Zijn vader was actief voor het Algemeen Christelijk Vakverbond, een Belgische christelijke vakvereniging, maar Johan heeft de keuze voor de katholieke zuil al heel vroeg verworpen, en heeft het engagement van zijn vader vertaald naar wat hij als het enige deugdelijke alternatief zag. Johan Taeldeman is zijn hele leven socialist geweest. Die overtuiging heeft hij ook aan zijn drie kinderen doorgegeven en de grootste genoegdoening van zijn laatste, moeilijke jaren was de benoeming van zijn jongste, de sociaaldemocraat Sven Taeldeman, als schepen (wethouder) van o.a. milieuzaken in Gent. Groot was Johan Taeldemans engagement voor de cultuur van de volksmens van het Oost-Vlaamse platteland en voor zijn taal. Johan is verrassend vroeg uit zijn geboortedorp weggegaan: op z’n twaalfde werd hij op internaat gestuurd naar Eeklo. Dat was wel nog het Meetjesland waar ook Kleit toe behoort, maar als half stedelijk centrum was het anders en veel minder intiem dan Kleit. En daarna kwam de Gentse periode, eerst nog wat halfslachtig, toen hij in zijn studieperiode buiten de lessen weer thuis verbleef, daarna helemaal. Johan heeft daarna in Landegem verbleven, kort in Gent zelf, in Landskouter en uiteindelijk in Balegem. Wie Oost-Vlaanderen kent, ziet een lijn van het noordwesten naar het centrale zuiden, steeds verder van zijn geboortedorp vandaan. Johan Taeldeman heeft dus niet lang in Kleit gewoond; maar de relatie tussen hem en zijn geboorteplaats is er niet minder hecht door, want Kleit en zijn bewoners en niet te vergeten zijn taal hadden bezit genomen van zijn geest. Zij waren in Johan Taeldeman gaan wonen, en ze zijn daar tot zijn dood gebleven. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 10

door Jan Stroop

Midden 1969 kregen we te horen dat we zouden gaan verhuizen. De Anna Visscherschool werd te klein. Er was van de kant van de Akademie geld vrijgekomen om nieuwe medewerkers aan te trekken, maar de oude school had daar te weinig ruimte voor. We zouden naar een voormalig Bankgebouw gaan aan de Keizersgracht, nummer 569-571.

Ruim van te voren werd er vergaderd over de verdeling van de ruimtes, welke afdeling komt op welke verdieping. In ’t oude gebouw zaten we  gelijkvloers en de verdeling van de ruimtes daar was een gevolg geweest van anciënniteit. De afdeling die ’t  er eerste was, was Dialectologie. Die hoefde dus niet te kiezen. De andere Volkskunde en Naamkunde werden later opgericht en die kregen dus wat er aan kamers overbleef (Volkskunde) of wat er speciaal voor bijgebouwd was (Naamkunde).

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 9

door Jan Stroop

Mevrouw Daan was er al vroeg (1957) bij om een bandrecorder aan te schaffen – sommigen zeiden nog bentrecorder –  om er dialecten mee op te nemen. De toenmalige directeur Meertens voelde er niet veel voor: nieuwlichterij. Maar Daan zette door en die recorder kwam er. Behalve voor dialectopnames voor de collectie van ’t bureau gebruikte ze hem ook voor de enquêtes voor de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (de RND).  Binnen dat project was Daan de provincie Noord-Holland toebedeeld.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 8

Door Jan Stroop

“Wat zou u ervan vinden om ook eens dialectopnames te gaan maken”, vroeg mevrouw Daan me onverwacht. Ik was verrast want ik had dat nog nooit gedaan en ik vroeg of ik dat wel zou kunnen. “Nou, zo moeilijk is dat niet. U hebt toch wel eens met een bandrecorder gewerkt? ’t Belangrijkste is dat je je mond houdt en de mensen laat praten. U gaat met juffrouw Francken en die heeft genoeg ervaring.” ’t  Leek me ook wel een mooi avontuur. OK dus.     [opname in Melik (L.), 23 maart 1972]

Lees verder >>

‘Taal baart men zorgen’

Door Roland de Bonth

In de laatste aflevering van de ‘Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?’ merkt Peter-Arno Coppen tot zijn spijt op dat er geen enkele anekdote is toegevoegd over de die week geboren en gestorven neerlandici. Had ik dan toch melding moeten maken van het T-shirt dat ik in het begin van de jaren negentig had laten bedrukken met een portretgravure van Balthazar Huydecoper (1695-1778) en dat ik droeg tijdens een lezing over zijn werk op een congres van de Studienkreis Geschichte der Sprachwissenschaft? Nee, toch? Wel heb ik op de Facebookpagina Leraar Nederlands gemeld dat  we op 23 september 2017 de 239e sterfdag herdenken van Huydecoper, een taalkundige die zich zijn leven lang heeft beijverd voor een correct gebruik van het Nederlands en daarom lange tijd te boek heeft gestaan als ‘een taaldespoot uit de pruikentijd’.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 7

door Jan Stroop

Behalve bij de contactbijeenkomsten opereerden de drie afdelingen van ’t Instituut niet vaak gezamenlijk. Als er eens een jubilaris was dan zochten we die allemaal op en dan luisterden we naar de toespraakjes en zongen “Lang zal ze/tie leven”, gevolgd door “Hij/Zij leve hoog, ja hoog.”  Gevolgd door koffie met gebak.

Één keer in de zoveel jaar kregen we instructieles van een brandweercommandant. De medewerkers van ’t hoofdgebouw en wij begaven zich dan naar de zolder van ’t Trippenhuis, alwaar ons uitgelegd werd wat we te doen en te laten hadden, als er brand was. Toen heb ik geleerd dat je beter een gebouw met zware eiken balken kunt hebben zoals ’t Trippenhuis, dan een met stalen of ijzeren balken. Houten balken branden nauwelijks, die van staal en ijzer ook niet, maar die buigen door.

Han Voskuil had zijn onderzoek verlegd van immateriële zaken als kabouters, dwaallicht, omgang met de nageboorte van ’t paard, naar materiële zaken, de wanden van het boerenhuis in Nederland bijvoorbeeld. Lees verder >>

Jaap de Rooij en de ANS

Door Walter Haeseryn

De geestelijke vader van de ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst, is niet meer. Dr. Jaap de Rooij is op 24 augustus 2017 overleden (zie het in memoriam door Jan Berns).
Het initiatief voor een uitvoerige grammaticale beschrijving van het hedendaagse Nederlands, die onder meer dienstig moest zijn voor het onderwijs aan anderstaligen, was afkomstig uit de kringen van de buitenlandse neerlandistiek. Als sinds de jaren zestig van de vorige eeuw werd de behoefte aan een dergelijke grammatica met enige regelmaat geëxpliciteerd in resoluties op de driejaarlijkse colloquia van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN).

De mogelijkheden om tot de gewenste grammatica te komen werden onderzocht in de schoot van het Belgisch-Nederlands Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, het toenmalige overlegorgaan van de hoogleraren Nederlandse taalkunde. Deze verkenning resulteerde in een opdracht voor voorbereidende werkzaamheden, gesubsidieerd door de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO) en het Belgisch Fonds voor Kollektief Fundamenteel Onderzoek (FKFO). Met die opdracht werd Jaap de Rooij belast. Die keuze was niet toevallig. Jaap was van 1962 tot 1970 lector Nederlands in Stockholm en Uppsala geweest en was sinds 1970 lid van het IVN-bestuur en wist uit eigen ervaring wat de behoeften en wensen van de docenten in het buitenland waren. Zelf had hij ook samen met zijn Zweedse collega, Ingrid Wikén Bonde, in 1971 een Nederländsk grammatik geschreven. Lees verder >>

In memoriam Dr. Jaap de Rooij 25 oktober 1931 – 24 augustus 2017

Door Jan Berns

Jaap de Rooij, die op 1 juli 1970 de collega van Jan Stroop en mij werd op het Dialectenbureau, had ik al leren kennen in mijn studententijd in Nijmegen, hij was al afgestudeerd, maar nam nog geregeld deel aan de aktiviteiten van het Gilde achter ’t Vercken, de vereniging van Nijmeegse Neerlandici.

Voskuil geeft in Het Bureau (2: 30) een rake typering van hem: ”Hij had een verfijnd, heel nauwkeurig stemgeluid, een rood hoofd met een klein mondje, een snorretje en kortgeknipt rood haar. De ironie in zijn stem herinnerde Maarten elke keer weer aan Beerta, hoewel hij verder geen overeenkomsten zag.” Jaap figureert in de romancyclus al vanaf deel één als Bart de Roode, de neerlandicus die in zijn vakanties op het bureau aan zijn proefschrift werkt. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 6

door Jan Stroop

Om ’t contact met de correspondenten/medewerkers in den lande te onderhouden organiseerde ‘t Instituut elk jaar een paar bijeenkomsten, telkens in een andere provincie. Er werd een centraal gelegen plaats gekozen, waar een zaaltje afgehuurd werd. ’t Was altijd op een zaterdag. Die bijeenkomsten werden altijd goed bezocht.

De eerste bijeenkomst die ik meemaakte was in Drachten, in Friesland. De collega’s van de drie afdelingen hielden een praatje. Ik was toen nog toehoorder. Mevrouw Daan begon haar verhaal over waar haar afdeling mee bezig was, o.a. de Taalatlas en de Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling (ANKO). Ze sloot  af met een hommage aan de medewerkers. “Zonder uw medewerking kunnen wij ons werk niet doen. Hartelijk dank daarvoor.”

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 5

door Jan Stroop

“Wat is ’t hier warm, kan er geen raam open?”, zo stoof ze binnen, mevrouw Daan, op die ochtend. Ik stelde voor: ”Zal ik de kachel dan ook maar uitdoen”? Zij: “Jij bent echt niet goed snik, Jan Stroop”.

Die kachel, dat was een enorm beest. In elk lokaal stond er zo een. Ze hadden een flink vermogen. Dat mocht ook wel want zo’n hoog lokaal was moeilijk warm te krijgen. Onze kachel haperde ook weleens. Dan was ie ongemerkt uitgegaan, terwijl de olietoevoer toch rustig bleef doorstromen. Als ik dat ontdekte, want ik zat er vlak naast, moest ik alarm slaan en de conciërge waarschuwen. Die kwam dan aanzetten met een stapel wc-rollen om de olie-overstroming mee op te nemen en te deppen. Als de kachel weer aangestoken werd, bleef ie de eerste tijd loeiend staan branden, vanwege de royale hoeveelheid olie die er toch nog in stond.

Lees verder >>